Category Archives: Jeugdherinneringen

Een mondeling tentamen

Tijdens mijn eerste studiejaar aan de TH Twente had ik een keer een mondeling tentamen bij professor P. Het ging niet erg goed en dat kunnen we met een gerust hart een understatement noemen. Bij één vraag had ik zelfs de neiging om te vragen of het onderwerp wel tot de tentamenstof behoorde, zo weinig wist ik er van af.

Na afloop van het tentamen vroeg de professor: “En wat denkt u dat u heeft, een onvoldoende of een voldoende?” Omdat ik mijn eigen graf niet wilde graven, zei ik tegen beter weten in. “Net voldoende, een klein zesje misschien?”

Waarop de professor met een ongepast gevoel voor humor zei: ‘En zelfs die vraag heeft u fout beantwoord!”

groucho marxDit is overigens niet professor P. maar Groucho Marx in Horse Feathers (1932)

Dansen op zijn Italiaans

In 2001 gingen we naar Italië op vakantie. De dochters waren acht en zes jaar oud. De autoslaaptrein bracht ons en de auto naar Bologna en vandaaruit reden we naar Toscane. In de auto moesten we de hele tijd naar liedjes van K3 luisteren. Ik kan er zo nog een paar mee zingen. We reden over een tolweg, maar toen we er af reden hoefden we niet te betalen. Er zat niemand in het hokje en de slagboom stond omhoog. De Italianen waren weer eens aan het staken.

De eerste week sliepen we in een Eurocamp-tent op een camping bij Sarteano. De camping lag pal naast het dorp en de faciliteiten werden ook deels door de plaatselijke bevolking gebruikt. ‘Een van de zwembaden is exclusief voor de gasten van de camping’ aldus de juichende Eurocamp-recensie. Wat ook gemeenschappelijk werd gebruikt was de dansvloer van het amfitheater op de camping.

In het weekend kwam de plaatselijke bevolking naar de camping. Om te dansen op het podium van het amfitheater. Van oude dametjes in het zwart gekleed tot de jeugd in jeans. Op Italiaanse volksmuziek deden ze een soort line dancing. De voorste van de groep deed telkens een bepaalde beweging – een stapje naar rechts, een draai naar links, een rare handbeweging; dat soort werk – en de rest volgde het voorbeeld.

dorpelingenDansende dorpelingen, zoals vastgelegd door Peter Paul Rubens omstreeks 1630

Een paar campinggasten waagden zich ook op de vloer en gingen met de groep mee dansen. De dochters wilden graag dat papa en mama ook mee deden. Na lang aandringen, vooral duwen, waagden wij ons ook op de dansvloer. Maar wel helemaal achteraan.

De ‘dansleider’ deed een stapje naar rechts, de groep en wij deden een stapje naar rechts. De dansleider deed een stapje naar links; de groep en wij deden een stapje naar links. De dansleider klapte drie maal in de handen en draaide een halve slag om; de groep en wij klapten drie maal in de handen en draaiden een halve slag om. En toen waren wij dus de voorsten van de groep en daarmee dansleider.

Oeps, dat was niet de bedoeling. Daarvoor stonden we niet achteraan. We deden een stapje naar links; de groep deed een stapje naar links. We deden nog een stapje naar links; de groep deed ook weer een stapje naar links. En na nog twee stapjes naar links stonden we bij het trapje en konden we van het podium af en naar onze kinderen lopen. De groep bleef gelukkig op het podium staan.

Zo, dat was leuk hè” zeiden we tegen de kinderen.

Rechtlijnig tekenen

Dat er sprake is van een lerarentekort zal geen ‘breaking news’ zijn. (Tussen haakjes, ik las ergens een stukje op internet van iemand die het had over ‘leraren te kort’. Dat is een heel ander probleem.) Nu hadden we in mijn tijd – ok, dit is ook mijn tijd, ik bedoel mijn schooltijd – ook al een lerarentekort. Het betrof in dit geval een tekort aan leraren boekhouden.

Ik zat in de examenklas van de HBS. Het was het laatste jaar dat de HBS bestond. We hadden een stuk of vijftien vakken. Eén van die vakken was een keuzevak. Je kon kiezen uit tekenen of boekhouden. “Makkelijke keuze” zult u zeggen. Tekenen natuurlijk! Ik koos dus voor boekhouden.

Dat had een tweetal redenen. Ten eerste had en heb ik geen enkel aanleg voor tekenen. Ik had wel de creativiteit om iets te verzinnen, maar absoluut niet de techniek om een idee goed uit te werken. Zie hieronder bijvoorbeeld mijn vis op pootjes.

vis

Voor het geval u denkt “Heeft hij die tekening al die jaren bewaard?” luidt het antwoord: nee, ik heb hem net even in twee minuten tijd op de achterkant van een kladblaadje opnieuw getekend. U ziet, het idee is er, maar de tekentechniek absoluut niet. Nu viel daar nog wel over heen te komen, maar wat veel vervelender was, was dat het vak tekenen uit twee delen bestond, naast gewoon tekenen was er ook het onderdeel ‘rechtlijnig tekenen.’ Dat laatste kon ik absoluut niet.

Bij rechtlijnig tekenen moet je eerst met een potlood, driehoeken en een liniaal een rechtlijnig figuur tekenen en daarna met inkt de lijntjes ‘kleuren’. Daar was ik niet zo goed in om het maar eens voorzichtig te zeggen. Regelmatig viel er een druppel inkt van mijn pen af en als die op je tekening kwam, dan moest je die inktvlek eerst met vloeipapier deppen en daarna het eventuele restant met een scheermesje er af krabben. Het scheermesje was dan ook mijn belangrijkste tekengereedschap.

Ook overkwam het mij wel eens dat – in de zeldzame gevallen dat  ik er in slaagde een lijn met inkt in te kleuren zonder dat ik een druppel van mijn pen liet vallen – dat ik daarna, wanneer ik voorzichtig mijn liniaal van de inktlijn weghaalde, ik een heel spoor inkt mee trok. Nee, rechtlijnig tekenen was niet echt mijn ding.

Ik ging daarom liever boekhouden en bovendien was er een tweede reden om voor boekhouden te kiezen. Er was geen leraar boekhouden. De school kon niemand vinden. Van mijn vader, die ook leraar aan de school was, wist ik dat zo lang de school geen leraar boekhouden kon vinden, de leerlingen die voor boekhouden hadden gekozen het boekhoud-uur vrij zouden krijgen. Dat leek me een buitengewoon aantrekkelijke vooruitzicht en ik koos dan ook enthousiast voor boekhouden.

In december had de school nog steeds geen leraar boekhouden kunnen vinden en helaas moesten na de kerstvakantie de boekhoudleerlingen daarom ook gaan tekenen. Je moest namelijk wel een cijfer voor het keuzevak hebben, anders kon je niet slagen. Het gemiddelde rapportcijfer telde bij het keuzevak als het cijfer voor het eindexamen.

Het creatieve tekenen lukte nog wel, maar het rechtlijnig tekenen was zoals gebruikelijk weer een grote ramp. Van de tekenleraar hoefde ik gelukkig maar één tekening te maken en vlak voor het einde van het schooljaar had ik met veel pijn en moeite de tekening bijna af. Op sommige plaatsen kon je vanwege het vele krabben met mijn scheermesje bijna dwars door de tekening heen kijken.

Op een dag ging ik even wat inkt van mijn handen af wassen. Toen ik bij mijn plek terug kwam, zag ik een jongen de inkt van zijn pen aan mijn tekening afvegen. Verbijsterd staarde ik hem aan. Hij dacht dat het een kladblaadje was en wou even zijn pen schoonvegen. Nee, dat was geen kladblaadje, dat was mijn nette tekening,  stamelde ik.

De leraar kwam er bij. Ik legde uit wat er was gebeurd. Hij keek naar de inktvlekken. Daar viel niet meer tegen aan te krabben. Dat was een probleem zei de leraar. Van de Rijksgecommitteerde moest hij van elke leerling minstens één tekening kunnen laten zien. Hij zou me wel even helpen.

Hij pakte een nieuw blad. Snel hij zette met potlood een figuur op en begon de lijntjes met inkt in te kleuren. Af en toe gaf hij mij de pen, want er moest wel een stukje eigen werk in zitten. Bij het eerste lijntje dat ik trok, viel er prompt een druppel inkt van mijn pen af. Mooi, dat stukje eigen werk is goed te zien sprak de tekenleraar bemoedigend.

Uiteindelijk kwam de tekening af. De leraar gaf mij er een zes voor. Een mooi cijfer vond ik.

 

 

Personeelspsychologie (1)

Alvorens ik met mijn blog begin – ok, eigenlijk ben ik al begonnen – wil ik u eerst even deze foto laten zien.

Monroe

Het is een foto uit 1945 gemaakt door de Amerikaanse legerfotograaf David Conover. De foto verscheen op 26 juni 1945 in het blad ‘Yank, the Army Weekly’, een blad voor Amerikaanse militairen tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Op de foto staat een vrouw met een propeller in de hand die in een vliegtuigfabriek werkt. Het is echter niet zo maar een vrouw die hier aan het werk is. Het is een nog jonge – ze is hier negentien jaar oud – Norma Jeane Dougherty. Later is ze onder een andere naam beroemd geworden. U kent haar als Marilyn Monroe.

Maar goed, nu de blog van vandaag. Tijdens mijn studie Bedrijfskunde aan wat toen nog de TH Twente heette, hadden we ook een vak dat personeelspsychologie heette. Het werd gegeven door professor Aloysius van Hoesel. In het dagelijkse leven was hij hoofd van de psychologische dienst van AKZO en daarnaast was hij buitengewoon hoogleraar in de algemene bedrijfspsychologie aan de TH Twente.  Op een geestige manier probeerde hij altijd zijn studenten wat praktische psychologische kennis bij te brengen.

Zijn colleges waren erg  leuk en daarom ook heel populair. Soms zat er zelfs wel eens een portier of een meisje uit de kantine in de zaal, niet om college te volgen maar gewoon omdat ze gehoord hadden dat hij zo grappig les gaf. Op een dag kwam er vlak voor de pauze zijn secretaresse opeens de zaal in lopen. Ze droeg een bord met daarop de tekst ‘Na de pauze een test’. Ze liep een keer heen en weer voor de zaal langs, zwaaide nog even bij de deur en verliet toen de zaal. We keken haar met een verbaasde blik na. De professor zei er niks over.

Na de pauze kwam hij er op terug. “Weet u nog dat mijn secretaresse voor de pauze de zaal binnen kwam lopen?” Ja dat wist iedereen nog. “En weet u nog dat ze een bord droeg?” Ja, dat wist ook iedereen nog. “Ok, nu gaan we een test doen. Ik ga u niet vragen wat er op dat bord stond, dat diende slechts als afleiding, ik wil graag dat u opschrijft wat voor een kleren ze droeg. De linkerhelft van de zaal krijgt een multiple choice formulier, de rechterhelft een leeg blaadje waar ze zelf op moeten schrijven wat ze droeg.”

Ik zat in de linkerhelft. Ik kon kiezen uit een zwarte broek, een bruine broek of een blauwe broek. Eerlijk gezegd wist ik niet goed meer wat ze aan had. Ik had ook meer op het bord gelet dan op wat ze droeg. Het stond me vaag bij dat ze iets blauws aan had en ik kruiste het vakje met ‘blauwe broek’ aan.

Toen iedereen klaar was, riep de professor zijn secretaresse binnen om de papieren op te halen. Ze droeg een blauwe jurk.

Wacht maar even met ophalen van de papieren van de linkerhelft. Ik denk niet dat het nodig is” zei hij. “Of is er iemand van die helft die niet één van de drie broek-mogelijkheden heeft aangekruist, maar op het papier heeft geschreven dat ze een jurk droeg?” Nee, dat had niemand gedaan. Iedereen had voor één van de drie broek-mogelijkheden gekozen.”

Wat we hiervan leren, althans dat is de bedoeling”, sprak de professor vervolgens, “is dat mensen veel te gemakkelijk op een autoriteit af gaan. U krijgt een papiertje van een autoriteit, in dit geval van mij als professor , met alleen maar foute informatie er op. Toch besluit u allemaal om één van de drie door mij aangereikte mogelijkheden aan te kruizen. Niemand durfde mij tegen te spreken en op te schrijven dat ze een jurk droeg, als u het al gezien had. Kortom, kijk heel goed uit met het klakkeloos overnemen van informatie die u van een autoriteit krijgt aangereikt

Ook kunnen we hiervan leren”, vervolgde hij, “dat open vragen in de vorm van “Wat zag u?” vaak een beter resultaat opleveren dan een gesloten vraag in de vorm van: “Was het een zwarte broek? Maar om dat laatste te controleren, vraag ik mijn secretaresse nu even snel de antwoorden van de rechterhelft te controleren.”

De uitkomst was dat slechts zo’n 20% procent een blauwe jurk had opgeschreven. De rest had of de kleur fout of broek in plaats van jurk opgeschreven. “Het leerpunt hiervan is” zei de professor “dat getuigen vaak onbetrouwbaar zijn. Slechts een kwartiertje geleden heeft u haar zien lopen. Toch geeft 80% van u een foute beschrijving van haar kleren. Nu werd u afgeleid door het bord dat ze droeg, maar in het dagelijks leven zijn er heel veel zaken die afleiden. Kortom, wees heel voorzichtig als iemand u iets vertelt wat  hij heeft meegemaakt, behalve als hij zegt dat hij een goed college van mij heeft bijgewoond. Dan moet u hem direct geloven.”

Om te kijken of u een goede getuige bent, mag u nu – zonder naar boven te scrollen – bedenken wat voor kleren Marilyn Monroe op de foto aanhad. Weet u het nog? Dan mag u nu kijken of u het goed had.

 

Een kind dat (niet) slaapt.

In 1960 lag ik een aantal maanden in het St. Antonius ziekenhuis in Utrecht. Bij mijn geboorte had iemand een ruisje bij mijn hart gehoord en in mijn dossier geschreven ‘”Ruisje? Controleren.” Pas toen ik ruim vier jaar oud was, liet een huisarts dit onderzoeken. Ik bleek een aangeboren hartafwijking te hebben, een hartklep sloot niet goed, en ik moest geopereerd worden.

In Nederland kon je in die tijd daarvoor maar in twee ziekenhuizen terecht: het Academisch Ziekenhuis in Leiden en het St Antoniusziekenhuis in Utrecht. Mijn ouders kozen voor dat laatste ziekenhuis. Toen ze mij daar kwamen brengen, mopperde een arts tegen mijn moeder dat ze mij al direct na de geboorte had moeten brengen. Ik had al dood kunnen zijn zei hij. Het maakte mijn moeder bang en boos tegelijkertijd. Er was nooit iemand geweest die tegen haar gezegd dat ik een ruisje had. (Voor informatie over hartruisjes bij baby’s, kinderen en volwassenen: zie deze pagina van de Nederlandse Hartstichting.)

Over een aantal belevenissen van mij in het ziekenhuis heb ik een keer eerder (in juni 2016, in de blogpost Miss Tennessee en de groenteboer’) geschreven, maar niet over die twee keer dat ik sliep, terwijl ik niet sliep.

De eerste keer betrof het een afscheid van een jongetje dat tegenover mij op de kinderziekenzaal lag. Mijn ouders woonden in 1960 in Apeldoorn. Mijn vader werkte overdag. Mijn moeder had de zorg over het huishouden, mijn twee oudere broertjes en mijn pasgeboren zusje. Van Apeldoorn naar het ziekenhuis in Utrecht was in die tijd voor mijn moeder een hele reis: bus, trein, bus. Daarom bezocht mijn moeder mij door de week om de dag. In het weekend kwamen mijn vader en moeder samen op bezoek.

000000 ziekenhuis 0Het St Antonius Ziekenhuis in 1913; foto Utrechts Archief

Het jongetje tegenover mij op zaal had ook iets met zijn hart, alleen erger dan ik. Hij zou daarom ook eerder dan ik geopereerd worden. Zijn ouders kwamen elke dag op bezoek en op de doordeweekse dagen dat mijn moeder er niet was, kwamen ze altijd ook even bij mij langs. Soms kreeg ik een cadeautje van hen, een kleurboekje of een dropveter (“Veel gezonder dan een sinaasappel!” zei zijn moeder dan).

Op een dag werd hij van zaal gehaald. De dag er na mocht ik met een zuster mee om even door een raam van een kamertje naar hem te kijken. Hij lag er helemaal in zijn eentje. Hij zou de volgende dag geopereerd worden. Ik zwaaide naar hem en hij zwaaide terug. Toen ik later die week aan de zuster vroeg of ik weer bij hem op bezoek mocht, zei ze dat hij al naar huis was. “Maar hij heeft helemaal geen dag gezegd” stamelde ik. Hij was met zijn ouders nog wel langs geweest maar ik sliep nog, zei ze. Pas jaren later vertelde mijn moeder mij dat hij tijdens de operatie was overleden. De zusters hadden echter afgesproken om dat niet tegen mij te  zeggen.

De andere keer dat ik sliep maar toch niet sliep, was die keer dat ik heel kwaad op mijn moeder was. Het zal ergens in december geweest zijn. Ik weet niet meer of het in de buurt van Sinterklaas of kerstmis was, maar het was in ieder geval een bijzondere dag, want er was ’s morgens een extra bezoekuur. Normaal mocht het bezoek alleen ’s middags komen.

Het betrof een van die doordeweekse dagen waarop mijn moeder zou komen, dus verwachtingsvol keek ik ’s morgens naar de deur van de zaal. Maar elke keer als hij open ging was het iemand anders, niet mijn moeder. Op het laatst had ieder kind op zaal bezoek, alleen ik niet.

000000 ziekenhuis 0bb

Een kinderzaal van het St. Antonius Ziekenhuis  ergens tussen 1920 en 1930: foto Utrechts Archief

Ik lag met tranen in mijn ogen in mijn bed, toen een zuster kwam vragen wat er was. Ik snikte dat mijn moeder er niet was, waarop de zuster zei dat ze ongetwijfeld ’s middags zou komen. Ik vond dat ik een stomme moeder had en was heel boos op haar.

’s Middags kwam mijn moeder, zoals de zuster al had voorspeld, op bezoek. Ik was nog steeds boos op haar en besloot om haar te straffen. Zo gauw ik mijn moeder de zaal binnen zag komen, deed ik mijn ogen dicht en deed ik net alsnog ik sliep. Even later hoorde ik hoe ze bij mijn bed ging zitten. Iemand zei tegen haar “Hij slaapt.”. De stem had iets bekends, maar van welke zuster de stem was, wist ik niet. “Ik maak hem wel wakker.” zei mijn moeder, maar de andere vrouw antwoordde dat ik er zo lief bij lag – ik was juist boos – en dat ze mij moest laten slapen. Terwijl ik mij de hele tijd slapende hield, spraken mijn moeder en de onbekende zuster zachtjes met elkaar. Pas toen ze na een tijdje opstapten en de zaal uitliepen, deed ik mijn ogen weer open en keek ik naar de deur. Ik zag nog net hoe mijn moeder de zaal uit liep.

Even later kwam er een zuster langs. “Zo slaapkopje, ben je weer wakker. Je hebt je oma gemist.” zei ze, terwijl ze mij een cadeautje van mijn oma gaf. Het bleek dat degene waar mijn moeder mee zat te praten niet een zuster was maar mijn oma uit Haarlem. Ze was met de trein naar Utrecht gekomen. Waarom hadden ze mij nou niet “wakker” gemaakt?

Toen de zuster daarna ook nog eens vertelde dat mijn moeder niet had geweten dat er ’s morgens een extra bezoekuur was en dat dat de reden was waarom ze er niet was, kwamen de waterlanders massaal tevoorschijn. Goh, wat had ik een spijt dat ik mij slapende had gehouden.

Kerst-Inn op een studentenflat

Halverwege de jaren zeventig kwam er een Antilliaanse jongen wonen op onze studentenflat, gelegen op de campus van wat toen nog de TH Twente heette. Hij had geen familie in Nederland en met kerstmis was er niemand waar hij heen kon. Dat was wel mooi – dit klinkt een beetje hard, zo is het niet bedoeld –  want nu kon hij mooi voor onze flatdieren (we hadden een hond, een poes en vissen) zorgen. Andere jaren was het altijd een gedoe van wie blijft er met eerste kerstdag en wie is er tweede kerstdag?

000 flatdierenOnze flathond en flatpoes

Maar eigenlijk vonden we het een beetje triest, hij met kerst ver van huis helemaal alleen op onze flat, en in een spontane opwelling besloten we om een kerst-inn te organiseren voor mensen die met kerst alleen op de campus zouden zitten. De helft van de flat zou er met eerste kerstdag zijn, de andere helft met tweede kerstdag.

We schreven een brief aan het campusbestuur waarin we het idee toelichtten. Het campusbestuur vond het een goed plan. We kregen 200 gulden subsidie voor drank en lekkere hapjes en van Bobby Spar – zo werd de eigenaar van de campuswinkel genoemd; drie keer raden bij welke winkelketen hij aangesloten was – kregen we een gratis krat bier. “De heren studenten lusten zeker wel bier hè.” “Jazeker meneer Bobby, ook met kerstmis”.

000 flat 1841964; de campus in aanbouw.  Links achteraan onze flat; foto Nationaal Archief.

Overal op de campus werden affiches  – gratis gedrukt – opgehangen en op eerste kerstdag zaten we enthousiast op de eerste bezoeker te wachten. Die kwam om half negen ’s avonds. Om elf uur kwam nog een tweede verdwaalde student aanzetten. Dat was een jongen die terug kwam van bezoek aan zijn ouders in Enschede en die zich verbaasd had afgevraagd waarom er bij onze flat licht brandde en een bord ‘Welkom in de herberg’ stond. Dat was het. Meer bezoekers kwamen er niet.

Desondanks was het heel gezellig. We keken eerst op de tv naar ‘It’s a Wonderful Life’, de kerstfilm uit 1946 met James Stewart en Donna Reed – in de jaren zeventig was dat de ultieme  kerstfilm die altijd met kerst werd uitgezonden, tegenwoordig is dat ‘Love Actually’ – en riepen luidkeels ‘Niet doen, niet doen!” als James Stewart weer wat doms in de film wou doen. Daarna speelden we van die typisch vreedzame kerstspelletjes als Risk en Stratego.

000 filmDonna Reed, James Stewart en Karolyn Grimes in It’s a Wonderful Life’; foto afkomstig van de Wikipedia

Goed nieuws – gratis hapjes, gratis bier –  verspreidt zich snel en de volgende dag kwamen er twee keer zo veel bezoekers, oftewel vier mensen vonden de weg naar onze flat. Maar ondanks het geringe aantal bezoekers beschouwden we de kerst-inn als een groot succes.

Dus mensen, kent u iemand in uw omgeving die met kerst helemaal alleen zit, organiseer een kerst-inn voor hem of haar.

Pakjesavond

Vanavond is het pakjesavond. Toen ik nog een klein Martinnetje was geloofde ik heilig in Sinterklaas. Samen met mijn broertje Harry probeerde ik eind jaren vijftig op pakjesavond een aantal keer de Zwarte Piet te betrappen die de zak met cadeautjes kwam brengen. Wij lagen achter de voordeur verstopt. Daar stond immers het jaar ervoor de zak. Om beurten keken mijn broertje en ik door de brievenbusgleuf naar buiten om Zwarte Piet te betrappen. Opeens werd er bij de achterdeur gebonsd. Mijn broertje en ik renden er heen, maar we waren te laat. Er stond een zak bij de achterdeur en van Zwarte Piet was geen spoor te zien.

00 sint21964; het jaar dat er weinig cadeautjes waren omdat Sint alles in het casino had vergokt. Foto Nationaal Archief.

Het jaar er op besloten mijn broertje en ik de tactiek te wijzigen. Hij lag bij de voordeur, ik bij de achterdeur. Opeens riep mij moeder dat er een zak naast het raam van de huiskamer stond. Mijn oudste broer Jan had de hele tijd gewoon aan tafel gezeten – de saaie Piet –  maar had buiten niemand gezien zei hij. Hoe kon die sukkel nou niks zien?

Ruim dertig jaar later, en verhuisd naar de andere kant van het land, vroeg de buurman of ik op sinterklaasavond tegen een uur of zeven wilde bellen. Ik moest dan als Sinterklaas tegen hun drie zoontjes zeggen dat hij het helaas te druk had met allerlei heel arme kindertjes, maar dat hij een Zwarte Piet zou sturen om een zak in hun schuurtje te zetten. Op het afgesproken tijdstip belde ik.

Ik kreeg de jongste aan de lijn  en zei met een zware stem “Met Sinterklaas”.  Blijkbaar schrok het buurjongetje erg, want hij liet de telefoon vallen.  Ik hoorde een hoop geroezemoes en zijn moeder roepen: “Pak snel een dweil”.  Even later kreeg ik het middelste broertje aan de lijn. Ik zei dat er in hun schuurtje een zak met cadeautjes stond. Blijkbaar was die mededeling voldoende want hij gaf de telefoon direct door aan zijn oudste broertje en holde naar buiten.

“Met Sinterklaas hier” zei ik wederom.  “Ja, ja” antwoordde het oudste broertje. Dat klonk niet naar een echt gelovige. Erg lang duurde het gesprek dan ook niet en ik kreeg vervolgens de vader aan de lijn die me hartelijk bedankte. Moeder was op de achtergrond nog bezig met iets op te dweilen, dus die kon helaas even niet aan de lijn komen. Ze hebben me nooit meer gevraagd om te bellen

00 sint0De oudste dochter tijdens het sinterklaasfeest op de crèche zittend op haar stoeltje. 

00 sint1De jongste dochter op schoot. 

Weer een aantal jaren en een verhuizing verder vroeg een nieuwe buurman of ik op sinterklaasavond even een zak bij de voordeur wilde zetten en op de deur wilde bonzen. Ik sloop die avond naar hun deur toe, zette de zak voor de deur en bonsde luid op de deur. Vervolgens holde ik er vandoor. Voor hun huis bedacht ik opeens dat hun gordijnen open stonden en dat ze mij misschien voorbij zouden kunnen zien hollen. Onzin natuurlijk, ik liep in het donker, zij zaten in het licht.

Maar toch besloot ik te gaan bukken. Daar is op zich niks mee, maar dat moet je niet combineren met hardlopen. Gebukt hard lopen gaat niet. Althans ik kan het niet. Ik maakte een reuzesmak en lag languit op straat. Even later strompelde Sukkel-Piet met een zere knie en een kapotte broek het huis weer binnen. De dochters keken me hoofdschuddend aan. Niet geschikt als Zwarte Piet zei de ene.

Moraal van het verhaal: probeer niet te tegelijkertijd te bukken en hard te hollen.

TV afscheid

In 1985 verhuisde Marianne vanuit Groningen naar Den Haag. Ze betrok een etage in een oud herenhuis in het Bezuidenhout. Haar vader kwam helpen om de boel in te richten. Tegen het einde van de middag werd hij onrustig. Er was die avond voetbal op tv en Marianne had (nog) geen tv in huis.

In een winkel in de Therisastraat in Den Haag kocht ze daarom aan het eind van de middag even snel een tv. Het was een niet al te groot apparaat. Er zat geen teletekst op, maar hij deed het prima. Het apparaat heeft jarenlang bij ons in de huiskamer gestaan.

00 tvHier kijk ik in de jaren negentig samen met de dochters op de betreffende tv naar Zorro. Het was een wonderlijk apparaat. Als een tv-programma in zwart-wit werd uitgezonden, dan veranderde de hele omgeving ook in zwart-wit.

Na verloop van tijd kwam er een grotere tv in huis met teletekst. De kleine tv van Marianne werd naar de zolderkamer verbannen en gedegradeerd tot tweede televisie. Na een verhuizing belandde hij zelfs als derde televisie op de logeerkamer, waar na een tijdje de antenne-aansluiting het niet meer deed. Maar dat gaf niet zo. Er was daar niet echt behoefte aan een televisie.

Van de week hebben we hem afgevoerd naar het grof vuil. Hij werd al jaren niet meer gebruikt. De kringloopwinkel wilde hem niet hebben.

00 tv 2

Hier staat de ruim dertig jaar oude televisie in de grof vuil container. Marianne werd er een beetje weemoedig van. Ze nam ter afscheid nog even deze foto van het apparaat. Door de tv moest ze denken aan haar overleden vader.

Het menselijk geheugen

In juli schreef ik een blogpost over de Jachtlaan 28 in Apeldoorn. Dat is het huis waar ik geboren ben en waar ik tot mijn tiende heb gewoond. Ik schreef onder andere over een luik op zolder, waaronder een ruimte was waar vermoedelijk in de Tweede Wereldoorlog onderduikers hadden gezeten.

Deze week kreeg ik een mail van de huidige bewoner van het huis met de vraag of ik nog foto’s van het huis uit die tijd had. Die had ik eigenlijk niet, wel stuurde ik hem wat informatie over het huis en de directe omgeving uit die tijd. Ik stuurde de mail ook naar mijn oudere broer met de vraag of hij nog foto’s had en of ik in mijn mail en in mijn blogpost niet te veel onzin had verteld. Mijn broer is niet alleen ouder en wijzer, maar heeft ook een beter geheugen. Mijn geheugen bleek niet helemaal vlekkeloos gewerkt te hebben. Zo schreef mijn broer over de onderduikers in het huis aan de huidige bewoner:

Er zat direct op de zolder een luik verborgen onder het zeil. Alleen die berging was niet zo diep als mijn broer dacht. Vermoedelijk hebben daar illegale dingen in de oorlog gelegen. Boven de zolderkamer zat verborgen nog een bergruimte. Daar zaten vermoedelijk de onderduikers. Verder was er een raadselachtige koker naar de achterste slaapkamer, waar ik sliep. Geen idee waar die voor diende.”

Kortom, de kern van mijn verhaal – de onderduikers – zat nog wel goed in mijn geheugen, maar de details niet. Gisteren las ik toevallig in de Voetbal International een verhaal, geschreven door Geert-Jan Jacobs, waarin dit fenomeen – de kern van het verhaal klopt maar de details zitten fout in het geheugen – ook te zien was. Het betreft een anekdote die de cabaretier Freek de Jonge tijdens een bijeenkomst in het Abe Lenstra Stadion in Heerenveen vertelde over een ontmoeting van hem met Abe Lenstra. Ik citeer uit het stuk.

Eén keer ontmoette hij zijn idool. Het gebeurde in Zaandam, waar het gezin De Jonge begin jaren vijftig vanuit het Friese Workum was neergestreken. Tussen huis en basisschool passeerde hij altijd de fietsenwinkel annex sportzaak van Lou Rep, de oom van de latere international John. Op zekere middag, volgens de Jonge was het in 1951 of 1952, wierp hij een blik in Reps toko en zag daar tot zijn verbijstering een overbekend silhouet. Dat van Abe Lenstra, die geknield aan de voeten van de winkeleigenaar zat.

‘Hij keek naar buiten, onze blikken kruisten elkaar. Toen móét Abe iets gezien hebben van mijn Friese achtergrond, dat kan niet anders. Hij deed de deur open en zei: “Do moat ik hawwe!”. Abe was vertegenwoordiger bij Quick, hij ging het hele land door met schoenen. Hij haalde een paar Quick Juniors uit zijn tas en legde aan Lou uit dat zelfs de grootste boerenlul met die schoenen heel aardig kon voetballen. Dus ik kreeg ze aangemeten.’  

 In het Abe Lenstra Stadion deinen grijze kruinen geamuseerd op en neer als De Jonge voordoet hoe hij al die jaren geleden de bal zorgvuldig klaarlegde en de moeder aller aanlopen nam. ‘Ik gaf dat ding een onvoorstelbare hengst. Die bal knalde tegen de muur, vloog door de hele zaak en eindigde op een plank met sportbekers. Ze vielen allemaal op de grond.” Abe stond er hoofdschuddend bij en zei: “Dat is net sa best.”. Waarop ik antwoordde: “Mar wol in de priezen!” Lenstra adviseerde het spichtige kereltje komiek te worden, een tip die De Jonge ter harte nam.

Tot zover de anekdote van Freek de Jonge. Hij blijkt echter niet alle details juist te hebben, want het verhaal in de VI gaat als volgt verder:

‘Leuk verhaal’, zegt een besnorde meneer in het publiek. Hij hoorde de anekdote van De Jonge al een keer of vijf eerder, maar kon er toch wel weer om gniffelen. ‘Er zaten wel een paar foutjes in.’ Met glinsterende ogen:  ‘In 1951 en 1952 was Abe nog werkzaam op het gemeentehuis van Heerenveen, dus in die jaren kan dit nooit gebeurd zijn. Bovendien was hij later geen vertegenwoordiger namens Quick. Abe ging de winkels langs met zijn eigen sportschoen: De Abe Junior’.

0000 abe29 januari 1952; Abe Lenstra aan het werk op het gemeentehuis van Heerenveen; foto Harry Pot, Anefo, Nationaal Archief

Kortom, ook bij Freek de Jonge is te zien dat menselijke geheugen soms details van verhalen uit het verleden aanpast of vergeet en dat brengt me naar de actualiteit. In Amerika beschuldigt dr. Christine Blasey Ford Brett Kavanaugh, Trump’s kandidaat voor het Hooggerechtshof, er van dat hij haar begin jaren tachtig seksueel heeft belaagd.

Omdat zij niet meer precies wist, wanneer en waar dit gebeurde, beweren een aantal leden van de Republikeinse partij dat deze beschuldiging niet waar kan zijn. Die redenatie lijkt me niet juist. Het lijkt me eerder een voorbeeld dat het menselijk geheugen wel de kern van de zaak onthoudt, maar de details vergeet of verkeerd onthoudt. Vooralsnog geloof ik haar wel. Brett Kavanaugh lijkt me gezien zijn opvattingen over allerlei zaken sowieso geen geschikte kandidaat, maar dat is een heel ander verhaal.

Jarig

Ik ben net, zoals 16,5 miljoen andere wereldburgers, vandaag jarig. Dank u, dank u. Als ik mijn Twitterpagina open, dan zie ik daar allemaal feestballonnen verschijnen. Twitter wenst mij een fijne verjaardag! Moderne tijden.

twitter

Ik ben wel eens vaker jarig geweest. Het gekke is dat ik mij van de eerste tien verjaardagen absoluut niets kan herinneren. De eerste herinnering die ik aan een verjaardag heb is die van mijn elfde verjaardag. Het was de dag dat Engeland en Duitsland de WK-finale van 1966 speelden. Dat ze dat uitgerekend op mijn verjaardag deden. Dat was wel heel bijzonder vond ik.

Wij zaten die dag thuis voor onze zwart-wit televisie. Engeland won na verlenging met 4-2. Dat was mooi want bij ons thuis waren we allemaal voor Engeland. Hoewel, eigenlijk waren we meer tegen Duitsland. Mijn vader en ik waren tijdens dat toernooi overigens vooral fan van Portugal. Dit vanwege de aanwezigheid van Eusébio. Die had in de kwartfinale tegen Noord-Korea in zijn eentje een achterstand van 0-3 omgezet in een 5-3 overwinning voor Portugal. Ik geloof dat Eusébio vier keer scoorde. Mijn vader was helemaal lyrisch van hem. Het was een wondervoetballer zei mijn vader. Helaas verloor Portugal in de halve finale van Engeland en toen werden we maar fan van Engeland.

eusebio

Ik geloof niet dat ik op die dag ook een verjaardagsfeestje had. Het had wel gekund want mij ouders vonden het in die tijd leuk – of deden alsof ze het leuk vonden –  om bij verjaardagen spelletjes te organiseren, zoals sjoelen, stoelendans, een quiz met vragen die mijn vader verzon en een dubbeltje dat je in een glas moeten laten vallen dat in een emmer met water stond. Bij elk spel kon je punten verdienen en wie aan het einde de meeste punten had kreeg een prijsje. De overige kinderen trouwens ook.

(Later, toen mijn dochters jarig waren, vond ik het ook leuk om met hen dat spelletje van het laten vallen van een muntje in een glas dat in een emmer met water stond te spelen. Totdat ze zich daar te oud voor voelden – “Pap, alsjeblieft niet weer hè” – en we maar activiteiten met hun verjaardag gingen ondernemen zoals bowlen in Scheveningen – en dan met negen kinderen in de tram naar Scheveningen; constant tellen of je ze nog allemaal had en dan tot de conclusie komen dat je er opeens tien had; er stond een vreemd kind tussen).

Lang niet altijd waren overigens al mijn vriendjes aanwezig op mijn verjaardagsfeestje. Eind juli jarig zijn is niet handig, een hoop mensen waren dan op vakantie. Ook kon je op zo’n dag niet op school trakteren. Dat moest dan vlak voor de vakantie of vlak na de vakantie. Als je dan de klassen langs ging met wat snoepgoed voor de meesters en juffrouwen van de andere klassen, dan belandde dat op een stapel met snoepgoed van andere zielige kinderen die ook in de vakantie jarig waren (geweest).

Het gekke is dat ik mijn verjaardagen van tussen mijn tiende en vijftiende nog wel kan herinneren, maar die van daarna eigenlijk nauwelijks meer. Het zal wel de ouderdom zijn, wat eigenlijk niet logisch is, want hoe ouder je wordt hoe meer verjaardagen je hebt om te herinneren.

Jarig zijn is overigens wel belangrijk. Onderzoek heeft uitgewezen dat mensen langer leven naarmate ze vaker jarig zijn.

 

Pipo de Clown

In mijn prille jeugd was Pipo de Clown – “Sapperdeflap!” – de belangrijkste televisiefiguur, althans voor mij. Reuze spannend vond kleine Martin de avonturen van de clown. Als de serie begin jaren zestig op zaterdagmiddag op de televisie kwam – het waren afleveringen van zo’n 30 minuten – zat ik gespannen voor de buis.

pipo.214 februari 1962; Pipo de Clown (Cor Witschge), de circusdirecteur ‘Dikke Deur’ (Willy Ruys) en Pipo’s vrouw Mamaloe (Christel Adelaar); fotograaf Wim van Rossem; Nationaal Archief

Pipo beleefde allerlei avonturen. Hij werd daarin geholpen door zijn vrienden Kluk Kluk (“Mij zijn niet van de bange, mij zijn van de voorzichtige!”) een indiaan die altijd mis schoot (“Floepens, mis!”), de zigeuner Felicio (“Hmmm, soep met sliertjes”) en de zwerver Mik (gespeeld door Donald Jones). Tegenstanders waren veelal zijn oude circusbaas de Dikke Deur (“Pipooo, koeieeee!”) en de schurken Snuf (“M-m-mooie p-p-parels, f-f-fijne p-p-parels.”) en Snuitje.

De serie werd geschreven door Wim Meuldijk. Deze bemoeide zich tijdens de opnames werkelijk met alles. Zo had hij niet alleen hoogst persoonlijk de acteurs voor de serie uitgekozen, maar ook had hij eigenhandig de eerste huifkar voor Pipo gebouwd. Die Pipowagen was echter voor het ezeltje Nononono veel te zwaar om te trekken en er moesten dan ook tijdens de opnames cameramannen aan te pas komen om de kar – zonder dat hun benen in beeld kwamen – te duwen.

Uit een interview van Wim Meuldijk met de Leeuwarden Courant van 19 april 1968: “Sinds acht jaar woont Wim Meuldijk in een oud huis met enorme tuin in de Bussumse wijk ‘Het spiegel’. Achterin die tuin staat de woonwagen van Pipo. Aanvankelijk probeerden we met bestaande woonwagens te werken: dat gaf niet het gewenste decor. Toen heb ik voor zes tientjes bij een boer een wagenonderstel gekocht en heb een romantische circuswagen getekend. Daarna ben ik er 2,5 maand mee bezig geweest om het ding te bouwen, intussen dromend van nieuwe avonturen. De NTS heeft me nu een groot stuk zeildoek geleend, want als voorbijgangers het ding zien willen ze er ook in en je kunt het ze niet altijd weigeren. Tenslotte is Pipo nu niet alleen meer van mij maar wordt hij door menigeen als gemeenschappelijk bezit beschouwd.”

pipo 1958Pipo de Clown met zijn vrouw Mamaloe, dochter Petra en zijn vriend Kluk Kluk (Herbert Joeks)

pipo4 november 1963; Pipo en zijn vriend Felicio de zigeuner (Jan Pruis); fotograaf Harry Pot.

snuf en snuitje12 oktober 1963; De schurken Snuf (Rudi Falkenhagen) en Snuitje (Will Spoor)

Later, in de tweede helft van de jaren zestig, werden er dagelijks verhaaltjes van vijf minuten uitgezonden, die als verhaaltjes voor kinderen voor het slapen gaan dienden – “Dag vogels, dag bloemen, dag kinderen…”. In totaal werden er 480 stuks uitgezonden. Hoe populair Pipo in de tijd was, blijkt wel uit het feit dat in 1967 in de speciale uitzending die de Nederlandse televisie de dag na de geboortedag van prins Willem-Alexander uitzond Pipo de Clown ook een rol speelde.

pipo 1967Geboorte prins Willem-Alexander; speciale uitzending op de televisie, welke ‘s avonds werd uitgezonden. Pipo de Clown bij ziekenhuis te Utrecht. Hij krijgt beschuit met muisjes aangeboden; 28 april 1967; fotograaf Ron Kroon.

Waarom schrijf ik nu over Pipo de Clown? Dat komt omdat in één van zijn avonturen Pipo het oude vrouwtje kwam helpen dat precies op het vierwindenpunt woonde. Op dat punt kwamen de winden uit de vier windrichtingen samen en waaiden allerlei verloren schatten van de hele wereld naar haar huis. De schurken onder leiding van Snuf en Snuitje wilden daarom dat huisje van haar afpakken.

Ok, en waarom dacht je daar nu aan? Dat komt omdat ik denk dat ons huis toevallig ook op zo’n vierwindenpunt staat. Daardoor komen alle warme en koude luchten van heel de wereld onder bepaalde omstandigheden samen bij ons huis. En daardoor kan het onder uitzonderlijk omstandigheden gebeuren dat, terwijl het om ons heen dertig graden is, het bij ons in de tuin sneeuwt. Kijk, zo ziet onze tuin er momenteel uit.

sneeuw

Last van de warmte? Inderdaad.

 

Koninklijke zeepkisten

In 2012, het jaar waar Willem-Alexander tijdens Koninginnedag liet zien dat hij een bekwaam wc-pottengooier was, nam prinses Máxima (samen met prinses Annette, de echtgenote van prins Bernhard – niet van de oude maar van de jonge prins Bernhard) plaats in een zeepkist. Haar echtgenoot keek lachend toe.

0000000000000 zk0

Voor de fotografen was het maar goed dat Willem-Alexander die dag niet zelf plaats nam in het autootje, want de laatste keer dat hij werd gefotografeerd tijden het rijden in een trapauto c.q. een zeepkist  – dat was in 1976 tijdens een bezoek aan de toenmalige verkeerstuin in Assen – reed hij als negenjarig brutaaltje bewust op een groep fotografen in. Het kostte één fotograaf zijn toestel. (Voor het verhaal over dat gebeuren en een foto van Willem-Alexander in het trapautootje, zie hier dit stuk uit de Volkskrant.)

Het rijden in een trapauto c.q. zeepkist  – het verschil is dat een zeepkist meestal geen trapmechanisme heeft maar dat je er van een helling af moet rijden dan wel getrokken moet worden om vaart te krijgen – is iets dat al heel lang in de koninklijke familie zit. Oma Juliana kwam tijdens werkbezoeken zelfs regelmatig in een trapauto aanrijden.

0000000000000 zk2Zie haar hier met de AA-00-13.

En ook haar dochters reden regelmatig in een trapauto. Zie bijvoorbeeld deze foto’s op de site van het Nationaal Archief (in verband met copyrights kan ik de foto’s niet hier plaatsen).

De reden dat ik over koninklijke trapauto’s schrijf is dit autootje wat wij onlangs in de stallen van het paleis het Loo in Apeldoorn zagen staan.

0000000000000 zk3

Volgens het bijbehorende informatiebordje zou Prins Claus dit wagentje hoogst persoonlijk voor zijn kinderen in elkaar hebben geknutseld. Als je goed naar het stuur kijkt, dan zie je daar een schattig detail. Prins Claus heeft daar voor de jongens een foto van hun moeder geplakt. “Denk aan mij…”

0000000000000 zk4

De foto is niet helemaal scherp – dat is een understatement – maar op het stuur staat dus een afbeelding van Beatrix geplakt.

Even rondkijkend op het internet zijn er nog wel meer foto’s van koninklijke trapauto’s en zeepkisten te zien. Zie hier bij voorbeeld de dochters van de Noorse koning Olav V in 1934 in zo’n autootje.

0000000000000 zk1

Wij hadden vroeger thuis ook een zeepkist. (De reden dat die autootjes zeepkisten worden genoemd is dat ze vroeger vooral van grootverpakkingen van zeep werden gemaakt.) Alleen hadden wij niet zo’n mooie als de koninklijke kinderen. De onze was gemaakt van een onderstel van een oude kinderwagen met daar bovenop een soort kist van plankjes. Je moest aan een touw trekken om er mee te kunnen rijden.

Een foto van onze zeepkist heb ik helaas niet meer, wel van het onderstel toen dat nog diende als onderdeel van onze kinderwagen.

0000000000000 zk5

Zie mijn broertjes naast en ik in de kinderwagen. De wielen van deze kinderwagen functioneerden later als de wielen van onze zeepkist. Veel met de zeepkist hebben we niet gereden. We hadden meestal ruzie wie moest trekken en wie er in mocht zitten.

Jachtlaan 28 Apeldoorn

Toen wij een paar weken geleden aan het fietsen waren in Apeldoorn en omgeving zijn we ook even langs de Jachtlaan 28 gereden. Dat is het huis waar ik ben geboren en de eerste tien jaar van mijn leven heb gewoond.

Het was de helft van een dubbelhuis. Wij woonden in de linkerhelft.

000000000000 jachtlaan 28

Zie hier het huis zoals het er in 1964 uitzag. Ik sliep in de kamer met het balkon aan de voorkant. Het huis lag aan een parallelweg van de Jachtlaan.

Het was een spannend huis met een kelder en een verborgen ruimte op zolder. Als je trap naar zolder opliep, dan kwam je daar op een soort overloop. Daar lag zeil. Als je dat optilde, dan zag je als je goed keek een verborgen luik . Er zat een klein gaatje in het luik, waardoor je het kon optillen en als  je dat deed, dan zag je daar een ruimte onder, waar twee à drie mensen zich in konden verbergen. Er lagen twintig jaar na de oorlog  nog steeds wat oude verzetskrantjes zoals Vrij Nederland op de vloer, evenals wat voedselbonnen uit de Tweede Wereldoorlog. Vermoedelijk zullen er onderduikers in het huis hebben gezeten. Reuze spannend vond ik dat als klein kind.

Het huis bleek nog steeds te bestaan. Wel was het behoorlijk gemoderniseerd.

000000000000 jachtlaan 28 2

Ik vermoed dat bij de verbouwing het onderduikhok wel verdwenen zal zijn. Maar misschien hebben ze dat toen niet gevonden. In dat geval zou ik tegen de huidige bewoners willen zeggen, kijk eens onder het zeil op zolder.

Een hardwerkende student

Ik moet even wat rechtzetten. Mijn twee blogs – zie hier en hier – over de foto’s van UFO’s en ISO’s, die ik in mijn studententijd naar het Dagblad Tubantia stuurde, kunnen wellicht de indruk hebben gewekt dat er op onze studentenflat niet al te serieus werd gestudeerd. Dat was beslist niet zo. Er werd bij ons hard gewerkt. Ik heb eerst toegepaste wiskunde gestudeerd en daarna omdat ik –  behalve fan van Go Ahead zijn – niet wist wat ik wou worden bedrijfskunde. Beide in Enschede aan wat toen nog de Technische Hogeschool Twente heette.

We moesten hard leren. Zie hier mij op mijn studentenkamer allerlei kennis tot mij nemen. Het glas op mijn bureau is al leeg en de kennis uit de boeken heb ik ook al bijna tot mij genomen.

0000000000 student 7

We haalden overigens onze kennis niet alleen uit de boeken. We moesten tijdens onze studie ook allerlei praktijkopdrachten doen. Zie hier bijvoorbeeld een foto genomen tijdens de werkopdracht ‘Hoe regel ik de financiering van mijn bedrijf?’ voor het vak ‘Bedrijfsfinanciering’ uit de studie Bedrijfskunde.

0000000000 student 0

En zie hier een foto van het practicum ‘Hoe verstevig je met hulp van een personeelsfeestje het groepsgevoel?‘ voor het vak ‘Personeelspsychologie’.

0000000000 student

Ziet u wel dat het hard werken was. Leidde al dat studeren nou ook tot goede cijfers? Soms wel, soms niet.

0000000000 student 4

Dit is het laagste cijfer wat ik ooit heb gehaald. Ik had het vak niet geleerd, dit omdat ik in de week voor het tentamen mijn kostbare tijd besteedde aan een aantal andere vakken, waarvan het tentamen vrijwel tegelijkertijd was. Toch ging ik naar het tentamen. Dit voor het geval het een makkelijk tentamen zou zijn. Dat was het niet en binnen een uurtje stond ik weer buiten. Dat ik een twee kreeg in plaats van een één was waarschijnlijk een beloning voor het goed spellen van mijn naam.

Ik heb nog een keertje meegemaakt dat ik binnen een uurtje weer buiten stond. Alleen kreeg ik toen een negen, het hoogste cijfer wat ik ooit heb gehaald. En dat was niet voor zo maar een vak, het was voor ‘Topmanagement’, het allerbelangrijkste vak van de studie bedrijfskunde, waarin alle vakken van de studie zoals financiering, marketing, bedrijfseconomie, bedrijfssociologie en beleid & strategie bij elkaar kwamen.

0000000000 student 9

Het vak werd gegeven door professor Jan Kreiken. Hij was de belangrijkste man van de faculteit Bedrijfskunde. Hij was niet alleen rector-magnificus van de TH geweest maar was op dat moment ook bijvoorbeeld president-commissaris van Ahold. Hij gaf maar één vak: ‘Topmanagement.’ “De toekomst kan niet worden voorspeld, maar moet worden gemaakt” was één van zijn uitspraken.

Het tentamen ‘Topmanagement’ bestond uit twee onderdelen. Als eerste moest je vooraf een uitgebreide analyse van een bedrijf maken en aangeven wat de beste strategie voor dat bedrijf was. Wat waren de sterke en zwakken kanten van het bedrijf? Waar lagen de kansen en bedreigingen? Op wat voor een strategie moesten ze inzetten? Wat waren de alternatieven? Dat soort vragen moesten in de analyse aan de orde komen.

De basisgegevens van het bedrijf kwamen uit een dik Amerikaans boek. Daar stonden twintig Amerikaanse bedrijven in beschreven, evenals de markt waar ze in opereerden en de concurrentie. Elk jaar koos professor Kreiken één van die bedrijven uit voor het tentamen. Je mocht als je wou de case met hulp van een groepje maken. De individuele kennis testte de professor op het tentamen. Dat was het tweede deel van het tentamen. Daar kreeg je een aantal aanvullende vragen over het bedrijf die je ter plekke moest beantwoorden en toevoegen aan je vooraf gemaakte analyse.

Ik maakte de case samen met twee anderen. De professor had voor een Amerikaanse frisdrankenfabrikant gekozen. We bestudeerden uitgebreid de gegevens in het boek. Er was iets vreemds. De gegevens leken niet allemaal te kloppen. Percentages telden niet allemaal op tot honderd procent, bedragen waren verwisseld en de marktbeschrijving spoorde niet met de marktbeschrijving van een ander frisdrankbedrijf uit het boek.

Wat te doen? We besloten dat de gegevens uit het boek niet konden kloppen en maakten enkele (onderbouwde) veronderstellingen wat de juiste gegevens dan wel zouden kunnen zijn. Hierop baseerden we onze analyse. Ieder van ons schreef zijn eigen verhaal en we namen onze analyses en casebeschrijving mee naar het tentamen.

0000000000 student 00

Een voorbeeldje van de wijzigingen die wij toepasten. Ik heb het boek nog steeds. Waarom eigenlijk, ik kan het net zo goed weggooien. De gegevens die er in staan, kloppen niet en zijn nu ook nog eens flink verouderd.

Het tentamen verliep anders dan gedacht. Professor Kreiken nam vooraf het woord en zei dat hij tot zijn spijt had geconstateerd dat er fouten in het boek stonden. Hij had de juiste gegevens op papier gezet en begon deze uit te delen. Het kon heel goed zijn zei hij, dat de verbeterde gegevens tot een ander inzicht zouden kunnen leiden. In plaats van het beantwoorden van aanvullende vragen kregen we daarom nu de gelegenheid om onze analyse ter plekke aan te passen, dan wel aan te vullen. Wel op individuele basis. We mochten niet meer overleggen.

Ik keek naar het blaadje van de professor en las zijn voorgestelde wijzigingen. Ze waren anders dan de aangepaste gegevens waar wij met ons groepje van waren uitgegaan. Ik las de wijzigingen van de professor nog een keer. Ze leken mij niet logisch, de onze waren beter vond ik, maar ja, het waren wel de wijzigingen van de professor. Ik keek om me heen. De meeste studenten waren al druk aan het schrijven. Wat te doen? Ik besloot dat mijn wijzigingen beter waren, schreef op waarom ik dat dacht en veranderde niets aan mijn analyse. Ik leverde als eerste het tentamen in en binnen een uurtje stond ik weer buiten, wel met de nodige twijfels.

0000000000 student 11975; Na afloop van de Dies-rede; Rechts op de foto: rector professor Jan Kreiken; foto ‘Beeldbank Universiteit Twente’.

Een paar weken later kreeg ik het tentamenbriefje thuis. Ik had een negen. Wow! Van een jongen die een jaar later het vak volgde, hoorde ik later dat ons tentamen uitgebreid tijdens het college aan de orde was gekomen. Er zat een fout in de casebeschrijving in het boek had professor Kreiken verteld. Maar niet alleen in de beschrijving in het boek, ook in de door hem voorgestelde correcties. Dat had slechts één student durven op te merken, vertelde hij. Die had vast gehouden aan zijn eigen gecorrigeerde cijfers. Die student had hij een negen gegeven.

Alle andere studenten hadden aangenomen dat de cijfers die de autoriteit – de professor dus – had gegeven wel klopten en hadden hun analyses daarop gebaseerd. De “lesson to be learned” zei de professor was dat, hoe groot de autoriteit ook was, je altijd kritisch naar diens cijfers moest kijken.

Na mijn studie ging ik op zoek naar een baan. Even overwoog ik om bij Ahold te solliciteren – waarschijnlijk was het tentamenbriefje van professor Kreiken daarvoor voldoende – maar Ahold zat in Zaandam en daar wou ik niet heen. Mijn moeder zei dat ik bij de PTT moest solliciteren, want dan had je een baan voor het leven. Ik solliciteerde, werd aangenomen en verhuisde naar Den Haag. Daar zou ik Marianne ontmoeten, met haar trouwen en twee kinderen krijgen, maar dat is weer een heel ander verhaal.

P.S. Ik zal het maar direct opbiechten. Die drie dames die met mij op de foto staan zijn geen deelnemers aan de workshop ‘Hoe verstevig je met hulp van een personeelsfeestje het groepsgevoel?‘ voor het vak ‘Personeelspsychologie’, maar zijn drie flatgenotes van mij uit mijn studentenflat. We waren uitgenodigd voor een themafeestje met als thema film. Ik moest een Amerikaanse gangster voorstellen, zij vormden mijn entourage.

En o ja, die heren van het vak financiering, dat waren ook flatgenoten. Ik heb geen idee ten behoeve van welke gelegenheid die foto is gemaakt. Waarschijnlijk ook voorafgaand aan een feestje. Maar ja, als ik dat op schrijf, dan gaat u waarschijnlijk zeggen: zie je wel ze feestten alleen maar. Om dat beeld te ontzenuwen, daarom tot slot deze foto. Er werd wel degelijk gestudeerd en dat leidde tot resultaten.

00000 4

(Voor het geval u nu gaat zeggen, die foto (en die “schurkenfoto”) heb ik al eerder op dit blog gezien, ja dat klopt. Maar zoals onze hoogleraar marketing bij bedrijfskunde altijd zei: “Herhaling is de kracht van de reclame.”)

 

De kapper (2)

Begin jaren vijftig woonden mijn ouders in Beilen in Drenthe. Ik was nog niet geboren, dus daar heb ik weinig herinnering aan. Wel ken ik het verhaal dat mijn vader mij een keer vertelde over de dorpskapper van Beilen. Deze had de neiging niet alleen de haren maar ook de oren van je hoofd te kletsen.

Tijdens een van de knipbeurten vertelde hij mijn vader een verhaal over een echtpaar. Hij was de kostwinnaar van het gezin, zij deed het huishouden. De man des huizes wou graag dat zijn vrouw een huishoudboekje bij hield, zodat hij kon zien waaraan het geld werd uitgegeven. Van haar hoefde dat niet zo, maar toch deed zij dat vol plichtbesef en zeer nauwgezet.

000000000 huisvrouw1

Huisvrouw begin jaren vijftig aan het werk; foto Willem van de Poll; Anefo; Nationaal Archief.

Elke maand klopten de uitgaven tot op de cent nauwkeurig met het budget. Ze bleek over een goed hart te beschikken, want ze gaf regelmatig geld aan mensen die het wat slechter hadden dan haar. Maar ook dit hield ze nauwkeurig bij. Dan stond er in het overzicht een post als ‘Aan arme man gegeven: vijftig cent’.

De echtgenoot was dan ook zeer tevreden over de wijze waarop zijn vrouw de administratie bijhield. Totdat hij op een dag een keer las: ”Van arme man gekregen: twee gulden”. Toen pas ging er een lichtje bij hem branden. Zijn vrouw bleek elke keer de post ‘Aan arme man gegeven’ als sluitpost te gebruiken om het overzicht kloppend te krijgen.

Nu had het blad Panorama begin jaren vijftig een lezers-schrijfwedstrijd. Je mocht verhalen uit het dagelijks leven in sturen en als de Panorama jouw verhaal plaatste, dan kreeg je daar tien gulden voor. Mijn vader vond het verhaal over het echtpaar leuk, paste het iets aan en stuurde het op naar de Panorama. Hij won. Panorama plaatste het verhaal en mijn vader kreeg er tien gulden voor.

De volgende keer dat mijn vader bij de kapper kwam, sprak deze hem direct aan. Hij had het verhaal in de Panorama gelezen. “Dat verhaal heb ik jou verteld. Dat heb je van mij.” sprak hij. “Klopt” zei mijn vader. “Maar dan heb ik recht op het geld.” zei de kapper. “Nou”, antwoordde mijn vader, “Ik ben wel degene die het iets aangepast heeft, het opgeschreven heeft en het opgestuurd heeft, maar ik vind wel dat je recht hebt op een bijdrage en daarom heb ik besloten het hele prijzenbedrag verspreid over het jaar bij jou uit te geven – knippen kostte in die tijd één of twee gulden. De kapper knikte tevreden en begon gelijk weer met het vertellen van een verhaal. “Misschien kan je dat ook opsturen” zei hij enthousiast.

Tot zover dit kappersverhaal. Ik was van plan om deze blogpost nu te sluiten, maar er is een onverwachte wending. Ik keek namelijk even op de site van Delpher.nl – daar kan je oude kranten en tijdschriften inzien – om te kijken of ik het verhaal ergens kon terug vinden en zowaar dat lukte. Maar tot mijn verrassing was het niet de Panorama, maar het Algemeen Handelsblad van 6 november 1952 waar ik verhaal aantrof en wel in de rubriek ‘En tenslotte …”

000000000 nrc

Uit het Algemeen Handelsblad d.d. 06-11-1952

Zie hier het hele verhaal zoals dat in de krant stond:

Onlangs vertelden wij van de primitieve boekhouding in een winkeltje-van-alles, waar Rijksaccountants kwamen controleren en een post „D.M.J.W. — ƒ15.—” vonden. Deze konden zij niet verklaren en de oude vrouw die het zaakje dreef bekende eindelijk bijna in tranen dat D.M.J.W. Dat Mag Joost Weten betekende. Dit vertellinkje heeft de pen losgemaakt van een lezer, die uit het huishoudboekje van zijn echtgenote klapt, overigens nadat hij zich van het copyright heeft verzekerd.

„Mijn vrouw”, schrijft hij, „is een model-huisvrouw. Niet alleen wat de practische, maar ook wat de theoretische gang van zaken betreft. Haar budget klopt bijvoorbeeld altijd. Weliswaar is alles altijd op aan het eind van de maand, maar zij heeft dan ook iedere cent verantwoord. Dat doet zij in zo’n ouderwets schriftje, klein formaat, met een harde zwarte kaft en gelinieerd papier. Alle postjes netjes onder elkaar. Ik heb wel eens geprobeerd, in haar eigen belang, haar de beginselen van eenvoudig boekhouden bij te brengen, maar die nam zij niet van mij aan. „Niet nodig”, zei zij „ik schrijf links: 1 pond zout, en rechts: ƒ 0.14 — dan tel ik alle bedragen op en het is in orde.”

„Laatst heb ik eens in dat boekje gebladerd. Ik heb ontdekt dat mijn vrouw behalve lieftallig ook liefdadig is, want bijna Iedere dag vond ik een post: Aan arme man gegeven — en dan een bedrag, waarvoor de arme man zijn gezin een dag zou kunnen voeden. Die post was tussen twee lijntjes in gekrabbeld en ik begon half en half te vermoeden dat mijn lieve echtgenote aan het eind van de maand een aardig sommetje niet thuis had kunnen brengen … Maar goed, dank zij deze frequente arme mannen was haar balans in evenwicht.

Ook in de volgende maand traden voortdurend arme mannen op. Ze begonnen mij een beetje de keel uit te hangen, want per slot van rekening verdien ik het brood voor mijn gezin. Maar ik ben een liberaal man en erken het zelfbeschikkingsrecht van de vrouw, die ten minste even hard werkt als ik. Aan het eind van haar gecijfer was ik trouwens weer helemaal vertederd. Want het rekenkundig talent van mijn echtgenote bleek niet groot genoeg te zijn om haar tekort gelijkmatig over de arme mannen te verdelen. Zij had de lieden blijkbaar wat te veel toegedacht.
Want ten slotte had zij van haar optelling weer afgetrokken: „Van arme man gekregen — ƒ 5.—“

Eh, wat is hier aan de hand? Dit is overduidelijk het zelfde verhaal waarvan mijn vader vertelde dat hij het bij de kapper had gehoord, het enigszins had aangepast en het naar de Panorama had opgestuurd. Hoe zit dat nu? Hoe komt dit in het Algemeen Handelsblad terecht? Heeft iemand anders het verhaal geschreven en heeft mijn vader het zich in de loop van de tijd al of niet opzettelijk toegeëigend?

Kortom, ik ben in verwarring. Jammer dat er in het Algemeen Handelsblad niet de naam van de lezer bij staat, die het verhaal opstuurde. Was het mijn vader of was het  iemand anders?

Als ik het verhaal lees, dan heb ik echter het vermoeden dat mijn vader de lezer is die het heeft opgestuurd. Allereerst was het Algemeen Handelsblad de krant die mijn ouders lazen. Ook de datum – 6 november 1952 – klopt. Dat is in de tijd dat mijn ouders in Beilen woonden, de tijd dat mijn vader volgens eigen zeggen het verhaal van de kapper had gehoord. Dan is er het boekhoudkundig aspect. Het verhaal is zo te lezen duidelijk geschreven door iemand die verstand van boekhouden heeft. Mijn vader was in die tijd leraar Handelswetenschappen en Boekhouden.

Er is ook een ding dat niet klopt. Het verhaal wordt verteld vanuit de positie van de echtgenoot. Mijn vader had het echter van horen zeggen, het was geen eigen verhaal. Maar mijn vader zei dat hij het enigszins had aangepast om het mooier te maken en een verhaal geschreven vanuit de ik-persoon is natuurlijk een veel leuker verhaal.

Maar veruit de belangrijkste reden dat ik denk dat mijn vader de lezer is die het verhaal naar het Algemeen Handelsblad heeft opgestuurd, is de stijl van schrijven. Dat is precies de stijl van schrijven die ik van hem ken uit verhalen voor clubbladen van voetbalclubs en voor plaatselijk krantjes. (Tussen haakjes, als u zich afvraagt, van wie ik al die ongein heb, van mijn vader dus.)

Maar goed – het blijft een gok – als mijn vader de lezer is die het heeft opgestuurd naar het Algemeen Handelsblad, hoe zit het dan met het verhaal van mijn vader dat hij het naar de Panorama heeft gestuurd, er een tientje mee won en dat de kapper er vervolgens een deel van wou hebben? Klopt dat dan wel? Ik weet het uiteraard niet zeker, maar het zou kunnen dat  ook het kappersverhaal toch waar is.

De reden dat ik dit denk, is namelijk dat er een beetje vreemde zin in het inleidende verhaal in het Algemeen Handelsblad staat. “[…] Dit vertellinkje heeft de pen losgemaakt van een lezer, die uit het huishoudboekje van zijn echtgenote klapt, overigens nadat hij zich van het copyright heeft verzekerd.” Waarom zou een lezer dat laatste doen? Tenzij hij van plan was om het ook ergens anders heen te sturen (of al had gedaan) zoals voor de Panorama-wedstrijd.

Maar goed, hoe het nu daadwerkelijk zit en wie wat heeft geschreven, weet ik dus niet. Mijn ouders leven beide al lang niet meer en aan hen kan ik het dus niet vragen. Maar iemand kan je dertig jaar later dus nog steeds verrassen.