Een vreemde schaapskudde

Tijdens een rondje Vliet zag ik een opmerkelijke schaapskudde. In plaats dat een kudde schapen door een hond werd gehoed, hoedde een schaap een kudde honden.

Moderne schaapskudde

Het zwarte schaap (!) in het midden van de foto hoedde – ik heb ze geteld – maar liefst 23 honden (waarvan er 14 op de foto staan). Is er zo’n overschot aan schaapherdershonden of is er een tekort aan schapen?

Een stemmig gedicht

      Een stemmig gedicht

verkiezingen 2017

Voor wie nu denkt, waar haalt hij het vandaan, nou vanaf de verkiezingsposters die de politieke partijen hebben gemaakt voor de verkiezingen voor de Tweede Kamer van 2017. Het zijn de leuzen die er op staan, althans zo ver er leuzen op staan. Bij een aantal partijen staat alleen de naam van de partij er op. Zie hier:

verkiezingsbord

Verkiezingsaffiches

Het zal  waarschijnlijk geen “Breaking news!” zijn, maar de verkiezingen komen er aan. Dit bord staat bij ons gemeentehuis.

verkiezingsbord

Zeg eens eerlijk, dit zijn toch geen affiches die je doen verleiden om op een bepaalde partij te stemmen. De meest opvallende vind ik die van de VVD. Wat de VVD  heeft doen besluiten om een jeugdfoto van Mark Rutte op de affiche te zetten, ik heb werkelijk geen idee. Vergelijk de affiche van nu bijvoorbeeld eens met die uit 1952. Toen mikte de partij nog niet op de jeugd maar ging voor Oud.

vvd 2016 vvd 1952

(Ook opvallend aan de affiche van 1952: het formele taalgebruik. Er staat ‘stemt’  en niet ‘stem’ zoals tegenwoordig altijd op alle affiches staat)

De affiche van de VVD uit 1952 is afkomstig van de mooie site Verkiezingsaffiches.nl waar je – what’s in a name’ -verkiezingsaffiches  uit vervlogen tijden kan zien.

Ik wil niet zeggen dat vroeger alles beter was, maar als ik bijvoorbeeld kijk naar de affiches uit 1946, de eerste naoorlogse verkiezingen, dan moet ik toch zeggen dat die affiches veel mooier waren dan die van nu. Zie hier wat affiches uit 1946:

ARP 1946

PVDA 1946

KVP 1946

communisten 1946

vrijhei 1946

Carnaval

Komend weekend is het weer carnaval. Ik ben niet zo’n carnavalsvierder.  “Bij ons staat op de keukendeur / Het is niet altijd rozengeur / En mijn vader schreef op ‘t behang  / Lekker is maar ene vinger lang / Maar op de deur van ‘t buffet / Daar heeft mijn moeder opgezet / En wat er bij ons ook ooit gebeuren zal  / We vieren altijd carnaval “. Dat soort gedoe. Bij ons thuis mocht je helemaal niet op de deuren en op het behang schrijven. Wij – nuchtere Hollanders – vierden dan ook geen carnaval.

0000 carnval. 1Het gevecht tussen Carnaval en Vastentijd, Pieter Bruegel de Oude, 1559

Toch heb ik drie keer carnaval gevierd. Dat was veertig jaar geleden in mijn studententijd. De eerste keer was in Heerlen. Er woonde op onze studentenflat een stagiair uit Heerlen die zei dat we beslist eens een keertje carnaval moesten vieren. We konden wel bij hem thuis in Heerlen logeren. Met een groepje van zes studenten van onze flat besloten we om naar Limburg af te reizen en ons in het carnavalsgedruis te storten.

De dag voor carnaval vertrokken we vanuit Enschede naar het diepe zuiden. Samen met een andere jongen ging ik liften, de overige vier namen de trein. ”Hopelijk zien we jullie nog voor het donker” zeiden de treinreizigers toen ze vertrokken. De jongen en ik hadden allebei liftbordjes gemaakt. Mijn collega-lifter hield een bordje ‘Heerlen’ op, ik stond tien meter achter hem met een bordje ‘Ik ook’. “Humor en geduld zijn de kamelen waarmee je door alle woestijnen kunt gaan.” aldus de Belgische pater en schrijver Phil Bosmans

De eerste de beste auto stopte en nam ons mee,  helemaal tot aan Den Bosch. Dat was een goede lift. Een kleine stap voor de mensheid maar een grote stap voor ons, om zo te zeggen. Zo veel geluk zouden we verder met liften wel niet hebben dachten we, en inderdaad de eerste auto in Den Bosch reed ons voorbij. Maar de tweede, een luxe touringcar die leeg op weg was naar de wintersport om mensen op te halen, stopte wel en bracht ons in één ruk door naar Heerlen. Ruim anderhalf uur later kwamen de mensen die met de trein waren gegaan in Heerlen aan.

De volgende dag gingen we naar de carnavalstoet kijken. Het was een vrolijk en kleurrijk gebeuren. Op een gegeven moment liep er een grote groep slagers voorbij, met in hun midden een praalwagen waarop een reuzeworst stond. Het had iets te maken met een worst die de regering de Limburgers voor hield. De wandelende slagers hadden allemaal bebloede witte jassen aan en een nephakbijl in hun hoofd – althans ik nam aan dat het nephakbijlen waren. Ook gooiden ze grote stukken been naar het publiek. Omdat die echter aan een touwtje vast zaten, kon dat geen kwaad, maar toen een bevallig meisje – zover je iemand met een hakbijl in haar hoofd als bevallig kan betitelen –  dat richting mij deed, knapte het touwtje en kreeg ik het bot tegen mij aan. Heel fijn.

Geschrokken liep ze op me af. “Sorry, sorry” stamelde ze. “Dat was niet de bedoeling.” “Dat mag ik hopen sjoene mechel” antwoorde ik. Onze stagiair had ons geleerd dat je Limburgse meisjes het beste met ‘sjoene mechel’ kon aanspreken, dat betekende ‘leuk meisje’ zei hij. Pas na het carnaval biechtte hij op dat ‘mechel’ het Limburgs woord was voor ‘huwbaar meisje’, iemand waarmee je wilde trouwen. De mechel keek me even verbaasd aan, lachte toen en vroeg “Gaan jullie vanavond ook naar de Grote Zaal?” Ik keek naar onze stagiair. Die knikte van ja, waarop ze zei: “Dan zie ik jullie daar wel” en ze holde haar groep achterna.

Ik moet zeggen, het carnaval in Heerlen was gezellig. We zwierven van café naar café. Uiteindelijk belandden we in de Grote Zaal, waarop ik op een gegeven moment werd aangesproken door een gesluierde prinses. Het bleek het slagersmeisje te zijn. Ik vroeg waar haar hakbijl en haar bot was. Ja, dat was alleen voor de optocht met de buurtwagen. Ze had voor het hele carnaval drie verschillende kostuums gemaakt, althans dat meende ik te verstaan, want de helft van haar Limburgs verstond ik niet. Het werd desalniettemin een ‘jeidele’ avond die eindigde met ‘muulkes’ – voor de niet-Limburgers onder ons: ‘jeidel’ is vrolijk en ‘muulkes’ zijn zoentjes – zo leer je nog eens wat Limburgs.

Overigens, bleef het bij mij bij muulkes, mijn collega-lifter hield aan het carnaval twee kinderen over. Om misverstanden te voorkomen: hij leerde tijdens het carnaval de zus van onze stagiair kennen, zou later met haar trouwen, en nog weer later twee kinderen met haar krijgen, die inmiddels alle twee het huis uit zijn – even een leven in het kort samengevat.

Een jaar later hadden we een andere stagiair op de flat. Dit keer iemand uit Oss. Carnaval moesten we beslist in Oss komen vieren zei hij. ‘Oss is the boss’.  Dat viel wat tegen. Ik wil niet zeggen ‘carnaval in Oss is een total loss’ maar het was wel een stuk minder gezellig dan in Heerlen. In Oss was er nauwelijks straatcarnaval, alleen een groot gebeuren in de Schouwburg.

Het derde jaar hadden we geen stagiair meer op de flat en besloten we om in Oldenzaal carnaval te vieren. Oldenzaal was zo’n beetje de enige plaats in de omgeving van Enschede waar het werd gevierd. Nou ja gevierd, dat is overdreven. Toen we na lang zoeken eindelijk een zaal vonden, waar carnavalsmuziek werd gedraaid, en we de zaal binnenstapten, belandden we midden in de jaarvergadering van de boerenarbeidersbond. Zo leek het althans. Werkelijk iedereen had een boerenkiel aan.

carnaval

Carnaval 1967 “Agge maar leut et” . Minister Witte in een boerenkiel.

Verbaasd keken we om ons heen. Zelf had ik mijn bonte carnavalsjasje aan dat ik twee jaar eerder in Heerlen had gekocht. We moesten een kaartje kopen om binnen te mogen komen. De dame bij het tafeltje met het geldkistje zei: “Jullie zijn niet van hier, of niet dan?” Inderdaad we waren niet van hier. Ongetwijfeld zal het carnaval in Oldenzaal nu heel anders zijn, maar toen hadden we het binnen een uurtje wel bekeken.

Een bezoek aan de Hortus Botanicus

Vorige week maandag sneeuwde het, maar de dag er op was het een zonnige dag. De fietspaden waren schoon en Marianne – die een dagje vrij had – en ik besloten daarom om maar eens naar Leiden te fietsen. In de Hortus Botanicus was die week een tentoonstelling over allerlei soorten bollen van start gegaan. Het was een toeristische tip van Radio West uit hun rubriek ‘Uit!’, Elke zaterdag- en zondagochtend hoor je de beste tips voor een geslaagd weekend.”

Nu was ik een beetje naïef, want ik dacht dat die tentoonstelling binnen zou zijn. In een kas of zo.  Dat was niet het geval. De bollen stonden gewoon buiten in bakken.

000 bollen

Vooral in het voorjaar bloeien hier allerlei soorten” aldus het bordje bij de bak. Ja, ja, het zal wel, maar het was nog geen voorjaar.  Ook de vaste collectie was het niet echt.

000 vaste collectieOngetwijfeld gebeurden er onder de grond allerlei spannende dingen. Maar nu deed me het nog het  meest aan een begraafplaats denken.

Gelukkig waren er ook planten die binnen stonden. Zo heb je er een Oranjerie. Deze was in gebruik als een opslagplaats voor planten en bomen die zomers buiten staan. Het leek wel een Malle Pietje winkel. De gangpaden waren helemaal versperd, dus daar stonden we direct weer buiten.

0000 Orangerie

Maar goed, niet getreurd, er was nog een ander gebouw. Daarin stonden vooral veel cactussen.  Daar moet je wel van houden.

0000 cactussen 1

Helemaal bovenin het gebouw bevond zich een speciale attractie. Een lange gang met aan beide zijden vleesetende planten. De bedoeling was om levend de overkant te halen.

0000 gangDe gang met links en rechts de vleesetende planten. Er schijnen niet veel bezoekers te zijn die de overkant halen. Wij wel!

0000 vleesetende plantEén van de tegenstanders.

Tot slot was er nog een tropische kas. Het was er bloedheet. Niet echt aangenaam. De leesbril, de lens van het fototoestel en ik raakten allemaal bezweet. Misschien kwam het daardoor dat één van de reuzevlinders die er rond zweefde mij aanzag voor een plant en op mijn schouder een rustplaats zocht.

000 vlinder

000 vlinder 2Een Freek Vonk momentje.

Al met al waren we denk ik een tikkeltje te vroeg in het jaar voor “een geslaagd weekend” om met Radio West te spreken. In het voorjaar of in de zomer nog maar eens een keertje terugkomen.

Hard Gras 112

Van Hard Gras – het literaire voetbaltijdschrift dat in 1994 is opgericht  door Henk Spaan en Matthijs van Nieuwkerk en waar sinds 2005 ook Hugo Borst in de hoofdredactie zit –  is in februari nummer 112 verschenen.

0000hard gras

In het blad is ook een verhaal van mij opgenomen: ‘Voetballen in het Vaticaan’. Het begint als volgt:

“Vlak voor de kwalificatiewedstrijd Zweden tegen Portugal in november 2013 stelde een reporter van het Zweedse Tv-station TV4 aan Ibrahimovic de vraag: “Wie zal de wedstrijd winnen?” “Alleen God weet hoe het zal aflopen.” antwoordde deze. “Maar hem kunnen we het lastig vragen.” klaagde de reporter. “Je spreekt met hem.” zei Ibrahimovic lachend. In dat kader was Maradonna tijdens de WK van 1986 net iets bescheidener toen hij in de kwartfinale tegen Engeland een bal met de hand in het doel sloeg en het na afloop alleen maar had over de hand van God.

Tja, voetbal en geloof. Als Messi scoort, kijkt en wijst hij vaak naar de hemel. Dit om zijn overleden grootmoeder te eren die volgens hem van bovenaf op hem neer kijkt. Ok, hij heeft ook wel eens op zijn duim gesabbeld na een doelpunt, maar dat was kort na de geboorte van zijn kinderen. En hoe vaak zie je niet spelers een kruisje slaan als ze het speelveld betreden. Cruijff zei daarover eens: “Ik geloof niet. In Spanje slaan alle 22 spelers een kruisje voordat ze het veld opkomen, als het werkt, zal het dus altijd een gelijkspel worden.”

Cruijff dacht overigens wel dat er “iets anders is”. Nogmaals Cruijff: “Ik geloof niet omdat ik dus niet gelovig ben maar ik denk wel dat er iets anders is, maar daardoor geloof ik datgene wat ik dus denk dat er is.” Op en top Cruijffiaans. Een jaar voor zijn overlijden vertelde hij in een interview met Hanneke Groenteman dat hij dacht dat er wel een God bestond. Op de vraag van haar of hij geluk heeft gehad in zijn leven, antwoordde hij namelijk: “Ja, zonder geluk vaart niemand wel. Ik heb dus, ja, waarschijnlijk van God, een hoop kwaliteiten gehad.” “Wel van God, denk je?” vroeg Groenteman. “Dat denk ik ja. Wie anders”. …..

Wie de rest van het verhaal wil lezen, zie Hard Gras nr. 112, te verkrijgen in de “betere boekhandel”.

 

Opmerkelijke borden (9)

In Nederland staan een hoop  informatieborden langs de wegen. Om dat een beetje te uniformeren zijn er symbolen en pictogrammen afgesproken. Deze symbolen en pictogrammen worden veelal gebruikt voor het aanduiden van lokale en ‘toeristisch-recreatieve objecten’ en algemene objecten. Ze komen voor bij rijkswegen, provinciale en gemeentelijke wegen.

Soms geeft dat een verrassend bord. Neem dit bord dat je kan vinden op de weg tussen Leidschendam en Voorschoten. Het verwijst naar de kleine dierentuin ‘Vlinders aan de Vliet’ waar je tussen 24 februari  en 30 oktober meer dan 1500 tropische dagvlinders  kan zien.

000 vlinders

Tja, het afgesproken teken voor een dierentuin is nu eenmaal een olifant, ook al zijn er alleen maar vlinders te zien. Het is nu eenmaal zoals het is. Of niet dan?

000 olifant(afbeelding thethreesisters op Flickr)

Ok, –  Breaking News! – bovenstaande olifantenvlinder is nep. Maar er bestaat wel degelijk een olifantsvlinder.

000 oliOlifantsvlinder; foto Vashti; Wikipedia

Olifantsvlinder: Vlinder, ook bekend onder de naam Avondrood. Het verspreidingsgebied omvat Europa. De naam Olifantvlinder komt voort uit het feit dat het voorste deel van het borststuk van de rups strek versmald is en daardoor enigszins op een slurf van de olifant lijkt.

00 rupsDe rups van de olifantenvlinder; foto Surrey John, Wikipedia

 

Roe versus Wade

Zaterdag overleed Norma McCorvey. Zij is de Amerikaanse vrouw die als Jane Roe uit de rechtszaak ‘Roe versus Wade’ de Amerikaanse geschiedenisboeken is ingegaan. De uitspraak van het Amerikaanse Hooggerechtshof uit 1973 zorgde er voor dat abortus in Amerika werd toegestaan. Tot dan zorgde in sommige staten strenge wetgeving er voor dat in die staten slechts in hoogst uitzonderlijke situaties, namelijk als het leven van de moeder in gevaar was, abortus was toegestaan. Het effect van de uitspraak van het Hooggerechtshof (met zeven tegen twee stemmen) was dat in alle staten de bestaande abortusverboden onmiddellijk sneuvelden. Opmerkelijk genoeg heeft Norma McCorvey zelf nooit een abortus ondergaan.

Norma McCorvey, geboren in 1947, leefde in de staat Texas. Ze kende een ongelukkige jeugd met een vader die het gezin verliet en een moeder die aan de drank was. Op 10-jarige leeftijd liep ze van huis weg. Nadat ze betrapt werd op diefstal – ze nam geld weg uit een kassa van een benzinestation –  belandde ze op een tuchtschool. Later trok ze bij een familielid in die haar misbruikte, waarop ze weer terugkeerde naar haar moeder.

Op haar zestiende trouwde ze, ging uit huis en kreeg een kind. Maar omdat haar man haar mishandelde, keerde ze echter terug naar haar moeder. Ze raakte aan de drank en drugs en vertrok weer uit huis. Haar kind bleef bij haar moeder. Toen ze achttien was raakte ze wederom in verwachting. Ze stond het kind na de geboorte ter adoptie af.

In 1970 raakte ze voor de derde keer zwanger. Ze was toen 22 jaar en wilde ditmaal een abortus. Dat was, tenzij het leven van de moeder in gevaar was, echter in de staat Texas niet toegestaan. Omdat ze straatarm was – ze werkte af en toe in een rariteitenkabinet waar ze allerlei vreemde dieren moest verzorgen zoals een reusachtige rat, een stier met vijf poten en een slang met twee koppen; ook verkocht ze bloemen op straat – had ze geen geld om naar één van de staten te reizen waar abortus wel was toegestaan. Ze kwam in contact met twee advocaten uit Dallas  – Sarah Weddington en Linda Coffee –  die iemand zochten om het verbod op abortus in Texas juridisch aan te vechten. Haar zaak voldeed aan de eisen en namens haar dienden de twee juristes een klacht tegen de staat Texas in.

In de aanklacht werd haar naam niet vermeld maar werd ze geanonimiseerd aangeduid als Jane Roe. Aanvankelijk stond daar eerst Jane Doe – de gebruikelijke naam voor een onbekend vrouwelijk iemand; net zoals onbekende mannen John Doe worden genoemd –  maar omdat er ook een andere abortuszaak bij het gerechtshof liep met de naam Jane Doe werd haar naam veranderd in Jane Roe.

Zelf was ze op het moment dat de klacht in behandeling werd genomen al vijf maanden zwanger en daarmee te ver in haar zwangerschap voor een abortus. Het kind, een meisje, stond ze na de geboorte af voor adoptie. Ergens in Amerika loopt er, als ze nog leeft, dus een Jane Roe jr. rond. In 1973 deed het Hooggerechtshof uitspraak. McCorvey was er niet bij aanwezig. Ze las de uitspraak in de krant. Ze bleef jarenlang anoniem totdat ze in de jaren tachtig bekend maakte dat zij Jane Roe was. Ze ging actie voeren voor het behoud van abortus.

Halverwege de jaren negentig werd ze zwaar gelovig en liep ze over naar het andere kamp. Ze werd nu een vurig tegenstander van abortus en voerde regelmatig actie voor een verbod. Zo sprak ze op allerlei anti-abortusbijeenkomsten. Afgelopen zaterdag overleed ze op 69-jarige leeftijd.

Ook de andere naamgever van Roe versus Wade leeft niet meer. Henry Wade, die de staat Texas vertegenwoordigde, overleed in 2001 op 86-jarige leeftijd. De zaak Roe versus Wade is overigens niet de enige beroemde zaak waarbij hij betrokken was. In 1963 was hij in Dallas de openbare aanklager in de zaak van Jack Ruby – de man die Lee Harvey Oswald, de moordenaar van Kennedy, doodschoot.

00 wadeHenry Wade, de man links met een microfoon, tijdens een persconferentie op 25 november 1963; foto Library of Congres; fotograaf Bill Sauro.

Ook alle rechters uit deze historische zaak zijn inmiddels overleden, de laatste in 2005.

 

Op zoek naar je boek

Ik las op de site van de NRC een erg leuke column van Marcel van Roosmalen, waarin hij beschreef hoe hij een bezoek bracht aan een boekenwinkel. “Ik was voor het eerst een weekeinde alleen met mijn dochter (1). Toen we waren uitgespeeld opperde ik om samen naar de kwaliteitsboekhandel in de buurt te gaan om er naar de stapels van de verhalenbundel die haar vader en moeder over haar geschreven hadden te gaan kijken. […]Ik legde haar uit dat het weliswaar zielig was om naar je eigen boek te gaan kijken in de boekhandel, maar dat het ook wel eens mee kon vallen als we maar niet werden herkend.

Bij de boekhandel lag ons boek alvast niet in de etalage, een tegenvaller. We gingen hand in hand naar binnen. We deden twee rondjes in haar tempo, langzaam genoeg om te zien dat ons boek er helemaal niet lag. We wilden ons alweer anoniem uit de voeten maken toen we een schrijver uit de buurt tegen kwamen wiens boek al meer dan een jaar prominent op de toonbank lag tussen de boeken van andere schrijvers uit de buurt. Het was hem opgevallen dat hij ons boek daar niet had gezien […]”

Ik herken dit helemaal. In de tijd dat de uitgever nog boeken van mij wilde uitgeven, heb ik ook wel eens rondjes door boekhandels gelopen op zoek naar mijn eigen boek. In 2006 verscheen mijn boek ‘Het Nutteloze Kennisparadijs’, een boek met columns die ik voor de Volkskrant had geschreven. Op de site van boekhandel Verwijs, toentertijd nog een grote boekenzaak in de Haagse Passage, zag ik dat ze het op voorraad hadden. Ik besloot om een kijkje ter plekke te nemen.

kennisparadijs

Aangekomen in de winkel keek ik eerst of ik mijn boek zag staan in het schap met de belangrijkste nieuwe boeken. Daar stond het niet. Dat was een tegenvaller. Vervolgens liep ik een rondje door de zaak om te kijken waar het dan wel lag. Ik zag het nergens. Een beetje besmuikt meldde ik mij na een tijdje vergeefs zoeken bij een inlichtingenbalie en vroeg of ze ook ‘Het Nutteloze Kennisparadijs’ van een zekere Martin van Neck hadden. De man typte mijn naam in de pc. “Hoe spel je die naam?” vroeg hij. “N.E.C.K geloof ik” zei ik. Ik hoopte dat hij niet door had dat ik het zelf was. “Ja, dat hebben we, het staat op de afdeling Wetenschap” antwoordde hij na een tijdje.

De afdeling wetenschap bevond zich op de derde verdieping van het gebouw. Iemand bij Verwijs had bedacht dat mijn boek gezien de titel een wetenschappelijk boek moest zijn. Ik keek er rond en zag achter in de zaal een stapeltje van mijn boek liggen. Ze hadden liefst tien exemplaren ingekocht. Dat viel niet tegen, maar die zouden zo natuurlijk nooit verkocht worden. Ooit is er in 1947 op deze afdeling een bezoeker gesignaleerd, maar verder kwam nooit iemand op deze afdeling. Ik besloot om in actie te komen.

Ik pakte twee exemplaren van het stapeltje en liep er achteloos mee naar beneden. Aangekomen bij het schap met de prominente nieuwe boeken bladerde ik door mijn boek alsof ik het aan bestuderen was en legde ze toen – nadat ik wat ruimte had gemaakt door wat andere boeken opzij te schuiven –op de plank met populaire nieuwe boeken. Deze actie herhaalde ik nog een keer, nu met drie exemplaren. Tevreden keek ik naar mijn stapeltje van vijf. Ze lagen nu goed in het zicht.

De volgende morgen bezocht ik de winkel weer. Mijn stapeltje van vijf bij de prominente nieuwe boeken was geslonken tot twee. Zie je wel, adverteren doet verkopen. Boven pakte ik weer drie exemplaren en vulde mijn stapeltje beneden weer aan. In de hoop dat het personeel niet zag wat ik aan het doen was. Toen ik even later de winkel wilde verlaten, zag ik hoe een bezoeker mijn boek pakte en er in ging bladeren. Ik bleef even wachten om te kijken wat hij ging doen. Een echte koper, maar hij legde het terug. Toch waren diezelfde dag weer twee exemplaren van mijn boek verkocht, zo zag ik door de etalageruit toen ik ’s middags voorbij liep.

Het weekend er op liep ik met Marianne door de stad. Ik wilde haar even mijn stapeltje beneden laten zien, maar ze lagen er niet meer. Niet dat de resterende exemplaren beneden verkocht waren, want ze lagen weer boven. Blijkbaar had iemand de vreemde eenden in de bijt beneden opgemerkt en ze weer terug gelegd op de derde verdieping. “Die ga je niet weer beneden leggen hoor” sprak Marianne en dat heb ik dus maar niet gedaan. Mijn boeken hebben ongeveer een jaar op de derde verdieping stof staan happen, totdat ze op een dag opeens verdwenen bleken te zijn. Vermoedelijk retour uitgever.

Uit de column van Marcel van Roosmalen: […] Ze hadden vaak schrijvers over de vloer die het liefst anoniem naar hun boek zochten. Ze deden heel erg hun best om ze dan niet te herkennen.”

Valentijnsdag

Dinsdag was het weer Valentijnsdag. Die bestaat al meer dan 1500 jaar. Het was Paus Gelasius I die in 496 14 februari uitriep tot de dag van de heilige Valentijn, dit om een zekere Valentin, bisschop van Terni – een geestelijke die in 268 een martelaarsdood stierf –  te eren. Volgens andere  bronnen betrof zijn eerbetoon echter een andere Valentin, een priester uit Rome. En volgens weer andere bronnen zou Valentin van Terni en Valentin van Rome dezelfde persoon zijn. Kortom, verwarring alom.

Vandaag de dag heb je die verwarring soms ook, en wel als je een Valentijnskaartje ontvangt. Wie stuurt mij dat? In mijn studenten-tijd, zo’n veertig jaar geleden, correspondeerde ik met een aantal meisjes, verspreid over de hele wereld. Op een dag ontving ik een anoniem kaartje met allemaal hartjes er op. “Happy Valentine’s day!” stond er op. Ik kon aan de postzegel zien dat het kaartje uit Amerika kwam, maar omdat ik met drie meisjes uit Amerika schreef, wist ik niet wie het gestuurd had. Het adres was met blokletters geschreven, bij hun brieven gebeurde dat nooit.

Ik liet het kaartje aan mijn flatgenoten zien. Niemand had enig idee wat een “happy valentine’s day” was. Het was toen een volkomen onbekend fenomeen in Nederland. Een paar weken later kreeg ik een brief van één van de meisjes uit Amerika, waarin ze schreef dat ze het jammer vond dat ik geen kaartje naar haar had gestuurd – oh, was zij het – en niet veel later beëindigde ze onze correspondentie.

0 valentijnsdagkaart 1860Engels Valentijnskaartje uit 1860

Maar goed, tegenwoordig is Valentijnsdag in Nederland een groot commercieel gebeuren. De tijd dat ik Valentijnskaartjes kreeg, ligt echter al lang achter mij. Tot afgelopen dinsdag. Toen lag er opeens  weer een kaartje met hartjes voor mij in de brievenbus met daarop de uitnodiging “Samen eten?”. Nieuwsgierig pakte ik de kaart en keek wie de afzender was: Albert Heijn. Of ik bij hun boodschappen kwam doen.

De tijd schrijdt voort

Eergisteren schreef ik dat we ‘gisteren’ naar het museum ‘Beelden aan Zee’ in Scheveningen waren geweest. Gisteren schreef ik dat we ‘eergisteren’ naar dat museum waren geweest. En vandaag is het drie dagen geleden dat we naar het beeldenmuseum zijn geweest. Kortom, de tijd schrijdt voort. Hoewel, niet altijd, soms moet je de klok een uurtje terug zetten.

klok

Maar dat normaal gesproken de tijd immer voortschrijdt, kon je heel goed in het museum zien. Er liepen veel oudere mensen rond. Ik heb even ter plekke een steekproef onder de bezoekers gedaan. “Bent u oud? ‘heb ik aan een aantal bezoekers gevraagd. Nee, grapje, ik heb alleen even naar hun haar gekeken. Van de 25 mensen die ik rond zag lopen op de vloer van de zaal met de Picasso-beelden hadden 20 personen grijs haar. Of te wel zo’n 80% van de mensen in mijn steekproef was al wat aan de oudere kant.

Bezoekers

Dat een museum op een doordeweekse dag vooral een ouder publiek trekt, is overigens logisch. Die hebben de tijd. Het voordeel van zo’n ouder publiek om je heen is dat je je gelijk weer jong voelt. Het heeft ook nadelen. Toen we naar binnen wilden, liep voor ons iemand zo langzaam, dat we even vreesden dat – hoewel we nog drie uur de tijd hadden – we niet voor sluitingstijd binnen zouden zijn.

Maar goed, we haalden het en morgen zijn we weer een dagje ouder.

Picasso en ik

Eergisteren zijn we met de oudste dochter naar het museum Beelden aan Zee in Scheveningen geweest. Er was daar een tentoonstelling met beelden van Picasso. Er waren een paar beelden uit de categorie “Kleine Pablo heeft goed zijn best gedaan”, zoals bijvoorbeeld deze voetballer.

picasso 5

Maar er  waren ook best veel beelden, vooral zijn vazen, die ik wel mooi vond.

picasso 1 picasso 2picasso 4 picasso 3

Al met al kan ik de tentoonstelling wel aanraden,  De tentoonstelling duurt tot 5 maart.

Oh ja, ik ben ook nog even met Picasso op de foto gegaan. Zie hier Picasso, bescheiden op de achtergrond, en ik, wat meer prominent op de voorgrond.

Picasso

Freek Vonk

De inmiddels beantwoorde vraag of bioloog en televisiepresentator Freek Vonk ooit eens een keertje door een beest zou worden gebeten, is er eentje uit de categorie ‘Is de paus katholiek?” Ja dus. Vorige week was het zover, hij werd gebeten door een rifhaai. Volgens Freek Vonk zijn die dieren normaal gesproken ongevaarlijk voor mensen. De Volkskrant bracht het bericht dan ook onder de opmerkelijk kop ‘Haai bijt per ongeluk Freek Vonk.’ Alsof het een foutje was, de haai had zich vergist, het had iemand anders moeten zijn.

Gisteren waren wij in het museum Beelden aan Zee in Scheveningen. Bij het zien van dit beeld moest ik toch heel sterk aan Freek Vonk denken.

freek vonk