Category Archives: Jeugdherinneringen

Aart Staartjes

Aart Staartjes is overleden. Hij bezweek gisteren aan de gevolgen van een verkeersongeluk in Leeuwarden. Het gebeurde op zo’n 100 meter afstand van het huis van mijn schoonzus en zwager, maar ze hadden van het ongeluk niks meegekregen.

Er zijn van die mensen die je al heel lang ‘kent’ van de televisie. Aart Staartjes was zo’n iemand. In mijn geval al meer dan vijftig jaar. De eerste keer dat ik hem op de televisie zag, was in de jaren zestig. We waren net van Apeldoorn naar Diepenveen verhuisd. In Apeldoorn had ik een paar jaar op zondagsschool gezeten, maar in Diepenveen hoefde dat niet meer. Mijn ouders lieten mij toen zelf de keuze of ik nog naar de zondagsschool wilde of niet. Dat was een makkelijke keuze. Ik had al genoeg verhalen uit de bijbel gehoord. Ik ging liever tv kijken en voetballen met vriendjes.

De allereerste zondag dat ik niet naar de zondagsschool hoefde, zette ik de televisie aan. Daar verscheen Aart Staartjes in beeld. ’Woord voor woord’ heette het programma. Hij vertelde verhalen uit de bijbel. Had ik weer. Dan maar naar buiten om te voetballen.

00000000 aart staartjesAart Staartjes ten tijde van ‘Woord voor Woord’

Daarna scheidden onze wegen zich gedurende lange tijd. Ik werd ouder en Aart Staartjes ging vooral kinderprogramma’s maken zoals de Stratemakeropzeeshow, De film van Ome Willem, J.J. de Bom voorheen de Kindervriend en het Klokhuis, allemaal kinder-programma’s die ik dus niet keek. Vanaf 1984 was hij te zien als meneer Aart in Sesamstraat. Ook regisseerde en presenteerde hij de intocht van Sint Nicolaas. Hij zou dat laatste meer dan twintig jaar doen.

00000000 aart staartjes 2Aart Staartjes achter op de fiets bij Joost Prinssen en Wieteke van Dort in De Stratemakeropzeeshow in 1973; foto Beeld en Geluid.

In de jaren negentig kregen Marianne en ik twee dochters en daar kwam meneer Aart weer in mijn leven. Dit dankzij Sesamstraat en de Sinterklaasintochten die ik samen met de dochters keek. Heel vaak zagen we hem mopperend op een bankje zitten.

00000000 aart staartjes 3Meneer Aart in Sesamstraat. Beeld afkomstig uit een filmpje op YouTube.

Maar nu is hij dus overleden. Allerlei nieuwsmedia, en ik dus ook, herdenken hem op hun eigen manier. Zo plaatste de site van de Volkskrant opnieuw een interview dat ze met hem in 2017 hadden. In dat interview vertelt hij onder andere dat hij met zijn dochter al meer dan dertig jaar geen contact had en dat hij haar twee kinderen nog nooit heeft gezien. Dat had onder andere te maken met een ruzie die hij met zijn schoonzoon had. Uit het interview:

‘Dat heeft met haar man te maken, een man die ooit Pino speelde in Sesamstraat, toen ik daar redacteur was. Bij een filmproductie van mij had hij Saskia, mijn dochter, ontmoet en ze kregen verkering. Een paar jaar later werd hij ontslagen, omdat hij weigerde de aanwijzingen van de regisseur op te volgen. Hij speelde een scène met Piet Hendriks, toen de opa van Sesamstraat. Het was net in de periode dat ik als redacteur Sesamstraat wilde moderniseren – de regisseur was de baas, niet de acteurs. Maar toen de regisseur zei dat Piet en Pino van plaats moesten ruilen, weigerden ze dat. Ze waren allebei hun baan kwijt. Via mij probeerde die man in Pino zijn baan terug te krijgen, maar ik heb hem niet geholpen. Dat heeft hem erg gekwetst, denk ik. Door mijn dochter tegen mij op te zetten, heeft hij me dat betaald gezet. Hij zei: als je niet meewerkt, krijg je je kleinkinderen nooit te zien. En ik heb ze inderdaad nooit mogen zien.’

Dit is natuurlijk maar één kant van het verhaal, maar het is triest. Niet alleen voor Aart Staartjes maar ook voor die kleinkinderen. Ik vraag me bijvoorbeeld af of die kinderen bij het kijken naar Sesamstraat of de Sinterklaasintocht wisten dat meneer Aart hun opa was.

Ik heb gisteren ook twee keer moeten lachen. De eerste keer was tijdens een tv-interview dat de EO gisterenavond naar aanleiding van het overlijden van Aart Staartjes herhaalde. Tijs van den Brink interviewde hem in een aflevering uit de reeks ‘Adieu God’ over zijn relatie met religie. In het programma vroeg hij hoe Aart Staartjes zijn toenmalige huwelijksproblemen met zijn vrouw had aangepakt. Hij keek bij het stellen van die vraag met een gezicht waarop af viel te lezen dat hij verwachtte dat God hierbij een grote rol had gespeeld, maar Aart Staartjes antwoordde broodnuchter: “We zijn gaan scheiden.”

De tweede keer dat ik moest lachten was toen ik op de Wikipedia opzocht wie de stem van Tommy was in Sesamstraat. In het interview van Aart Staartjes met de Volkskrant kwam namelijk dit stukje over de liedjes in Sesamstraat voor: “Zo’n Sesamstraat-liedje van Tommie: Dood zijn duurt zo lang. Die titel alleen al. En dan met dat stemmetje van ‘m. Och. Dat-ie zingt dat hij het zal missen als hij niet meer hoog op de schommel kan zitten. Dat ontróért je

De Wikipedia bevat een aparte pagina over Tommy uit Sesamstraat. Daar staat niet alleen dat Bert Plagman al sinds 1979 de rol en de stem (“Poehee”) van Tommy voor zijn rekening neemt, maar daar valt ook het volgende te lezen:

Aangezien de acteur zijn rechterhand gebruikt om Tommies hoofd en mond te bewegen, en zijn andere hand voor de linkerhand van de pop, is er een tweede persoon nodig die Tommies rechterhand speelt. Voorheen werd de rechterhand bewogen door Catherine van Woerden, Renée Menschaar en later door Judith Broersen. Deze drie spelen inmiddels respectievelijk Ieniemienie, Pino en Purk. Tegenwoordig wordt Tommies rechterhand bespeeld door Daphne Zandberg.”

Om die laatste zin moest ik vreselijk  lachen. Ik heb nog nooit gehoord van Daphe Zandberg en ik hoop oprecht dat ze nog heel lang onder ons mag zijn, maar ik zag het ‘in memoriam’ bij haar overlijden al voor me. “Ze bespeelde langere tijd de rechterhand van Tommy.”  

Enfin, Aart Staatjes is overleden. Als eerbetoon voor hem het liedje ‘Dood zijn duurt zo lang’. De muziek is van Harry Bannink, de tekst met de schitterende regels:“Het is niet fijn om dood te zijn. Soms maakt me dat een beetje bang. Het doet geen pijn om dood te zijn, maar dood zijn duurt zo lang” van Willem Wilmink.

00000000 aart staartjes 4(Op het plaatje klikken om naar het filmpje op YouTube te gaan.)

Johan Derksen

Gisteren had ik het met u over Mart Smeets. Vandaag wil ik het met u hebben over een andere bekende tv-persoonlijkheid: Johan Derksen. In tegenstelling tot Mart Smeets heb ik die wel vaker in levende lijve gezien. Echter niet in zijn rol als analist bij praatprogramma’s over voetbal maar als voetballer. Kunt u nagaan hoe oud ik ben.

Meer dan vijftig jaar geleden maakte Johan Derksen twee jaar lang deel uit van het jeugdteam van Go Ahead. Die speelden leuk voetbal en de jeugdploeg van Go Ahead behoorde in die tijd tot de beste teams van Nederland. Dat kwam mede omdat allerlei talentvolle jeugdspelers, afkomstig uit het hele land, naar Deventer werden gehaald waar ze een plaatsje kregen in het fameuze jeugdinternaat. Go Ahead was daarmee in die tijd uniek in Nederland. Ook Johan Derksen heeft hier twee jaar in gewoond.

Omdat wij fan van Go Ahead waren, bezochten mijn vader, mijn broertje en ik in de tweede helft van de jaren zestig niet alleen alle thuiswedstrijden van het eerste van Go Ahead maar ook die op zaterdagmiddag van de jeugdploeg. Wij zagen daardoor ook regelmatig Johan Derksen als voetballer in actie. Hij speelde aanvankelijk als linksbuiten maar toen Bert van Marwijk in de ploeg kwam werd Johan Derksen linksback. Hij was niet echt een topper maar een nuttige kracht zoals dat tegenwoordig zo heet.

Zie hier hoe hij op een foto van de jeugdploeg van Go Ahead staat. De foto is genomen vlak voor een beslissingswedstrijd tegen Feyenoord om het kampioenschap van Nederland. (De foto is afkomstig van de site van de Stichting Niet te kraken, een stichting die zich bezig houdt met het verleden van Go Ahead Eagles)

0000000 jeugd2

Johan Derksen staat in bovenste rij. Hij is de derde persoon van rechts . De knielende speler helemaal rechtsonder is Bert van Marwijk, de latere eenmalige international en bondscoach. De speler met de bal, tweede van links, is Hans Bleijenberg. Tegen hem heb ik nog een keer gevoetbald in het kader van het Apeldoorns kampioenschap voor lagere scholen. We waren toen allebei de grote ster van onze schoolteams. Alleen scoorde hij in die wedstrijd vijf keer en ik nul keer, maar dat is een detail.

Op de site van de stichting Niet te Kraken staat een column van Johan Derksen uit 1989 over zijn tijd  in het jeugdhuis. Ik citeer even een stukje uit die column. (Voor wie de hele column van Johan Derksen wil lezen, zie hier.)

“Ik weet het allemaal zo goed, omdat ik zelf ooit twee jaar in het jeugdinternaat verbleef destijds, in de jaren zestig, gebeurden er al dingen waar de meute nu nog gechoqueerd op zou reageren. Ik deed mijn best niet op school en omdat mijn vader doodsangsten uitstond dat ik ooit als drummer van Cuby and the Blizzards zou eindigen, was hij dolblij dat er clubs in mijn inderdaad niet geringe voetbalcapaciteiten geïnteresseerd waren. Heerenveen, Veendam, GVAV, SC Drenthe en FC Twente vingen bot, want Go Ahead had een jeugdinternaat, daar zou het allemaal wel in orde komen.

Ik arriveerde op de Brinkgreverweg met Oeki Hoekema, Jan van Eijck en Ger Veerman. Op dat moment, ik heb het over 1966, was Pleun Strik al uit het jeugdinternaat geschopt, omdat hij met een meisje op zijn kamer was betrapt. Mevrouw van Putten, zij runde het jeugdinternaat, was een schat van een mens, maar zij maakte de fout om ter gelegenheid van haar verjaardag een glas wijn en een pilsje te serveren.

De van NOAD afkomstige Tiny Broers kon een kratje bier aan, maar Oeki Hoekema kotste alles onder en Hermans Tiesselink, een begenadigde rechtsbuiten uit Almelo, toonde na zijn zoveelste pils aan alle toevallige passanten zijn geslachtsdeel. Toen mevrouw van Putten eindelijk de situatie weer onder controle had was Johnny Weyland zoek. De robuuste centrale verdediger, hij speelde later nog bij Vitesse, stond spiernaakt vastgebonden in de kast op de overloop. Ik zie mevrouw van Putten nog aan de touwen sjorren, want werkelijk alle lichaamsdelen waren vastgebonden.” 

Nu lijkt het of Johan Derksen in die tijd een wildebras was, maar dat is niet zo. Hij kon ook een keurige jongen zijn. Tijdens het zoeken naar informatie voor een verhaal voor Hard Gras over het  jeugdhuis van Go Ahead omstreeks 1970 kwam ik een seizoensgidsje voor het seizoen 1967- 1968 tegen.  In deze gids stond ook een klein portret van Johan Derksen

0000000 seizoensgidsEen keurige jongen toch? Verkoper in een heren / damesmodezaak!

In 1968 verkocht Go Ahead Johan Derksen aan Cambuur. Go Ahead ontving voor hem 30.000 gulden.

Peter Fonda

Peter Fonda is overleden. De acteur, vooral bekend van de film Easy Rider uit 1969, is 79 jaar oud geworden. Hij was niet de enige acteur in de familie Fonda.

Zo speelde zijn vader Henry Fonda onder andere  in ’12 Angry Men’, ‘Once Upon a Time in the West’ en in ‘On Golden Pond’.  Voor zijn rol in On Golden Pond won hij in 1981 een Oscar. Ook zijn zus Jane (o.a. Klute, Cat Ballou en Barefoot in the Park) en zijn dochter Bridget (The Godfather 3) zijn bekende en succesvolle actrices.

0000000000000 fondaPeter Fonda samen met zijn vader en zus Jane in 1950.

Peter Fonda had geen gemakkelijke jeugd. Zijn vader bekommerde zich nauwelijks om zijn kinderen en zijn moeder was vaak depressief. Toen Henry Fonda in 1950 aankondigde dat hij wilde scheiden en daarbij verklaarde dat hij gedurende zijn dertienjarige huwelijk nooit gelukkig was geweest, pleegde zijn moeder even later zelfmoord. Enkele maanden later schoot Peter zichzelf per ongeluk met een pistool in de buik. Hij verloor daarbij zoveel bloed dat hij tijdens de operatie in het ziekenhuis tot drie keer toe een hartstilstand kreeg, maar hij overleefde het.

In 1969 maakte hij de film Easy Rider die hem wereldroem opleverde. In de film reed hij samen met Dennis Hopper op twee grote motoren door Amerika.

0000000000000 fonda motorVeertig jaar later (2009); Peter Fonda rijdt op ‘Captain America’, een replica van de motor uit de film van 1969; foto Brian Snelson op Flickr.

Vergelijk deze motor eens met de familie-brommer van de familie van Neck uit 1969.

0000000000000 brommerfoto: ‘oudebomfiets’ op oudebrommers.nl

Eerst reed mijn vader er op, daarna mijn oudste broer, gevolgd door mijn andere broer. Later heb ik er ook nog even op gereden. Als je de IJssel-brug in Deventer op reed, moest je mee trappen, anders haalde je het niet. Dat de merknaam van de brommer ‘Sparta mb50 verpleegster brommer’ was, zegt wel genoeg.

Ik heb Easy Rider in 1969 in een bioscoop in Deventer gezien. Dat was dankzij school. De vijfjarige-HBS in Deventer waar ik toen op zat, had een heel oude directeur, zo oud zelfs dat ik vermoedde dat de man grote delen van het vak geschiedenis nog zelf had meegemaakt. Maar hij had heel moderne gedachten. Zo vond hij een goed idee dat de leerlingen van de klassen 3, 4 en 5 de film ‘Easy Rider’ gingen zien.

Op een zaterdagochtend werd de toenmalige bioscoop Luxor op de Markt in Deventer afgehuurd en de bovenste drie klassen van de school konden daar gratis de film zien. Ik was net veertien jaar oud en ik keek met open ogen naar de film. Een wereld vol sex, drugs en rock and roll, dat had de jonge Martin nog niet gezien.  De meest spannende film die ik tot dan toe in de bioscoop had gezien was Mary Poppins.

0000000000000 mary poppins

Een jaar later gingen de vierdeklassers met school naar Parijs. Behalve naar een toneelstuk van Eugène Ionesco gingen we ook naar de musical Hair. Daar zag ik voor het eerst blote mensen op het podium staan. Weer iets nieuws in de ontwikkeling van de jonge Martin en dat wederom dankzij school.

In 1970 ging de directeur met pensioen. Voor de leerlingen was er bij zijn afscheid een openluchtconcert van Cuby and the blizzards. Gossamme, wat speelden die hard. Dat kon je tot ver buiten Deventer horen.

Maar goed, Peter Fonda uit Easy Rider is dus nu overleden. Weer iemand uit mijn jeugd. Ik word oud.

 

Weer (3)

Ook vandaag wil ik het met u hebben over het warme weer van vorige week. Mocht u overigens een derde achtereenvolgende  blogpost over dit onderwerp wat veel van het goede vinden, dan bevindt u zich in “goed” gezelschap, want in 2015 tweette  Donald Trump al.

0000 40 trump

Op het gevaar af dat u mij ‘boring‘ gaat vinden, toch nog een keertje over het weer van vorige week . Op de sociale media werd daar  vorige week namelijk druk over “gepraat”. Twee voorbeelden.

Allereerst een tweet van de politie van de stadswijk Feyenoord – u mag  drie keer raden in welke stad die wijk ligt.

0000 40 tweet politie

Ivm het weer doen wij geen achtervolgingen te voet. Verzoek is dus om niet weg te rennen als we roepen dat je moet blijven staan.
Als de temperatuur onder 20 graden zakt, doen we weer graag mee

Kijk, dat vind ik humor. Ik vond de tweet dan ook leuk, maar dan moet je net Nederland hebben. Een aantal zuurpruimen vond  dat zo’n tweet beslist niet  kon. ‘

Vinden jullie het gek, dat niemand de #politie nog serieus neemt. Jullie gedragen je als een stel pubers en zo worden jullie door menigeen ook behandeld. Shame on you!”  gaf iemand die zich een “Vrije geest” en een “creatief denker” noemde  als reactie . En iemand anders  tweette: “Neem de burger serieus door de wet uit te voeren, in plaats van janken over de temperatuur. Met deze mentaliteit zou er in zuidelijken landen chaos ontstaan. Jankers zijn het tegenwoordig.”

Zucht. Gelukkig waren er ook genoeg mensen die het voor het politie opnamen. En ook moet ik zeggen dat de politie Feyenoord steeds keurig een reactie gaf op elke klaag-reactie op de ‘zweet-tweet’, zoals:

0000 40 polpolitie

Ook degene die in zijn reactie begon over de conditie van de gemiddelde agent van de politie Feyenoord en de score die hij/zij behaald – dat woord had eigenlijk met een ‘t’  gespeld moeten worden –  bij een “coupe test“, kreeg keurig een antwoord.

0000 40 polpolitie 2

Dan een andere tweet en wel van ‘Buienradar’. Deze tweette:

0000 ijsje

Leuk gevonden en deze tweet kreeg dan ook haast alleen maar positieve reacties, al was er toch nog iemand die wat te zeuren had: “Zorg eerst maar eens dat jullie het weer goed voorspellen. Begin deze week melding dat de afkoeling vrijdag zou komen. En later wordt het elke dag een dag opgeschoven. In het Noorden hebben we nog steeds geen afkoeling.”

Dan nog even over mijn vader en het weer. Hij was geen twitteraar -gezien het feit dat hij  in 1985 overleed, is dat ook niet zo verwonderlijk. Wel was hij weervrijwilliger voor de KNMI, gespecialiseerd in onweer.  In de jaren zestig had je in Nederland een heel netwerk van vrijwilligers die allerlei meldingen over het weer aan de KNMI door gaven.

Mijn vader was ook lid.  Voor zover ik weet, gaf hij  alleen meldingen door over onweer. Hij had daartoe een speciaal formulier van de KNMI waarop hij – in het geval dat het onweerde – noteerde hoe lang het onweer duurde, de hevigheid er van en op wat voor afstand van ons huis het was. Ik hielp hem daarbij wel eens.  Als we een bliksemflits zagen, telden we hoe lang het duurde voordat we de donder hoorden en berekenden dan hoe ver weg het onweer was – elke seconde tussen flits en klap stond ongeveer voor 340 meter.

Eens in de zoveel tijd – ik geloof één keer per maand – stuurde mijn vader het formulier per post op. Wat de KNMI er dan nog mee kon, geen idee. In ruil voor zijn vrijwilligerswerk kreeg mijn vader een gratis blad van de KNMI. Daar stonden allerlei interessante verhalen over het weer, en ook over sterrenkunde in, die ik, de jonge ‘assistent-waarnemer onweer’,  met plezier las.

Vermist

De voetbalclub AS Roma heeft besloten om deze zomer haar sociale media zoals Twitter, Instagram en Facebook in te zetten om vermiste kinderen op te sporen. Bij elke aankondiging van een speler die ze deze zomer aantrekken, laten ze ook portretten zien van vermiste kinderen.

0 roma 1

Ook op de Engelse en Spaanstalige versies van hun accounts verschijnen afbeeldingen van vermiste kinderen.

0 roma 2

0 roma

Het is een mooi initiatief. AS Roma heeft een groot sociaal bereik. Zo hebben ze 2.6 miljoen volgers op Instagram, 450.000 volgers op Twitter en hun Facebook-berichten worden jaarlijks door miljoenen fans gelezen.

Sociale media worden wel vaker gebruikt om vermiste kinderen op te sporen. Eén van de eerste sociale media die werd ingezet om vermiste kinderen op te sporen was het melkpak. Begin jaren tachtig stonden op melkpakken in bepaalde delen van Amerika foto’s van vermiste kinderen.

0 melk1

Heel veel succes kende deze campagne echter niet en na een aantal jaar werd hij gestaakt.

Meer succes had een muziekvideo van de Amerikaanse groep Soul Asylum. In de clip van hun nummer ‘Runaway Train’ uit 1993 monteerden ze foto’s van vermiste kinderen. Er verschenen meerdere versies van de clip. Zo was er speciale versie voor Engeland met vermiste Engelse kinderen. Elke keer als er een kind werd teruggevonden werd diens afbeelding vervangen door dat van een ander vermist kind.

0 runawaytrain(Op de afbeelding klikken om naar de clip op YouTube te gaan.)

De Amerikaanse versie van de clip is inmiddels 119 miljoen keer bekeken. In totaal werden dankzij de clip tot nu toe 26 kinderen terug gevonden. Lees hier en hier meer over deze muziekvideo.

Zelf ben ik ook een keer van huis weggelopen.  Ik was acht jaar oud en we woonden in Apeldoorn. Het was op een zaterdagmiddag. Ik had iets gedaan wat niet mocht – geen idee meer wat – en voor straf mocht ik van mijn vader die middag niet naar Robinson Crusoe kijken. Dat was een vreselijk spannende tv-serie die in die tijd (in zwart-wit) wekelijks op zaterdag werd uitgezonden.

Ik was zo vreselijk boos dat ik niet mocht kijken, dat ik besloot weg te lopen. Dat zou ze leren! Tranen met tuiten zouden mijn ouders huilen als ze er achter kwamen dat ik weg was. Ik pakte mijn fiets en fietste richting Vaassen. Na tien minuten begon het te regenen. Dat was wat minder. Na dapper vijf minuten in de regen gefietst te hebben, besloot ik dat ik wel een andere keer zou weg lopen en keerde om. Binnen een half uur was ik weer thuis.

Later die dag heb ik toch nog stiekem de aflevering van Robinson Crusoe gezien. De kamerdeur stond op een kiertje en daar door heen kijkend kon ik net de tv zien. Volgens mij had mijn moeder wel door dat ik achter de deur stond en door de kier keek.

Ik ben overigens nooit meer weggelopen. Pas toen ik op mijn zeventiende ging studeren, ging ik uit huis weg.

Een kleine teleurstelling

Vijftig jaar geleden zat ik in de vierde klas van de HBS. Ik was een jaar of veertien en was stiekem een beetje verliefd op Anki. De eerste drie jaar van de HBS had zij bij mij in de klas gezeten, maar in de vierde klas had zij voor de HBS-A kant gekozen en ik voor de HBS-B kant en zaten we niet meer bij elkaar in de klas.

In de tijd dat we nog wel bij elkaar in de klas zaten, vond ik haar maar “een stom meisje” maar in de vierde klas zag ik opeens hoe leuk ze was. Maar ja, ze zat niet meer bij mij in de klas. Op het schoolplein was ze altijd door vriendinnen omgeven en “toevallig” met haar op fietsten ging ook niet. Ik woonde in Diepenveen ten noorden van Deventer, zij ten westen van Deventer, op de Worp, de brug over. Dat was de andere kant op.

Tot die vrijdag in de lente. Ik fietste na school over een bochtig dijkweggetje naar Diepenveen, toen ik toevallig achterom keek. Zo’n honderd meter achter me fietste Anki. Helemaal alleen. Geen idee waarom, maar ze was blijkbaar ook op weg naar Diepenveen. Dit was mijn kans. Als ik even wachtte kon ik met haar op fietsen en dan zou zij zien wat voor een leuke knappe jongen ik wel niet was.

Ik besloot langzamer te gaan fietsen zodat ze me kon inhalen. Stoppen zou opvallen, dat leek me niet verstandig. Toen ik de bocht om fietste keek ik achterom. Ze lag nog vijftig meter achter. Bij de volgende bocht nog vijfentwintig meter. Ik vertraagde nog meer, ging de bocht om en keek achterom. Ze moest me nu elk moment kunnen inhalen. Ik bleef achterom kijken om te zien hoe ze de bocht om zou komen.

Boem!

Het dijkweggetje ging over in een fietspad. Op het midden van het pad stond een witte betonnen paal en daar was ik tegen aan gefietst. ‘Let op, paal in de weg’. Ik fietste inmiddels al zo langzaam dat ik niet eens om viel. Snel zette ik de fiets weer recht en wilde weer door fietsen. Hopelijk had Anki het niet gezien.

Maar wegfietsen lukte niet. Er zat een grote slag in het voorwiel en het wiel liep aan. Op dat moment kwam Anki de bocht om. “Hoi” zei ze. “Hoi” zei ik. “Wat is er gebeurd?” “Tegen een paaltje aan gefietst.” zei ik zo nonchalant mogelijk. “Hoe kwam dat?” “Geen idee”. Ze keek op haar horloge. “Oh, ik heb geen tijd meer, ik moet er vandoor.” Terwijl ze weg fietste, keek ik haar na.

Vanwaar nu deze anekdote? Vanwege Ajax – Tottenham Hotspur van gisterenavond. Soms hoop je op iets moois maar loopt het toch teleurstellend af. Maar zoals de grote Johan Cruijff al ooit eens zei: “Het behoort tot de wetten van het voetbal dat op succes vaak een grote teleurstelling volgt.”

 Oh ja, tussen Anki en mij is het nooit wat geworden. 

0000000 fietsNadat Ajax in 1973 voor de derde keer op rij de Europa Cup 1 heeft gewonnen – toen nog wel – krijgt trainer Kovacs bij zijn afscheid een fiets. Het was een tweedehandsje. Er zat een kleine slag in het voorwiel; Foto Bert Verhoeff; Anefo; Nationaal Archief.

Een talenwonder

In de Volkskrant verscheen vrijdag een artikel over een promotieonderzoek van cognitiewetenschapper Johanna de Vos naar de studieresultaten van 118 Nederlandse eerstejaars studenten psychologie aan de Radboud Universiteit.  87 studenten deden de opleiding in het Nederlands en 31 in het Engels. Het bleek dat de studenten die les kregen in het Nederlands gemiddeld een half punt hoger scoorden dan de studenten die de lessen in het Engels volgden (7,23 versus 6,68).

De aantallen, zeker van de Engelstalige groep, zijn niet zo groot, dus ik vraag me wel af of de uitkomst echt significant is, maar volgens de onderzoekster was dit het geval, dus dat zal dan wel; het is tenslotte een promotieonderzoek. Of het gebruik van Engels de oorzaak van het verschil in cijfers was, kon de onderzoekster echter niet zeggen. Er kunnen andere oorzaken zijn (zie daarvoor het artikel). Zoals een echte wetenschapper dan zegt: hier is meer onderzoek voor nodig.

Voor wat mij betreft zou een college in het Engels of in het Nederlands absoluut niets uit maken. Ik ben nu eenmaal een talenwonder. In Nederland zijn er naast mij geloof ik nog drie andere mensen die vreemde talen net zo goed beheersen als ik. De ene is mijn tweelingbroer die u kent onder de naam Ivo Niehe, de tweede is Eurocommissaris Frans Timmermans en de derde is minister Sigrid Kaag.

Ik spreek bijvoorbeeld voortreffelijk Nederlands, Engels, Duits en Frans en daarnaast nog eens 6906 andere talen niet. Hoewel als ik heel eerlijk ben, moet ik dit toch enigszins nuanceren. Mijn Nederlands kan iets beter. Zo liet mijn uitgever mijn manuscript voor de Titanic bijvoorbeeld corrigeren door iemand wiens Nederlands net iets beter was dan dat van mij en zoals deze Yvette schreef: “Ik heb er veel werk aan gehad, en hoop dat de tekst er flink van opknapt.”. Zie hier bijvoorbeeld één van de door haar gecorrigeerde pagina’s.

00o scriptEn dit was dan nog één van mijn betere pagina’s.

Ook mijn Engels kan iets beter. Zo gleed de oudste dochter een keer tijdens een vakantie in Amerika bij een wandeling in het Yosemite National Park uit over een gladde steen en hield daar een bloedende knie aan over. Toen een Amerikaan vroeg wat er gebeurd was, antwoordde ik “She slept on a stone.” De dochters hadden dan ook liever niet dat ik iets in het Engels zei.

Voor wat betreft het Duits, die taal kan ik daadwerkelijk heel goed verstaan. Dat komt omdat ik vroeger altijd op de Duitse tv naar het voetballen keek. Woorden als Fallrückzieher (omhaal) en Ecke (hoekschop) zijn appeltje-eitje voor mij (en nee dat noem je op zijn Duits niet ‘apfle-ei’ maar ‘ein Spaziergang’. Ook keek ik altijd met mijn ouders naar Duitse krimi’s zoal Derrick (“Harry, hol mal den wagen”), der Alte en Tatort. Zelfs allerlei dialecten kan ik daardoor volgen. (Bij Tatort zat vaak een Weense commissaris.). Maar andersom, mijn Nederlands – Duits dus, is ‘ehrlich gesagt’ een stuk minder.

Dan het Frans. Dat is eigenlijk nooit verder gekomen dan middelbaarschoolniveau en dat is ook nog eens ver weg gezakt. Opmerkelijk genoeg hadden wij ruim vijftig jaar geleden geen Engels maar wel twee keer een uurtje Frans per week in de hoogste klas van de lagere school. Deelname was vrijwillig maar o wee als je niet mee deed. Daardoor zaten we twee dagen per week al om half acht op school om Frans te leren. “Un, deux, trois, voice mon frère François, quatre, cing, six, voila ma soeur Alice” Dat soort rijmpjes  moesten we dan opdreunen.

Ook het liedje “Alouette, gentille alouette, Alouette, je te plumerai. Je te plumerai la tête. Et la tête! Et la tête! Alouette, Alouette […]!”zongen wij enthousiast mee. Wisten wij veel dat het ging over een leeuwerik die helemaal kaal werd geplukt  (zijn hoofd; zijn snavel; zijn ogen; zijn nek enzovoorts). Hadden we dat geweten, dan waren onze kinderzielen behoorlijk beschadigd geweest.

Enfin, dit allemaal overziend, zou het best wel eens kunnen dat ook ik bij een Engelstalig college een lager cijfer zou scoren dan in het geval dat het vak in het Nederlands werd gegeven. Maar zoals Voltaire ooit eens zei: “De mooie fouten van een genie zijn mij meer waard dan de keurige en koude taal van een academisch purist.”

 

 

Een mondeling tentamen

Tijdens mijn eerste studiejaar aan de TH Twente had ik een keer een mondeling tentamen bij professor P. Het ging niet erg goed en dat kunnen we met een gerust hart een understatement noemen. Bij één vraag had ik zelfs de neiging om te vragen of het onderwerp wel tot de tentamenstof behoorde, zo weinig wist ik er van af.

Na afloop van het tentamen vroeg de professor: “En wat denkt u dat u heeft, een onvoldoende of een voldoende?” Omdat ik mijn eigen graf niet wilde graven, zei ik tegen beter weten in. “Net voldoende, een klein zesje misschien?”

Waarop de professor met een ongepast gevoel voor humor zei: ‘En zelfs die vraag heeft u fout beantwoord!”

groucho marxDit is overigens niet professor P. maar Groucho Marx in Horse Feathers (1932)

Dansen op zijn Italiaans

In 2001 gingen we naar Italië op vakantie. De dochters waren acht en zes jaar oud. De autoslaaptrein bracht ons en de auto naar Bologna en vandaaruit reden we naar Toscane. In de auto moesten we de hele tijd naar liedjes van K3 luisteren. Ik kan er zo nog een paar mee zingen. We reden over een tolweg, maar toen we er af reden hoefden we niet te betalen. Er zat niemand in het hokje en de slagboom stond omhoog. De Italianen waren weer eens aan het staken.

De eerste week sliepen we in een Eurocamp-tent op een camping bij Sarteano. De camping lag pal naast het dorp en de faciliteiten werden ook deels door de plaatselijke bevolking gebruikt. ‘Een van de zwembaden is exclusief voor de gasten van de camping’ aldus de juichende Eurocamp-recensie. Wat ook gemeenschappelijk werd gebruikt was de dansvloer van het amfitheater op de camping.

In het weekend kwam de plaatselijke bevolking naar de camping. Om te dansen op het podium van het amfitheater. Van oude dametjes in het zwart gekleed tot de jeugd in jeans. Op Italiaanse volksmuziek deden ze een soort line dancing. De voorste van de groep deed telkens een bepaalde beweging – een stapje naar rechts, een draai naar links, een rare handbeweging; dat soort werk – en de rest volgde het voorbeeld.

dorpelingenDansende dorpelingen, zoals vastgelegd door Peter Paul Rubens omstreeks 1630

Een paar campinggasten waagden zich ook op de vloer en gingen met de groep mee dansen. De dochters wilden graag dat papa en mama ook mee deden. Na lang aandringen, vooral duwen, waagden wij ons ook op de dansvloer. Maar wel helemaal achteraan.

De ‘dansleider’ deed een stapje naar rechts, de groep en wij deden een stapje naar rechts. De dansleider deed een stapje naar links; de groep en wij deden een stapje naar links. De dansleider klapte drie maal in de handen en draaide een halve slag om; de groep en wij klapten drie maal in de handen en draaiden een halve slag om. En toen waren wij dus de voorsten van de groep en daarmee dansleider.

Oeps, dat was niet de bedoeling. Daarvoor stonden we niet achteraan. We deden een stapje naar links; de groep deed een stapje naar links. We deden nog een stapje naar links; de groep deed ook weer een stapje naar links. En na nog twee stapjes naar links stonden we bij het trapje en konden we van het podium af en naar onze kinderen lopen. De groep bleef gelukkig op het podium staan.

Zo, dat was leuk hè” zeiden we tegen de kinderen.

Rechtlijnig tekenen

Dat er sprake is van een lerarentekort zal geen ‘breaking news’ zijn. (Tussen haakjes, ik las ergens een stukje op internet van iemand die het had over ‘leraren te kort’. Dat is een heel ander probleem.) Nu hadden we in mijn tijd – ok, dit is ook mijn tijd, ik bedoel mijn schooltijd – ook al een lerarentekort. Het betrof in dit geval een tekort aan leraren boekhouden.

Ik zat in de examenklas van de HBS. Het was het laatste jaar dat de HBS bestond. We hadden een stuk of vijftien vakken. Eén van die vakken was een keuzevak. Je kon kiezen uit tekenen of boekhouden. “Makkelijke keuze” zult u zeggen. Tekenen natuurlijk! Ik koos dus voor boekhouden.

Dat had een tweetal redenen. Ten eerste had en heb ik geen enkel aanleg voor tekenen. Ik had wel de creativiteit om iets te verzinnen, maar absoluut niet de techniek om een idee goed uit te werken. Zie hieronder bijvoorbeeld mijn vis op pootjes.

vis

Voor het geval u denkt “Heeft hij die tekening al die jaren bewaard?” luidt het antwoord: nee, ik heb hem net even in twee minuten tijd op de achterkant van een kladblaadje opnieuw getekend. U ziet, het idee is er, maar de tekentechniek absoluut niet. Nu viel daar nog wel over heen te komen, maar wat veel vervelender was, was dat het vak tekenen uit twee delen bestond, naast gewoon tekenen was er ook het onderdeel ‘rechtlijnig tekenen.’ Dat laatste kon ik absoluut niet.

Bij rechtlijnig tekenen moet je eerst met een potlood, driehoeken en een liniaal een rechtlijnig figuur tekenen en daarna met inkt de lijntjes ‘kleuren’. Daar was ik niet zo goed in om het maar eens voorzichtig te zeggen. Regelmatig viel er een druppel inkt van mijn pen af en als die op je tekening kwam, dan moest je die inktvlek eerst met vloeipapier deppen en daarna het eventuele restant met een scheermesje er af krabben. Het scheermesje was dan ook mijn belangrijkste tekengereedschap.

Ook overkwam het mij wel eens dat – in de zeldzame gevallen dat  ik er in slaagde een lijn met inkt in te kleuren zonder dat ik een druppel van mijn pen liet vallen – dat ik daarna, wanneer ik voorzichtig mijn liniaal van de inktlijn weghaalde, ik een heel spoor inkt mee trok. Nee, rechtlijnig tekenen was niet echt mijn ding.

Ik ging daarom liever boekhouden en bovendien was er een tweede reden om voor boekhouden te kiezen. Er was geen leraar boekhouden. De school kon niemand vinden. Van mijn vader, die ook leraar aan de school was, wist ik dat zo lang de school geen leraar boekhouden kon vinden, de leerlingen die voor boekhouden hadden gekozen het boekhoud-uur vrij zouden krijgen. Dat leek me een buitengewoon aantrekkelijke vooruitzicht en ik koos dan ook enthousiast voor boekhouden.

In december had de school nog steeds geen leraar boekhouden kunnen vinden en helaas moesten na de kerstvakantie de boekhoudleerlingen daarom ook gaan tekenen. Je moest namelijk wel een cijfer voor het keuzevak hebben, anders kon je niet slagen. Het gemiddelde rapportcijfer telde bij het keuzevak als het cijfer voor het eindexamen.

Het creatieve tekenen lukte nog wel, maar het rechtlijnig tekenen was zoals gebruikelijk weer een grote ramp. Van de tekenleraar hoefde ik gelukkig maar één tekening te maken en vlak voor het einde van het schooljaar had ik met veel pijn en moeite de tekening bijna af. Op sommige plaatsen kon je vanwege het vele krabben met mijn scheermesje bijna dwars door de tekening heen kijken.

Op een dag ging ik even wat inkt van mijn handen af wassen. Toen ik bij mijn plek terug kwam, zag ik een jongen de inkt van zijn pen aan mijn tekening afvegen. Verbijsterd staarde ik hem aan. Hij dacht dat het een kladblaadje was en wou even zijn pen schoonvegen. Nee, dat was geen kladblaadje, dat was mijn nette tekening,  stamelde ik.

De leraar kwam er bij. Ik legde uit wat er was gebeurd. Hij keek naar de inktvlekken. Daar viel niet meer tegen aan te krabben. Dat was een probleem zei de leraar. Van de Rijksgecommitteerde moest hij van elke leerling minstens één tekening kunnen laten zien. Hij zou me wel even helpen.

Hij pakte een nieuw blad. Snel hij zette met potlood een figuur op en begon de lijntjes met inkt in te kleuren. Af en toe gaf hij mij de pen, want er moest wel een stukje eigen werk in zitten. Bij het eerste lijntje dat ik trok, viel er prompt een druppel inkt van mijn pen af. Mooi, dat stukje eigen werk is goed te zien sprak de tekenleraar bemoedigend.

Uiteindelijk kwam de tekening af. De leraar gaf mij er een zes voor. Een mooi cijfer vond ik.

 

 

Personeelspsychologie (1)

Alvorens ik met mijn blog begin – ok, eigenlijk ben ik al begonnen – wil ik u eerst even deze foto laten zien.

Monroe

Het is een foto uit 1945 gemaakt door de Amerikaanse legerfotograaf David Conover. De foto verscheen op 26 juni 1945 in het blad ‘Yank, the Army Weekly’, een blad voor Amerikaanse militairen tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Op de foto staat een vrouw met een propeller in de hand die in een vliegtuigfabriek werkt. Het is echter niet zo maar een vrouw die hier aan het werk is. Het is een nog jonge – ze is hier negentien jaar oud – Norma Jeane Dougherty. Later is ze onder een andere naam beroemd geworden. U kent haar als Marilyn Monroe.

Maar goed, nu de blog van vandaag. Tijdens mijn studie Bedrijfskunde aan wat toen nog de TH Twente heette, hadden we ook een vak dat personeelspsychologie heette. Het werd gegeven door professor Aloysius van Hoesel. In het dagelijkse leven was hij hoofd van de psychologische dienst van AKZO en daarnaast was hij buitengewoon hoogleraar in de algemene bedrijfspsychologie aan de TH Twente.  Op een geestige manier probeerde hij altijd zijn studenten wat praktische psychologische kennis bij te brengen.

Zijn colleges waren erg  leuk en daarom ook heel populair. Soms zat er zelfs wel eens een portier of een meisje uit de kantine in de zaal, niet om college te volgen maar gewoon omdat ze gehoord hadden dat hij zo grappig les gaf. Op een dag kwam er vlak voor de pauze zijn secretaresse opeens de zaal in lopen. Ze droeg een bord met daarop de tekst ‘Na de pauze een test’. Ze liep een keer heen en weer voor de zaal langs, zwaaide nog even bij de deur en verliet toen de zaal. We keken haar met een verbaasde blik na. De professor zei er niks over.

Na de pauze kwam hij er op terug. “Weet u nog dat mijn secretaresse voor de pauze de zaal binnen kwam lopen?” Ja dat wist iedereen nog. “En weet u nog dat ze een bord droeg?” Ja, dat wist ook iedereen nog. “Ok, nu gaan we een test doen. Ik ga u niet vragen wat er op dat bord stond, dat diende slechts als afleiding, ik wil graag dat u opschrijft wat voor een kleren ze droeg. De linkerhelft van de zaal krijgt een multiple choice formulier, de rechterhelft een leeg blaadje waar ze zelf op moeten schrijven wat ze droeg.”

Ik zat in de linkerhelft. Ik kon kiezen uit een zwarte broek, een bruine broek of een blauwe broek. Eerlijk gezegd wist ik niet goed meer wat ze aan had. Ik had ook meer op het bord gelet dan op wat ze droeg. Het stond me vaag bij dat ze iets blauws aan had en ik kruiste het vakje met ‘blauwe broek’ aan.

Toen iedereen klaar was, riep de professor zijn secretaresse binnen om de papieren op te halen. Ze droeg een blauwe jurk.

Wacht maar even met ophalen van de papieren van de linkerhelft. Ik denk niet dat het nodig is” zei hij. “Of is er iemand van die helft die niet één van de drie broek-mogelijkheden heeft aangekruist, maar op het papier heeft geschreven dat ze een jurk droeg?” Nee, dat had niemand gedaan. Iedereen had voor één van de drie broek-mogelijkheden gekozen.”

Wat we hiervan leren, althans dat is de bedoeling”, sprak de professor vervolgens, “is dat mensen veel te gemakkelijk op een autoriteit af gaan. U krijgt een papiertje van een autoriteit, in dit geval van mij als professor , met alleen maar foute informatie er op. Toch besluit u allemaal om één van de drie door mij aangereikte mogelijkheden aan te kruizen. Niemand durfde mij tegen te spreken en op te schrijven dat ze een jurk droeg, als u het al gezien had. Kortom, kijk heel goed uit met het klakkeloos overnemen van informatie die u van een autoriteit krijgt aangereikt

Ook kunnen we hiervan leren”, vervolgde hij, “dat open vragen in de vorm van “Wat zag u?” vaak een beter resultaat opleveren dan een gesloten vraag in de vorm van: “Was het een zwarte broek? Maar om dat laatste te controleren, vraag ik mijn secretaresse nu even snel de antwoorden van de rechterhelft te controleren.”

De uitkomst was dat slechts zo’n 20% procent een blauwe jurk had opgeschreven. De rest had of de kleur fout of broek in plaats van jurk opgeschreven. “Het leerpunt hiervan is” zei de professor “dat getuigen vaak onbetrouwbaar zijn. Slechts een kwartiertje geleden heeft u haar zien lopen. Toch geeft 80% van u een foute beschrijving van haar kleren. Nu werd u afgeleid door het bord dat ze droeg, maar in het dagelijks leven zijn er heel veel zaken die afleiden. Kortom, wees heel voorzichtig als iemand u iets vertelt wat  hij heeft meegemaakt, behalve als hij zegt dat hij een goed college van mij heeft bijgewoond. Dan moet u hem direct geloven.”

Om te kijken of u een goede getuige bent, mag u nu – zonder naar boven te scrollen – bedenken wat voor kleren Marilyn Monroe op de foto aanhad. Weet u het nog? Dan mag u nu kijken of u het goed had.

 

Een kind dat (niet) slaapt.

In 1960 lag ik een aantal maanden in het St. Antonius ziekenhuis in Utrecht. Bij mijn geboorte had iemand een ruisje bij mijn hart gehoord en in mijn dossier geschreven ‘”Ruisje? Controleren.” Pas toen ik ruim vier jaar oud was, liet een huisarts dit onderzoeken. Ik bleek een aangeboren hartafwijking te hebben, een hartklep sloot niet goed, en ik moest geopereerd worden.

In Nederland kon je in die tijd daarvoor maar in twee ziekenhuizen terecht: het Academisch Ziekenhuis in Leiden en het St Antoniusziekenhuis in Utrecht. Mijn ouders kozen voor dat laatste ziekenhuis. Toen ze mij daar kwamen brengen, mopperde een arts tegen mijn moeder dat ze mij al direct na de geboorte had moeten brengen. Ik had al dood kunnen zijn zei hij. Het maakte mijn moeder bang en boos tegelijkertijd. Er was nooit iemand geweest die tegen haar gezegd dat ik een ruisje had. (Voor informatie over hartruisjes bij baby’s, kinderen en volwassenen: zie deze pagina van de Nederlandse Hartstichting.)

Over een aantal belevenissen van mij in het ziekenhuis heb ik een keer eerder (in juni 2016, in de blogpost Miss Tennessee en de groenteboer’) geschreven, maar niet over die twee keer dat ik sliep, terwijl ik niet sliep.

De eerste keer betrof het een afscheid van een jongetje dat tegenover mij op de kinderziekenzaal lag. Mijn ouders woonden in 1960 in Apeldoorn. Mijn vader werkte overdag. Mijn moeder had de zorg over het huishouden, mijn twee oudere broertjes en mijn pasgeboren zusje. Van Apeldoorn naar het ziekenhuis in Utrecht was in die tijd voor mijn moeder een hele reis: bus, trein, bus. Daarom bezocht mijn moeder mij door de week om de dag. In het weekend kwamen mijn vader en moeder samen op bezoek.

000000 ziekenhuis 0Het St Antonius Ziekenhuis in 1913; foto Utrechts Archief

Het jongetje tegenover mij op zaal had ook iets met zijn hart, alleen erger dan ik. Hij zou daarom ook eerder dan ik geopereerd worden. Zijn ouders kwamen elke dag op bezoek en op de doordeweekse dagen dat mijn moeder er niet was, kwamen ze altijd ook even bij mij langs. Soms kreeg ik een cadeautje van hen, een kleurboekje of een dropveter (“Veel gezonder dan een sinaasappel!” zei zijn moeder dan).

Op een dag werd hij van zaal gehaald. De dag er na mocht ik met een zuster mee om even door een raam van een kamertje naar hem te kijken. Hij lag er helemaal in zijn eentje. Hij zou de volgende dag geopereerd worden. Ik zwaaide naar hem en hij zwaaide terug. Toen ik later die week aan de zuster vroeg of ik weer bij hem op bezoek mocht, zei ze dat hij al naar huis was. “Maar hij heeft helemaal geen dag gezegd” stamelde ik. Hij was met zijn ouders nog wel langs geweest maar ik sliep nog, zei ze. Pas jaren later vertelde mijn moeder mij dat hij tijdens de operatie was overleden. De zusters hadden echter afgesproken om dat niet tegen mij te  zeggen.

De andere keer dat ik sliep maar toch niet sliep, was die keer dat ik heel kwaad op mijn moeder was. Het zal ergens in december geweest zijn. Ik weet niet meer of het in de buurt van Sinterklaas of kerstmis was, maar het was in ieder geval een bijzondere dag, want er was ’s morgens een extra bezoekuur. Normaal mocht het bezoek alleen ’s middags komen.

Het betrof een van die doordeweekse dagen waarop mijn moeder zou komen, dus verwachtingsvol keek ik ’s morgens naar de deur van de zaal. Maar elke keer als hij open ging was het iemand anders, niet mijn moeder. Op het laatst had ieder kind op zaal bezoek, alleen ik niet.

000000 ziekenhuis 0bb

Een kinderzaal van het St. Antonius Ziekenhuis  ergens tussen 1920 en 1930: foto Utrechts Archief

Ik lag met tranen in mijn ogen in mijn bed, toen een zuster kwam vragen wat er was. Ik snikte dat mijn moeder er niet was, waarop de zuster zei dat ze ongetwijfeld ’s middags zou komen. Ik vond dat ik een stomme moeder had en was heel boos op haar.

’s Middags kwam mijn moeder, zoals de zuster al had voorspeld, op bezoek. Ik was nog steeds boos op haar en besloot om haar te straffen. Zo gauw ik mijn moeder de zaal binnen zag komen, deed ik mijn ogen dicht en deed ik net alsnog ik sliep. Even later hoorde ik hoe ze bij mijn bed ging zitten. Iemand zei tegen haar “Hij slaapt.”. De stem had iets bekends, maar van welke zuster de stem was, wist ik niet. “Ik maak hem wel wakker.” zei mijn moeder, maar de andere vrouw antwoordde dat ik er zo lief bij lag – ik was juist boos – en dat ze mij moest laten slapen. Terwijl ik mij de hele tijd slapende hield, spraken mijn moeder en de onbekende zuster zachtjes met elkaar. Pas toen ze na een tijdje opstapten en de zaal uitliepen, deed ik mijn ogen weer open en keek ik naar de deur. Ik zag nog net hoe mijn moeder de zaal uit liep.

Even later kwam er een zuster langs. “Zo slaapkopje, ben je weer wakker. Je hebt je oma gemist.” zei ze, terwijl ze mij een cadeautje van mijn oma gaf. Het bleek dat degene waar mijn moeder mee zat te praten niet een zuster was maar mijn oma uit Haarlem. Ze was met de trein naar Utrecht gekomen. Waarom hadden ze mij nou niet “wakker” gemaakt?

Toen de zuster daarna ook nog eens vertelde dat mijn moeder niet had geweten dat er ’s morgens een extra bezoekuur was en dat dat de reden was waarom ze er niet was, kwamen de waterlanders massaal tevoorschijn. Goh, wat had ik een spijt dat ik mij slapende had gehouden.

Kerst-Inn op een studentenflat

Halverwege de jaren zeventig kwam er een Antilliaanse jongen wonen op onze studentenflat, gelegen op de campus van wat toen nog de TH Twente heette. Hij had geen familie in Nederland en met kerstmis was er niemand waar hij heen kon. Dat was wel mooi – dit klinkt een beetje hard, zo is het niet bedoeld –  want nu kon hij mooi voor onze flatdieren (we hadden een hond, een poes en vissen) zorgen. Andere jaren was het altijd een gedoe van wie blijft er met eerste kerstdag en wie is er tweede kerstdag?

000 flatdierenOnze flathond en flatpoes

Maar eigenlijk vonden we het een beetje triest, hij met kerst ver van huis helemaal alleen op onze flat, en in een spontane opwelling besloten we om een kerst-inn te organiseren voor mensen die met kerst alleen op de campus zouden zitten. De helft van de flat zou er met eerste kerstdag zijn, de andere helft met tweede kerstdag.

We schreven een brief aan het campusbestuur waarin we het idee toelichtten. Het campusbestuur vond het een goed plan. We kregen 200 gulden subsidie voor drank en lekkere hapjes en van Bobby Spar – zo werd de eigenaar van de campuswinkel genoemd; drie keer raden bij welke winkelketen hij aangesloten was – kregen we een gratis krat bier. “De heren studenten lusten zeker wel bier hè.” “Jazeker meneer Bobby, ook met kerstmis”.

000 flat 1841964; de campus in aanbouw.  Links achteraan onze flat; foto Nationaal Archief.

Overal op de campus werden affiches  – gratis gedrukt – opgehangen en op eerste kerstdag zaten we enthousiast op de eerste bezoeker te wachten. Die kwam om half negen ’s avonds. Om elf uur kwam nog een tweede verdwaalde student aanzetten. Dat was een jongen die terug kwam van bezoek aan zijn ouders in Enschede en die zich verbaasd had afgevraagd waarom er bij onze flat licht brandde en een bord ‘Welkom in de herberg’ stond. Dat was het. Meer bezoekers kwamen er niet.

Desondanks was het heel gezellig. We keken eerst op de tv naar ‘It’s a Wonderful Life’, de kerstfilm uit 1946 met James Stewart en Donna Reed – in de jaren zeventig was dat de ultieme  kerstfilm die altijd met kerst werd uitgezonden, tegenwoordig is dat ‘Love Actually’ – en riepen luidkeels ‘Niet doen, niet doen!” als James Stewart weer wat doms in de film wou doen. Daarna speelden we van die typisch vreedzame kerstspelletjes als Risk en Stratego.

000 filmDonna Reed, James Stewart en Karolyn Grimes in It’s a Wonderful Life’; foto afkomstig van de Wikipedia

Goed nieuws – gratis hapjes, gratis bier –  verspreidt zich snel en de volgende dag kwamen er twee keer zo veel bezoekers, oftewel vier mensen vonden de weg naar onze flat. Maar ondanks het geringe aantal bezoekers beschouwden we de kerst-inn als een groot succes.

Dus mensen, kent u iemand in uw omgeving die met kerst helemaal alleen zit, organiseer een kerst-inn voor hem of haar.

Pakjesavond

Vanavond is het pakjesavond. Toen ik nog een klein Martinnetje was geloofde ik heilig in Sinterklaas. Samen met mijn broertje Harry probeerde ik eind jaren vijftig op pakjesavond een aantal keer de Zwarte Piet te betrappen die de zak met cadeautjes kwam brengen. Wij lagen achter de voordeur verstopt. Daar stond immers het jaar ervoor de zak. Om beurten keken mijn broertje en ik door de brievenbusgleuf naar buiten om Zwarte Piet te betrappen. Opeens werd er bij de achterdeur gebonsd. Mijn broertje en ik renden er heen, maar we waren te laat. Er stond een zak bij de achterdeur en van Zwarte Piet was geen spoor te zien.

00 sint21964; het jaar dat er weinig cadeautjes waren omdat Sint alles in het casino had vergokt. Foto Nationaal Archief.

Het jaar er op besloten mijn broertje en ik de tactiek te wijzigen. Hij lag bij de voordeur, ik bij de achterdeur. Opeens riep mij moeder dat er een zak naast het raam van de huiskamer stond. Mijn oudste broer Jan had de hele tijd gewoon aan tafel gezeten – de saaie Piet –  maar had buiten niemand gezien zei hij. Hoe kon die sukkel nou niks zien?

Ruim dertig jaar later, en verhuisd naar de andere kant van het land, vroeg de buurman of ik op sinterklaasavond tegen een uur of zeven wilde bellen. Ik moest dan als Sinterklaas tegen hun drie zoontjes zeggen dat hij het helaas te druk had met allerlei heel arme kindertjes, maar dat hij een Zwarte Piet zou sturen om een zak in hun schuurtje te zetten. Op het afgesproken tijdstip belde ik.

Ik kreeg de jongste aan de lijn  en zei met een zware stem “Met Sinterklaas”.  Blijkbaar schrok het buurjongetje erg, want hij liet de telefoon vallen.  Ik hoorde een hoop geroezemoes en zijn moeder roepen: “Pak snel een dweil”.  Even later kreeg ik het middelste broertje aan de lijn. Ik zei dat er in hun schuurtje een zak met cadeautjes stond. Blijkbaar was die mededeling voldoende want hij gaf de telefoon direct door aan zijn oudste broertje en holde naar buiten.

“Met Sinterklaas hier” zei ik wederom.  “Ja, ja” antwoordde het oudste broertje. Dat klonk niet naar een echt gelovige. Erg lang duurde het gesprek dan ook niet en ik kreeg vervolgens de vader aan de lijn die me hartelijk bedankte. Moeder was op de achtergrond nog bezig met iets op te dweilen, dus die kon helaas even niet aan de lijn komen. Ze hebben me nooit meer gevraagd om te bellen

00 sint0De oudste dochter tijdens het sinterklaasfeest op de crèche zittend op haar stoeltje. 

00 sint1De jongste dochter op schoot. 

Weer een aantal jaren en een verhuizing verder vroeg een nieuwe buurman of ik op sinterklaasavond even een zak bij de voordeur wilde zetten en op de deur wilde bonzen. Ik sloop die avond naar hun deur toe, zette de zak voor de deur en bonsde luid op de deur. Vervolgens holde ik er vandoor. Voor hun huis bedacht ik opeens dat hun gordijnen open stonden en dat ze mij misschien voorbij zouden kunnen zien hollen. Onzin natuurlijk, ik liep in het donker, zij zaten in het licht.

Maar toch besloot ik te gaan bukken. Daar is op zich niks mee, maar dat moet je niet combineren met hardlopen. Gebukt hard lopen gaat niet. Althans ik kan het niet. Ik maakte een reuzesmak en lag languit op straat. Even later strompelde Sukkel-Piet met een zere knie en een kapotte broek het huis weer binnen. De dochters keken me hoofdschuddend aan. Niet geschikt als Zwarte Piet zei de ene.

Moraal van het verhaal: probeer niet te tegelijkertijd te bukken en hard te hollen.

TV afscheid

In 1985 verhuisde Marianne vanuit Groningen naar Den Haag. Ze betrok een etage in een oud herenhuis in het Bezuidenhout. Haar vader kwam helpen om de boel in te richten. Tegen het einde van de middag werd hij onrustig. Er was die avond voetbal op tv en Marianne had (nog) geen tv in huis.

In een winkel in de Therisastraat in Den Haag kocht ze daarom aan het eind van de middag even snel een tv. Het was een niet al te groot apparaat. Er zat geen teletekst op, maar hij deed het prima. Het apparaat heeft jarenlang bij ons in de huiskamer gestaan.

00 tvHier kijk ik in de jaren negentig samen met de dochters op de betreffende tv naar Zorro. Het was een wonderlijk apparaat. Als een tv-programma in zwart-wit werd uitgezonden, dan veranderde de hele omgeving ook in zwart-wit.

Na verloop van tijd kwam er een grotere tv in huis met teletekst. De kleine tv van Marianne werd naar de zolderkamer verbannen en gedegradeerd tot tweede televisie. Na een verhuizing belandde hij zelfs als derde televisie op de logeerkamer, waar na een tijdje de antenne-aansluiting het niet meer deed. Maar dat gaf niet zo. Er was daar niet echt behoefte aan een televisie.

Van de week hebben we hem afgevoerd naar het grof vuil. Hij werd al jaren niet meer gebruikt. De kringloopwinkel wilde hem niet hebben.

00 tv 2

Hier staat de ruim dertig jaar oude televisie in de grof vuil container. Marianne werd er een beetje weemoedig van. Ze nam ter afscheid nog even deze foto van het apparaat. Door de tv moest ze denken aan haar overleden vader.