Category Archives: sport

Een jonge Max Verstappen

Er zijn foto’s opgedoken van een zeer jeugdige Max Verstappen. Zie hier hoe hij (met blauwe helm op) op zijn fietsje met zijwieltjes tijdens de Grand Prix van Rotterdam, gereden op het Blaak-circuit,  de concurrentie met hun aerodynamische fietsen te snel af is.

0000000 f1

Matchfixing in het schaken

Dat matchfixing en omkoping in het voetbal voorkomt is bekend, maar dat het ook gebeurt in het schaken wellicht minder. Toch is het zo. Ik kan het weten, want ik ben er zelf een keertje bij betrokken geweest. Het is nu meer dan veertig jaar geleden en daarmee verjaard. Dus kan ik het nu wel opbiechten.

Het gebeurde tijdens de laatste competitiewedstrijd van ons team Drienerlo 2 thuis tegen Haaksbergen 1. Voor ons stond er niks meer op het spel. Ongeacht de uitslag zouden we ergens in de middenmoot eindigen. Haaksbergen had nog wel belang bij de wedstrijd. Zij konden theoretisch gezien nog kampioen worden. Ze stonden twee wedstrijdpunten achter op het al uitgespeelde ESGOO 2, het tweede team van een club uit Enschede. Bij winst op ons zou Haaksbergen gelijk eindigen met ESGOO 2.

Echter, in dat geval zouden de bordpunten – zeg maar het doelsaldo – beslissen. Haaksbergen had veel minder bordpunten dan ESGOO 2. Alleen als ze met 10-0 of met 9,5 – 0,5 van ons zouden winnen, zouden ze kampioen zijn. Bij 9-1 zou een beslissingswedstrijd volgen. Bij elke andere uitslag zou ESGOO 2 kampioen zijn en promoveren. De kans op zo’n grote uitslag was echter gering. De grootste uitslag dat jaar in de competitie was 8-2.

De avond begon met het aanbieden van de eerste consumptie aan de gasten door onze teamcaptain. Dat de eerste consumptie aangeboden werd door de thuisclub was standaard in de competitie. Wat niet standaard was, was dat daarop de aanvoerder van Haaksbergen het woord nam. Hij vertelde dat, als de heren studenten het goed vonden, dat Haaksbergen dan graag de tweede consumptie voor zijn rekening wilde nemen. Hij had zelf een zoon die studeerde en wist dat studenten het financieel altijd moeilijk hadden.

De heren studenten hadden er geen probleem mee dat Haaksbergen een consumptie aanbood.

Het zou niet de laatste consumptie zijn die de spelers van Haaksbergen ons aanboden. Regelmatig bood iemand van Haaksbergen zijn tegenstander een biertje aan en het werd een vrolijke avond. Op de borden ging het crescendo met Haaksbergen. Aan het eind van de avond stond het 7-0 voor Haaksbergen. Maar helaas voor hen ging het op de laatste drie borden wat minder. Op één bord stonden ze weliswaar wat beter maar waarschijnlijk zat er geen winst in, op de andere twee borden stonden ze zo goed als verloren. Veel meer dan een 8-2 uitslag zat er waarschijnlijk niet in. Maar om de kansen op het kampioenschap in stand te laten, speelden de spelers van Haaksbergen, hopende op een blunder van hun tegenstander, stug door.

In die tijd was het zo dat als aan het eind van de avond de partijen nog niet klaar waren, dat ze dan afgebroken werden. Een speler moest een zet afgeven die in een enveloppe werd gestopt en de partij werd dan een week later vervolgd. Meestal hadden de spelers en de teams hier geen zin in en werd er door de teamcaptains overlegd. “Als jullie die partij opgeven, dan geven wij die partij op”. Zo ongeveer ging het dan. Alleen als de teamcaptains er niet uitkwamen, of als een individuele speler het resultaat niet accepteerde, dan werd de partij een week later uitgespeeld.

Wij overlegden even intern met ons team. Eigenlijk gunden we Haaksbergen, zeker na al die aangeboden consumpties, het kampioenschap veel meer dan ESGOO, de grote concurrent van Drienerlo in Enschede. Maar om het kampioenschap nu helemaal cadeau te geven, dat vonden wij weer net iets te ver gaan. We besloten dat Haaksbergen en ESGOO het maar onderling moesten uitvechten. We stelden de teamcaptain van Haaksbergen daarop voor dat als zij akkoord gingen met remises in de twee partijen waarin wij veel beter stonden, dat wij dan de derde partij zouden opgeven. Uiteraard ging de teamcaptain van Haaksbergen met dit voorstel akkoord. De uitslag was daarmee 9-1 voor Haasbergen. Een beslissingswedstrijd tussen Haaksbergen en ESCOO 2 zou nu over het kampioenschap gaan beslissen. Even later vertrok Haaksbergen in juichstemming naar huis.

Wij vierden de nederlaag aan de bar, toen er opeens twee vertegenwoordigers van ESGOO verschenen. Ze waren nieuwsgierig naar de uitslag. “9-1 verloren helaas, het zat niet mee. Sorry, jullie moeten het in een beslissingswedstrijd gaan uitmaken.”  Verbijsterd keken ze ons aan.

00000 max euwe“Een mislukte poging in 1945 om Max Euwe om te kopen. Deze Nederlandse wereldkampioen was onomkoopbaar”.  Foto Theo van Haren Noman; Nationaal Archief

Geen idee overigens wie de beslissingswedstrijd heeft gewonnen.

Vals spelen bij schaken

In het schaken wordt wel eens vals gespeeld. In 2006 doken zelfs beschuldigingen van vals spel op  tijdens de match om het wereldkampioenschap tussen Veselin Topalov en Vladimir Kramnik. De manager van Topalov verweet Kramnik te vaak naar het toilet te gaan, een beschuldiging van vals spel. “Toiletgate” was geboren. Er was geen enkel bewijs voor en de schaakwereld deed de zaak als grote onzin af. Krammink won de tweekamp en werd wereldkampioen.

Nog een gevalletje veelvuldig toiletbezoek. Ik citeer even het Noordhollands Dagblad, editie Heerhugowaard, van 27 mei 2014, over vals spel tijdens een toernooi in Roemenïe, waarbij een Nederlandse amateurspeler bij was betrokken – nee, dat was ik niet!

“Hoe flest iemand in de praktijk de boel? Schaakcomputers spelen sterker dan mensen. Hun Elo-sterkte wordt op minimaal 3000 geschat, dus ruim meer dan wereldkampioen Magnus Carlsen die met 2880 op eenzame hoogte bij de mensen staat. Schaakprogramma’s die op smartphones draaien komen in de buurt van 2500. De betrapte Nederlander in Roemenië is een redelijk sterke amateurschaker met een Elo van 2233. […] In Roemenië werd hij betrapt door zijn tegenstander. Die vertrouwde het niet, de Nederlander verliet te vaak het bord. Volgens verklaringen achtervolgde hij hem naar het ‘plassengebied’, forceerde de toiletdeur en trof zijn tegenstander aan met zijn smartphone met de actuele partijstelling. De fraudeur werd uit het toernooi gezet en wacht mogelijk een lange schorsing.”

Vanwege dit soort zaken mogen vandaag de dag bij veel schaaktoernooien spelers tijdens de partij geen mobieltje bij zich hebben. Maar dit belet sommige schakers niet om het toch nog op deze manier te proberen. Zo werd in 2015 de Georgische schaakgrootmeester Nigalidze tijdens een schaaktoernooi in Dubai betrapt op valsspelen. Ook hij moest opvallend vaak naar het toilet. Het viel zijn tegenstander op dat hij elke keer hetzelfde toilethokje pakte, ondanks dat er anderen vrij waren. Hij meldde het aan een medewerker van het toernooi, die het toilethokje doorzocht. Achter de spoelbak vond hij een in toiletpapier gewikkelde iPhone. Daarop stond een schaakapp die de wedstrijd analyseerde.

Je kan ook valsspelen zonder toiletbezoek. Bij een toernooi in Amerika werd een speler met een pet op betrapt. In de pet zat kunstig elektronica verstopt waarmee hij in contact stond met vrienden buiten de toernooizaal die de partij voor hem op een computer analyseerde. Ook is al een keer iemand betrapt met een gehoorapparaatje op, althans dat zei hij. De slimme arbiter controleerde het typenummer op internet en zag dat het geen gehoorapparaat was maar een zendertje / ontvanger.

0000 schakenSoms zitten de hulpkrachten op een plek waar je ze niet verwacht. Foto Harry Pot; Nationaal Archief

Een ander beroemd geval van vals spelen vond plaats tijdens de Olympiade – zeg maar het wereldkampioenschap schaken voor landenteams –  van 2010. Twee Franse schakers en de Franse teamleider hadden naar verluidt een ingenieus systeem bedacht. De teamleider liep tijdens de partijen door de zaal. Regelmatig verdween hij echter naar de bar om daar op zijn mobiel te kijken. Daar kreeg hij zetten doorgestuurd van een kompaan die de partijen op een computer analyseerde De teamleider keerde vervolgens terug naar de zaal en liep daar vervolgens met  door de zaal. Hij keek dan eerst even met een onschuldig gezicht naar een partij die aan de gang was op de eerst rij en vervolgens naar eentje op de vierde rij van zijn team. Daarmee gaf hij aan dat de computer voorstelde om een stuk naar veld A4 te verplaatsen.

Ze vielen knullig door de mand. Het mobieltje van de man deed het tijdens één van die partijen niet meer. Hij leende daarop de telefoon van een bestuurslid van de Franse bond, die nadat hij later het apparaat terug kreeg, een ongeduldig sms’je met de tekst ‘waar blijven de zetten?” er op zag staan. Er volgde een onderzoek en er volgden lange schorsingen.

Bij deze voorbeelden is het telkens de schaker die hulp zoekt bij een computer. Er is een bekend voorbeeld van het omgekeerde. In 1997 speelde de toenmalige wereldkampioen Gary Kasparov  een match tegen de IBM-schaakcomputer Deep Blue. Tot ontsteltenis van Kasparov verloor hij met 3,5 – 2,5. Hij uitte na afloop de beschuldiging dat de computer werd geholpen door twee grootmeesters, die het apparaat op beslissende momenten ‘hielpen’ bij de keuze voor een zet.

Tot slot één van de leukste voorbeelden van valsspelende schakers die ik ken is deze. Het betreft het klassieke influisteren van een zet, niks geen elektronica.

0000 knudde

Het is een FC Knudde tekening uit 1990 van tekenaar Toon van Driel.

Goed, waarom nu deze blogpost over vals spelen in het schaken? Dat komt omdat ik wilde schrijven over matchfixing in het schaken. Ik googelde daarvoor even op ‘vals spelen in het schaken’ en trof daarbij een hoop voorbeelden aan, waarvan ik een deel hierboven heb beschreven.

Dat er matchfixing in het voetballen voorkomt is bekend, maar dat het ook voorkomt in het schaken wellicht niet. Toch is dat zo. Ik ben er zelf een keer bij betrokken geweest. Het was veertig jaar geleden en de zaak is inmiddels verjaard, dus ik kan er over schrijven. Echter deze blogpost is nu te lang om daar nu ook nog over te schrijven, dus dat stel ik, als soort cliffhanger, uit tot een volgende blogpost.

Schaken tegen de Nederlandse kampioen (2)

Urbanus, de Belgische komiek, zei eens: “Winnen, dat is iets voor losers”. Toch vond ik het altijd wel fijn als ik met schaken won. Niet dat ik dat vaak deed, maar af en toe gebeurde het wel. Weet u dat ik zelfs eens een keer van een (latere) Nederlands kampioen schaken heb gewonnen. Echt waar. Niet van Jan Timman, maar van Rini Kuijff, de Nederlands kampioen van 1989.

Ok, de omstandigheden waren bijzonder, maar toch. Het was in mijn studententijd. Op onze studentenflat woonde ook ene Menno. Hij was een goede schaker, veel beter dan ik. Hij speelde in de landelijke hoofdklasse. Dat is het hoogste niveau in Nederland.

Menno was bevriend met Rini die nog beter kon schaken. Op een dag deden Menno en ik mee aan een eendaags toernooi georganiseerd door één van de schaakverenigingen van Enschede. Rini, die dat weekend toevallig bij Menno op bezoek was, besloot ook mee te doen. Terwijl ik in één van de lagere groepen ploeterde – ik weet nog dat een Duitse schaker aan mij vroeg of ik wist wie de Gruppenführer was; ik dacht even wat vraagt hij nou? –  schaakten Menno en Rini in de hoogste groep. Rini won het toernooi gemakkelijk en kreeg een foeilelijke beker.

Hij was niet van plan om die beker mee naar huis te nemen. We gingen eten bij een Chinees en toen we naar buiten liepen, liet hij de beker opzettelijk in de vensterbank tussen de planten staan. Helaas, we waren al honderd meter ver weg, toen de ober hard hollend met de beker kwam aanrennen. “Meneeeeeer, u vergeet uw beker!”. Een tweede poging om de beker kwijt te raken, in een café waar Rini de nodige biertjes dronk, slaagde wel.

Om een uur of twaalf waren we weer terug op onze studentenflat. Rini brulde met zo’n luidde stem “Wie heeft er zin in een vluggertje?” dat alle meisjes op onze flat geschrokken naar hun kamers vluchtten – als u onder de hashtag #metoo iets over een schaker leest, dan weet u nu wie dat betreft – maar Rini bedoelde een partijtje schaak met een bedenktijd voor de hele partij van vijf minuten.

schaakklok

Ik zag mijn kans schoon. Normaal had ik geen schijn van kans, maar Rini was niet echt nuchter meer, dus wie weet. Helaas, de eerste twee partijtjes veegde hij me desondanks compleet van het bord. Toen kwam partij drie. Rini koos voor een opening die ik toevallig heel goed kende. Voor de kenners, het betrof de Sveshnikov variant van het Sciciliaans.

.000 schaken 2

Menno en ik hadden een keer die opening heel goed bestudeerd. We hadden zelfs een nieuwe zet voor wit bedacht. Dat leek aanvankelijk een winnende zet te zijn. Zwart kon op negen manieren antwoorden, waarvan de acht meest logische zetten allemaal verloren. Maar helaas een moeilijk te vinden negende mogelijkheid gaf zwart wel een winnend voordeel, waardoor onze zet niet speelbaar was. Ik dacht: hij heeft maar vijf minuten voor de hele partij, hij is niet helemaal nuchter meer, ik gok er op. Rini was verrast door de zet. Even dacht hij na – de klok tikte ondertussen door – toen koos hij voor één van de acht foute antwoorden. “Yess!” riep ik. Ik wist wat ik moest doen en won de partij eenvoudig.

Rini was op slag nuchter. Althans zo leekt het. “Opnieuw” brulde hij. Binnen no-time stond dezelfde stelling weer op het bord en ik deed weer mijn nieuwe zet. Deze keer koos Rini na enig nadenken wel voor mogelijkheid negen en werd ik kansloos van het bord gemept. Maar goed, ik had toch maar mooi een keertje van hem gewonnen. Toen hij later Nederlands kampioen werd, zei ik wel eens achteloos “Oh die, daar heb ik wel eens van gewonnen.

Gene Brown, Amerikaans schrijver: “Het ellendige van bescheidenheid is dat je er niet over kunt opscheppen”

 

Schaken tegen de Nederlandse kampioen

Ik heb wel eens tegen de Nederlands kampioen schaken gespeeld. Voor wie dat niet gelooft, zie hier.

0000 JT

Het is de voorkant van het maartnummer in 1974 van Schakend Nederland, het blad dat alle leden van de Koninklijke Nederlandse Schaakbond in de jaren zeventig maandelijks kregen toegestuurd. De man met het lange haar, die hier een simultaan geeft, is Jan Timman, meervoudig Nederlands schaakkampioen. Ik zit naast die drie jongetjes. De foto stond eerder in dagblad Tubantia.

De foto is in Enschede gemaakt tijdens één van de zogenaamde V&D schaaksimultaans. In de jaren zeventig organiseerde V&D jaarlijks in verschillende steden van het land schaaksimultaans. In Enschede trad dat jaar Jan Timman op. Voor het geval u nieuwsgierig bent naar de uitslag, ik verloor nipt (1-0). Omstreeks zet 15 dreigde ik een paard kwijt te raken, maar voor dat probleem vond ik een oplossing. Niet zo’n goede oplossing echter want daardoor raakte ik een paar zetten later twee paarden kwijt.

Ik had toen net zo goed kunnen opgeven, maar speelde toch nog een zet of tien door tot er bij zet 30 meer stukken van mij naast het bord stonden dan er op. De reden dat ik niet tien zetten eerder opgaf was tweeledig. Ten eerste had ik op mijn studentenflat gezegd dat ik het wel minstens dertig zetten zou vol houden tegen Timman en ten tweede gold dat als ik doorspeelde en niet direct opgaf, dat dan beter was voor de overige deelnemers aan de simultaan. Dat kwam door de regel dat als de simultaangever bij je bord was, je dan gedwongen was om te zetten. Dus hoe meer deelnemers er nog in de strijd waren, hoe langer het duurde voordat hij weer bij je bord was, hoe meer bedenktijd je voor je zet had.

Van die regel dat je gedwongen moest zetten als de simultaangever bij je bord was, maakte een jaar later Hans Böhm misbruik tegen mij. Hij gaf dat jaar de simultaan. Tegen hem ging het een stuk beter dan tegen Timman en eigenlijk stond ik na een zet of dertig heel goed, misschien wel zelfs gewonnen. Dat beviel Böhm overduidelijk niet. Aangekomen bij mijn bord keek hij sacherijnig naar zijn stelling, pakte een kop koffie en ging uitgebreid nadenken. Opeens zette hij de koffie neer, deed plotseling een zet en ging er vandoor.

Ik keek naar het bord en had direct het gevoel dat zijn zet niet goed was. Echter, het was een heel gecompliceerde stelling en terwijl ik zat te kijken hoe ik de zet van Böhm kon weerleggen, zag ik uit een ooghoek hoe hij zo ongeveer hard hollend langs de overige borden liep. Binnen no-time was hij weer bij mijn bord en brulde: “Zetten!”. Noodgedwongen deed ik een zet waarvan ik hoopte dat hij goed was, maar aan de grijns van Böhm kon ik al zien dat dit niet het geval was – thuisgekomen zag ik later binnen vijf minuten hoe ik de zet van Böhm had kunnen weerleggen.

Na zijn antwoord stond ik verloren. Ik had eigenlijk een paar zetten later wel kunnen opgeven, maar speelde expres door totdat hij me mat had gezet. Daardoor moest hij aan het einde van de avond de hele tijd van mijn bord aan het ene eind van de tafel naar het andere eind van de tafel lopen waar ook nog iemand zat te spelen. Serves him right.

Schaken in de regio

Schaken heb ik altijd een leuke denksport gevonden. Kent u het boek ‘Oom Jan leert zijn neefje schaken’ van Max Euwe? Ik had echt een oom Jan waarmee ik wel eens schaakte. Maar het was mijn vader die het mij had geleerd. In mijn studententijd werd ik lid van Drienerlo, de studentenschaakclub van de TH Twente. Er was een interne competitie. Ook speelden we in een externe competitie tegen andere clubs. Ons eerste team schaakte op landelijk niveau. Ikzelf speelde in het tweede team van Drienerlo dat in de regionale competitie schaakte.

Behalve studenten waren er ook enkele hoogleraren en docenten lid van onze schaakvereniging. Dat was maar goed ook, want die beschikten over een auto. Dat was vooral handig was als we een uitwedstrijd moesten spelen. Het was elke keer weer afwachten of we bij uitwedstrijden twee spelers met een auto konden opstellen.

Op een dag moesten we met ons team tegen Winterswijk schaken. Winterswijk uit, altijd lastig. We hadden in ons team één student met een klein oud autootje waarin vier man pasten. Hij schaakte beroerd maar werd vanwege zijn auto altijd opgesteld. De overige spelers zaten bij een professor die bereid was gevonden om mee te doen in de auto (een team betond uit tien man). Voorin zaten de professor en een student; achterin op elkaar gepropt de andere vier studenten; de auto helde zwaar achterover en de autolampen verblindden elke tegenligger – we speelden ’s avonds. “Ja, ja, ik weet het” mopperde de professor de hele tijd als een tegenligger weer eens met zijn lampen knipperde om aan te geven dat hij verblind werd.

Bij aankomst in Winterswijk bleek dat we in een zaaltje van het plaatselijke dorpscafé moesten schaken. Er stond een lange tafel, waarachter wij zaten. Winterswijk zette ons letterlijk met de rug tegen de muur. Gelukkig hoefden we ons daar niet telkens achter vandaan te frummelen om bij de bar iets te bestellen. Regelmatig kwam het barmeisje namelijk langs om de bestellingen op te nemen. Het eerste rondje was koffie op kosten van de thuisvereniging, de overige consumpties waren voor eigen rekening.

Het barmeisje combineerde een knap uiterlijk met een diep decolleté. Als ze de drankjes kwam brengen, moest ze over de tafel bukken om ze aan te reiken. Dat leidde behoorlijk af. We verloren dan ook kansloos met 8-2. Op de terugweg – de autolampen beschenen weer de toppen van de bomen – werd vooral het barmeisje besproken. We verdachten Winterswijk er van dat zij hun geheime wapen was.

000 mata hari

Dit is Mata Hari die deze week in het nieuws was omdat het deze week 100 jaar geleden was dat ze geëxecuteerd werd. Ik wil niet zeggen dat het barmeisje van Winterswijk er ook zo gekleed bij liep maar veel scheelde het niet.

De nederlaag tegen Winterwijk was niet de enige nederlaag dat seizoen. Aan het einde van de competitie stonden we er zo slecht voor dat we dreigden te degraderen. De laatste wedstrijd was de uitwedstrijd tegen Almelo 3. We moesten winnen om niet te verliezen. Nu had onze vereniging een geheim wapen in de persoon van Lodewijk Prins. Hij was in die tijd docent aan de TH Twente. Lodewijk Prins was een schaakgrootmeester. Hij had in 1948 het Hoogovens-toernooi gewonnen en was in 1965 nog Nederlands kampioen geworden. Hoewel Jan Hein Donner met wie hij voortdurend overhoop lag bij die gelegenheid zei dat Prins geen paard van een loper kon onderscheiden, kon hij – Prins was inmiddels gestopt met schaken – halverwege de jaren zeventig nog steeds zeer goed schaken. Hij was lid van onze vereniging maar speelde niet mee in de interne of externe competitie. Wel verzorgde hij één of twee keer per jaar een trainingsavond.

000 Lodewijk Prins1965; Lodewijk Prins; zittende rechts achter de zwarte stukken is zojuist Nederlands kampioen schaken geworden. Foto Jac de Nijs; Anefo; Nationaal Archief.

Iemand van ons team trok de stoute schoenen aan en belde Lodewijk Prins op. Hij legde uit dat we op het punt van degraderen stonden en of hij heel, heel misschien bereid was om met Drienerlo 2 mee te schaken tegen Almelo 3. Tot onze grote verrassing zei hij ja. Op de avond van de wedstrijd zaten we met grote spanning in de zaal van Almelo op zijn komst te wachten. Lodewijk Prins zou op eigen gelegenheid komen. Om vijf voor acht ging de deur van de zaal van Almelo open en daar stapte hij binnen.

Het gebruikelijke geroezemoes in de zaal vlak voordat de partijen begonnen verstomde onmiddellijk. Verbaasd en ontzet keken de spelers van Almelo 3 naar Lodewijk Prins. Deed hij mee? Vol vertrouwen zetten wij ons achter het bord. Het eerste puntje was binnen. Dat viel tegen. Lodewijk Prins speelde remise. Maar de andere spelers van Almelo 3 waren zo afgeleid – ze gingen de hele tijd bij het bord van Prins kijken – dat we met 5,5 – 4,5 wonnen, waardoor niet wij maar Almelo 3 degradeerde. Lodewijk Prins was ons barmeisje.

 

Epke Zonderhand

Afgelopen weekend waren de wereldkampioenschappen turnen. Bij de rekstok voor mannen was Epke Zonderland favoriet. Bij zijn tweede vluchtelement greep hij echter met zijn linkerhand mis. Wonderbaarlijk genoeg hield hij met zijn andere hand de rekstok nog wel vast en voltooide zo de draai, waarna hij zijn oefening vervolgde. Hij zou er een zilveren medaille mee verdienen. Zie hier:

Epke Zonderhand

Toen ik dit filmpje zag, schoot mij een leuke woordspeling te binnen: Epke Zonderhand. Zou ik mooi even over kunnen twitteren. Voor de zekerheid controleerde ik even op internet of niemand anders dat ook al had bedacht. Wat bleek, #zonderhand  bleek al een veel gebruikte hashtag op Twitter te zijn met tientallen tweets er onder. Tot zover mijn originele vondst. Maar niet over getwitterd dus (maar wel een blog over geschreven!)

Moderne drop

In Albert Heijn zagen Marianne en ik dit zakje drop liggen.

pinpas

Pinpassen-drop! Tja, het zijn moderne tijden. In mijn jeugd vond je muntdrop al heel bijzonder.

Toen ik nog jong was, had je niet zoveel verschillende soorten drop. Je had het gewone rolletje zoute drop – o wee als je je rolletje in de gracht liet vallen.

drop 195624 augustus 1956; Reclame voor Venco zoute drop in de Keizersgracht in Amsterdam; foto Harry Pot; Anefo; Nationaal Archief.

En verder had je onder andere muntdrop, Engelse drop, dropveters –  in de film The Gold Rush at Charlie Chaplin zijn schoenveters op; gelukkig voor hem waren het geen echte veters maar dropveters –  salmiakdrop en laurierdrop.

Van die laatste soort kon je goed dropwater maken. Je stopte water en laurierdrop samen  in een klein flesje. Vervolgens moest je flink schudden. Daarna zette je het flesje een dag weg in een donkere kast. Ik kan overigens geen enkele reden bedenken waarom dat in een donkere kast moest. Als je het er daarna weer uithaalde en de fles nog even flink schudde, dan loste de drop op en had je een soort kleverige vloeistof: het dropwater. Het smaakte een beetje naar hoestsiroop (wat ik overigens altijd lekker vind smaken). Ach, wie maakt er tegenwoordig nog dropwater.

Vandaag de dag schijnen Nederlanders bij elkaar volgens dropfabrikant Klene zo’n 34 miljoen kilo drop per jaar te eten, of te wel gemiddeld zo’n 2 kg drop per persoon. Driekwart van de Nederlanders eet wel eens drop. Bij elkaar volgens Klene zo’n 8 miljard dropjes!

Drop is al een eeuwenoude lekkernij. Toen in 1922 de graftombe van de jonge farao Toet-Ankh-Amon werd gevonden – hij regeerde van 1333 tot 1323 voor Christus – werden in zijn graftombe ook grote hoeveelheden zoethoutwortel aangetroffen, zijnde het hoofdingrediënt van drop. Blijkbaar vond de oude Egyptenaren ‘drop’ zo lekker dat het ook in het hiernamaals aanwezig moest zijn.

Voor wie zich afvraagt, waar haalt hij deze laatste wijsheid nu weer vandaan, nou van deze site dus. Het is een blog van een zekere ANZJ. Tussen 2008 en 2016 heeft hij of zij meer dan 750 blogposts geschreven over drop. Of zoals het op de site staat: ‘Dit is mijn dappere poging om de veelheid aan (NL) drop in kaart te brengen. Met veel achtergrond- informatie en een kritische test van élk geblogd dropje.” Als ex-voorzitter van de VIENO (de Vereniging voor Interessante Edoch Nutteloze Onderzoeken) kan ik een dergelijke site uiteraard waarderen.

Ik heb even wat van die blogs bekeken – jammer dat op de site geen drop-down menu staat; sorry die woordspeling kon ik niet laten – maar er staan een hoop leuke dingen op de site. Wat dacht u bijvoorbeeld van het volgende krantenbericht uit 1997 over de ‘de gestrande verstappertjes’, die dropfabrikant Van Slooten dat jaar uitgaf naar aanleiding van het herhaaldelijk utvallen van Jos Verstappen, de vader van Max. Jos Verstappen kon die dropjes niet zo waarderen.

verstappen drop

Gezien het feit dat Max Verstappen dit seizoen tijdens de helft van de races is uitgevallen, kan die drop zo weer op de markt worden gebracht.

 

Eendagsvliegen

Ik las op NU.nl een interview met de oud-wielrenner Eric Breukink. De kop van het artikel luidde: ‘Breukink vindt Giro-winnaar Dumoulin absoluut geen eendagsvlieg’. Zo, zo, dat is best een gewaagde uitspraak. Nu heeft Dumoulin weliswaar al etappes gewonnen in alle drie de grote rondes (Italië, Frankrijk en Spanje), een zilveren medaille gehaald bij het tijdrijden op de Olympische Spelen en nu dus de ronde van Italië gewonnen – er zijn dus aanwijzingen dat hij misschien geen eendagsvlieg zal zijn –  maar toch, het blijft afwachten. Die Breukink durft!

Topsporters zijn vaak bang dat ze worden aangezien voor eendagsvliegen. ‘Handbalster Polman: ‘Bewijzen dat we geen eendagsvlieg zijn’.; ‘De twijfel is weg, hij is geen eendagsvlieg meer, jubelde de manager van Christijan Albers dinsdagochtend.”; ‘Martin van den Brink dolblij na magistrale zege in achtste etappe. We laten zien geen eendagsvlieg te zijn”; ‘Finnbogason: ik ben geen eendagsvlieg’.” om maar eens enkele krantenkoppen te citeren. Blijkbaar is er een grote angst om als eendagsvlieg betiteld te worden.

Nu zijn er twee soorten eendagsvliegen: het beestje en de mens/ploeg/groep die een kortstondig succes kent. Voor wat betreft het beestje: de naam geeft een onjuist beeld. Bij een eendagsvlieg denken mensen namelijk vaak dat het om een vlieg gaat die maar één dag leeft en als de klok bij het ingaan van de zomertijd een uurtje wordt vooruitgezet zelfs maar 23 uur. Dat beeld klopt niet. Neem deze eendagsvlieg, die is zelfs al 108 miljoen jaar oud!

000000 vliegFoto Dr. Günter Bechly; Wikipedis

Ok, het is een fossiel maar in het echt leven de beestjes ook veel langer dan één dag, meestal wel een jaar of langer. Alleen niet in hun gedaante als vlieg. Haften, zoals eendagsvliegen, in het Nederlands ook wel heten, leven namelijk eerst ongeveer een jaar of langer als een nymf in het water. Na ongeveer een jaar krijgen ze de behoefte om zich voor te planten, stijgen dan naar de oppervlakte van het water en vervellen daar tot ‘vliegen’.

Deze ‘volwassen-fase’ van hun leven duurt maar kort, hooguit enkele dagen – vandaar de naam eendagsvlieg – en is bedoeld om te paren. Vaak vliegen de beestjes dan in grote zwermen boven water. Dat zijn dan haast allemaal mannetjes, waarop de vrouwtjes de zwerm invliegen en zich door de snelste eendagsvlieg laten bevruchten. Het mannetje gaat daarna de pijp uit en het vrouwtje, nadat het haar eieren heeft gelegd, ook.

Voor wat betreft de mens als eendagsvlieg, daarmee wordt meestal iemand (of een groep van  mensen) bedoeld die maar één keer ergens succes in heeft gehaald. Behalve in de sport is het ook een vaak gebruikte term in de muziekwereld. Een artiest of groep die slechts één hit heeft gehad in de hitparade wordt vaak betiteld als een eendagsvlieg. Een one-hit-wonder heet dat op zijn Engels. Daar zijn vele voorbeelden van: Peter Sarstedt – Where do you go to my lovely; Lynsey de Paul – Sugar me; Los Bravos- Black is black; Billy Swan- I can help; Carl Douglas -Kung Fu fighting; Keith West – Excerpt from a teenage opera; DC Lewis – Mijn gebed; Nena – 99 Luftballons; Los Del Rio – La Macarena en Lou Bega – Mambo No.5 om er maar eens een paar te noemen.

Als koning van de one-hit-wonders geldt de Engelsman Tony Burrows. Die had er liefst vijf en als je ruim rekent zelfs zes! Ok, dit klinkt mischien een beetje vreemd en vraagt om enige toelichting. Het zit zo. In 1967 maakte Tony Burrows deel uit van de The Flowerpot Men. Zij hadden dat jaar veel succes met ‘Let’s go to San Francisco’.

Het zou echter de enige hit van de groep blijven. The Flowerpot Men gelden daarmee als een typisch voorbeeld van een one-hit-wonder. Tony Burrows ging na de The Flowerpot Men aan het werk als studiomuzikant. Hij zong vaak de leadpartij in op plaatopnames die door de platenmaatschappij in een hoog tempo werden uitgebracht. Wanneer één van die nummers onverhoopt een hit werd, werd er meestal halsoverkop een groep bij elkaar gezocht die dan in programma’s als ‘Top of the Pops’ het nummer te gehore bracht. In het kader daarvan gebeurde er begin 1970 iets opmerkelijks. Liefst vier nummers waarop Tony Burrows de leadpartij had ingezongen werden een hit.

De eerste was Edison Lighthouse – Love Grows (Where My Rosemary Goes)

Gevolgd door White Plains met ‘My Baby Loves Lovin’.

Deze twee liedjes stonden tegelijkertijd in de hitparade en waren daardoor dan ook in dezelfde aflevering van Top of the Pops te zien. Tony Burrows zong bij beide groepen mee. Tussen de opnames door verkleedde hij zich snel. Door andere kleren aan te doen, hoopte de maatschappij dat het niet zo zou opvallen dat hij in allebei de groepen zong. En voor de zekerheid playbackte bij het optreden van de White Plains iemand anders de leadzang, terwijl Tony Burrows (links) in het achtergrondkoortje staat te zingen.

Maar het zou niet bij deze twee hits blijven. Ook zong hij dat voorjaar mee met de Brotherhood of Man bij hun eerste hit ‘United we stand’ en met de Pipkins-hit ‘Gimme dat ding’.

Er gaan verhalen de ronde dat hij met liefst drie liedjes tegelijkertijd in Top of the Pops optrad, maar dat is niet waar. Wel trad hij in totaal vier keer met twee groepen tegelijkertijd op.

In 1974 had Tony Burrows nog een keer succes als studiomuzikant. Deze keer zong hij de hit ‘Beach Baby’ van First Class in.

In Top of the Pops zong Tony Burrows het nummer echter niet. Daar werd het geplaybackt door de zanger die met de groep door het land toerde.

The Flowerpot Men, Edison Lighthouse, White Plains, The Pipkins en First Class hadden alle vijf maar één hit en gelden dan ook als one-hit-wonders. Daarmee kunnen we Tony Burrows bestempelen als een vijfvoudige one-hit-wonder.

(Hoewel Burrows alleen maar mee zong in de eerste hit van de Brotherwood of Man beschouwen we deze groep, streng als we nu eenmaal zijn, niet als een one-hit-wonder. In 1976 wonnen ze bijvoorbeeld in een geheel andere samenstelling het Eurovisie-songfestival met ‘Save your kisses for me’. Maar met een beetje goede wil kan je zelfs ook zeggen dat Tony Burrows – omdat hij alleen maar tijdens hun eerste hit meezong – een zesvoudige one-hit-wonder is.)

Kortom, Tony Burrows is de koning van de one-hit-wonders.

Voor wat betreft mijzelf: ik heb nog nooit een sportwedstrijd gewonnen en ondanks mijn zangkwaliteiten – de meningen verschillen hierover; zelf vind ik het briljant; de rest van de wereld vindt het niet om aan te horen – heb ik nog nooit een hit gehad. Dus ik kan met recht zeggen dat ik in elk geval geen eendagsvlieg ben! Continue reading Eendagsvliegen

Hard Gras Forza Italia

Er is een nieuwe ‘Hard Gras’- bundel verschenen met als titel ‘Forza Italia’.

00000 forza italia

Ik citeer even de achterflap:

Als ze één kans krijgen, maken ze er twee.’ Johan Cruijff wist wel hoe goed de Italianen zijn en hoe moeilijk het van ze winnen is. Ze hebben het verdedigen zo ongeveer uitgevonden en tot een kunst verheven. Maar ze hebben ook ouderwets trefzekere spitsen: sluipmoordenaars die altijd precies op de juiste plek opduiken.
En dan dat land, en het eten. Door de jaren heen zijn er de nodige verhalen in Hard gras verschenen met la bella Italia als decor. Over Faas Wilkes bij Internazionale en Torino, Ruud Krol bij Napoli, Bergkamp en Sneijder bij Inter. En natuurlijk over het driemanschap Gullit, Van Basten en Rijkaard dat Milanello opfriste. Deze fraaie bundeling combineert passie voor voetbal met liefde voor het geschreven woord.’

Eén van de verhalen in deze bundel is van mij. Het betreft het verhaal ‘Voetballen in het Vaticaan.’ Het verscheen eerder in Hard Gras nr. 112. Mijn verhaal is het allerlaatste verhaal uit de bundel. Nu zou ik natuurlijk kunnen zeggen dat dit is omdat omdat je altijd het beste voor het laatst bewaart, maar dat is niet waarom mijn verhaal het laatste verhaal  is. Ze staan gewoon simpel in de volgorde van het jaar dat ze in Hard Gras verschenen. Het eerste verhaal stamt uit ‘Hard Gras nr. 12’ dat in 1997 verscheen. Mijn verhaal uit 2017 was het meest recente verhaal  dat over het voetballen in Italië ging.

Er staan zeventien verhalen in de bundel. Tot de schrijvers behoren onder andere Simon Kuper, Hugo Borst en Eva Maria Staal.

Wij van WC-eend kunnen dit boek aanbevelen. Het kost 15 euro en het ligt in de betere boekhandel zoals dat zo mooi heet.

 

 

Achteruit roeien

Fietsende langs de Vliet richting Delft zag ik onlangs deze boot varen.

00000 roeien

Even dacht ik dat het een boot was uit de roeiklasse ‘vier zonder stuurman en vergeten roeier’, maar er was niet echt plaats voor een vierde roeier in de boot. Thuis heb ik even op internet gekeken en wat blijkt, je hebt speciale roeiboten voor drie personen (“… meestal een 2x+, waar de stuurplek omgebouwd kan worden tot roeiplek”). Nooit geweten, weer wat geleerd.

Nu ben ik niet zo van het roeien. Het staat me tegen dat je “verkeerd om” in de boot zit. Hardlopen, fietsen, autoracen en dammen doe je ook niet achterstevoren. Hoewel, dat is niet helemaal waar. Bij ‘Te land, ter zee en in de lucht’ had je het onderdeel achteruitrijden. De enige andere sport die ik kan bedenken waarbij je ook achteruit gaat, is zwemmen en dan alleen nog bij het onderdeel rugslag.  Voor degene die zegt, ik heb ook wel eens een skiër achteruit de helling zien af gaan, dat was ik. Dat kwam door mijn speciale ski-techniek.

Een nadeel van het achteruit roeien is dat je niet ziet waar je heen vaart. Je moet dan ook regelmatig achterom kijken om te zien of het nog goed gaat. Mijn schoonzus roeit af en toe in een 50plus-boot. Dat is niet een boot waar 50 of meer roeiers in zitten, maar een boot met, laat ik het maar zo zeggen, roeiers met wat meer ervaring. Vorig jaar deden ze mee aan een 200km tocht maar onderweg voeren ze tegen een brugpilaar of zoiets aan. En zij hadden nog wel een stuurman aan boord, kan je nagaan.

Waarom roeien roeiers eigenlijk achteruit? Kanoërs, die met peddels werken, varen immers bijvoorbeeld wel voorwaarts. Op de site van Goeie Vraag is vier jaar geleden de vraag ook gesteld. Het antwoord van ene ‘Cryofiel’ werd door de vragensteller als het beste antwoord gekozen. Ik ben even zo brutaal om zijn antwoord en de bijbehorende afbeelding hier te kopiëren.

00000 roeien 2

“Om in de richting te varen van pijl 1 (zie foto), moeten de bladen door het water bewegen in de richting van pijlen 2. (Dat geldt overigens zowel voor roeiers als voor kanovaarders.) In een roeiboot moet je, om het blad in de richting van pijl 2 te laten bewegen, de handle (dat is het deel van de riem dat de roeier in zijn hand heeft) in de richting van pijl 3 bewegen.

 Nu kun je dat op twee manieren doen. Je kunt gaan zitten zoals de roeiers op het plaatje. Dan moet je de handle dus naar je toe trekken. Je kunt ook aan de andere kant van de handle gaan zitten (als je de boot ombouwt). Als je dan in de richting van pijl 1 wilt varen, moet je de handle dus van je af duwen. De keuze is dus: ofwel de handle naar je toe trekken en dus “achteruit” varen, ofwel de handle van je af duwen en dan vooruit varen.

 Er is gekozen voor de eerste mogelijkheid. Dat is omdat dat het efficiëntste is. De bankjes waarop de roeiers zitten bewegen namelijk op wieltjes over slidings (“rails”). Als je nu kiest voor de trekkende beweging, kun je je beenspieren gebruiken. Je rijdt naar voren met de bladen *boven* het water. Als je vooraan bent zet je de bladen in het water. Dan strek je je benen. Daardoor beweeg jij, en dus je handles, in de richting van pijlen 3 – maar nu met beenkracht.

 De beenspieren zijn veel sterker dan de armspieren (probeer maar eens “armpjedrukken” te doen, maar dan met de arm van de ene persoon tegen het been van de andere persoon). Door dus “achteruit” te varen, kun je die enorm sterke beenspieren inzetten voor de voortbeweging van de boot. Als je vooruit zou willen varen, zou je die beenspieren niet kunnen gebruiken. Vandaar dus: “Volle kracht achteruit!”

Juist, daarom zitten roeiers dus ‘verkeerd om’ in de boot. Maar je zou zeggen dat er toch wel een techniek te verzinnen moet zijn om de riemen zodanig aan de boot te bevestigen dat je wel voorwaarts met behulp van je beenkracht kan roeien. Echter, zolang dat er nog niet is, is het dus roeien met de riemen die je hebt.

(Voor deze laatste zin krijg ik ongetwijfeld een berisping van de ‘bond tegen woordspelingen’.)

Per Willy Guttormsen

Vorig weekend liepen wij de NS-wandeling van Zutphen naar Olst. In Deventer kwamen wij langs de plek waar vroeger het IJsselstadion lag. Het stadion bestaat niet meer. Het is nu een braakliggend terrein. De ijsbaan ligt tegenwoordig aan de andere kant van de stad. Maar in 1968 lag de ijsbaan er nog zo bij.

00000 schaatsen 3Foto: Collectie Spaarnestad; Nationaal Archief; fotograaf onbekend

Nostalgisch keek ik naar de plek. Ooit zag ik hier als kleine jongen – wij woonden vroeger op een paar kilometer afstand van het stadion –  hoe de Noor Fred Anton Maier er tijdens een schaatsinterland tussen Nederland en Noorwegen (dat soort wedstrijden had je toen nog) een wereldrecord op de 5000 meter reed. Hij reed een tijd van 7.26,2. Dat was toen ongelooflijk snel. Het huidige wereldrecord van Sven Kramer staat overigens op 6.03,32.

Ik heb ook nog andere herinneringen aan die dag. Daarover schreef ik in 2005 in de Volkskrant – in die tijd schreef ik voor die krant de wekelijkse rubriek ‘Het Nutteloze Kennisparadijs’ – onder de titel ‘Per Willy Guttormsen’ de volgende column – de foto’s, afkomstig uit het Nationaal Archief, stonden er toen niet bij; die heb ik er nu bij gezocht.

‘Per Willy Guttormsen’

‘Aan het eind van de jaren zestig van de vorige eeuw was het schaatsen ongekend populair in Nederland. Het waren de tijden van Ard en Keessie, van Peter Nottet, Jan Bols en Eddy Verheijen. Toen op 6 en 7 januari 1968 in Deventer een schaatsinterland tussen Nederland en Noorwegen werd gehouden, trok deze wedstrijd duizenden toeschouwers. Na afloop verzamelde de jeugd, waaronder schrijver dezes en een vriendje, zich bij het stadion om handtekeningen te bemachtigen. Nadat wij de handtekening van Kees Verkerk hadden gekregen, sloten we achteraan aan bij de rij voor Ard Schenk. Het was een lange rij. Hij was populair.

Op een gegeven moment was Ard Schenk nog de enige schaatser die handtekeningen aan het uitdelen was. De overige schaatsers waren klaar en zaten al in de bus. Wij stonden geduldig te wachten, maar net toen wij aan de beurt waren, hield hij er opeens mee op en liep naar de bus. Niet dat dat enige haast had – de chauffeur van de bus was nog in geen velden of wegen te zien.

Verbijsterd keken wij, de enige twee jongetjes in Deventer zonder de handtekening van Ard Schenk,  hoe hij in de bus ging zitten. Een jongeman die voor hem in de bus zat en het tafereel had gezien, draaide zich naar hem om. Hij wees naar ons en zei iets. Ard Schenk schudde van nee, zei wat en ging nors naar buiten zitten kijken. Daarop stapte de jongeman uit de bus en liep naar ons toe. Vriendelijk vroeg hij: “He is tired. Do you want my autograph instead?” Hoewel we geen idee hadden wie hij was, knikten we bedeesd en zeiden: “Yes sir”. Hij zette met zorg zijn naam in onze schriftjes, aaide ons over de bol en ging weer in de bus zitten.  We keken naar het blaadje. Met zwierige letters stond er geschreven: ‘Per Willy Guttormsen’.

00000 schaatsen 27 januari 1968; Schaatsen Nederland tegen Noorwegen. Ard Schenk (links) in duel met Per Willy Guttormsen op de 500m. Fotograaf: Ron Kroon, Anefo; Nationaal Archief

Mijn vriendje kende de naam. “Da’s een Noorse stayer, die is heel goed op de tienduizend kilometer” zei hij. Vanaf die dag was Per Willy onze held.  Groot was dan ook ons verdriet toen hij een maandje later tijdens de Olympische Spelen van Grenoble op zowel de vijf als op de tien kilometer net buiten de medailles viel. Op beide afstanden werd hij vierde.

00000 schaatsen 4

15 februari 1968; Olympische Winterspelen te Grenoble. Per Willy Guttormsen (Noorwegen) in actie op de 5000 meter. Fotograaf: Ron Kroon, Anefo; Nationaal Archief

Toch zou Per Willy dat seizoen geschiedenis schrijven. Tijdens de recordraces in Inzell in maart 1968 verbeterde hij met vier seconden het oude wereldrecord van Fred Anton Maier op de tien kilometer. Zijn tijd van 15 minuten en 16,1 seconden zou een klein jaar blijven staan. Toen verpulverde Kees Verkerk met zijn befaamde 15.03,6 het record.

Over het record van Per Willy wist de inmiddels overleden radio-  en televisiepresentator Henk Terlingen altijd een fraai verhaal te vertellen.

00000 henk terlingenHenk Terlingen in 1973; Foto:  Hans Peters, Anefo; Nationaal Archief

Terlingen was door de televisie naar Inzell uitgezonden om verslag te doen van de wedstrijden. Hij had er niet veel zin in en vatte zijn taak niet al te serieus op. Op de avond voor de wedstrijd belandde hij in een plaatselijke bar en raakte daar in gesprek met een sympathieke Noor. Ze zakten samen door en toen de bar sloot, stond Terlingen niet al te vast meer op zijn benen. De volgende morgen versliep Terlingen zich grandioos en toen hij eindelijk met een kater in het stadion arriveerde, had Per Willy al zijn wereldrecord gereden. Bij de huldiging herkende Terlingen hem. Het was zijn drinkmaatje van de avond ervoor. Het zou het enige wereldrecord blijven dat Per Willy Guttormsen ooit reed.”

Sterk doen

Afgelopen zaterdag vond in Londen in een ‘zinderend’ en uitverkocht Wembleystadion (90.000 toeschouwers) een gevecht plaats om de wereldtitel boksen in het zwaargewicht tussen een Engelsman en een Oekraïner. In de vijfde ronde sloeg de Engelsman tot groot enthousiasme van het publiek de Oekraïner naar het canvas. De Oekraïner stond echter weer op en sloeg een ronde later, ondanks dat hij inmiddels hevig uit zijn wenkbrauw bloedde, op zijn beurt de Engelsman neer. Dat deed niet alleen de Engelsman zeer maar ook het publiek. Gelukkig voor de toeschouwers stond ook de Engelsman weer op en een paar ronden later sloeg hij de Oekraïner weer neer, waarop de scheidsrechter even later ingreep en de Engelsman tot de winnaar van dit boksgevecht uitriep. De Engelse toeschouwers bejubelden luidkeels hun favoriet. Tot zover mijn verslag van een bokswedstrijd, gebaseerd op het uitgebreide verslag in de Volkskrant van vandaag, waarin de verslaggever het overigens allemaal wat kleurrijker dan ik beschreef. “Met een verwoestende vuistslag met rechts sloeg ‘dr. Steelhammer’ Joshua neer. […] Hij bewees over een sterke kin te beschikken en overleefde.”

Ikzelf heb niks met boksen. Ik vind er helemaal niks aan. Als je nou met alle geweld – een ongelukkige woordkeuze in dit verband; excuses – iemand hersens wilt pijnigen, ga dan schaken zou ik zeggen. Dat vind ik wel een leuke sport, ok denksport. Ook met sporten als judo – altijd dat gesjouw aan die niet goed vast zittende kleding – en worstelen heb ik helemaal niets.

000 anton geesink

Sterk doen, Anton Geesink is de winnaar bij een partijtje vrij worstelen; foto Nationaal Archief

Nou is dat laatste – dat van het worstelen – niet helemaal waar. Vroeger toen de kinderen nog klein waren, wilden zij vaak een partijtje worstelen doen. “Sterk Doen” noemden ze het. Ik moest dan languit op bed liggen, waarop de oudste dochter – “de grote ploffer”, zo noemde zij zich zelf; de jongste dochter was “de kleine ploffer” –  dan bovenop mijn buik ging zitten dan wel liggen, terwijl de jongste dochter hetzelfde deed bij mijn benen. Door mijn armen en benen vervolgens stevig vast te pakken, probeerden ze te voorkomen dat ik kon opstaan – dat is lastig als je geen gebruik kan maken van je armen en benen.  Ik had gewonnen als ik ondanks het verzet van de kinderen was opgestaan en de deur van de kamer had bereikt. Meestal eindigde het spel er in dat ik, na het nodige “geworstel” om op te kunnen staan, met aan elk been een hangend kind de deur bereikte.

Soms als de oudste dochter mijn armen niet meer kon vast houden, riep ze haar jongere zusje te hulp – “Kleine ploffer help mij”, waarop deze mijn benen losliet – dat maakte het alleen maar makkelijker voor mij – en met de aanvalskreet “Hier komt de kleine ploffer!” zich ook bovenop mij stortte.

Maar goed, de grote en kleine ploffer groeiden op, gingen naar de basisschool en mijn worstelcarrière – categorie ‘Sterk Doen’  – beëindigde ik ongeslagen. Maar zoals de Chinese filosoof Lao-Tse zou zeggen: “Wie anderen overwint is sterk; wie zichzelf overwint is machtig.”

Ko Wet

Ik ben fan van Go Ahead Eagles (Ko Wet zoals wij echte fans zeggen). In mijn gezin is nog één echte Go Ahead fan. Dat is  de jongste dochter. Die heb ik ook met het Go Ahead-virus besmet. Toch nog iets gelukt in de opvoeding. De oudste dochter heeft niks met voetbal en Marianne staat er neutraal tegen over. Ze vindt het fijn voor mij als Go Ahead wint, maar ik hoor haar in  huis nooit luidkeels juichen als Go Ahead scoort. (Nu scoort Go Ahead niet zo vaak, dus ik kan dat gemist hebben.)

Vroeger bezocht ik alle thuiswedstrijden van Go Ahead en af en toe ook een uitwedstrijd. Tegenwoordig volg ik, nu ik in het westen van het land woon, de club vooral op afstand. Samen met de jongste dochter pikken we af en toe een wedstrijdje mee als Go Ahead hier in de buurt voetbalt, bijvoorbeeld uit tegen ADO of Excelsior, maar verder volgen mijn dochter en ik de club vooral wie het internet of via een liveverslag op Deventer Radio. Zo gauw er iets gebeurt brengen we elkaar via WhatsApp op de hoogte van de vorderingen.

Als er bijvoorbeeld een doelpunt valt, dan stuurt de één een berichtje naar de ander, waarop deze dan meestal een droevig gezichtje terugstuurt, want vaak betreft het een tegengoal. We staan dan ook helemaal onderaan in de eredivisie. We dreigen te degraderen. Dat wil niet zeggen dat we pessimistisch zijn. Pas als we vier punten uit de laatste wedstrijd moeten halen om niet te degraderen, geven we het op. (Voor de niet-voetbalkenners: je kan maar maximaal drie punten per wedstrijd halen.)

Dat optimistische is iets wat wel meer Go Ahead fans hebben. Neem bijvoorbeeld Özcan Akyol, een schrijver uit Deventer, die ook wel eens bij DWDD en Studio Voetbal zit, en die ook fan van Go Ahead is. Voor elke wedstrijd stuurt hij een tweet de wereld in waarin hij een reuze overwinning voor ons voorspelt. Zie bijvoorbeeld zijn tweet voor de wedstrijd van gisteren tegen Heracles.

00000 gae1

Die 8-0 nederlaag afgelopen woensdag tegen Feyenoord was een kleine tegenvaller. We hadden eigenlijk gehoopt op een kleine overwinning – bij een 7-0 achterstand met nog een kwartier te spelen, begonnen onze supporters in het uitvak nog te zingen “Alles of niets, alles of niets”. Helaas, het werd niets, 8-0 voor Feyenoord. Uiteraard was dit niet terecht. Zie deze tweets:

00000 gae2

Maar goed, gisteren stond de thuiswedstrijd tegen Heracles op het programma. Die wedstrijd gingen we ongetwijfeld winnen, waarschijnlijk zelfs met grote cijfers, en dan zou alles weer goed komen. Echter, binnen tien minuten had de scheidsrechter – volgens het fanatieke thuispubliek werkte zijn moeder als prostitué; althans dat zongen ze – de wedstrijd voor ons verknald.

00000 gae3

Eerst haalde iemand van Heracles de bal met de arm weg  maar gaf hij geen penalty, daarna kreeg iemand van ons de bal tegen zijn schouder geschoten maar gaf hij ten onrechte wel een penalty. Dat had andersom moeten zijn. De scheidsrechter gaf ook nog eens rode kaart aan onze speler, met als gevolg dat het publiek helemaal over de rooie ging en de scheidsrechter luidkeels begon toe te zingen over het beroep van zijn moeder.

Nou was dat zingen niet zo netjes –  het hoort niet –  maar een andere actie van de supporters kon ik wel waarderen. Ze gingen in de rust direct een spandoek maken.

00000 spandoek 1

00000 spandoek 2

Kijk dat is nog eens alert en geestig. Je staat als scheidsrechter toch even raar te kijken als je opeens zo’n spandoek in het publiek ziet. Maar goed, we verloren met een mannetje minder uiteindelijk met 1-4. Volgende week naar Willem II uit. Ik vermoed dat we  daar met 6-0 of zoiets gaan winnen.

 

 

Naar het voetballen

Gisteren speelde Go Ahead Eagles, mijn clubje – de echte fans hebben het over Ko Wet –  een uitwedstrijd tegen Excelsior uit Rotterdam. Dat is niet zo ver bij ons vandaan en mijn jongste dochter, die in Rotterdam studeert, had daarom twee kaartjes gekocht. Die van haar kostte met studentenkorting 17 euro. Die van mij 22 euro. Waar zijn de tijden gebleven dat ik voor vijftig cent op de jongensrang stond.

Ons voetbal was niet zo best. Vooral de eerste helft viel het niet mee. De eerste tien minuten speelden we redelijk, we scoorden zelfs en dat was het. Onze aanvallen bestonden er daarna uit dat onze keeper uit trapte. Normaal gesproken volgt er nu een tweede zin met het vervolg van ons aanvalsplan maar dat hadden we niet. We waren na de uittrap de bal steeds kwijt.

Op een gegeven moment zei mijn dochter dat onze linksback vaak vrij stond. Klopt, zijn tegenstander ook. Hoe we achterin aan het verdedigen waren, geen idee maar Excelsior had bij rust zomaar met 4-1 of zoiets voor kunnen staan. Dat het 1-1 stond was eigenlijk een wonder. Hoe hun rechtsbuiten bij voorbeeld al die kansen miste, dat kan hij alleen maar in zijn tijd dat hij voor ons speelde  – hij heeft een jaartje bij ons gebald – hebben geleerd

excelsior

Na rust speelde we een stuk beter. Er werd niet meer gescoord, waardoor we met één puntje naar huis gingen. Daar schieten we niet veel mee op. Het degradatiegevaar is nog steeds groot.

De oudste dochter en Marianne waren niet mee. Zij gingen liever naar een museum. De oudste dochter is in tegenstelling tot de jongste dochter absoluut niet in voetballen geïnteresseerd. Daar is iets gruwelijks mis gegaan in de opvoeding. Dat is mijn vader ook overkomen. Mijn oudste broer vond voetballen namelijk maar een stom spel. Gelukkig voor hem vonden mijn andere broer en ik voetballen wel leuk.

Met zijn drietjes gingen we ruim vijftig jaar geleden – we woonden toen in Apeldoorn – dan ook vaak naar AGOVV kijken. AGOVV stond voor Alleen Goed Oefenen Voert Verder. In die tijd hadden voetbalclubs nog educatief verantwoorde namen: ADO – Aanhouden Doet Overwinnen; DWS – Door Wilskracht Sterk; DOS – Door Oefening Sterk; EDO – Eendracht Doet Overwinnen. De langste afkorting is die van NAC. Dat staat voor Noad Advendo Combinatie. NAC is een fusie club van twee verenigingen NOAD en ADVENDO, waarvan beide namen op hun beurt ook weer afkortingen zijn. De volledige naam van NAC luidt daarom dan ook: Nooit Opgeven Altijd Doorzetten Aangenaam Door Vermaak En Nuttig Door Ontspanning Combinatie. Niet een echt lekkere naam om je club mee aan te moedigen.

Terug naar AGOVV. Deze is in 1913 opgericht door enkele leden van een Apeldoornse geheelonthouderszangvereniging  – mooi scrabblewoord ware het niet dat het te lang is  – die vonden dat er naast de zangvereniging ook een voetbalvereniging voor geheelonthouders moest zijn. Omdat ze lid waren van ‘de blauwe knoop’ speelde AGOVV in het blauw. De afkorting AGOVV stond bij de oprichting voor Apeldoornse Geheel Onthouders Voetbal Vereniging. In 1921 werd de afkorting echter officieel veranderd in ‘Alleen Goed Oefenen Voert Verder’ opdat ook niet-geheelonthouders lid konden worden.

In de tijd – de jaren zestig – dat mijn broertje en ik samen met mijn vader naar AGOVV gingen, speelde de club in de tweede divisie van het betaald voetbal. Aanvankelijk stonden mijn broertje en ik samen met mijn vader in een vak naast de hoofdtribune waar mijn vader altijd met zijn vrienden en kennissen stond.

agovvBekerwedstrijd AGOVV – Feyenoord; 0-5; september 1968. Rechts van de krakkemikkige hoofdtribune, is de plek – die waar al die mensen met een paraplu staan – waar mijn vader altijd stond. Een zitplaats op de tribune was te duur. Foto Nationaal Archief.

Later toen mijn broertje en ik wat ouder waren, mochten we van mijn vader met zijn tweetjes bij de fanatieke jeugdige supportjes van AGOVV staan. Die stonden altijd achter het doel van de keeper van de tegenstander en probeerden deze  – stel dat we bijvoorbeeld tegen Cambuur speelden –  met liedjes als:“Cambuur is pet, Cambuur is pet / Ze weten niet eens wat voetballen is. / Ze hebben een keeper / die kan geen sodemieter / de bal komt er aan / en de keeper laat hem gaan” uit zijn concentratie te halen. Het werkte meestal niet. Na rust verhuisde de hele tribune naar de overkant om daar weer achter het vijandelijke doel te gaan staan, opdat we onze doelpunten goed konden zien – meestal vielen de doelpunten echter aan de overkant.

In de jaren zestig was er nog geen internet. Als het vanwege de weersomstandigheden onduidelijk was of het voetballen door ging, dan werd ik door mijn vader naar de bushalte gestuurd. Als het doorging dan reden de stadsbussen namelijk met twee blauwe vlaggetjes er op. Even later kwam ik dan juichend thuis: “Blauwe vlaggetjes, het gaat door” jubelde ik dan, waarna mijn vader zijn hoed pakte – in die tijd hadden alle mannen op de tribune nog een hoed op; ook hing er altijd een enorme sigarenlucht op de tribune – en liepen we via de Jachtlaan naar het stadion van AGOVV dat naast het park van Berg en Bos lag.

Op een gegeven moment – we waren toen al wat ouder – hadden mijn broer en ik ontdekt dat je heel gemakkelijk onder het hek van het park Berg en Bos kon kruipen. Vervolgens liep je dan door dat park en kwam je achter de hoofdtribune van AGOVV uit. Daar kon je vervolgens ook weer onder een hek kruipen en dan was je gratis in het stadion. Met de twee kwartjes die we van onze vader hadden gekregen om een toegangskaartje te kopen, kochten we dan een flesje prik. Volgens mij wist mijn vader op een gegeven moment wel dat we zo het stadion in kwamen, want als wij vlak voor het stadion tegen hem zeiden dat we nog even wat rond gingen lopen en we hem wel in het stadion zouden zien, vroeg hij haast nooit waar we heen gingen, een soort stilzwijgend verbond.

berg en bos 21972: Prins Claus plant de miljoenste boom in park Berg en Bos.; Foto Rob Mierenmet; Nationaal Archief.

Meestal dronken mijn broer en ik twee flesjes prik tijdens de wedstrijd. Eentje voor rust betaald met het geld wat bestemd was voor ons toegangskaartje, en eentje na rust betaald met het statiegeld van lege bierflesjes die we tijdens de wedstrijd her en der op de tribune verzamelden en die we dan bij het kraampje in het stadion inleverden – de tijd dat er alleen maar geheelonthouders bij AGOVV kwamen, lag al ver in het verleden.

Tegenwoordig wordt er geen bier meer in flesjes bij voetbalwedstrijden verkocht. De jongste dochter moest bij de ingang van het Excelsior-stadion zelfs een lege waterdrinkbeker afgeven – na afloop kon ze deze weer ophalen.

AGOVV ging in 2013 failliet. Ze hebben een soort doorstart gemaakt en spelen nu ergens op een laag niveau in het amateurvoetbal.