Mijn carrière als tekstschrijver (2)

Nog even terugkomend op mijn songteksten die ik bijna veertig jaar geleden naar The Jam stuurde (zie de vorige blogpost). Helaas voor het toekomstige Grote Martin Museum (‘het GMM’) zijn deze teksten verloren gegaan.

Ik weet nog wel dat ik drie teksten had opgestuurd maar de originele songteksten heb ik niet meer. Ik heb zelfs geen flauw idee meer waarover de eerste tekst ging. De tweede, ‘a Future’, ging over – hé dat is verrassend – de toekomst, maar ik heb geen idee meer hoe de tekst luidde. Ik weet nog wel dat er een spaceshuttle in voor kwam. Ik geloof dat de eerste spaceshuttle in die tijd nog de lucht in moest gaan. De laatste spaceshuttle vloog in 2011, dus de tekst zal ongetwijfeld hopeloos verouderd zijn. “Al is de toekomst nog zo snel, de tijd achterhaalt haar wel”.

Van mijn derde songtekst, ‘Zanzibar’ genaamd, heb ik nog wel een kopie, niet echter van het origineel, maar wel van de door Piano Francis gewijzigde versie. “Piano Francis? Wie is dat nou weer?” zult u misschien zeggen. Piano Francis was iemand uit Blackpool, Engeland, die ik leerde kennen dankzij een Engels blad voor musici, tekstschrijvers en componisten. Nadat Paul Weller had gezegd dat ik vooral door moest gaan, had ik voor twintig pond een eenjarig abonnement op het blad afgesloten. Het bevatte niet alleen tips – “Zorg dat je het copyright niet kwijt raakt!”; A ha, goede tip –  maar ook een rubriek waarin componisten en tekstschrijvers met elkaar in contact konden komen.

Een zekere Piano Francis uit Blackpool zocht songteksten. Ik stuurde mijn teksten op en na een tijdje kreeg ik een brief terug. Piano Francis, het bleek een vrouw te zijn die muziek componeerde, was wel geïnteresseerd om Zanzibar van muziek te voorzien. Ik zei dat ze het mocht proberen en weer even later plofte er een enveloppe met een cassettebandje in mijn brievenbus. Het was Zanzibar maar nu op muziek.

Ik zette het bandje op en ik hoorde een vrouw met zangkwaliteiten die de mijne niet ver overtroffen de avonturen van een ‘A unknown  stranger in Zanzibar’ zingen. De coupletten van mijn oorspronkelijke tekst hadden elk vijf regels. Omdat het haar muzikaal beter uitkwam, zo schreef ze, had ze echter uit elk couplet één regel weggelaten. Zie hier de door haar aangepaste tekst.

0000000 0 zanzibar 2

Het was de tijd dat de eerste videoclips verschenen. Bij het schrijven van Zanzibar had ik mij een soort mini-speelfilm gevisualiseerd over een soort Indiana Jones-achtige figuur, die spannende avonturen beleefde op Zanzibar, daar een romantische nacht doorbracht met een vrouw die heilig bleek te zijn – wat de vreemdeling niet wist-   waarna allerlei woestelingen met zwaarden hen door paleizen, over daken en door straten achtervolgden. “Oh sharp are the swords in Zanzibar, oh sharp is the word in Zanzibar” (Dat laatste betekende dat je moest opschieten, dat had ik in een woordenboek gelezen.)

Of de tekst door de inkrimping van Piano Francis beter of slechter was geworden, weet ik niet, maar die wijzigingen vond ik niet zo erg. Wat ik wel wat minder vond, was dat ik haar muzikale compositie eigenlijk niet zo mooi vond. Piano Francis stelde voor om er een professionele demo van te laten maken met een echte zangeres – dat laatste leek me wel een goed idee. Maar zoiets kostte geloof ik 100 pond en daar had ik, arme student, geen zin in. Ik stelde voor dat als zij er vertrouwen in had, zij op haar eigen kosten een demo mocht laten maken van Zanzibar en als er ooit geld mee zou worden verdiend, dan zou de eerste 100 pond uiteraard voor haar zijn. Zoveel vertrouwen in haar compositie had zij blijkbaar ook niet, en het project stierf een stille dood.

Een aantal jaren later – ik was al twee keer verhuisd –  kreeg ik opeens een doorgestuurde brief van Piano Francis. Ze wou alsnog een demo op haar kosten laten maken, of dat mocht? Ik zei dat ik het goed vond en wenste haar veel succes. Ze moest maar een keer laten weten of het wat was geworden. Enfin, nooit meer iets van gehoord. Maar wie weet, misschien is Zanzibar toch nog ergens een wereldhit geworden. Wellicht in Zanzibar?

Mijn carrière als tekstschrijver

Ongeveer 40 jaar geleden leek het mij wel een goed idee om me eens in de wereld van de popmuziek te begeven, oftewel in de wereld van seks, drugs en rock ’n roll. Nu was en ben ik nooit geïnteresseerd geweest in drugs, en rock ’n roll is niet echt mijn muziek, maar die seks, dat leek me wel wat. Ik had toen nog het rare idee dat je als popmuzikant meer aantrekkingskracht had op het andere geslacht dan als wiskunde-student. Kortom, om iets met popmuziek te gaan doen, dat leek me wel een goed plan.

Nu was er wel een probleem. Ik ben geen geboren muzikant – understatement –  en kan niet echt zuiver zingen – en heel groot understatement. Wie mij nog nooit heeft horen zingen, wees blij. Een carrière als zanger zou het beslist niet worden.

Maar niet getreurd, ik zag een andere mogelijkheid. Ik was namelijk goed in sinterklaasgedichten schrijven, dus songteksten schrijven moest ik wel kunnen. Ik zag het al helemaal voor me: een aantrekkelijk meisje dat in een discotheek enthousiast op een nummer staat te dansen en dat ik dan vervolgens achteloos zeg: “Van dat nummer heb ik de tekst geschreven, ik ken die gasten heel goed”.

Het eerste probleem was natuurlijk: voor wie moest ik die songteksten schrijven? Ik woonde in die tijd in Enschede. Dat was niet echt een popstad. Eind jaren zestig had je er de Buffoons en in 1975 had Teach-in met Ding-a-dong het Eurovisiesongfestival gewonnen, maar dat was het wel, eind jaren zeventig was er niet één Enschedese band die iets voorstelde. Bovendien wou ik gaan voor internationaal succes. Ik kocht daarom een Engels muziekblad en keek wie er de hitlijsten aanvoerde.

Het was een bandje genaamd The Jam. Een beetje punkachtig trio dat vooral in Engeland waanzinnig populair was. Ze stonden met meerdere platen tegelijkertijd in de Engelse charts en hun single ‘Going Underground’ kwam zelfs op nummer 1 binnen in de Engelse hitlijsten.

0000000 0 jam(Door op de afbeelding te klikken kom je bij het nummer op YouTube terecht.)

Het was niet echt mijn muziekstijl – voorzichtig geformuleerd – maar ze zongen veel maatschappelijk kritische teksten en daar kon ik mij wel in vinden. Bovendien was het een populaire groep en zoiets zocht ik. (In Nederland hebben ze nog een hitje gehad met een Town Called Mallice.) De vraag of ze wel op mijn songteksten zaten te wachten, leek mij een detail van ondergeschikt belang.

Ik schreef een aantal teksten, die ik u hier wijselijk zal besparen. Eentje ging over een energiecrisis die er volgens mij aan zat te komen –  ik was mijn tijd toen al ver voor uit –  met spaceshuttles die spacebadminton speelden. U merkt het, mijn teksten waren beslist niet van het niveau “Ze houdt van je, ja, ja, ja.”. In het blad stond het adres van hun platenmaatschappij en ik stuurde in mijn beste Engels een brief met mijn songteksten.

Nu verwachtte ik heel eerlijk gezegd geen antwoord terug, maar tot mijn verrassing kreeg ik een week later een brief van Paul Weller, de voorman van The Jam (links op bovenstaande afbeelding). Dat was heel aardig van hem. Hij vond mijn teksten goed – was hij onder de drugs? – maar hij schreef altijd zijn eigen teksten. Kon ik ze niet aan Nederlandse groep geven? En ik moest niet opgeven.

brief paul weller

Enfin, om een lang verhaal kort te maken, dat is allemaal niks geworden. Zelfs Nico Haak wou ze niet. Wel was het plan goed. Ik correspondeerde in die tijd met twee Engelse en Ierse meisjes en toen ik hen een kopietje van de brief van Paul Weller mee stuurde – in Engeland is hij een muzikale grootheid die  onder andere meezong op de originele Do They Know it’s Christmas? ‘ van Band Aid uit 1984 – kreeg ik allemaal bewonderende brieven terug. Dat iemand als Paul Weller mijn teksten goed vond. Ik moest wel heel goed zijn. Ja, ja, ook knap, aardig, lief, geestig en bescheiden.

Veertig jaar later treedt Paul Weller nog steeds op. Hij is twee keer getrouwd geweest en heeft in totaal acht kinderen bij vier verschillende vrouwen. Popmuzikant dus. Ik heb twee kinderen bij één vrouw en heb bij de PTT gewerkt.

Verzin het onderschrift

Quizvraagje: welk onderschrift hoort bij deze foto?

00000 flessen

  1. Reünie afgetreden VVD-bewindslieden trekt ook dit jaar weer veel deelnemers.
  2. Oprichtingsvergadering van de afdeling Wassenaar van de AA druk bezocht.
  3. “Het was een feest”, aldus minister-president Mark Rutte over afscheid Halbe Zijlstra van de ministerraad.
  4. Basisschool Johannes Vermeer in Delft wil weer schoolmelk voor overblijvers.
  5. Glascontainer bij de AH in Leidschendam kan het aanbod niet aan.

 

Roekoe en Koerier

Zo’n twee weken geleden zaten er opeens twee uilen in onze boom. Ze zaten er de hele dag om pas in de avondschemering weg te vliegen. De volgende dag zaten ze er weer. De dag erna zat echter nog maar eentje, de andere was nergens te zien.

De oudste dochter die die dag toevallig op bezoek was, vond dat de uil die er nog zat een naam moest hebben en na lang nadenken kwam ze tot Roekoe. “Dat is het geluid dat een duif maakt” sputterde ik tegen. (Voor het geval dat u zich nu afvraagt hoe oud is die oudste dochter, die is dus al 25 jaar. ) Maar goed, dat deed er niet toe, het werd Roekoe.

Blijkbaar vond Roekoe die naam niks, want de rest van de week kwam hij (of is het een zij; hoe zie je dat bij uilen?) niet meer opdagen. En ook de week er op niet. Maar vier dagen geleden zat hij er opeens weer. En deze keer wederom in gezelschap van zijn maatje.

00000 0 uilen 1

00000 0 uilen 2Te flauw voor woorden, maar deze zit inderdaad een uiltje te knappen.

Nummer twee moest nu natuurlijk ook een naam krijgen. Ik dacht er over na en stuurde toen vol trots zijn naam via What’sApp naar de familie: ‘Koerier’.  Ok, dat was niet de naam die ik oorspronkelijk had bedacht. Ik had ‘Koeroe’  bedacht. Roekoe en Koeroe.  Maar toen ik Koeroe intypte, maakte de autocorrectie er ‘Koerier’ van en voordat ik dat door had, had ik al op de verzendknop gedrukt. Roekoe en Koerier heten dus nu de twee uilen die overdag onze boom gebruiken om uit te rusten van hun nachtelijke avonturen.

De dag erna zaten Roekoe en Koerier wederom in de  boom en ik begon ze al een beetje als vaste huisgenoten te zien. Omgekeerd was dat echter nog niet het geval, want toen ik eergisteren in de ochtendschemering naar de garage liep om aldaar het brood uit de vriezer te halen, kwam Roekoe (of was het Koerier?) net toevallig aanvliegen, waarschijnlijk op weg naar zijn plekje in de boom. Hij zag mij lopen, schrok en vloog toen met een grote bocht weg.

Sindsdien is het geen uiltje aan de lucht hier.

 

Onderzoeksbureau Martin: de zaak Heineken 1889

Heineken herhaalt de laatste weken een reclame, die ze een jaar geleden voor het eerst uitzonden. Dat ze het herhalen is terecht want het is een leuke reclame. Bovendien geldt: herhaling is de kracht van reclame. (En het was ook nog eens een dure reclame om te maken.)

In de reclamespot loopt Eiffel, die van de gelijknamige toren, met een aantrekkelijk dame over de wereldtentoonstelling van Parijs van 1889. De commercial begint met de mededeling dat het gebaseerd is op een waargebeurd verhaal.

00000 0 heineken 0Op tv wordt een korte versie van de reclame uitgezonden. Op YouTube staat een langere versie waarop ook een Oostenrijks orkestje – “zero points”- en Edison met zijn lampen te zien zijn. Door op bovenstaand afbeelding te klikken kom je op YouTube bij dit filmpje.

Eiffel bekijkt in het filmpje de inzendingen van de andere landen. Bij Nederland aangekomen ziet hij alleen een deurtafel “a door table?” en loopt dan lachend weg. Achter zijn rug komt dan ‘meneer Heineken’ die zijn bier op de tafel zet. Het trekt een enthousiaste menigte en even later verschijnt er de mededeling in beeld: “In 1889 won Heineken de Grand Prix op de wereldtentoonstelling”.

00000 0 heineken 7

Aangezien de reclame volgens Heineken gebaseerd is op een waargebeurd verhaal, gaan we dit dus even controleren. Allereerst de wereldtentoonstelling, dat klopt, die werd in 1889 in Parijs gehouden. De net gebouwde Eiffeltoren fungeerde als entree voor het tijdelijk tentoonstellingsterrein. De gebouwen van de tentoonstelling zijn later allemaal afgebroken.

00000 0 heineken 00

Dan die ‘Grand Prix’. Ook dat klopt ook. Die werd in 1889 inderdaad toegekend. Zie bijvoorbeeld deze advertentie uit 1889 voor horloges.

00000 0 heineken 4

Of deze voor stoompompen en houtbewerkingstuigen die ook allebei de Grand Prix wonnen.

00000 0 heineken 5

Eh, wacht eens even, het was toch Heineken die de Grand Prix won? Jazeker, dat klopt. Net als vele andere binnenlandse en buitenlandse inzendingen wonnen zij inderdaad ook een Grand Prix en wel in hun eigen klasse: klasse nummer 73. Zie het onderstaande stukje uit ‘De Tijd’ van 23 mei 1889 met een overzicht van de Nederlandse bekroningen. Bij klasse 73 staat bij de winnaars van de Grand Prix ook Heineken vermeld.

00000 0 heineken 2

In dezelfde klasse 73 won Van Dulken Weiland en Co uit Schiedam eveneens een Grand Prix en wel voor haar jenever en in die zelfde klasse wonnen  zes buitenlandse brouwers, waaronder Carlsberg ook een Grand Prix (en eerlijk is eerlijk, tientallen andere brouwers niet.) Helemaal uniek was het winnen van een Grand Prix tijdens de wereldtentoonstelling dus  niet.

Dan de jury. Niet dat ik het doe, maar je kan je er wat vraagtekens bij zetten. Op de site van Delpher (waar je allerlei oude krantenartikelen kan inzien), staat namelijk een artikeltje met de Nederlandse leden van de jury van de tentoonstelling. En in een ander artikeltje staan de bestuursleden van de Stichting ter behartiging van de belangen der Nederlandse inzenders.

00000 0 heineken 3

00000 0 heineken jury

Kijken we eens naar de namen, dan valt op dat er bij de juryleden een bekende naam  tussen de drie plaatsvervangende juryleden staat, namelijk Heineken. Enfin, ik neem aan dat Heineken niet over zich zelf heeft geoordeeld en dat het dus geen gevalletje is van ‘Wij van WC-Eend adviseren WC-Eend’.

Heineken had het behoorlijk druk op de tentoonstelling. Hij had niet alleen een eigen café-restaurant,  genaamd ‘Taverne Hollandaise’, op het tentoonstellingsterrein, hij zat ook in het bestuur van de Nederlandse afdeling Nijverheid. Dat een aantal mede-bestuursleden van deze afdeling ook in de jury voor de toekenning van de prijzen zaten, zegt gelukkig niets. Die zullen ongetwijfeld objectief hebben geoordeeld – of zelfs helemaal niet over de Nederlandse inzendingen hebben hoeven te  oordelen.

Het volgende onderzoekspuntje betreft deze advertentie van Heineken in het Algemeen Handelsblad van 29 september 1889.

00000 0 heineken 001

Deze advertentie schept wat verwarring, althans bij mij. Ze adverteren hier namelijk niet met de ‘Grand Prix’, maar met een “Ere-Diploma, zijn de eenige hoogste onderscheiding voor Nederlandsch Bieren” Combineer ik dat met dit stukje uit de Telegraaf van 8 augustus 1890, dan wordt het een beetje onduidelijk voor mij.

00000 0 heineken 003

Hier heeft De Telegraaf het over de toekenning van de Grand Prix voor een machine van Heineken en het niet over het bier zelf. Tja, hoe betrouwbaar was de Telegraaf in 1890? Maar goed, heeft Heineken in 1889 nou de Grand Prix gekregen voor zijn bier of voor een machine? Geen idee. Het diploma voor Heineken geeft geen uitsluitsel.

00000 0 heineken 000 diploma

Ik heb dus wat twijfels, maar vooruit, ik geef ze het voordeel van de twijfel. Kortom, de “feiten” uit de advertentie kloppen, al wordt een en ander behoorlijk ‘opgeklopt’ (moet je niet doen met bier). Ze wonnen een Grand Prix, niet de Grand Prix.

Wat overigens zeker niet klopt – artistieke vrijheid – is dat het bier op een deurtafel werd gepresenteerd. Maar dat vermeldt Heineken dan ook keurig zelf op hun eigen site in een artikel over deze reclame. Van de site van Heineken:

HAD NEDERLAND ECHT EEN ‘DEURTAFEL’ OP DE WERELDTENTOONSTELLING VAN 1889?

Nee, elk land liet verschillende uitvindingen en producten van verschillende industrieën zien. De echte inzending van Heineken betrof een groot café-restaurant ‘Taverne Hollandaise’, gesitueerd op het terrein tussen alle grote festivalpaviljoens. Bezoekers van over de hele wereld konden daar de hele dag door eten, en uiteraard Heineken drinken. Gerard Heineken hield niet zo van groots uiterlijke poespas (heel Hollands) en was voortdurend bezig met de kwaliteit van zijn bier – hij had de deurtafel waarschijnlijk dus een prima idee gevonden. Maar voor de Parijse Wereldtentoonstelling heeft hij wel alles uit de kast gehaald. De beroemde Nederlands-Franse architect Edouard Niermans, later één van de ontwerpers van de Moulin Rouge, ontwierp het café voor Heineken.

Ten slot nog iets anders. Nog even terug naar het krantenartikeltje over de Nederlandse prijswinnaars. Naast het artikeltje staat een rubriek getiteld ‘Allerlei’. Daarin valt het volgende te lezen:

00000 0 heineken 005

De twee Amsterdammers, die te voet naar Parijs zouden gaan, hebben het zoover niet gebracht. Zij kwamen tot Condé, bezaten toen volstrekt niet meer en moesten daarom terugkeeren. Reeds zijn weer sedert eenige dagen in hunnen woonplaats teruggekeerd. Den Eiffeltoren hebben zij dus niet gezien.”

Klinkt een beetje als die mop van die twee Amsterdammers die naar Parijs gingen. Had Heineken ze niet kunnen sponsoren?

Tot zover onderzoeksbureau Martin.

Oepsblad

Bij het opruimen van een kastje kwam ik opeens een ‘oepsblad’ tegen. Oeps, dat is uit een ver verleden. Het jaar 2000? Ik moet toch vaker opruimen. Een ‘oepsblad’ was iets dat de kinderen wel eens op de basisschool moesten invullen als ze een “oeps” hadden gedaan. Hoewel, was het wel de school? Misschien zou het ook wel de naschoolse opvang geweest kunnen zijn die met oepsbladen werkte. Ik weet het echt niet meer. Oeps, dat is niet best.

Het terug gevonden oepsblad helpt niet om de vraag te beantwoorden of het de school of de naschoolse opvang was die met oepsbladen werkte. Het is namelijk geen oepsblad van één van de dochters maar van oma, de moeder van Marianne. Blijkbaar had één van de kleinkinderen een oepsblad voor oma gemaakt waarop zij een “oeps” moest schrijven. Zie hier het oepsblad van oma.

00000 1 oepsblad

Toen Oma heel jong was (7 jaar) heeft ze op één dag 3 keer in de hoek gestaan. Oma had een grote mond gehad. Het is nooit meer gebeurd. Goed he?”

00000 0 omaOma staat tweede van links; tweede van rechts haar jongere zusje.

Ai, dat is niet best. Niet één keer, niet twee keer maar liefst drie keer op één dag in de hoek moeten staan. Daar gaat oma als rolmodel. Ok, het was 1929 en oma was nog maar zeven jaar oud maar toch. Tja, wat nu? Wat moeten we nu doen met deze biecht. #OmaOepsteToo? Oma is tien jaar geleden overleden, dus de details – waren er verzachtende omstandigheden? – kunnen we haar niet meer vragen.

Enfin het gebeurde in 1929, het zal dus wel verjaard zijn en zoals oma het zelf ook schrijft: “Het is nooit meer gebeurd.”

 p.s. Bij het opstellen van het blad maakte de dochter een schrijffout. Ze begon met ‘OP’, zag de fout, streepte de letters door en schreef alsnog het woord ‘Oeps’ goed op. Eigenlijk was dat niet nodig. Een ‘oepsblad’ voor oma dat begint met opoe dat kan natuurlijk heel goed.

Op weg naar Mars

Gisteren lanceerde SpaceX, het bedrijf van Elon Musk, rijk geworden met PayPal en onder andere de eigenaar van Tesla, de Falcon Heavy raket. Het was een test. Aan boord bevond zich Musk’s eigen rode Roadster Tesla auto. Dit om te kijken of de raket in staat was voorwerpen van een bepaald gewicht de ruimte in te schieten. Musk vond het wel een aardig idee om daar zijn eigen auto voor te gebruiken. Het is de bedoeling dat die in een baan om de zon wordt gebracht.

De test slaagde grotendeels. De raketlancering ging goed en wat vooral spectaculair was om te zien, was de terugkeer van twee hulpraketten op een lanceerplatform. Die landen keurig naast elkaar. Het is de bedoeling dat die dure dingen hergebruikt gaan worden. Alleen de geplande terugkeer van een derde hulpraket op een platform op zee ging mis. Die crashte. Wie de spectaculaire beelden van dit alles wil zien, kan dit bekijken op dit CNN-filmpje.

Musk wil naar Mars, niet zelf overigens, om daar een kolonie te stichten waar in 2040 40.000 mensen zouden moeten wonen. Zijn eerste bemande vlucht naar Mars staat voor 2024 gepland. We zullen het zien. Ik moest toen ik de beelden zag terugdenken aan de eerste maanlanding. Die was op 20 juli 1969. Ik was toen bijna dertien jaar oud en vond het machtig interessant om te zien. De Nederlandse televisie zond het rechtstreeks uit. De onlangs overleden Chriet Titulaer presenteerde het samen met de in 1994 overleden Henk Terlingen.

Op deze foto van Beeld-en-Geluid  van de NOS kan je Henk Terlingen zien zitten achter zijn presentatiedesk. Het ziet er allemaal heel geordend uit.

00000 henk terlingen

Maar aardiger om te zien is een andere foto die ik op de site van het Nationaal Archief aantrof. Deze foto van Eric Koch van Anefo laat een kijkje achter de schermen zien.

00000 henk terlingen 2

Linksboven op de foto is nog net de tafel met deskundigen te zien. Chriet Titulair is de middelste man aldaar. Henk Terlingen is  duidelijk even niet in beeld. Hij neemt een draaiboek door. Let u even op de details. Hij heeft niet alleen zijn jasje uitgedaan maar ook zijn schoenen. Op de grond liggen allerlei papieren en er staat – buiten beeld – ook een fles wijn. Het was dan ook een lange uitzending.

Maar goed, op weg naar Mars dus.

00000 1 Mars 2

“A view from the “Kimberley” formation on Mars taken by NASA’s Curiosity rover. The strata in the foreground dip towards the base of Mount Sharp, indicating flow of water toward a basin  that existed before the larger bulk of the mountain formed.” Image credit: NASA/JPL-Caltech/MSSS (foto is iets bewerkt)

 

Paul Simon

Volgens een berichtje in de Volkskrant van vanochtend stopt Paul Simon binnenkort met optredens. Hij heeft zijn afscheidstournee aangekondigd. Hij is al 76 jaar en vindt het mooi geweest. Een paar weken geleden kondigde Neil Diamond,  eveneens 76 jaar, ook al aan dat hij stopte.

Tja, dat krijg je als je zelf ouder wordt, al die artiesten uit je jeugd gaan of dood of stoppen met optredens. De eeuwig jonge Paul McCartney is inmiddels ook al 75.  Mick Jagger is overigens pas 74 jaar, die ik zie dus nog wel een tijdje door gaan. Hij kan een voorbeeld nemen aan Charles Aznavour, die is 93 jaar, maar treedt nog steeds op. Maar goed, Paul Simon stopt er dus mee.

00000 1 Paul SimonPaul Simon (rechts) samen met Art Garfunkel in 1966 tijdens een bezoek aan Amsterdam (foto Joost Evers; Anefo; Nationaal Archief).

Wij zijn een keer naar een concert van Paul Simon geweest. Dat was in 2006 in Amerika in South Lake Tahoe. Wij waren samen met de kinderen (toen 13 en 11 jaar oud) op rondreis in Amerika en op de dag dat wij in South Lake Tahoe waren, trad Paul Simon daar op in een openluchttheater.

00000 1 south lake tahoeSouth Lake Tahoe

Ik was jarig die dag en om dat te vieren kochten we voor 60 dollar p.p. kaartjes voor zijn concert. Uit ons reisverslag van 2006.

“[…] Het voorprogramma begint om half 8 en wij zijn er ongeveer een kwartier van te voren. Nog veel te vroeg blijkt wel, want het duurt even voordat het voorprogramma begint (een gitarist die alleen instrumentale country and western liedjes speelt; wanneer gaat hij nou eens zingen vraagt een verontwaardigde Marijke).

Na dit (saaie) voorprogramma duurt het nog eens een keer een half uur voordat we eindelijk Paul Simon te zien krijgen. Gelukkig is het al een plezier op zich om naar het publiek te kijken; hoewel alle leeftijden wel vertegenwoordigd zijn ligt de nadruk toch bij de wat hogere leeftijden. In een recensie van een ander concert van hem schreef de recensent dat dit het eerste concert was waar hij mensen met een rollator had gezien. We voelen ons opeens weer jong.

Het is erg leuk om naar het publiek te kijken. Jammer dat we geen fototoestel meegenomen hebben. Op de kaartjes stond dat fotograferen verboden was, dus hadden wij, brave Hollanders, geen toestel meegenomen. Een paar honderd andere bezoekers had hier zich echter niets van aangetrokken en er werden dan ook veel foto’s tijdens het concert gemaakt.

Tijdens het voorprogramma maar ook daarna nog wordt er druk door een deel van het publiek heen en weer gelopen. Sommige mensen blijven ook tijdens het hoofdprogramma lopen of staan, zodat er veel plekken op onze tribune vrij blijven, waar wij van profiteren door al snel naar een betere plek te verhuizen. (Pal voor Judith en Marijke zaten twee Amerikanen waarvan gezien hun omvang het terecht zou zijn geweest als deze een extra kaartje hadden moeten kopen).

Paul Simon heeft een hele band meegenomen. Deels speelt hij oude Simon en Garfunkel liedjes (heel leuk om te zien hoe het publiek massaal het la-la-laai refrein uit ‘The Boxer’ mee zingt), deels zingt hij liedjes uit zijn soloperiode. Nu we hem in het echt zien, valt het ons pas op hoe klein hij eigenlijk is. Wij dachten altijd dat Art Garfunkel zo groot was maar het is Paul Simon die zo klein is.

Wij vinden het concert geslaagd maar voor Marijke dreigt het in een klein drama te eindigen. Halverwege het optreden van Paul Simon verliest ze namelijk haar ring. Huilend probeert ze hem te zoeken maar ze kan hem nergens vinden. Waarschijnlijk is hij tussen de banken door onder de tribune op de grond gevallen. Ze vraagt aan iemand van de security of ze onder de tribune mag kijken. Dat mag maar pas na afloop van het concert als het licht weer aangaat. Na de laatste toegift (‘Bridge over Troubled Water’ met gitaarbegeleiding in plaats van piano) gaat ze samen met Judith onder de tribune zoeken. Wonder boven wonder vinden ze hem. De opluchting bij Marijke is groot.

Na het concert gaan we nog even Harveys in. Judith wil graag even haar MSN checken op het internet (dat kan daar à 49 cent per minuut). Terwijl wij staan te wachten loopt Paul Simon op een gegeven moment pal achter ons langs naar de lift. Van dichtbij valt op dat hij er al redelijk oud uitziet, wat op zich natuurlijk niet verwonderlijk is want hij is van 1941, dus al 65 jaar. Detective Martin constateert door naar de lichtknopjes te kijken dat hij een kamer heeft op de 11e van de 19 verdiepingen die het hotel telt. Onderweg terug naar ons hotel stoppen we nog even bij de McDonalds voor een milkshake voor Marijke.”

Overigens later aan het einde van de vakantie verloor Marijke de ring wederom en vond ze hem niet weer terug.

Tot slot, ik schrijf hier weliswaar over oude musici die of dood gaan of stoppen, maar zoals de oudste dochter opmerkt, dat geldt natuurlijk voor iedereen. Ook oude tramchauffeurs en bouwvakkers gaan of dood of stoppen.

 

1958 (toen was geluk heel gewoon)

Je zou het niet zeggen maar ik ben al 62 jaar oud. Nu zou ik deze onthulling kunnen laten volgen door een relativerende wijze spreuk over ouderdom, waaruit zou blijken dat ik eigenlijk nog heel jong ben, maar dan komt u ongetwijfeld met Aristoteles aanzetten met zijn “Spreken in spreuken past de ouderdom”, dus dat doe ik maar niet.

Ik ga gewoon terug naar 1958. ‘Toen was geluk heel gewoon’ zouden Koot en Bie, en in hun navolging Gerard Cox, zingen. Wacht eens even, dat ging over 1948; – zie je wel dat ik nog jong ben zeg ik; zie je wel dat hij oud is, hij haalt jaartallen door elkaar zegt u. Maar goed, terug naar 1958 dus, dit aan de hand van een drietal foto’s.

De eerste foto stamt uit de winter van 1958. Ik zit hier samen met mijn twee broertjes op de slee. Ik zit voorop. Het was koud, erg koud.

00000 1 winter 1958

Helaas heb ik niet de foto die mijn vader hierna nam. Daar zat ik alleen op de slee. Mijn broertjes waren op dat moment sneeuwballen aan het gooien. Mijn vader zei dat ik heel stil moest zitten en vooral niet moest bewegen. Hij nam een foto en ging toen naar mijn broertjes toe om hen te fotograferen. Ik bleef zitten. Doodstil. En het was koud, erg koud.

Even later gingen mijn broertjes en mijn vader naar binnen waar de kolenkit paraat stond. Ik zat nog stil op de slee. En het was koud, erg koud.  Zoals mijn moeder later zei, dacht mijn vader dat ik al naar binnen was gegaan en bij mijn moeder in de keuken was. Dat was niet zo. Ik zat nog steeds op de slee. En het was koud, erg koud.

Het zal een minuut of tien geduurd hebben. Toen kwam mijn moeder de kamer binnen en vroeg aan mijn vader: “Waar is Martin?” Hij keek geschrokken naar buiten. Daar zat ik, op de slee. Het was koud, erg koud. Mijn moeder gaf een ijselijke kreet – heel toepasselijk in dit kader –  en snelde naar buiten en haalde me naar binnen. Terwijl ze probeerde om mij warm te krijgen, kreeg mijn vader gigantisch op zijn kop. Terecht. Zelf kan ik me het voorval overigens niet herinneren – wat ook wel logisch is omdat ik toen nog maar 2,5 jaar oud was – maar mijn moeder vertelde het later bij het zien van de foto altijd in geuren en kleuren. En elke keer kreeg ik het koud, erg koud.

Foto 2. Deze stamt uit de zomer van 1958. Ik ben hier drie jaar oud.

00000 1 zomer 1958

Ik sta hier samen met mijn broertjes bij een tent die we zelf hadden gemaakt. Zo te zien ben ik aan het kijken of er op het kleed ook een plekje voor mij is. Op de achtergrond is een stoeltje te zien. Waarschijnlijk heb ik daarop gezeten en heb toezicht op het bouwen gehouden.

Hoewel wij heel vaak tenten bouwden, gingen mijn ouders nooit met ons kamperen. Met vakantie gingen we altijd naar een huisje op een vakantiepark ergens in Nederland.

(Pas dertig jaar later, in 1988, ging ik samen met Marianne voor het eerst kamperen. We zouden dat jaar naar Amerika op vakantie gaan en daar ook kamperen. Maar eerst gingen we voor de zekerheid nog een weekje ‘proefkamperen’ in Frankrijk. De allereerste nacht voelde ik hoe iets in mijn rug zat te porren. Ik dacht dat het Marianne was maar zij zei dat ze het niet was. Toen we later de tent gingen opbreken, kwam onder het grondzeil, ongeveer op de plek waar ik lag, een verse molshoop te voorschijn, althans de aanzet daartoe.)

Foto 3. Deze foto stamt ook uit de zomer van 1958. Hier zit ik samen met mijn oudste broer bij de zandbak.

00000 1 zomer 1958 2

Het gaat hier echter niet om de zandbak maar om wat daar achter te zien is, die boom en de grond daar achter. Dat was mijn tuintje. Mijn ouders vonden het een goed idee dat we allemaal een eigen tuintje hadden. Konden we van de natuur leren.

Ik had als jongste het slechtste plekje, onder een boom met veel boomwortels en schaduw. Veel wou er dan ook niet groeien, maar ik had wel de mooiste plant van allemaal: een blauwe hyacint. Die had ik een keer zien staan op een stuk grond waar vroeger een boerderij had gestaan. Ik had hem uitgegraven en hem in mijn tuintje geplant. Wonder boven wonder sloeg hij aan en tot mijn grote vreugde kwam hij het volgende jaar weer terug. Maar verder groeide er eigenlijk niks. Een echte tuinier ben ik dan ook nooit geworden. Maar blauwe hyacinten vind ik nog steeds mooie planten.

Tot zover 1958. Toen was geluk nog heel gewoon.

Marleen Barth

De gemeente Wassenaar telt een hoop partijen in de gemeenteraad. Naast de usual suspects: VVD (4 zetels); CDA (4 zetels); D66 (3 zetels); Groen Links (2 zetels); PvdA (1 zetel), zitten er liefst vier lokale partijen in de raad: Wat Wassenaar Wil (3 zetels); Passie voor Wassenaar (2 zetels), Democratische Liberalen Wassenaar (1 zetel) en Hart voor Wassenaar (1 zetel).

Wassenaar is dan ook een lastig te besturen gemeente, waar ook nog eens de nodige relletjes hebben plaatsgevonden. Zo was er in 2012 de zogenaamde seksrel waarbij na een gemeenteraads-vergadering tijdens een nazit met de nodige alcoholconsumptie een VVD-wethouder al of niet seksueel getinte opmerkingen naar een raadslid gemaakt zou hebben. Er volgden allerlei onderzoeken naar dit gebeuren maar de details kwamen nooit naar buiten. Gezien een kop van GeenStijl uit 2014: “Wassenaar houdt piemellengte wethouder geheim” denk ik: gelukkig maar. Too much information. Wel werd bekend dat het de gemeente Wassenaar uiteindelijk 151.000 euro uit de gemeentekas kostte om dit allemaal weer glad te strijken.

De burgemeester gedurende dit gebeuren was de D66-er Jan Hoekema. Hij was liefst tien jaar burgemeester in Wassenaar. In 2017 vertrok hij echter vroegtijdig. Hoekema had het tijdens zijn burgermeesterschap in Wassenaar niet eenvoudig. Behalve de seksrel waren er meer opvallende zaken waarmee Wassenaar in het nieuws kwam. Het AD vermeldt in een artikel uit 2016 onder andere de torenhoge verbouwingskosten van de ambtswoning, een pizzarel, de commotie rondom een geplande ‘nutteloze’ reis van de burgemeester naar Tanzania (hij zou daar een school openen die al twee jaar open was) en de ophef die ontstond om de prijzige workshops aan Wassenaarse ambtenaren van visagist Mari van de Ven’. Kortom, in Wassenaar is altijd wat doen zou Herman Finkers zeggen.

In 2017 stapte Hoekema voortijdig op. ”Wegens gebrek aan chemie”. Er werd een geheime vaststellingsovereenkomst getekend, waarin werd vastgelegd dat Hoekema gedurende de tien maanden tot aan zijn AOW-leeftijd een extra uitkering kreeg bovenop zijn wachtgeld. Ook mochten hij en zijn vrouw Marleen Barth nog een jaar in de ambtswoning (marktwaarde bijna 2 miljoen) blijven wonen tegen een huurbedrag van 1400 euro per maand. Dat we dit weten is te danken aan de NRC die een beroep deed op de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). Volgens de NRC vertraagden Hoekema en zijn echtgenote de openbaarmaking door naar de voorzieningenrechter te stappen, maar lieten ze later hun bezwaren alsnog varen.

Dat het burgemeestersechtpaar niet zo happig was op de openbaarmaking had misschien te maken met het feit dat de gemaakte afspraken in strijd waren met de Gemeentewet. Er ontstond dan ook het nodige rumoer. Hoekema heeft inmiddels besloten om de extra 17.800 euro terug te storten. „Door vragen van NRC ben ik gaan nadenken en heb voor mijzelf de conclusie getrokken dat ik het geld ga terugstorten. Het hoeft niet, maar de context waarbinnen ik tegen de overeenkomst aankijk, is veranderd.” aldus Hoekema in de NRC.

Soit, klein bier zouden ze in Wassenaar zeggen. Dat ik hier toch over schrijf komt door de rol van Marleen Barth, de vrouw van Hoekema. Blijkbaar vond zij de 1400 euro huur per maand voor een woning van bijna 2 miljoen nog te hoog en probeerde zij via mails die de NRC ook publiceerde een huurverlaging te krijgen. Detail, de gevraagde verlaging betrof alleen de huur over de periode 16 januari 2017 tot 6 maart 2017 (toen werd Hoekema waarnemend burgemeester in AA en Hunze).

00000 1 wassenaarMail zoals gepubliceerd door de NRC

Het gaat om een bedrag van bij elkaar van ruim 400 euro. Je kan het natuurlijk altijd vragen, maar toch, hoe krijg je het in je hoofd om dat te doen zou je zeggen, vooral gezien haar positie. Ze is namelijk de fractieleidster van de PvdA in de Eerste Kamer. Van zo iemand verwacht je zo iets niet, althans ik niet, maar dat blijkt maar weer eens te naïef gedacht.

Het partijbestuur van de PvdA heeft over de zaak overleg gevoerd met mevrouw Barth. Achteraf vond zij dat het “niet handig” was om de mails te sturen.  Waarom iemand in haar positie zoiets doet, geen idee. Geldgebrek kan het niet zijn. Zij verdient als Eerste Kamer-lid ongeveer 30.000 euro per jaar (daarnaast heeft zij ook nog enkele nevenfuncties). Hij kreeg als burgemeester van Wassenaar meer dan 90.000 euro per jaar en zal nu als waarnemend burgemeester ook wel zo’n bedrag krijgen. Per maand verdient het echtpaar bij elkaar minstens 10.000 euro bruto. En dan nog ga je zeuren om die 400 euro, waarvan het ook nog eens twijfelachtig was of je er wel recht op had.

Tja, om Plato te citeren: “Wie rijk wil zijn, moet niet zijn vermogen vermeerderen maar zijn hebzucht verminderen.”

Weglopen

Op internet zag ik een stukje over ‘Wim is weg’, mijn favoriete boekje (nummer 35) uit de Gouden Boekjes-reeks. Het gaat over een jongetje dat voor zijn verjaardag een driewieler krijgt en daarmee naar Spanje wil fietsten “[…] Maar papa en mama weten daar niets van. Die zijn ongerust. Wim is weg. Papa belt de politie op. Hij zegt: Er is een jongetje weg. Ons jongetje. Hij heet Wim.”

Spoiler-alert. Er begint een grote zoekactie. “De radio zegt: extra politiebericht. De mensen thuis luisteren. Er is een jongetje zoek, zeggen ze. Wat erg”. In stad en land wordt met schijnwerpers en zaklantarens naar Wim gezocht. Uiteindelijk wordt hij slapend midden in het bos gevonden en wordt Wim teruggebracht naar zijn ouders.

Het stukje over ‘Wim is weg’ deed me er aan denken dat ik als achtjarig jongetje ook een keer van huis ben weggelopen. Nee, dat was niet geïnspireerd door ‘Wim is weg’. Het was naar aanleiding van een ander boek over weglopen dat ik had gelezen. Dat spannende boek ging over een jongen die een weggelopen prinses tegen kwam. Zij was weggelopen omdat ze het keursleven van prinses zijn zat was. De jongen besloot met haar mee te gaan en liep ook van huis weg.

Onderweg beleefden ze allerlei avonturen. Zo waren er twee schurken die de prinses wilden ontvoeren. Uiteindelijk liep het goed af en keerden de prinses en de jongen allebei weer terug bij hun ouders. “Het is een deugniet maar met een gouden hartje” sprak de moeder van de jongen snikkend toen de koning de jongen thuis kwam brengen en zij hem weer in de armen kon sluiten.

Ik wilde ook wel zo iets spannends beleven en op een warme woensdagmiddag besloot ik om op avontuur te gaan. We woonden in die tijd in Apeldoorn aan de Jachtlaan, niet zo ver van paleis Het Loo af. Ik pakte mijn fietsje, zei tegen mijn moeder dat ik een stukje ging fietsen – ze gaf mij een appel mee –  en fietste naar het paleis om te kijken of daar in de buurt soms een wegelopen prinses rond liep. Nederland telde in die tijd vier prinsessen in de leeftijd van 16 tot 23 jaar, maar blijkbaar had geen van hen de behoefte om samen met een achtjarig jongetje weg te lopen.

00000 beatrix1948, een tienjarige prinses Beatrix in de tuinen van paleis Het Loo.

Nadat ik mijn appel had opgegeten besloot ik om dan maar in mijn eentje zonder prinses naar Vaassen, een plaats vlakbij Apeldoorn, te fietsen. Ik kende Vaassen uit het liedje “Palm, palm paasen, de wind komt uit Vaasen, en komt die niet uit Vaassen, dan komt die ergens anders vandaan.” In die tijd hadden de liedjes nog inhoud.

Aangekomen in Vaassen wist ik het niet meer. Eigenlijk had ik helemaal niet zo de behoefte om weg te lopen. Ik besloot dan ook om om te keren en weer naar huis terug te fietsen. Onderweg merkte ik dat mijn achterband wat zacht was. Bij een benzinestation vroeg ik of ik er mijn band mocht oppompen. De man wees me naar een luchtpomp. Het was een pomp om autobanden op te pompen, maar ik kon hem ook wel voor mijn fiets gebruiken zei hij. Ik had geen flauw idee hoe lang ik de pomp op het ventiel moest laten zitten met als gevolg dat ik dat veel te lang deed en mijn band veel en veel te hard oppompte. Die keiharde bolle achterband fietste bijzonder ongelukkig en ik was dan ook blij toen ik weer thuis was.

Ik zette de fiets tegen de muur van het huis – hij stond daar lekker in het zonnetje – en ging naar binnen. Mijn moeder had me nog niet gemist en viel me dan ook niet snikkend in de armen. Wel gaf ze me een glas limonade. Terwijl ik dat opdronk hoorde ik buiten een enorme knal. Mijn moeder en ik gingen kijken. Het was mijn achterband. Die was met een luide knal uit elkaar geknald. Verbaasd keek mijn moeder naar mijn fiets. Ik durfde niet op te biechten dat ik hem misschien wat te hard had opgepompt want dan zou ik ook moeten opbiechten dat ik weg was gelopen. Toen mijn vader aan het einde van de middag thuis kwam keek hij hoofdschuddend naar mijn band. “Die kan ik niet meer plakken” zei hij, “Wat is er gebeurd?”. “Geen idee” zei ik, “hij knalde opeens”.

Moraal van dit verhaal: laat uw kinderen uit de bibliotheek geen boeken lenen over kinderen die samen met een prinses weglopen. Kijk ze eerst zelf eerst even door. Voor je het weet kost je het een nieuwe achterband.

00000 boeken

Uilen

Vrijdag zat er opeens een uil in de boom in onze achtertuin. Het was voor het eerst in al die jaren dat wij hier wonen dat wij zo’n beest in onze tuin zagen. Jammer dat hij er niet een dag later zat, dan hadden we hem mee kunnen tellen in de nationale vogeltelling.

Ook op zondag en maandag was er geen uil in onze tuin te zien, maar toen ik gisteren tussen de middag in de keuken een boterhammetje ging smeren en naar buiten keek, zag ik hem opeens weer in de boom zitten. En dat niet alleen, er zat nog een tweede uil naast.

00000 uilen 2

00000 uilen

Geen idee hoe lang ze er al zaten, maar echt haast hadden ze niet. Ze bleven lang op hun tak zitten. Pas toen toen het donker werd, zo tegen kwart over zes, vlogen ze weg. Ieder hun eigen kant op. Al die tijd bleven ze onverstoord op hun tak zitten. Ik zou kunnen zeggen dat ze een uiltje knapten, maar a) dat is een flauwe woordspeling en b) ze bleven wel wakker. Als ik van de kamer naar de keuken en weer terug liep, dan zag ik aan de beweging van hun kopjes dat ze me volgden en in de gaten hielden.

Ze leken me nog niet al te oud. Een beetje tussen uilskuiken en volwassen uil in (“zelfs de wijze uil is ooit een dom uilskuiken geweest”).  Ik ben benieuwd of ze deze week nog terugkomen en hoeveel het er dan zijn. Vermoedelijk vier stuks en de keer er op acht stuks, enzovoorts. Dat kan hard gaan.

Overigens wat voor een soort uilen het zijn, weet ik niet. Ik denk ransuilen.

Vogels tellen (3)

Dit weekend hebben we wederom meegedaan met de nationale tuinvogeltelling. Je telde gedurende een halfuurtje hoeveel verschillend soorten vogels je in je tuin zag. Per vogelsoort gaf je het hoogste aantal op dat je tegelijkertijd in je tuin zag.

Er deden meer dan 62.000 mensen mee. De vogel die landelijk het vaakst werd gezien was de huismus gevolgd door de koolmees.

0000 telling landelijk

In onze gemeente moest de huismus genoegen nemen met een bescheiden zesde plaats, welke positie hij ook nog eens moest delen met de halsbandparkiet, een exoot die hier eigenlijk helemaal niet thuis hoort. (Laat die rare vogel van de PVV dat maar niet zien)

0000 telling gemeente

In onze eigen top 10 stonden de koolmees en het roodborstje samen op een gedeelde eerste plaats. Van beide soorten zagen we één exemplaar, een bedroevend resultaat. Even waren we bang dat we het zelfs met alleen één koolmeesje moesten doen, maar op het laatste moment vloog er nog een roodborstje de tuin in, die ik er overigens sterk van verdacht dat hij zoveel mogelijk tuinen afvloog om maar overal geteld te worden.

Bij ons thuis is sprake van een zorgelijke dalende trend. In 2016 (zie hier) telden we nog 5 koolmezen, 5 Vlaamse gaaien, 1 ekster en 1 pimpelmees. In 2017  (zie hier) 2 koolmezen, 1 pimpelmeesje en 1 roodborstje, en nu (in 2018 dus) slechts 1 koolmeesje en 1 roodborstje.

Jammer was dat de vogeltelling niet op vrijdag werd gehouden. Toen zag ik opeens dit beest in onze boom zitten.

000 uil

Maar gisteren was de vogel gevlogen.