Category Archives: Jeugdherinneringen

Als ik dood ben

1.

Het was omstreeks het jaar 2000. Ik stond om twaalf uur op het schoolplein op mijn twee dochters te wachten. Groep vier van de oudste dochter was nog binnen, maar de kinderen van groep twee van de jongste kwamen al naar buiten. Mijn dochter liep samen met een ander meisje naar me toe.

Vader van Marijke” sprak het andere meisje. “Ja?” antwoordde ik. “Als u dood bent, dan mag Marijke een hond hè?” Ik keek haar onderzoekend aan. “Ja” zei ik. “Als ik dood ben, mag Marijke een hond.”

Marijke wilde graag een hond maar omdat ik allergisch ben voor honden- en kattenharen zat dat er niet in. Gekscherend had ik tegen haar gezegd dat als ik dood was, dat ze dan wel een hond mocht. Ze had dat blijkbaar tegen de andere kinderen in de klas gezegd en die waren nu al aan het bespreken wat voor een hond het moest zijn. Enfin, vooralsnog leefde ik nog. Maar met die schoolkinderen moest ik oppassen. Dat was me wel duidelijk. Niet de rug toedraaien.

00 honddJuli 1957; schoolkinderen met honden; fotograaf  Joop van Bilsen; Anefo; Nationaal Archief.

2.

De oudste dochter was van de week naar de crematie van een vader van iemand van haar studievereniging. Op de terugweg kwam ze even langs. De crematie had haar blijkbaar tot nadenken gebracht, want tijdens een kopje thee vroeg ze opeens: “Pap, als jij dood gaat, wie moet er dan spreken tijdens jouw begrafenis?” “Uh? Huh? Duh?”

 Ach, wat maakt het ook uit. Er komt toch geen hond.

Blaasvoetbal

Gisteren fietste ik met een omweggetje heen en weer naar Leiden (33km). Onderweg maakte ik twee tussenstops. Bij de Gamma ging ik op zoek naar wat klusgereedschap, maar helaas, de klusdrop was uitverkocht. Bij een kringloopwinkel liep ik even naar binnen om te kijken of ze nog een originele Vermeer in de aanbieding hadden, maar dat was niet het geval. Wel zag ik er een doos met een blaasvoetbalspel staan, “met 4 harde plastic blaaspijpjes!” (Op de deksel van de doos staan overigens zeven kinderen afgebeeld met een blaaspijpje; de illustrator was wat te enthousiast zullen we maar zeggen.)

Blaasvoetbal

Dat ik daar een doos met blaasvoetbal zag liggen was wel sterk. Er zijn dagen bij, zelfs jaren, dat ik niet aan blaasvoetbal denk, maar toevallig had ik eerder die dag ook al aan blaasvoetballen moeten denken en nu zag ik hier dus opeens zo’n doos staan.

Dat ik eerder die dag aan blaasvoetbal moest denken, kwam door een bericht dat ik las op de site van de NRC over het overlijden van de 74-jarige Jean-Philippe Smet. Nee, dat is geen oud-blaasvoetbalinternational. Jean-Philippe Smet was de echte naam van de Franse zanger Johnny Hallyday, vooral wereldberoemd in Frankrijk. “Daarbuiten werd hij soms spottend aangeduid als ‘de grootste rock-ster van wie u nog nooit hebt gehoord’, aldus het artikel in de NRC.

Johnny Hallyday

Ja? En wat heeft dat met blaasvoetbal te maken? Geduld, dat komt. In het artikeltje stond namelijk ook het volgende te lezen: “In Nederland had hij begin jaren zestig twee hits met ‘Pour moi la vie va commencer’ en ‘Tes tendres années [….] Ze stonden bovenaan de top-10 van het radioprogramma Tijd voor teenagers (de Top-40 bestond toen nog niet). Wel werd Tes tendres années hier al snel verdrongen door een Nederlandse bewerking: het door Willeke Alberti gezongen Spiegelbeeld.”

spiekgelbeeld

Overigens was de versie van Johnny Hallyday ook al een vertaling en wel van ‘Tender Years’ waarmee een zekere George Jones in 1961 in Amerika een countryhit had. Over deze George Jones valt in de Wikipedia te lezen: “Naast zijn muzikale carrière kende Jones een roerig leven. Hij haalde dikwijls de krantenkoppen met berichten over dronkenschap, diverse relaties (waaronder zijn huwelijk met Tammy Wynette) en geweld. Ook miste hij vele optredens, wat hem de bijnaam “No Show Jones” opleverde”.

Maar goed, nu dwalen we wel heel erg ver af, zo komen we nooit bij dat blaasvoetbal. Daarom terug naar de versie van Willeke Alberti. Zij is namelijk de link met het blaasvoetbal. We verplaatsen ons nu even naar 1963. Ik was acht jaar oud en zou met een vriendje gaan voetballen. Het regende echter en daarom speelden we binnen een spelletje blaasvoetbal (A ha! Daar hebben we het blaasvoetbal.) Hij had een oudere zus van een jaar of zestien en die was ook in de kamer. De radio stond aan. Het was zo’n grote bruine kast – mijn ouders hadden ook zo’n radio, net zoals Marianne haar ouders; vermoedelijk verkochten ze in die tijd maar één type radio – en de omroeper (zo werden vroeger disjockeys genoemd; dit voor de jongere lezertjes) kondigde het nummer ‘Spiegelbeeld’ aan.

De zus zette de radio wat harder en begon het nummer luidkeels mee te zingen. Geboeid zat ik naar haar te kijken. Ondertussen blies mijn vriendje met veel spuug het balletje in mijn doel. “Hé opletten joh”, zei mijn vriendje.

Op de een of andere manier zit er sindsdien in mijn geheugen een vakje met daarin de combinatie ‘Willeke Alberti – Spiegeldbeeld – blaasvoetbal’ opgeslagen. Heel nuttig, want van die kennis profiteer ik 54 jaar later nog. Waarmee? Nou gewoon, het stelt me in staat om dit stukje te schrijven. Ok, misschien toch niet zo nuttig.

Spiegelbeeld, ik kan je haten, want je geeft geen dag terug / Waarom gaan toch die jaren als je jong bent zo vlug / ‘k Ben wel jong, maar er is toch al zoveel herinnering / Spiegelbeeld, uit al die jaren vergeet ik geen ding

Maisson de Bonneterie

Dit is mijn oudste dochter bijna vijfentwintig jaar geleden. Lief hè.

dochter 1

En dit is ze ook, toen ze hoorde dat Go Ahead Eagles, mijn favoriete voetbalclub, weer eens had verloren.

dochter 2

Het gaat hier echter niet om de dochter maar om wat ze aan heeft, dat schattige pakje. Ik heb het ooit eens gekocht bij Maisson de Bonneterie in Den Haag. Ik liep een keer toevallig de winkel binnen en zag het daar in de uitverkoop liggen. Ik was direct verkocht. En het pakje ook, zonder enig overleg met Marianne, iets wat ik anders nooit zou durven te doen. Alle kinderkleding uit die tijd is al lang weg, maar dit pakje niet. Dat heb ik bewaard. Dan kunnen ooit de eventuele kleinkinderen het nog eens aan. Al heb ik geen flauw idee waar ik het heb gelaten, misschien hebben de motten het ondertussen wel opgegeten. Aargh!

Maisson de Bonneterie was een modewarenhuis. In Den Haag zat het in een statig pand in hartje centrum.

bonneterie winkelFoto PVT Pauline; Wikipedia

Het gebouw omvatte  vier verdiepingen met een statig trappenhuis en een lift. Roltrappen zaten er niet in. Op de bovenste verdieping zat een golfafdeling, maar omdat wij alleen maar minigolf speelden, kwamen we daar nooit. Wie daar wellicht wel kwamen, waren de koninginnen Wilhelmina, Juliana en Beatrix, want de Bonneterie was hofleverancier.

De zaken gingen echter slecht en in augustus 2014 sloot Maisson de Bonneterie in Den Haag haar deuren. Tegenwoordig zit er een Hennes & Mauritz (H&M) in, de zoveelste vestiging van deze winkelketen in Den Haag. Van de week liepen we er even naar binnen. In het pand zaten nu ook roltrappen. Buiten hing aan de muur overigens nog steeds de plaquette waarop vermeld stond dat het hofleverancier was.

bonneterie

Ik vermoed echter dat de huidige koningin hier haar kleren niet  koopt.

Oom Klaas

Ruim dertig jaar geleden kwam ik in het leven van Marianne. Op een gegeven moment was de familie nieuwsgierig wie toch die Martin was. Marianne vond dat het er maar eens van moest komen en toen haar zus jarig was, reisden wij af naar Groningen, de stad waar haar zus en zwager woonden. De trein had vertraging en toen wij de overvolle huiskamer binnen liepen, zat deze al helemaal vol met familie en vrienden.

Niet direct kijken, maar daar is Marianne met haar vriend.” Iedereen keek.

Ik gaf iedereen een stevige hand – Marianne had mij op het hart gedrukt geen slappe handjes te geven; ik had blijkbaar toen ik aan haar werd voorgesteld een slap handje gegeven – en kreeg daarna een kop koffie in handen gedrukt. Haar vader vertelde een leuk verhaal over iets wat Marianne had gedaan toen ze klein was – ik geloof niet dat Marianne op dat verhaal zat te wachten – en haar moeder keek ondertussen of ik er wel om lachte. Ik antwoordde dat je met Friese kinderen – haar ouders woonden in Harlingen – niet moest spotten. Marianne is in Uithuizen geboren zei haar vader. “Dat ligt niet in Friesland?” vroeg ik. Nee, dat lag in Groningen. Ik kreeg opeens de dringende behoefte om de wc op te zoeken. Ik vroeg waar het toilet was. Dat bleek buiten te zijn, in een houten hokje pal achter het huis – het was een oud klein arbeidershuisje. Terwijl ik buiten naar het hokje liep, keek ik even door het raam naar binnen. Recht in het gezicht van zo’n twintig mensen die allemaal naar buiten keken.

Wie er niet bij waren die dag, waren haar oom Klaas en tante Rinnie, een zus van haar moeder. Toen we een andere keer weer in Groningen waren, besloot Marianne om een bezoek aan haar oom en tante te brengen. Dan konden die mij ook leren kennen. Haar oom en tante woonden in Winsum. We leenden een stel fietsen van haar zus en zwager en vertrokken richting Winsum. Een combinatie van tegenwind (mijn verklaring; het waait veel in Groningen) en mijn conditie (Marianne haar verklaring) zorgde er voor dat we over die afstand van ongeveer 15 km een uur deden. Oom Klaas deed open en keek naar mijn bezwete voorhoofd. “Geen fietser” zag ik hem denken.

Tante Rinnie had een taart gebakken met appels uit eigen tuin. “Lekker” zei ik even later met de mond vol. Marianne keek mij afkeurend aan. Niet met volle mond praten, leek ze te fluisteren. Ik wilde nog een hap nemen maar toen ik die met mijn vorkje van mijn taartpunt probeerde af te ‘snijden’, viel het stuk met een groot boog op de grond. Op het nieuwe kleed. Tante Rinnie zei dat het niet gaf. Oom Klaas stond stoïcijns op en haalde een stoffer en blik. “Wil je nog een stukje” vroeg tante Rinnie. Aan het gezicht van oom Klaas kon ik zien, dat hij dat geen goed idee vond. Wat hij wel een goed idee vond, was het voorstel van tante Rinnie dat hij mij maar even de boerderij moest laten zien. Oom Klaas en tante Rinnie woonden nu in het dorp maar hadden vroeger een boerderij gepacht waar Marianne vaak had gelogeerd.

00000 winsumUit de ‘Fotocollectie Nederlandse Heidemaatschappij’: ‘boerenerf-beplantingen bij Winsum’; mei 1957; foto Nationaal Archief; (dit is overigens vermoedelijk niet de boerderij van oom Klaas en tante Rinnie).

Even later reden we in de auto van oom Klaas. Ik zat voorin naast oom Klaas, Marianne zat achterin. We reden langs de boerderij en daarna ook nog even een stukje door het mooie Groninger landschap. Op een gegeven moment kwamen we een auto tegen. De bestuurder zwaaide, maar oom Klaas groette niet terug. Even later herhaalde zich dit met een fietser. Ook deze zwaaide maar oom Klaas zwaaide wederom niet terug. Vreemd vond ik. Pas bij de derde tegenligger zag ik dat oom Klaas wel degelijk groette. Terwijl hij beide handen aan het stuur hield, tilde hij even zijn wijsvinger van zijn rechterhand omhoog ten teken van groet. Ik ging er op letten. Oom Klaas begroette alle tegenliggers – iedereen in Winsum scheen elkaar te kennen – op die manier. Ik vond dat mooi, zo’n klein gebaar. Ik mocht oom Klaas wel.

Vele jaren later woonden Marianne en ik de crematie van oom Klaas bij. Het was een drukke bijeenkomst. Een aantal sprekers sprak met veel eerbied over oom Klaas en toen de laatste zijn woordje had gedaan, vroeg degene die de crematie leidde of er nog iemand was die iets wilde zeggen. In een flits zag ik opeens het vingertje van oom Klaas weer voor me. Heel even overwoog ik om me te melden en het verhaal van het vingertje te vertellen en dan te eindigen met net zo’n vingertjesgebaar richting de kist, dit als een soort afscheid. Ik besloot echter om te blijven zitten. Ik was voor het overgrote gedeelte van de aanwezigen een volkomen onbekende – aanhang van een nichtje – en ik wist niet of de directe familie het wel zo zou waarderen als ik opeens als laatste spreker “ins blaue hinein” met mijn vingertjesverhaal zou komen. Dus zag ik er maar vanaf.

Daarom, voor oom Klaas, nu alsnog van achter mijn toetsenbord een vingertje als postume goet. (Dat hier “goet” staat en niet “groet” komt omdat ik bij de ‘r’ even mijn vinger omhoog had.)

Uit de rubriek “correcties en aanvullingen:

Marianne wees mij er vandaag op dat oom Klaas en tante Rinnie niet in Winsum maar in Eenrum woonden en dat de boerderij in Mensingeweer stond. (Mijn geheugen functioneert gelukkig nog goed, wel ben ik slecht in het onthouden van allerlei zaken.) Maar anyway,  Eenrum is nog verder fietsen van Groningen dan Winsum. Geen wonder dus dat ik zo vermoeid aan kwam.

00000 mensingerweerEveneens uit de ‘Fotocollectie Nederlandse Heidemaatschappij’: ‘Beplanting van een boerenerf bij Mensingeweer; ongedateerde foto Nationaal Archief; (ook dit zal vermoedelijk niet de boerderij van oom Klaas en tante Rinnie zijn).

Schaken in de regio

Schaken heb ik altijd een leuke denksport gevonden. Kent u het boek ‘Oom Jan leert zijn neefje schaken’ van Max Euwe? Ik had echt een oom Jan waarmee ik wel eens schaakte. Maar het was mijn vader die het mij had geleerd. In mijn studententijd werd ik lid van Drienerlo, de studentenschaakclub van de TH Twente. Er was een interne competitie. Ook speelden we in een externe competitie tegen andere clubs. Ons eerste team schaakte op landelijk niveau. Ikzelf speelde in het tweede team van Drienerlo dat in de regionale competitie schaakte.

Behalve studenten waren er ook enkele hoogleraren en docenten lid van onze schaakvereniging. Dat was maar goed ook, want die beschikten over een auto. Dat was vooral handig was als we een uitwedstrijd moesten spelen. Het was elke keer weer afwachten of we bij uitwedstrijden twee spelers met een auto konden opstellen.

Op een dag moesten we met ons team tegen Winterswijk schaken. Winterswijk uit, altijd lastig. We hadden in ons team één student met een klein oud autootje waarin vier man pasten. Hij schaakte beroerd maar werd vanwege zijn auto altijd opgesteld. De overige spelers zaten bij een professor die bereid was gevonden om mee te doen in de auto (een team betond uit tien man). Voorin zaten de professor en een student; achterin op elkaar gepropt de andere vier studenten; de auto helde zwaar achterover en de autolampen verblindden elke tegenligger – we speelden ’s avonds. “Ja, ja, ik weet het” mopperde de professor de hele tijd als een tegenligger weer eens met zijn lampen knipperde om aan te geven dat hij verblind werd.

Bij aankomst in Winterswijk bleek dat we in een zaaltje van het plaatselijke dorpscafé moesten schaken. Er stond een lange tafel, waarachter wij zaten. Winterswijk zette ons letterlijk met de rug tegen de muur. Gelukkig hoefden we ons daar niet telkens achter vandaan te frummelen om bij de bar iets te bestellen. Regelmatig kwam het barmeisje namelijk langs om de bestellingen op te nemen. Het eerste rondje was koffie op kosten van de thuisvereniging, de overige consumpties waren voor eigen rekening.

Het barmeisje combineerde een knap uiterlijk met een diep decolleté. Als ze de drankjes kwam brengen, moest ze over de tafel bukken om ze aan te reiken. Dat leidde behoorlijk af. We verloren dan ook kansloos met 8-2. Op de terugweg – de autolampen beschenen weer de toppen van de bomen – werd vooral het barmeisje besproken. We verdachten Winterswijk er van dat zij hun geheime wapen was.

000 mata hari

Dit is Mata Hari die deze week in het nieuws was omdat het deze week 100 jaar geleden was dat ze geëxecuteerd werd. Ik wil niet zeggen dat het barmeisje van Winterswijk er ook zo gekleed bij liep maar veel scheelde het niet.

De nederlaag tegen Winterwijk was niet de enige nederlaag dat seizoen. Aan het einde van de competitie stonden we er zo slecht voor dat we dreigden te degraderen. De laatste wedstrijd was de uitwedstrijd tegen Almelo 3. We moesten winnen om niet te verliezen. Nu had onze vereniging een geheim wapen in de persoon van Lodewijk Prins. Hij was in die tijd docent aan de TH Twente. Lodewijk Prins was een schaakgrootmeester. Hij had in 1948 het Hoogovens-toernooi gewonnen en was in 1965 nog Nederlands kampioen geworden. Hoewel Jan Hein Donner met wie hij voortdurend overhoop lag bij die gelegenheid zei dat Prins geen paard van een loper kon onderscheiden, kon hij – Prins was inmiddels gestopt met schaken – halverwege de jaren zeventig nog steeds zeer goed schaken. Hij was lid van onze vereniging maar speelde niet mee in de interne of externe competitie. Wel verzorgde hij één of twee keer per jaar een trainingsavond.

000 Lodewijk Prins1965; Lodewijk Prins; zittende rechts achter de zwarte stukken is zojuist Nederlands kampioen schaken geworden. Foto Jac de Nijs; Anefo; Nationaal Archief.

Iemand van ons team trok de stoute schoenen aan en belde Lodewijk Prins op. Hij legde uit dat we op het punt van degraderen stonden en of hij heel, heel misschien bereid was om met Drienerlo 2 mee te schaken tegen Almelo 3. Tot onze grote verrassing zei hij ja. Op de avond van de wedstrijd zaten we met grote spanning in de zaal van Almelo op zijn komst te wachten. Lodewijk Prins zou op eigen gelegenheid komen. Om vijf voor acht ging de deur van de zaal van Almelo open en daar stapte hij binnen.

Het gebruikelijke geroezemoes in de zaal vlak voordat de partijen begonnen verstomde onmiddellijk. Verbaasd en ontzet keken de spelers van Almelo 3 naar Lodewijk Prins. Deed hij mee? Vol vertrouwen zetten wij ons achter het bord. Het eerste puntje was binnen. Dat viel tegen. Lodewijk Prins speelde remise. Maar de andere spelers van Almelo 3 waren zo afgeleid – ze gingen de hele tijd bij het bord van Prins kijken – dat we met 5,5 – 4,5 wonnen, waardoor niet wij maar Almelo 3 degradeerde. Lodewijk Prins was ons barmeisje.

 

Michiel de Ruyter

In 1966 zat ik in de eerste klas van de HBS. Aan het einde van het schooljaar bleven opmerkelijk genoeg alle meisjes uit onze klas zitten. Waarschijnlijk te veel afgeleid door mijn aanwezigheid. Toen we na de zomer weer op school kwamen, hadden we tien nieuwe meisjes in onze klas. Het waren alle zittenblijvers van alle tweedenklassen samen – onze school was zo groot dat er meestal vier op vijf parallelklassen waren. Om te zorgen dat onze klas weer meisjes zou tellen, waren ze allemaal bij ons in de klas geplaatst. Twee meisjes in het bijzonder trokken onze aandacht. De ene was Gisela, zij had al echte borsten, de ander was Georgette. Zij had mooie lange blonde haren maar dat was niet de reden dat we haar nieuwsgierig bekeken.

De reden daarvoor was haar achternaam. Ze heette Georgette de Ruyter de Wildt en daarmee was zij een rechtstreekse afstammeling van Michiel de Ruyter zoals onze geschiedenisleraar vertelde. Alleen mensen met de achternaam de Ruyter de Wildt zijn dat, mensen met de achternaam de Ruyter niet. Dus mocht je de Ruyter heten en je afvragen of je afstamt van Michiel de Ruyter, sorry niet dus. De reden dat ik opeens aan Georgette moest denken, was ‘Nieuwsbrief 66’ die ik onlangs per mail van Michiel van Straten ontving en waarin hij aandacht besteedde aan Michiel de Ruyter.

Michiel – van Straten; niet de Ruyter – is een dubbele (oud-) collega van mij. Bij KPN werkte hij net zoals ik bij de Marketing & Sales van KPN Zakelijke Markt en ook schrijft hij net zoals ik non-fictie boeken voor uitgeverij Atlas. Ook schrijft hij regelmatig artikelen voor diverse bladen. Onlangs heeft hij voor het tijdschrift ‘Spiegel der Zeilvaart’ een mooi stuk  geschreven over Michiel de Ruyter en de tocht naar Chatham die 350 jaar geleden plaats vond.

Michiel

De twee Michiels, links de schrijver; rechts de admiraal.

Michiel heeft een fijne pen van schrijven zoals dat zo mooi heeft. Ik kan zijn boeken en artikelen dan ook aanraden. Wie zijn verhaal over Michiel de Ruyter online wil lezen, kan hier terecht. Hij heeft hiervoor onder andere gesproken met Frits de Ruyter de Wildt, de voorzitter van de Stichting Michiel de Ruyter. Eén citaat uit het artikel:

Your family has a tendency of coming here unannounced’ krijgt Frits de Ruyter de Wildt te horen wanneer hij in het najaar van 2015 in Chatham onaangekondigd aanklopt bij Richard Holdsworth, de directeur van The Historic Dockyard. Britse humor

Kijk, van dat soort zinnetjes hou ik wel. Michiel – hij noemt zich ‘ontdekkingsschrijver’ – heeft ook een eigen site: http://www.ontdekkingsschrijver.nl/

p.s. wat betreft die nieuwe meisjes in onze klas, niet één van hen was in ons geïnteresseerd. Ze vonden ons allemaal veel te jong.

 

Surprise

Surprise

Uit de serie huisdieren: Dynamite, de  flatpoes van onze studentenflat op de campus van de TH Twente in Enschede, steekt haar kopje uit het kattenluik en ziet daar onze flathond Candy, met zijn Dracula-tanden, staan; foto stamt ergens uit de zeventiger jaren. 

 

Moderne drop

In Albert Heijn zagen Marianne en ik dit zakje drop liggen.

pinpas

Pinpassen-drop! Tja, het zijn moderne tijden. In mijn jeugd vond je muntdrop al heel bijzonder.

Toen ik nog jong was, had je niet zoveel verschillende soorten drop. Je had het gewone rolletje zoute drop – o wee als je je rolletje in de gracht liet vallen.

drop 195624 augustus 1956; Reclame voor Venco zoute drop in de Keizersgracht in Amsterdam; foto Harry Pot; Anefo; Nationaal Archief.

En verder had je onder andere muntdrop, Engelse drop, dropveters –  in de film The Gold Rush at Charlie Chaplin zijn schoenveters op; gelukkig voor hem waren het geen echte veters maar dropveters –  salmiakdrop en laurierdrop.

Van die laatste soort kon je goed dropwater maken. Je stopte water en laurierdrop samen  in een klein flesje. Vervolgens moest je flink schudden. Daarna zette je het flesje een dag weg in een donkere kast. Ik kan overigens geen enkele reden bedenken waarom dat in een donkere kast moest. Als je het er daarna weer uithaalde en de fles nog even flink schudde, dan loste de drop op en had je een soort kleverige vloeistof: het dropwater. Het smaakte een beetje naar hoestsiroop (wat ik overigens altijd lekker vind smaken). Ach, wie maakt er tegenwoordig nog dropwater.

Vandaag de dag schijnen Nederlanders bij elkaar volgens dropfabrikant Klene zo’n 34 miljoen kilo drop per jaar te eten, of te wel gemiddeld zo’n 2 kg drop per persoon. Driekwart van de Nederlanders eet wel eens drop. Bij elkaar volgens Klene zo’n 8 miljard dropjes!

Drop is al een eeuwenoude lekkernij. Toen in 1922 de graftombe van de jonge farao Toet-Ankh-Amon werd gevonden – hij regeerde van 1333 tot 1323 voor Christus – werden in zijn graftombe ook grote hoeveelheden zoethoutwortel aangetroffen, zijnde het hoofdingrediënt van drop. Blijkbaar vond de oude Egyptenaren ‘drop’ zo lekker dat het ook in het hiernamaals aanwezig moest zijn.

Voor wie zich afvraagt, waar haalt hij deze laatste wijsheid nu weer vandaan, nou van deze site dus. Het is een blog van een zekere ANZJ. Tussen 2008 en 2016 heeft hij of zij meer dan 750 blogposts geschreven over drop. Of zoals het op de site staat: ‘Dit is mijn dappere poging om de veelheid aan (NL) drop in kaart te brengen. Met veel achtergrond- informatie en een kritische test van élk geblogd dropje.” Als ex-voorzitter van de VIENO (de Vereniging voor Interessante Edoch Nutteloze Onderzoeken) kan ik een dergelijke site uiteraard waarderen.

Ik heb even wat van die blogs bekeken – jammer dat op de site geen drop-down menu staat; sorry die woordspeling kon ik niet laten – maar er staan een hoop leuke dingen op de site. Wat dacht u bijvoorbeeld van het volgende krantenbericht uit 1997 over de ‘de gestrande verstappertjes’, die dropfabrikant Van Slooten dat jaar uitgaf naar aanleiding van het herhaaldelijk utvallen van Jos Verstappen, de vader van Max. Jos Verstappen kon die dropjes niet zo waarderen.

verstappen drop

Gezien het feit dat Max Verstappen dit seizoen tijdens de helft van de races is uitgevallen, kan die drop zo weer op de markt worden gebracht.

 

Een sinterklaasverrassing

Afgelopen weekend was Barry Gibb de hoofdattractie van het Glastonbury festival 2017. Barry Gibb vormde vroeger samen met zijn broers, de tweeling Robin en Maurice, de Bee Gees. Ok, er was aanvankelijk ook nog een drummer en een gitarist, maar de Bee Gees, dat waren de gebroeders Gibb.

Barry is de nog enig overgebleven broer Gibb. Maurice stierf in 2003 op 52-jarige leeftijd aan de gevolgen van een darminfarct en Robin overleed op 61-jarige leeftijd in 2012 aan leverkanker. Eerder was al in 1988 hun jongere broer Andy – een nakomertje die als soloartiest een succesvol tieneridool was – op 30-jarige leeftijd, aan een hartkwaal overleden, Kortom, Barry Gibb, heeft wel het nodige te verwerken gekregen.

Barry Gibb – hij is nu 70 jaar oud – treedt af en toe nog op. Soms samen met zijn zoon Steve en nichtje Samantha, de dochter van Maurice. Nu dus op het Glastonbury festival. De recensent van de Engelse krant The Guardian was razend enthousiast over het optreden: “The set never puts a foot wrong – it’s literally wall-to-wall classics, from the late 60s balladry of I’ve Gotta Get A Message To You to relentless disco pulse of You Should Be Dancing, to Islands In The Stream. […] It’s certainly one of the greatest sets that slot on the Pyramid Stage has seen.”

Ach, ‘I’ve Gotta Get A Message To You’ dat brengt oude herinneringen boven. Dat was de tweede single die ik bezat. In het najaar van 1968, ik was dertien, had ik van mijn zakgeld als eerste ‘Hey Jude’ van de Beatles gekocht. Mijn ouders waren niet zo gelukkig met mijn aankoop. ‘Hey Jude’ vonden ze nog wel gaan maar op de achterkant stond ‘Revolution’, één van de meest luidruchtige nummers ooit van de Beatles. En als je maar één plaatje hebt, dan is de keuze vrij beperkt welk nummer je op de pick-up in de huiskamer draait.  Eerlijk gezegd vond ik ‘Revolution’ ook maar een nummer van niks, maar ja, het waren wel de Beatles.

Tegelijkertijd met de Beatles stonden de Bee Gees met ‘I’ve Gotta Get A Message To You in de top 40. Die single wilde ik ook graag hebben, maar mijn zakgeld was op. Ik vroeg hem daarom voor Sinterklaas. Mijn ouders die bang waren voor een tweede Revolution waren niet enthousiast. “Wil je niet liever ‘Ich Bau’ Dir Ein Schloss’ van Heintje hebben?” Heintje was een Limburgs jongetje dat ongeveer even oud was als ik en dat in 1968 liefst tien weken op de eerste plaats van de top 40 stond met dit nummer. “Nee, die wil niet” zei ik. “Ik wil de Bee Gees”. “De Bie Jies?” vroeg mijn moeder. Ik verzekerde haar dat de Bee Gees alleen maar mooie nummers zongen, geen herrie, ook niet op de achterkant van de plaat, en dat zij het ook mooi zou vinden. “Nou zet, het dan maar op je lijstje, dan zullen we wel eens zien” zei ze.

In de weken voor Sinterklaas suggereerde mijn vader met een sardonisch genoegen regelmatig dat ze misschien wel een plaat voor mij hadden gekocht, maar dat, mocht dit inderdaad het geval zijn, dat het wel eens verrassing kon worden welke dit zou zijn. Ik begon mij zorgen te maken. Ik vreesde dat mijn ouders toch voor Heintje hadden gekozen. Heintje! Daar kon je toch niet mee aan komen op school. Dan werd je keihard uitgelachen.

Het is nu bijna vijftig jaar later. Volgend jaar verjaart mijn misdaad en mijn ouders zijn allebei al lang geleden overleden, dus ik kan het nu wel opbiechten. Twee dagen voor Sinterklaas besloot ik dat ik het zeker moest weten. Ik was de enige die thuis was op dat moment. Ik wist dat mijn ouders altijd de cadeaus in de klerenkast op hun kamer verstopten en zenuwachtig keek ik in de ‘verboden kast’. Er lagen allerlei cadeaus. Tussen de pakjes in zag ik een plastic zakje van de bekendste platenwinkel van Deventer. Ik pakte het en keek nieuwsgierig in het zakje. Er zat inderdaad een singletje in. Alleen kon ik niet zien welke het was. Het was in sinterklaaspapier ingepakt.

Even aarzelde ik, maar toen maakte ik het pakje heel voorzichtig open. Ai, het plakband scheurde met het open maken een stukje van het cadeaupapier mee. Voorzichtig haalde ik het plaatje uit het papier. Het was ‘I’ve Gotta Get A Message To You’. De opluchting was groot. Voorzichtig stopte ik het  terug in het papier en plakte het losgescheurde stukje papier met wat lijm weer op het papier vast. Helemaal 100% goed zat het niet, maar ook weer niet zodanig slordig dat je kon zien dat het pakje open was geweest. Ik zette alles weer netjes terug in de kast en hoopte dat mijn ouders niet zouden zien dat ik stiekem had gekeken.

000000 bee gees 2Mijn eerste twee singletjes. Ik heb ze nog alle twee.

Tijdens het sinterklaasfeest deed ik heel verrast toen I’ve Gotta Get A Message To You’ uit het pakje tevoorschijn kwam.

Een verloren schoentje

Valt u iets op aan deze foto die Marianne ruim twintig geleden maakte toen ik met de oudste dochter terugkeerde van de creche? Ik bedoel niet dat ik er nog zo jeugdig, knap en slank uit zie en ook niet dat de dochter zo lief met haar handje naar haar moeder zwaait.

0000 judith

Nee, het gaat me hier om de voetjes van mijn dochter. Ze draagt geen schoenen of slofjes, alleen maar sokjes! Geen idee waarom. Het is niet zo dat het zo warm is bijvoorbeeld en ze geen schoenen of slofjes hoeft te dragen – we dragen allebei een jas. Het is ook niet zo dat ze nooit slofjes mee kreeg naar de crèche, zoals onderstaande foto overduidelijk laat zien.

0000 sloffenDeze foto zo bekijkend, bedenk ik nu dat we haar misschien iets betere tafelmanieren hadden moeten bijbrengen.

Maar goed, ik heb dus geen idee waarom ze geen schoentjes aan heeft. Ze zal ze niet verloren zijn, want dat zou ik nog wel weten. Dat overkwam haar jongere zusje namelijk. Die had een keer de schoentjes van haar zus aan – de allereerste schoentjes nog wel; maat 21 – en zat in een stoeltje voorop de fiets toen we de landgoederenroute in Wassenaar fietsten. We waren al bijna weer thuis, toen we opeens zagen dat ze nog maar één schoentje aan had. De andere was weg. Shit!

Marianne fietste met de dochter door naar huis. Ik keerde om en fietste de hele route weer terug – door Den Haag, Wassenaar, Voorschoten en Leidschendam – ondertussen op de grond kijkend of ik ergens een schoentje zag liggen. Nergens een schoentje te zien. Nou hielp het ook niet dat het herfst was en er veel bladeren op de grond lagen.

Daardoor hebben we van de allereerste schoentjes van de dochter alleen nog maar het rechterschoentje, het linker exemplaar ontbreekt. Dus mocht iemand een soortgelijk schoentje ergens in Wassenaar of omgeving zien liggen, gaarne contact opnemen.

0000 schoentje

Het schoentje is wel erg afgetrapt. Ik kan me niet herinneren dat mijn dochter nou zo’n voetballertje was, dus waarom dit schoentje zo afgetrapt is? Geen idee.

Maar goed, ze draagt op de foto dus geen schoentjes. Marilyn Monroe zei ooit eens: “Geef een meisje de juiste schoenen, en ze kan de wereld veroveren.”

 

Batman is overleden

Opeens gaat het hard. Onlangs overleed Roger Moore die de rol van Ivanhoe speelde en van de week blies Adam West de laatste adem uit. William West Anderson, zoals Adam West in werkelijkheid heette, is 88 jaar oud geworden. Hij speelde in de zestiger jaren de rol van Batman in de gelijknamige tv-serie. Daarmee is weer een hoofdrolspeler uit één van de series van mijn jeugd overleden.

Batman was een opmerkelijke serie gebaseerd op het bekende stripverhaal. Dat laatste zag je ook heel opvallend terug in de kleurrijke tekstplaatsjes die tijdens de gevechten in beeld verschenen.

000 batman 2

Het is overigens een vreselijk gedateerde serie die je beslist niet terug hoeft te kijken. Dit in tegenstelling tot de derde serie – naast Ivanhoe en Batman – die ik in mijn jeugd altijd keek: Zorro.

Eind jaren negentig herhaalde ‘de Belg’ deze serie regelmatig. Samen met mijn twee dochters bekeek ik de afleveringen weer met groot plezier. “Kom meisjes, we gaan weer Zorro kijken” riep ik dan enthousiast. Ik zal maar eerlijk toegeven dat vooral ik de drijvende kracht was achter het kijken naar Zorro.

0000 zorroMet zijn drietjes kijken naar Zorro op ons kleine tv-tje. Omdat de serie in zwart-wit werd uitgezonden de foto ook maar in zwart-wit afgedrukt.

U als lezer hoeft overigens niet bang te zijn dat er hier binnenkort een blogpost verschijnt naar aanleiding van het overlijden van Guy Williams, de acteur die de rol van Zorro speelde. Hij overleed namelijk al in 1989 op 65-jarige leeftijd aan een hartaanval.

Zorro was met Ivanhoe de ultieme held van mijn jeugd. Toen ik in 2005 het Nutteloze Kennisparadijs voor de Volkskrant schreef, zag ik dan ook mijn kans schoon om een column aan hem te wijden. Ik heb hem hieronder geplaatst – dit onder het motto: ‘herhaling is de kracht van de reclame’.

Zorro

‘Out of the night, when the full moon is bright, comes the horseman known as Zorro. / This bold renegade carves a Z with his blade, a Z that stands for Zorro. / Zorro, the fox so cunning and free. / Zorro, who makes the sign of the Z. / Zorro, Zorro, Zorro.

Wie kent niet de begintune van Zorro. Deze beroemde televisieserie, gemaakt door de Disney-studio’s, werd in Amerika van oktober 1957 tot september 1959 uitgezonden door ABC. Hoewel de serie buitengewoon succesvol was – de show had met 35 miljoen kijkers een kijkdichtheid van bijna 40 procent – liep de serie slechts twee seizoenen. Dit vanwege een juridisch conflict tussen ABC en Disney-studio’s. Ook buiten Amerika werd de serie met veel succes uitgezonden en talloze malen herhaald.

De figuur Zorro – het Spaanse woord voor ‘vos’ – is bedacht door de journalist Johnston McCulley. Hij schreef in 1919 het verhaal ‘The Curse of Capistrano’, dat als wekelijks vervolgverhaal verscheen in het pulpmagazine ‘All-Story Weekly’. Eerst had McCulley geen tweede Zorro-verhaal in gedachten. Aan het einde van het verhaal liet hij Zorro namelijk zijn identiteit onthullen. Toen Zorro populair werd, deed hij net of dit niet was gebeurd en schreef tot aan zijn dood nog circa veertig Zorro-verhalen.

In 2005 verscheen er een boek van Isabel Allende over een jonge Zorro. Ze schreef dit op verzoek van Zorro Productions, het bedrijf dat de eigendomsrechten van Zorro bezit. “Ik mocht helemaal mijn gang gaan, mits ik me aan een paar voorwaarden hield. Zorro moest in het zwart gekleed gaan, een masker dragen, een degen en een zweep hebben en zijn paard moest Tornado heten. Voor het overige had ik alle vrijheid ”

Zorro Productions wil het verhaal verfilmen. Zorro is vaker verfilmd. De eerste Zorro werd in 1920 gespeeld door Douglas Fairbanks sr. Ook Tyronne Powers, Alain Delon en Antonio Banderas hebben Zorro gespeeld. Maar dé ultieme Zorro is toch Guy Williams van de televisieserie.

Guy Williams werd als Armando Catalano op 14 januari 1924 geboren en had, voordat hij de rol van Zorro kreeg, nog niet veel grote rollen gespeeld. Het was Walt Disney zelf die aan Guy Willams de voorkeur gaf boven de belangrijkste andere kandidaat-Zorro, Dennis Weaver, die toen in Gunsmoke speelde en later bekend werd als McCLoud.

De rol van Monestario, de kapitein waar Zorro menig robbertje mee schermde, werd gespeeld door Britt Lomond. In 1952 behoorde hij tot de beste Amerikaanse schermers. Hij had zich geplaatst voor het Amerikaanse kwalificatietoernooi voor de Olympische Spelen, maar toen Hollywood vroeg of hij mee wou spelen in een piratenfilm koos Lomond voor de film en niet voor de sport.

Andere grote rollen in de tv-serie waren er voor Henry Calvin die de sympathieke dikke sergeant Garcia speelde (hij had een speciaal scheermes dat er voor zorgde dat hij altijd stoppelig geschoren op de set verscheen) en Gene Shelton, een ex-pantomimespeler die de Zorro’s knecht Bernado speelde.

Guy Williams had tijdens de opnames twee stand-ins. Niet voor het schermen, dat deed hij zelf, maar wel voor de gevaarlijke stunts en voor het zingen. Williams kon niet zingen. Ene Bill Lee zong de aubades, waarmee Williams de oren van de señorita’s pijnigde, opnieuw in.

Wie ook stand-ins gebruikte, was Diamond Decorator, het paard dat Tornado ‘speelde’. Hij had er liefst drie. Eentje die heel goed kon steigeren, eentje voor de vechtscènes en eentje voor het snelle galopperen. Het enige dat Diamond Decorator zelf op de filmset deed, was het poseren voor de close-ups en kijken hoe zijn stand-ins al het werk deden.

Tot zover mijn column. Voor het geval u zich afvraagt waarom in de column vermeld staat dat de man die de rol van de  kapitein in de serie speelde zich in 1952 had geplaatst  voor het Amerikaanse kwalificatietoernooi voor het onderdeel schermen op de Olympische Spelen, dat komt omdat het thema van de pagina waar mijn column stond in die tijd ‘sport’ was. Daarom moest er altijd, hoe klein dan ook, iets in de column staan dat een link met sport had.

Madurodam

Madurodam wordt groter. Daarmee bedoel ik niet de huisjes maar het terrein. Het Haagse gemeentebestuur heeft groen licht gegeven voor een uitbreiding van het attractiepark. Dit gaat wel ten koste van 0,6 hectare van de Schevenings bosjes. Oorspronkelijk wilde Madurodam er zelfs bijna 4,5 hectare bos bij, maar deze plannen riepen veel verzet op. Madurodam wil er overdekte paviljoens bouwen zodat het park ook met slecht weer bezoekers trekt.

00 madurodam2 juli 1952; Prinses Beatrix met de ambtsketen om  – ze was de eerste burgemeester van Madurodam – opent Madurodam (links naast haar prinses Irene); foto J.D. Noske; Nationaal Archief

Madurodam is een leuk park. Toen onze kinderen klein waren, zijn wij er ook een aantal keer geweest. Het favoriete gebouw van onze dochters was de Marsfabriek. Als je daar een dubbeltje in een soort automaat gooide, dan kwam er een klein vrachtwagentje uitrijden met daarop een mini-Mars of een mini-Bounty. Dat mocht je er dan van afpakken. Als we naar Madurodam gingen, dan was het altijd even eerst in de portemonnee kijken, om te zien of er wel dubbeltjes in zaten.

Als we het rondje gelopen hadden, dan volgde er een bezoek aan het restaurant. Ze hadden er zelfspot. Ik weet niet of deze dichtregel er nog steeds aan de muur hangt, maar in de tijd dat wij Madurodam bezochten in ieder geval wel.

00 madurodam 1

Maar goed, misschien worden de kroketten nu een stukje groter.

De nieuwe school

In de zomer van 1965 – ik was tien jaar oud – kreeg mijn vader een nieuwe baan als leraar op een middelbare school in Deventer. We verhuisden daarom van Apeldoorn naar Diepenveen, een dorp pal onder de rook van Deventer. Ik vond dat niet leuk. Ik was in één klap al mijn vriendjes kwijt.

Diepenveen was een dorp in de overgang. Het was van oudsher een plattelandsgemeente waar nieuwe wijken werden gebouwd voor mensen die in Deventer werkten. Het dorp telde twee lagere scholen, een katholieke en een openbare lagere school, de Dorpsschool, die gehuisvest was in een oud gebouw dat nog uit 1882 stamde. Ik ging naar de Dorpsschool.

diepenveenDiepenveen, boerderijen en een molen aan de Molenweg in 1920

Op maandagmorgen bracht mijn moeder mij naar de school. Deze was al een week bezig, maar omdat we pas op vrijdag waren verhuisd, had ik de eerste schoolweek gemist. Ik kreeg een plekje rechts vooraan in de hoek van de vijfde klas – groep zeven zouden we nu zeggen. De meester stelde me voor aan de klas. “Dit is Martin, een nieuwe leerling. Hij komt uit Apeldoorn. Zorg dat hij zich welkom voelt.” Daarna begon de les. Het eerste onderwerp was lezen. Ene Gait kreeg de beurt. Hij stotterde vreselijk. Het was voor het eerst van mijn leven dat ik iemand hoorde die stotterde. Verbaasd draaide ik me om en keek naar Gait. De meester onderbrak hem. “Martin”, zei hij. “Gait stottert. Wij helpen hem maar dat doen we niet door naar hem te kijken. Wil je je dus niet omdraaien.” Zowel Gait als ik kregen een knalrood hoofd.

Toen het speelkwartier begon, riep de meester twee jongens bij zich: “Laten jullie Martin even de school zien” zei hij. Ik liep met de jongens mee naar buiten. “Jij bent zeker voor Roy hè?” vroeg de ene. “Wie is Roy?” vroeg ik verbaasd. “Je bent of voor Roy of voor Gerrit. Alle nieuwe zijn altijd voor Roy.” sprak de andere. “Ik ben helemaal voor niemand” zei ik. “Nee, dat kan niet. Je bent of voor Roy of voor Gerrit maar niet voor niemand. De nieuwen zijn altijd voor Roy.” “Als dat zo is, dan zal ik ook wel voor Roy zijn denk ik.” antwoordde ik. Ik had werkelijk geen idee wie Roy en Gerrit waren. “Dacht ik wel” sprak de tweede en hij gaf me een duw. Zij waren voor Gerrit.  Deze behoorde tot de oorspronkelijke inwoners van het dorp. Roy was één van de nieuwkomers. De jongens liepen weg en ik stond moederziel alleen op het schoolplein tussen allemaal vreemden. Terwijl ik even later de klas weer binnenliep, hoorde ik één van de twee jongens aan de andere kinderen vertellen dat ik voor Roy was.

martin 1965

1965: de nieuwe leerling op school

Na de pauze moesten we verkeerregels op schrijven – in de vijfde klas moest je verkeersexamen doen. Een deel van de regels moest je met rode inkt schrijven. Op ieders tafeltje stond een potje blauwe en een potje rode inkt. Ook had je twee pennen om mee te schrijven. Op mijn tafeltje lag alleen maar een pen voor de blauwe inkt. Ik stak mijn vinger op. “Meester, ik heb geen rode pen.”Ik heb geen rode pen meer over, maar ga maar even bij meester Hendriks vragen of hij nog een rode pen voor je heeft” antwoordde hij. “Wie is meester Hendriks?” vroeg ik.

Meester Hendriks bleek de meester van vijf-niet-opleiding te zijn. Na de vierde klas werden op de Dorpsschool de leerlingen van de school al gesplitst in twee groepen. In vijf-opleiding – dat was de klas waarin ik zat – zaten de leerlingen die klaar werden gestoomd voor de HBS en de Mulo. In vijf-niet-opleiding kwamen de kinderen terecht waarvan de school dacht dat de ambachtsschool of de huishoudschool hun toekomstig schoolniveau was.

Ik klopte aan en meester Hendriks riep “binnen”. Zo’n twintig kinderen keken me aan. “Ik ben nieuw. Ik moest van meester aan u vragen of u nog een rode pen voor mij heeft.” Meester Hendriks keek de klas aan. “Wie van jullie heeft nog een rode pen? vroeg hij. Twee meisjes staken aarzelend hun vinger op. Meester Hendriks wees één van hen aan en zei: ”Geef jouw rode pen maar aan hem.” Met een verdrietig gezicht gaf het meisje de pen. Toen ik de klas uitliep, hoorde ik iemand “vuile pennendief” zeggen.

inkt1932; een schoolmeisje maakt een inktvlek in haar schrift; foto Nationaal Archief; fotograaf Willem van der Poll

Om twaalf uur stond mijn moeder bij het schoolhek te wachten. Ik was het enige kind uit de vijfde klas waarvan de moeder bij het hek stond. “Hoe was het?” vroeg mijn moeder toen we naar huis liepen. “Wel leuk” antwoordde ik. Ik durfde niet te zeggen hoe vreselijk ik het vond. Bang om mijn moeder verdriet te doen.

Gelukkig ging het ’s middags al beter. We hadden gymnastiek. De jongens gingen voetballen, de meisjes handballen. Ik viel om twee redenen op. Ten eerste was ik de enige die een blauwe broek en een blauw shirtje aan had – de kleuren van mijn oude lagere school; alle andere kinderen droegen een zwarte sportbroek en een wit shirt, de kleuren van de Dorpsschool – en ten tweede, ik was een veel betere voetballer dan alle andere jongens. Dat kwam vooral doordat ik allerlei Apeldoornse voetbaltruckjes kende die zij niet kenden.

Toen om drie uur de school uitging, stonden drie kinderen buiten mij op te wachten. Even vreesde ik het ergste, maar het was Roy met twee van zijn kompanen. Hij vroeg of ik zin had om te komen voetballen. Volgens één van de andere jongens was het een grote eer dat Roy een nieuweling persoonlijk daarvoor vroeg.

Drie maanden later was het Roy-Gerrit gedoe opeens helemaal over. Dat kwam door twee gebeurtenissen. De ene was het tegeltjesincident, de andere de fiets-oriëntatietocht. Bij het tegeltjesincident was ik het middelpunt. De school ging verhuizen naar een nieuw gebouw. De oude dorpsschool werd afgebroken en op die plek werd een Dorpshuis gebouwd. Alle leerlingen van school kregen ter herinnering een tegeltje met een afbeelding van de oude Dorpsschool.

De meester had echter een tegeltje te weinig en zei toen. “Martin, jij hebt maar zo kort in dit schoolgebouw gezeten. Ik heb er eentje te kort, dus jij krijgt er geen.” De kinderen van de klas keken naar mij. Ik hield mij groot en keek alsof me dat niets konden schelen. Opeens sprak Viola: “Dat is niet eerlijk meester. Geeft u anders maar mijn tegeltje aan Martin.” Er viel een doodse stilte in de klas. Niet alleen vanwege haar aanbod, maar ook omdat Viola het belangrijkste meisje van het Gerrit-kamp was en ik in het Roy-kamp zat. Dat Viola heimelijk verliefd op mij was – ik had uiteraard niets in de gaten – hoorde ik pas later.

De meester wou iets zeggen, maar aarzelde toen. Mijn vader legde later uit dat Viola de dochter was van de belangrijkste notabele van het dorp en dat haar vader elk jaar een ruime financiële bijdrage aan de school gaf. Misschien vond meester het niet zo’n goed idee dat zij zonder tegeltje thuis zou komen. Hij liep de klas uit en kwam even later terug met een extra tegeltje. Even was ik bang dat er nu in vijf-niet-opleiding een kind zonder tegeltje zat, maar dat bleek gelukkig niet het geval te zijn. Toen ik mijn tegeltje kreeg, gaf ik Viola een dankbare blik. Ze bloosde.

tegeltjeHet bewuste tegeltje, ik heb het ruim vijftig jaar later nog steeds. Tussen Kunst en Kitsch: “Mag ik vragen, hoe komt u aan dit tegeltje?”

De volgende dag was er een fiets-oriëntatietocht. De tocht begon bij de oude school en zou bij het nieuwe gebouw eindigen. Voor de route kreeg je een blaadje met aanwijzingen. “Bij de dorpspomp rechtsaf” dat soort zaken. Belangrijk was in ieder geval dat je de controlepost bij Café Oranje niet miste. Daar kreeg je een ijsje. Je fietste met zijn tweeën. Je mocht zelf een maatje kiezen. Voor het vertrek vroeg meester wie er nog geen partner had. Twee jongens staken hun vinger op: Roy en Gerrit. Niemand had hen gevraagd. “Dan fietsen jullie met zijn tweeën” zei de meester. Even later fietsten Roy en Gerrit samen weg. Hoe zou dat aflopen? Anders dan dat wij gedacht hadden. Vanaf dat moment bleken Roy en Gerrit namelijk opeens de beste vrienden te zijn en van de ene op de andere dag was de strijd tussen het Roy en het Gerrit kamp voorbij.

Dick van Dyke

Vanwege het overlijden van Ivanhoe (Roger Moore) heb ik even gekeken hoe het met Dick van Dyke gaat. Dick van Dyke was één van de hoofdpersonen in Mary Poppins. Hij speelde hierin een schoorsteenveger. Mary Poppins was de allereerste film die ik in een bioscoop zag – dat was tijdens een verjaardagsfeestje van een vriendje. Kortom, jeugdherinnering. (Ook herinner ik me hem van de Dick van Dyke show, een televisieserie die mijn ouders in de jaren zestig keken.)

Dick van Dyke is inmiddels 91 jaar oud, maar blijkt nog steeds “alive and kicking” te zijn. Hij treed voor zijn plezier zelfs nog af en toe op met The Vantastix, een a capella groep uit Los Angeles. Zie hieronder een youtube filmpje uit augustus 2016, waarin bezoekers van de Denny’s in Santa Monica tijdens het ontbijt worden verrast met een uitvoering van Chitty Chitty Bang Bang, de titelsong uit de gelijknamige musicalfilm uit 1968  (nutteloos feitje: het script van die film is gebaseerd op een boek van Ian Fleming, de schrijver van de James Bond Boeken, en is geschreven door Roald Dahl). Dick van Dyke en zijn vrienden hadden eerder die ochtend opgetreden tijdens een vroege ontbijtshow op televisie.

Volgens dit bericht uit het AD van december gaat hij zelfs nog een rol spelen in een soort vervolgfilm van Mary Poppins. Andere rollen in deze film die in 2018 moet uitkomen, zijn voor Colin Firth en Meryl Streep. Ik neem aan dat Dick van Dyke gezien zijn leeftijd dan echter niet meer als een op de daken dansende schoorsteenveger te zien zal zijn, maar een andere, wat rustigere, rol krijgt.