Category Archives: Wetenschap

Bellingcat

Bellingcat is een internationaal onderzoekscollectief, dat vooral bekend is geworden door onthullingen over de Syrische burgeroorlog en de MH17-ramp.  Ze combineren informatie en beeldmateriaal afkomstig van internetplatforms zoals Twitter, YouTube, Instagram, Facebook en Google Earth om zo meer inzicht te krijgen over allerlei internationale conflicten, moordaanslagen en wapenleveranties.

Dat doen ze bijvoorbeeld door details op foto’s te vergelijken met straatbeelden op onder meer Google Maps. Zo konden ze redelijk nauwgezet de route in Oost-Oekraïne reconstrueren die de BUK-installatie aflegde die in 2014 de MH17 neerhaalde.  Bellingcat werd in juli 2014 opgericht door de Engelsman Eliot HigginsDe naam dankt zij aan de Engelse fabel ‘Belling the Cat‘.

(Die fabel gaat over een groep muizen die last hebben van een kat. De muizen gaan in overleg met elkaar wat ze met het probleem van de kat moeten doen. Dan oppert één van de muizen het idee om de kat een belletje om te binden zodat ze altijd zijn komst kunnen horen. Iedereen vindt dit een puik idee, maar dan is er het probleem wie van de muizen de kat de bel moet ombinden. Spoiler alert: niemand van de muizen wil dit doen.)

00000000000 bellingcat

Dit is Eliot Higgins toen hij op 28 oktober 2015 in Keulen een prijs in ontvangst nam. Hoe hij er uit ziet, was niet zo moeilijk te achterhalen. Ik heb gewoon even op zijn Wikipedia-pagina gekeken. (Foto © Superbass / CC-BY-SA-4.0 (via Wikimedia Commons)”)

Bellingcat heeft een aantal mensen in dienst die betaald krijgen en daarnaast zijn er veel vrijwilligers. Hun inkomsten halen ze uit schenkingen en het geven van workshops hoe je op het internet kan speuren. Dat zijn vaak meerdaagse workshops. Momenteel vindt er eentje in Amsterdam plaats. Goedkoop zijn ze niet. Je betaalt er 2200 euro voor.

Ik zal u de kosten van deze workshop echter besparen en u hier een oefening speuren op internet geven. Stel dat u deze twee foto’s op internet ziet (waarvan u alleen weet dat ze binnen een kwartier van elkaar genomen zijn) en u wilt weten waar deze foto’s zijn gemaakt en wat die poes op dat dak doet.

00000000000 brug

00000000000 tom poes

Op de bovenste foto is een bijzonder ingewikkeld verkeersbord te zien met op de achtergrond een pilaar van een brug. Als u met hulp van de functie ‘Afbeelding zoeken in Google’ – die vindt u als u op de foto gaat staan en dan op de rechtermuisknop drukt – naar vergelijkbare foto’s zoekt, dan komt u niet ver. Hoewel, eigenlijk wel want u belandt overal ter wereld. U krijgt namelijk als zoekresultaat allerlei foto’s van gele borden te zien, afkomstig uit de hele wereld. Niet echter de brugpilaar en ook niet een foto met hetzelfde bord.

00000000000 bord

Veel meer informatie geeft echter de tweede foto prijs. Allereerst zien we daar het telefoonnummer van een fietsenmaker: 010 414 44 44 – mooi nummer trouwens. Met behulp van Google zien we dat dit nummer toe behoort aan fietsenwinkel S. de Vries,  Thorbeckestraat 30, 3071 XZ in Rotterdam. Als we daarna op Google Streetview kijken, zien we inderdaad dit huis. Het is gelegen op het Noordereiland in Rotterdam.

00000000000 abcd

Vervolgens de vraag wat doet dat beeld van Tom Poes op dat huis?Daar helpt de functie ‘Afbeelding zoeken in Google’ deze keer wel bij. We krijgen dan namelijk onder andere als zoekresultaat.

00000000000 abc

Het huis op de foto blijkt het geboortehuis te zijn van Marten Toonder, onder andere de ‘schepper’ van Olie B. Bommel en Tom Poes. Het beeld is een hommage aan Marten Toonder.

Nu we weten wat er op de tweede foto staat, kunnen we weer terug naar de eerste foto. We weten dat die iets eerder dan de tweede foto is gemaakt. Waarschijnlijk dus op een brug in de buurt van het Noordereiland in Rotterdam. Het is overduidelijk niet de Erasmusbrug, maar als we op Google Maps naar de Willembrug kijken, dan zie we daar de rode pilaar terug.

00000000000 brug 2

Dat is dezelfde pilaar als op de eerste foto. Waarschijnlijk is degene die de foto’s heeft gemaakt – dat was ik – over de Willemsbrug naar het Noordereiland gelopen.

Ziet u hoe makkelijk het is om iets te reconstrueren. En dan zijn die mensen van Bellingcat nog veel malen professioneler en beter dan ik.

p.s. De reden dat ik de eerste foto heb genomen was het verkeersbord. Ik liep er met een snelheid van nog geen vijf kilometer per uur voorbij en snapte er al helemaal niets van. Hoe moet dat wel niet zijn voor een automobilist die er met vijftig kilometer per uur voorbij rijdt.

De tweede foto heb ik genomen omdat ik een liefhebber ben van de Bommel-boeken van Marten Toonder. We liepen bij toeval voorbij het huis waar hij in 1912 is geboren. Ik wist helemaal niet dat hij in Rotterdam was geboren.

Weer (3)

Ook vandaag wil ik het met u hebben over het warme weer van vorige week. Mocht u overigens een derde achtereenvolgende  blogpost over dit onderwerp wat veel van het goede vinden, dan bevindt u zich in “goed” gezelschap, want in 2015 tweette  Donald Trump al.

0000 40 trump

Op het gevaar af dat u mij ‘boring‘ gaat vinden, toch nog een keertje over het weer van vorige week . Op de sociale media werd daar  vorige week namelijk druk over “gepraat”. Twee voorbeelden.

Allereerst een tweet van de politie van de stadswijk Feyenoord – u mag  drie keer raden in welke stad die wijk ligt.

0000 40 tweet politie

Ivm het weer doen wij geen achtervolgingen te voet. Verzoek is dus om niet weg te rennen als we roepen dat je moet blijven staan.
Als de temperatuur onder 20 graden zakt, doen we weer graag mee

Kijk, dat vind ik humor. Ik vond de tweet dan ook leuk, maar dan moet je net Nederland hebben. Een aantal zuurpruimen vond  dat zo’n tweet beslist niet  kon. ‘

Vinden jullie het gek, dat niemand de #politie nog serieus neemt. Jullie gedragen je als een stel pubers en zo worden jullie door menigeen ook behandeld. Shame on you!”  gaf iemand die zich een “Vrije geest” en een “creatief denker” noemde  als reactie . En iemand anders  tweette: “Neem de burger serieus door de wet uit te voeren, in plaats van janken over de temperatuur. Met deze mentaliteit zou er in zuidelijken landen chaos ontstaan. Jankers zijn het tegenwoordig.”

Zucht. Gelukkig waren er ook genoeg mensen die het voor het politie opnamen. En ook moet ik zeggen dat de politie Feyenoord steeds keurig een reactie gaf op elke klaag-reactie op de ‘zweet-tweet’, zoals:

0000 40 polpolitie

Ook degene die in zijn reactie begon over de conditie van de gemiddelde agent van de politie Feyenoord en de score die hij/zij behaald – dat woord had eigenlijk met een ‘t’  gespeld moeten worden –  bij een “coupe test“, kreeg keurig een antwoord.

0000 40 polpolitie 2

Dan een andere tweet en wel van ‘Buienradar’. Deze tweette:

0000 ijsje

Leuk gevonden en deze tweet kreeg dan ook haast alleen maar positieve reacties, al was er toch nog iemand die wat te zeuren had: “Zorg eerst maar eens dat jullie het weer goed voorspellen. Begin deze week melding dat de afkoeling vrijdag zou komen. En later wordt het elke dag een dag opgeschoven. In het Noorden hebben we nog steeds geen afkoeling.”

Dan nog even over mijn vader en het weer. Hij was geen twitteraar -gezien het feit dat hij  in 1985 overleed, is dat ook niet zo verwonderlijk. Wel was hij weervrijwilliger voor de KNMI, gespecialiseerd in onweer.  In de jaren zestig had je in Nederland een heel netwerk van vrijwilligers die allerlei meldingen over het weer aan de KNMI door gaven.

Mijn vader was ook lid.  Voor zover ik weet, gaf hij  alleen meldingen door over onweer. Hij had daartoe een speciaal formulier van de KNMI waarop hij – in het geval dat het onweerde – noteerde hoe lang het onweer duurde, de hevigheid er van en op wat voor afstand van ons huis het was. Ik hielp hem daarbij wel eens.  Als we een bliksemflits zagen, telden we hoe lang het duurde voordat we de donder hoorden en berekenden dan hoe ver weg het onweer was – elke seconde tussen flits en klap stond ongeveer voor 340 meter.

Eens in de zoveel tijd – ik geloof één keer per maand – stuurde mijn vader het formulier per post op. Wat de KNMI er dan nog mee kon, geen idee. In ruil voor zijn vrijwilligerswerk kreeg mijn vader een gratis blad van de KNMI. Daar stonden allerlei interessante verhalen over het weer, en ook over sterrenkunde in, die ik, de jonge ‘assistent-waarnemer onweer’,  met plezier las.

Vijftig jaar geleden

Vandaag is het vijftig jaar geleden dat de mensheid voet op de maan zette. Op zondag 20 juli 1969 om 20:17:39 GMT landde de maanlander met aan boord Neil Amtrong en Buzz Aldrin op de maan.

De eerste twee uur op de maan werd besteed om de maanlander klaar te maken voor onmiddellijk vertrek. Dit voor het geval  er iets mis zou gaan en een snel vertrek noodzakelijk was. Daarna stond een dutje op het programma, maar de beide astronauten hadden daar geen behoefte aan – net zoals je als klein kind de avond voor je verjaardag moeilijk in slaap viel – en er werd besloten om eerder dan gepland met de maanlanding te beginnen.

Nu mag u raden: wat was de eerste handeling die Neil Amstrong deed nadat hij het luik opende? Hij gooide een zak met afval met urine- en poepzakken, vieze filters en verpakkingen van eten naar buiten! Nog voordat hij de trap afdaalde. De buitencamera was overigens nog niet ingeschakeld waardoor het op tv niet te zien was.

Het is fraai. De mens reist vier dagen door de ruimte heen om naar de maan te gaan en daar aangekomen is het eerste wat hij doet een zak met afval op de maan gooien.

0000 afvalDe witte zak met afval op de boden van de maan.

We verplaatsen ons nu even duizend jaar in de tijd. In een ‘galaxy, far far away’ is een planeet ontdekt met een levensvorm die op de onze lijkt. Dankzij het gebruik van wormgaten kunnen we er naar toe reizen. De bewoners nodigen ons uit en als het ruimtevoertuig van de mensheid is geland, gaat er op die onbekende planeet een luid gejuich op. Dan gaat de deur open en vliegt er een zak met afval naar buiten. Nou die bewoners zullen ons vast nog een keertje uitnodigen, maar niet heus.

Maar goed, terug naar de maanlanding van 20 juli 1969. Zie hier hoe Buzz Aldrin uit het luik kruipt. Het was passen en meten om met zijn ‘rugzak’ door het luik te komen.

0000 uitstappen0

0000 uitstappen

0000 aaa

0000 aaa1

0000 aaa2

De foto’s zijn gemaakt door Neil Amstrong, die sowieso de meeste foto’s op de maan maakte. Op alle beroemde foto’s van een astronaut op de maan is dan ook Buzz Aldrin te zien.

0000 aaa22Dit is Buzz Aldrin. In de weerspiegeling van diens helm is Amstrong te zien.

In totaal liepen de twee mannen zo’n 2,5 uur op de maan en verbleven ze, inclusief de tijd in hun maanlander, ruim  21 uur op de maan. Toen vlogen ze weer weg en maakten even later contact met de Columbia, waarin hun maatje Michael Collins ondertussen eenzaam rondjes om de maan had gedraaid. Op de momenten dat hij achter de maan was, met de aarde niet in zicht, werd Collins wel betiteld als de eenzaamste mens in het heelal.

De beelden van de maanlanding werden wereldwijd door naar schatting zo’n 500 miljoen mensen bekeken. In Nederland werden Chriet Titulaer en Henk Terlingen er beroemd mee.

0000 henk terlingen

Vijftig jaar geleden. HenkTerlingen (“Apollo Henkie”) – jasje en schoenen uit; wijnfles op de grond; volle asbak; papiertroep om hem heen – zit te wachten totdat hij in de tv-uitzending weer wat moet zeggen. Hij heeft even rust. De deskundigen zijn aan het woord.

Zelf heb ik de maanlanding ook “live” gezien. (Niet op de maan uiteraard maar kijkende naar de televisie-uitzending. ) Vier jaar geleden schreef ik hierover in een blogpost:

“[…]  Mijn ouders gingen niet op vakantie naar het buitenland. Dat vonden ze met vier kinderen te veel gedoe en te duur. Wij gingen elke zomer naar een huisje op een vakantiepark in Nederland. Dat was ook leuk. Ik kan me zulke huisjes herinneren in Sint Anthonis (Noord-Brabant), Exloo (Drenthe) en Bakkeveen (Friesland). Vooral die laatste vakantie weet ik nog goed.

Ik liep er niet alleen in het donker keihard tegen ons huisje aan, maar we mochten er ook met alle kinderen naar de eerste maanlanding kijken. Mijn ouders vonden dat we zo’n historische gebeurtenis moesten zien. Dus zaten we in een volgepropt zaaltje naar een zwart-wit toestel te kijken waar we Neil Amstrong de eerste stappen op de maan zagen maken (“That’s one small step for a man, one giant leap for mankind”).

Apollo_11_first_step

Toen we terugliepen naar ons huisje – niet hollen Martin –  keken we naar de maan om te zien of we Amstrong konden zien. “Net niet” zei mijn vader, hoewel mijn jongere zusje zeker wist dat ze een stipje op de maan zag bewegen.

 

 

De maanlanding is een groot complot

De slimme lezers van dit blog – en al mijn twee lezers zijn slim; wie zou die andere lezer zijn, denkt u nu misschien –  hebben het al lang in de gaten. Deze week gaan mijn blogs over de eerste maanlanding die vijftig jaar geleden heeft plaatsgevonden.

Alhoewel, volgens sommigen heeft er nooit iemand op de maan rond gelopen en is er sprake van een groot complot. Volgens deze complotdenkers zijn de maanlandingen in scene gezet. De reden zou zijn dat de Amerikanen technisch nog niet in staat waren om een veilige maanlanding te doen, maar dat ze a) geen gezichtsverlies wilden lijden – president Kennedy had in 1962 gezegd dat Amerika voor het einde van het decennium een man op de maan zou zetten –  en b) dat ze de Russen “voor wilden zijn”.

Volgens deze theorie lanceerden de Amerikanen een onbemande ruimteraket en filmden ze de drie astronauten ergens in een maandecor. Daartoe hadden ze de bekende regisseur Stanley Kubrick in gehuurd die een jaar eerder de sciencefictionfilm 2001: A Space Odyssey had gemaakt.

Dat de maanlanding inderdaad in een filmstudio heeft plaats gevonden en niet op de maan, blijkt wel uit onderstaande foto. Wie goed naar de achtergrond van de foto kijkt, zie daar namelijk de muren en ramen van de filmstudio.

00 fake

Oké, deze foto is inderdaad niet op de maan genomen, maar tijdens één van de trainingen van de astronauten voor de vlucht.

De complotdenkers komen met allerlei “bewijzen” voor hun theorie. (Zie bijvoorbeeld deze pagina). De drie meest genoemde argumenten zijn:

1) Neil Amstrong werd door een buitencamera gefilmd terwijl hij de eerste stap op de maan zette. Hoe kan dat?

000 stap

2) De Amerikaanse vlag staat te wapperen terwijl er op de maan geen atmosfeer en wind is.

000 vlag

3) Er zijn op de achtergrond van de foto’s die genomen zijn op de maan – en ook op de beroemde foto die genomen is vlak voor de koppeling van de Eagle, het maanlandingsvoertuig, met het moederschip Columbia   – nergens sterren te zien.

000 maanlanderDe maanlander Eagle nadert de Columbia. Op de achtergrond is de aarde te zien maar geen sterren.

Voor het geval uw mond open is gevallen van verbazing, zal ik hem nu weer sluiten. Allereerst hoe kon er een werkende camera zijn die Amstrong van buiten de maanlander kon filmen tijdens zijn afdaling van het trapje?

Dat komt omdat er in de MESA, dat staat voor Modularized Equipment Stowage Assembly’,  zeg maar platvloers een gereedsschapkist die aan de buitenkant van de maanlander zat, ook een camera zat. Terwijl Neil Amstrong nog op de maanlander stond, maakte hij de MESA open. Vanaf aarde werd daarna een signaal gestuurd waardoor de camera werd geactiveerd – dat signaal deed er ongeveer drie seconden over om bij de maan te komen  – waardoor de miljoenen tv-kijkers op aarde Neil Amstrong (met een vertraging van drie seconden) konden zien afdalen op de maan.

000 cameraIn het rode cirkeltje de camera in de MESA

Dan de wapperende vlag. Het lijkt inderdaad net alsof de vlag staat te wapperen. Dat hij er zo “wapperend” uit ziet, komt niet door de wind, maar doordat hij de hele reis kreukelig opgevouwen zat en er zo uit zijn verpakking kwam. Ook was hij iets te groot voor de standaard. Nadat de vlag aan een Г-vormige vlaggenpost was bevestigd, bewoog hij inderdaad even kort, maar dat was het gevolg van het natrillen van de vlaggenstandaard. Even later bewoog de vlag niet meer.

Dat kan je bijvoorbeeld goed zien in onderstaand ‘gifje’ waarin twee foto’s zijn gemonteerd van Buzz Aldrin die kort achter elkaar zijn genomen. Je ziet de astronaut bewegen maar de vlag niet wapperen.

000 as11-40-5874-75

Dan het ontbreken van de sterren op de achtergrond. Dat komt door de sluitertijd. Er was veel licht op de maan op het deel waar de astronauten waren, eigenlijk gewoon daglicht net zoals op aarde. De foto’s werden daarom  met korte sluitertijden genomen om te voorkomen dat er een overbelichting zou optreden. Daardoor  had het veel zwakkere sterrenlicht geen kans om de film te belichten en ook “op de foto te komen.”

Alleen als je foto’s maakt met een veel langere sluitingstijd zou je sterren kunnen zien. Vergelijk bijvoorbeeld eens deze twee foto’s met elkaar.

000 kort2

 

000 lang

Op de bovenste foto uit 2008 is het International Space Station ISS te zien gefotografeerd vanuit de Space Shuttle Atlantis. De foto is met een korte sluitertijd genomen. Er zijn geen sterren te zien.  De onderste foto uit 2011 is genomen vanuit het ISS met een lange sluitertijd. Hij laat de terugkeer naar aarde zien van de Atlantis – dat is de kromme streep op de foto. Boven in deze foto (genomen met een lange sluitertijd) zijn in tegenstelling tot de andere foto met een korte sluitertijd nu wel sterren (de witte puntjes) te zien.

Zo zijn stuk voor stuk steeds allerlei argumenten van complot-denkers weerlegd.

Wat wel waar is, zijn de steeds vaker opduikende geruchten dat ik al deze blogposts niet zelf schrijf. Zo’n constante hoge kwaliteit, dat kan niet. Al die blogposts kan hij nooit zelf schrijven, wordt er dan gezegd. Daar moet hij hulp bij hebben.

Het is waar. Ik zal het maar bekennen, ik heb zelfs nog nooit ook maar één van deze blogposts zelf geschreven. Dat wordt gedaan door een heel team van topcolumnisten en schrijvers, waaronder zelfs enkelen die de Nobelprijs voor literatuur hebben gewonnen.

Het spijt me dat ik u al die jaren voor de gek heb gehouden. Ik had kunnen weten dat het ooit uit zou komen. Abraham Lincoln zei ooit eens: “Men kan sommige mensen voortdurend bedriegen, en alle mensen een tijdje, maar men kan niet alle mensen voortdurend bedriegen.”

Honderd jaar geleden

Met hulp van Delpher zocht ik gisteren even in kranten van 1919 op de combinatie ‘Voorst’ en de naam ‘Van Neck’. Delpher toonde mij een viertal kranten, waaronder de Apeldoornse Courant van 13 juni 1919. De krant van die dag begon met ‘breaking news’ over een fietstocht die zijne koninklijke hoogheid Prins Hendrik een dag eerder te Apeldoorn had gemaakt

Plaatselijk Nieuws. Van het Loo. — Z. K. H. Prins Hendrik bracht gisteravond per rijwiel een bezoek aan den heer I. J. van Dam, voorzitter van de Afdeling „Apeldoorn” der Nederlandsche Padvindersvereeniging, te wiens huize Z. K. H. de thee gebruikte. De Prins was vergezeld van zijn page Jhr. Sminia’

Tot zover het ‘breaking news’ van de Apeldoornse Courant van 13 juni 1919. De reden dat ik met de combinatie ‘Van Neck, Voorst en 1919’ een hit kreeg, was een bericht over enkele rechtszaken die waren behandeld voor de ‘Zutphense Balie’, waarin de naam ‘Van Neck’ voor kwam. (Niet als dader natuurlijk, maar als slachtoffer.)

0000000000 1919apeldoornse courant 13 06 juni

Een diefstal met braak, het wegnemen van klosjes afvalgaren en het aanlengen van melk met water, het is niet de categorie misdaden zoals je ze vandaag de dag in de kranten aantreft, maar toch.

Deze rechtszaken waren echter niet de reden dat ik in kranten uit 1919 op de naam ‘van Neck’ in combinatie met Voorst zocht. Nee, dat deed ik omdat het gisteren precies 100 jaar geleden was dat mijn vader in Voorst was geboren. Ik keek daarom op Delher om te zien of er misschien een geboorteadvertentie of een bericht van de burgerlijke stand te vinden was, maar dat was helaas niet het geval.

Maar goed, gisteren was het dus 100 jaar geleden dat mijn vader was geboren, of zoals mijn broer het per WhatsApp formuleerde:  ‘Wat gaat een eeuw toch gauw!’  Nederland telde in 1919 zo’n 7 miljoen inwoners. Koningin Wilhelmina was de regerende vorstin, Jonkheer mr. Ch.J.M. Ruys de Beerenbrouck van de RKSP – wie kent hem niet – de ‘eerste minister’ zoals het in die tijd heette. Drie weken na de geboorte van mijn vader stemde de Tweede Kamer voor de invoering van het algemeen kiesrecht voor vrouwen, wat overigens niets met de geboorte van mijn vader te maken had.

Mijn vader heeft de honderd niet gehaald. Hij stierf 34 jaar geleden op 66-jarige leeftijd aan de gevolgen van een auto-ongeluk. Ik hoop wel de honderd te halen, maar dat duurt nog wel even. Ik ben namelijk van 1955. Dat is, en nu dwaal ik wel wat af, hetzelfde jaar als waarin Albert Einstein overleed – dit voor degenen die in reïncarnatie geloven.

En nu ik het toch over Albert Einstein heb, ik moet opeens denken aan die beroemde conversatie tussen Albert Einstein en Marilyn Monroe, waarin de laatste gezegd zou hebben: “Het zou toch wat zijn als wij samen een kind zouden hebben. Uw hersens en mijn uiterlijk.”, waarop Albert Einstein zou hebben geantwoord “Interessante gedachte, maar het kan natuurlijk ook andersom  uitpakken.” Volgens sommige bronnen eindigde hier de conversatie, maar volgens andere bronnen zou Marilyn daarna nog gezegd  hebben: ‘Wat bedoelt u?‘, waarop Einstein antwoordde “‘Dit bedoel ik dus.”

Ik geloof overigens helemaal niks van dit verhaal, het is ongetwijfeld een broodje aap verhaal. Volgens mij hebben Einstein en Marilyn Monroe elkaar nooit ontmoet. Of toch wel?

0000000000 2EinsteinEen ‘stil’ uit een reclamefilmpje voor Pepsi cola.

Maar goed, terug naar 1919. Negen dagen na de geboorte van mijn vader was er een volledige zonsverduistering, die te zien was in zowel Zuid-Amerika als in Afrika. Twee expedities reisden vanuit Europa naar die continenten om te zien of het licht rondom de zon   werd afgebogen, iets wat Albert Einstein’s algemene relativiteitstheorie voorspelde. Dat bleek inderdaad het geval te zijn. Mijn vader was op dat moment negen dagen oud. Ik neem aan dat hij hier niks van mee heeft gekregen.

Voor het geval, u nu zegt, wat bazelt hij hier allemaal, citeer ik even nog Albert Einstein: “Logica brengt je van A naar B. Verbeelding brengt je overal.”

 

Een talenwonder

In de Volkskrant verscheen vrijdag een artikel over een promotieonderzoek van cognitiewetenschapper Johanna de Vos naar de studieresultaten van 118 Nederlandse eerstejaars studenten psychologie aan de Radboud Universiteit.  87 studenten deden de opleiding in het Nederlands en 31 in het Engels. Het bleek dat de studenten die les kregen in het Nederlands gemiddeld een half punt hoger scoorden dan de studenten die de lessen in het Engels volgden (7,23 versus 6,68).

De aantallen, zeker van de Engelstalige groep, zijn niet zo groot, dus ik vraag me wel af of de uitkomst echt significant is, maar volgens de onderzoekster was dit het geval, dus dat zal dan wel; het is tenslotte een promotieonderzoek. Of het gebruik van Engels de oorzaak van het verschil in cijfers was, kon de onderzoekster echter niet zeggen. Er kunnen andere oorzaken zijn (zie daarvoor het artikel). Zoals een echte wetenschapper dan zegt: hier is meer onderzoek voor nodig.

Voor wat mij betreft zou een college in het Engels of in het Nederlands absoluut niets uit maken. Ik ben nu eenmaal een talenwonder. In Nederland zijn er naast mij geloof ik nog drie andere mensen die vreemde talen net zo goed beheersen als ik. De ene is mijn tweelingbroer die u kent onder de naam Ivo Niehe, de tweede is Eurocommissaris Frans Timmermans en de derde is minister Sigrid Kaag.

Ik spreek bijvoorbeeld voortreffelijk Nederlands, Engels, Duits en Frans en daarnaast nog eens 6906 andere talen niet. Hoewel als ik heel eerlijk ben, moet ik dit toch enigszins nuanceren. Mijn Nederlands kan iets beter. Zo liet mijn uitgever mijn manuscript voor de Titanic bijvoorbeeld corrigeren door iemand wiens Nederlands net iets beter was dan dat van mij en zoals deze Yvette schreef: “Ik heb er veel werk aan gehad, en hoop dat de tekst er flink van opknapt.”. Zie hier bijvoorbeeld één van de door haar gecorrigeerde pagina’s.

00o scriptEn dit was dan nog één van mijn betere pagina’s.

Ook mijn Engels kan iets beter. Zo gleed de oudste dochter een keer tijdens een vakantie in Amerika bij een wandeling in het Yosemite National Park uit over een gladde steen en hield daar een bloedende knie aan over. Toen een Amerikaan vroeg wat er gebeurd was, antwoordde ik “She slept on a stone.” De dochters hadden dan ook liever niet dat ik iets in het Engels zei.

Voor wat betreft het Duits, die taal kan ik daadwerkelijk heel goed verstaan. Dat komt omdat ik vroeger altijd op de Duitse tv naar het voetballen keek. Woorden als Fallrückzieher (omhaal) en Ecke (hoekschop) zijn appeltje-eitje voor mij (en nee dat noem je op zijn Duits niet ‘apfle-ei’ maar ‘ein Spaziergang’. Ook keek ik altijd met mijn ouders naar Duitse krimi’s zoal Derrick (“Harry, hol mal den wagen”), der Alte en Tatort. Zelfs allerlei dialecten kan ik daardoor volgen. (Bij Tatort zat vaak een Weense commissaris.). Maar andersom, mijn Nederlands – Duits dus, is ‘ehrlich gesagt’ een stuk minder.

Dan het Frans. Dat is eigenlijk nooit verder gekomen dan middelbaarschoolniveau en dat is ook nog eens ver weg gezakt. Opmerkelijk genoeg hadden wij ruim vijftig jaar geleden geen Engels maar wel twee keer een uurtje Frans per week in de hoogste klas van de lagere school. Deelname was vrijwillig maar o wee als je niet mee deed. Daardoor zaten we twee dagen per week al om half acht op school om Frans te leren. “Un, deux, trois, voice mon frère François, quatre, cing, six, voila ma soeur Alice” Dat soort rijmpjes  moesten we dan opdreunen.

Ook het liedje “Alouette, gentille alouette, Alouette, je te plumerai. Je te plumerai la tête. Et la tête! Et la tête! Alouette, Alouette […]!”zongen wij enthousiast mee. Wisten wij veel dat het ging over een leeuwerik die helemaal kaal werd geplukt  (zijn hoofd; zijn snavel; zijn ogen; zijn nek enzovoorts). Hadden we dat geweten, dan waren onze kinderzielen behoorlijk beschadigd geweest.

Enfin, dit allemaal overziend, zou het best wel eens kunnen dat ook ik bij een Engelstalig college een lager cijfer zou scoren dan in het geval dat het vak in het Nederlands werd gegeven. Maar zoals Voltaire ooit eens zei: “De mooie fouten van een genie zijn mij meer waard dan de keurige en koude taal van een academisch purist.”

 

 

Kwaliteit

Nu ik toch bezig ben met verhalen over mijn studie bedrijfskunde aan de TH Twente – opa vertelt van vroeger; zie hier en hier –  wil ik het deze keer even hebben over het vak ‘Kwaliteit’. Een klant die een product koopt verwacht een bepaalde kwaliteit. Het liefst koopt hij een product van een zo hoog mogelijke kwaliteit tegen een zo laag mogelijke prijs, maar wie bijvoorbeeld iets bij de Action koopt weet dat deze combinatie soms niet altijd zal optreden. Wel dat het goedkoop is.

Uit een interview in het AD van 9 maart 2017 met Sander van der Laan, de hoogste baas van de Action. “Wij verkopen geen Jaguar en Rolls-Royce, daar moeten we eerlijk in zijn. Maar wij willen wel degelijk een acceptabele kwaliteit leveren. En dat kunnen wij als geen ander voor een lage prijs, waardoor onze artikelen ook bereikbaar zijn voor mensen met een kleine portemonnee.”

De Action heeft heel veel verschillenden producten in het assortiment. “Mensen vinden ons vooral een hele leuke formule”, zegt Van der Laan. De winkels zijn ingericht op ‘schatzoekers’, legt hij uit. ,,Je weet van tevoren nooit wat je precies vindt, maar je gaat altijd naar huis met meer dan je zocht. Een klant die komt voor sponsjes en vaatwastabletten komt met gemiddeld zeven artikelen bij de kassa en rekent 10 euro af

Even tussendoor, weet u wat in 2017 het meest verkochte product van de Action was? De boodschappentas: daarvan gingen er honderdduizenden per week over de toonbank.

action

Het gaat goed met de Action. Volgens dit berichtje op NU.nl bedroeg de omzet van de Action in 2018 4.2 miljard euro en steeg de operationele winst naar 450 miljoen euro.

Het assortiment van de Action is volgens het artikel in het AD erg groot (6.000 artikelen) en wisselt snel: elke week komen er 150 tot 200 nieuwe artikelen bij en verdwijnen er – op is op – ook weer artikelen. Sommige artikelen halen grote verkoopcijfers. Zo verkoopt Action rond de feestdagen een half miljoen kerstmannen en speciale acties leveren soms spectaculaire verkoopcijfers op zoals 400.000 Toblerone-repen in één week.

Maar goed, terug naar het vak ‘Kwaliteit’. Onze hoogleraar ‘Kwaliteit’ noemde kwaliteit wel eens geschiktheid voor gebruik  – in die definitie past het beleid van de Action goed – en om een “kwalitatief” goed product te maken moet je bepaalde kosten maken.

Zo zijn er allerlei interne kwaliteitskosten, onder andere kwaliteitskosten die je als fabrikant moet maken om een product te maken (ontwerp en ontwikkeling; organisatie van het productieproces, training en opleiding van medewerkers, controlekosten, foutkosten van afgekeurde producten e.d.), maar ook externe kwaliteitskosten (klachtenafhandeling, garantie en herstelkosten, retourkosten e.d).

Om u niet te vervelen – u verwacht immers een bepaalde kwaliteit van deze blogposts – zal ik u echter niet met de theorie van kwaliteit en kwaliteitskosten lastig vallen, maar me beperken tot enkele praktijkvoorbeelden die onze hoogleraar  – professor Harold Vorstman, hij was de eerste directeur Kwaliteit bij Philips; dat was nog in de tijd dat Philips allerlei soorten producten van wc-brillen tot gloeilampen verkocht en fabrieken over de hele wereld had – vertelde tijdens het college.

Zo was hij eens in een Philips-fabriek in Portugal. Daar stond een grote machine die een bepaald product fabriceerde. Aan beide zijdes van de machine was een medewerker aan het werk. De professor vroeg eerst aan de medewerker aan de linkerkant van de machine wat zijn taak was.

Hij moest zorgen dat de temperatuur van het productieproces de hele tijd constant op een bepaalde waarde bleef. Vervolgens vroeg de professor aan de man aan de rechterkant van de machine wat zijn taak was. Hij deed een kwaliteitscontrole van de output. “En wat doet u als de kwaliteit niet goed is?” vroeg de professor. “Dan stel ik met deze knop de temperatuur van de machine  bij.” zei de man.

Dit was volgens de professor nou typisch een voorbeeld van wat er mis kon gaan als je geen goede beschrijving van het productieproces maakte. Dan kon het gebeuren dat je mensen met conflicterende opdrachten aan het werk zette .

Een ander mooi voorbeeld wat er kon gebeuren als je geen goede beschrijving van het productieproces had, was het voorbeeld van een verffabriek. Daar stond een grote mengmachine om van twee kleuren verf een mengkleur te maken. Een machine hield in de gaten of er de goede kleur tot stand was gekomen. Het viel de professor op dat er tijdens het proces een door midden gesneden ui in het verfmengsel werd gegooid en dat als het mengsel de goede kleur had, de ui er weer uit werd gevist.

ui

Deze uien zijn van nature al rood; foto Rasbak; Wikipedia

Hij vroeg waarvoor dat was maar niemand van de mensen die de machine bedienden had enig idee waarom dat werd gedaan. Zo lang ze dit werk deden gooide ze er al een ui in. Ook andere mensen van de afdeling wisten niet waarom er een ui in werd gegooid.

Wat bleek, vroeger toen er nog geen machine was die de goede kleurensamenstelling in de gaten hield, gooide men er een ui in. Aan de verkleuring van de ringen van de ui kon men dan zien of de samenstelling van het mengel goed was. Nu had met de nieuwe machine de ui geen enkel nut meer, maar omdat in het productie-proces niet was vastgelegd wat de rol van de ui was, bleef men de ui er in gooien.

Bij het vak ‘Kwaliteit’ hoorde ook een dag “kwaliteit kijken” in een fabriek in de omgeving van Enschede en daar dan een rapport over schrijven. De groep van het jaar voor ons was naar de Wavin-frabiek in Hardenberg geweest. Die fabriek produceerde in die tijd onder andere PVC-buizen. De man die de rondleiding deed, liet vol trots een machine zien die de buizen controleerde en afgekeurde buizen automatisch verwijderde.

Eén van de studenten pakte een afgekeurde buis uit de afvalbak en liep naar het begin van de keuringsmachine. Hij zette een kruisje op de buis en gooide de buis in de machine. “Waarom doet u dat?” vroeg de man van Wavin. “Ik wil zien of de machine consequent is en de buis opnieuw afkeurt.” Bij de Wavin had niemand er aan gedacht om die test te houden. De jongen kreeg prompt een baan aangeboden.

Wijzelf liepen een dagje rond bij Vredestein, een bandenfabriek. Daar leerden we dat je theoretisch wel een mooi kwaliteits-programma kon opzetten, maar dat de praktijk soms weerbarstig kon zijn. Zo vertelde onze begeleider vol trots dat ze alle dure banden een stickertje gaven waarop stond op welke machine de band was gemaakt. Mocht blijken dat er een fout in het productieproces was opgetreden, dan konden ze makkelijk zien waar alle banden van die machine zich in de fabriek bevonden.

In de fabriek zagen we inderdaad een man met de stickertjes aan het werk. Hij plakte precies zoals onze begeleider had gezegd een stickertje op elke band.

vredestein

Twee mensen aan het werk in de fabriek van Vredestein in Enschede. De man rechts met de bril en de anjer is de stickertjes-plakker. Foto Harry Pot; Anefo; Nationaal Archief,

We zagen echter dat hij nog maar weinig stickertjes in zijn bakje had. “Wat deed hij als zijn stickertjes op waren? Zette hij dan het productieproces stil en ging hij dan nieuwe stickertjes halen?” vroegen we hem. Nee dat niet, dan leende hij wat stickertjes van zijn collega van de machine naast hem. De volgende morgen vulde hij dan wel weer zijn eigen stickertjes aan. Tot zover het verschil tussen theorie en praktijk.

Professor Vorstman overleed afgelopen december op 97-jarige leeftijd.

 

Personeelspsychologie (2)

Gisteren schreef ik over het college personeelspsychologie van professor Aloysius van Hoesel en de testen die hij ons tijdens zijn colleges liet maken. Vandaag nog een voorbeeld hoe hij ons zaken duidelijk trachtte te maken. In dit geval betrof het de vraag of bedrijven sollicitanten een pasfoto mee moesten laten sturen bij hun sollicitatiebrief of niet. (Ja, ja, in die tijd schreef je als sollicitant nog een brief.)

Maar voordat de professor die vraag ging beantwoorden, liet hij ons eerst twee grote foto’s zien. Op de ene was een vriendelijk lachende man te zien, op de andere foto stond een streng kijkend iemand met een nazi-pet op. De vraag was wie van de twee we het liefst als schoonvader hadden? De vriendelijk lachende man scoorde 100%.

Dat was dus een Amerikaanse seriemoordenaar zei de professor in wiens tuin de lichamen van negen vermiste prostitués waren aangetroffen. (In de tuin van de seriemoordenaar uiteraard, niet in de tuin van de professor.) De andere was een populaire acteur die de rol van een Duitse SS’er in een oorlogsfilm speelde.

De moraal van het verhaal was dat je niet alleen op een foto moest af gaan, maar dat je moest proberen om zo veel mogelijk informatie te krijgen voordat je een keuze maakte. Had bijvoorbeeld iemand van ons hem eerst gevraagd wie de mensen op de foto waren, dan had hij gezegd een seriemoordenaar en een acteur, maar ja, niemand van ons had de vraag gesteld.

Maar goed, nu de kwestie van het wel of niet mee laten sturen van pasfoto’s door sollicitanten. Daartoe had hij een test bij zich. We kregen allemaal een blad met 100 pasfoto’s en een invulformulier. Het ging in dit geval om een bedrijf dat op zoek was naar een boekhouder. Ze zochten iemand die accuraat was en goed met cijfers.

Nu hadden alle honderd mensen op de foto uitgebreide psychologisch onderzoeken en allerlei testen ondergaan, waarbij vastgesteld was of ze de gewenste eigenschappen voor een boekhouder hadden of niet. Van de honderd mensen op de foto hadden vijftig mensen wel de gewenste eigenschappen, de andere vijftig niet. Aan ons nu de schone taak om  aan de hand van de pasfoto’s aan te geven of wij dachten dat de betreffende persoon geschikt was of niet.

Het was een doorsnee van de bevolking: man, vrouw, oud, jong, bedachtzaam kijkend dan wel vrolijk lachend. Eentje had een potloodje achter zijn oor gestopt. Dat moest vast wel een goede boekhouder zijn dacht ik, maar voor de rest viel het me niet mee. Nadat iedereen klaar was met de test – we moesten onze namen op het formulier zetten – werden de invulformulieren door een assistent van de professor ingenomen. Terwijl het college door ging keek de assistent de formulieren na.

Na de pauze kregen we de uitslag. Er was sprake van een normaalverdeling.

normaalverdelingVoorbeeld van een normaalverdeling

Gemiddeld hadden we 44% van de mensen goed ingeschat zei de professor. Dat was zelfs nog minder dan de vijftig procent die we gescoord zouden hebben als we alleen maar gegokt hadden. Degene van ons die de meeste mensen goed had gekwalificeerd, had een score van 62%.

Dat we gemiddeld nog niet eens de vijftig procent haalden, kwam door vooroordelen legde de professor uit. Zo zaten er dertig mensen in de test met een bril, vijftien van die brildragers waren goed met cijfers, vijftien niet. Maar bij ons scoorden de brildragers veel beter. Dat was typisch een voorbeeld van een vooroordeel. Dat mensen met een bril beter met cijfers zijn dan met mensen zonder bril, was volkomen lariekoek zei de professor. Het enige wat je over mensen met een bril kon zeggen, was dat ze minder goede ogen hadden. Daarnaast was er ook nog licht vooroordeel over vrouwen. Ze zouden volgens onze inschatting minder goed met cijfers zijn dan de mannen.

Dat we gemiddeld nog niet eens een score van vijftig procent goed ingeschat hadden,  bewees volgens de professor dan ook overtuigend dat het vragen om een pasfoto bij een sollicitatiebrief geen enkele zin had. Sterker nog, je sloot er op grond van vooroordelen zelfs geschikte kandidaten mee uit. Alleen als het uiterlijk een onderdeel van de functie was, zoals bij fotomodellen, dan had het zin.

Maar”, zo zei de professor, “Er is vandaag iets unieks gebeurd, wat nog nooit eerder bij mijn colleges in voorgaande jaren is voor gekomen. “Wie van u is Martin van Neck?” Verbaasd keek ik op toen ik mijn naam hoorde. Aarzelend stak ik mijn vinger op. “Meneer van Neck, voor het eerst in al die jaren dat we hier deze test doen, hebben we iemand wiens inschatting op basis van alleen een pasfoto het bedrijf kan helpen om de juiste sollicitant uit te nodigen. Bij u is er namelijk sprake van een 97%-betrouwbaarheidsinterval. Ik had het, ik zeg het maar eerlijk, niet gedacht dat het ooit zou gebeuren, maar vandaag is het dan toch gebeurd.”

Ik voelde een zekere trots. Totdat de professor zei: “U had maar drie van de honderd mensen goed ingeschat. Hiermee kan een bedrijf wat, alleen wel in negatieve zin, want wat u zegt klopt niet. Maar trekt u zich dit niet persoonlijk aan. Het is maar een test.”

Ik ben maar nooit op een afdeling Personeelszaken gaan werken. Professor van Hoesel overleed in 2010. Hij werd bijna 90 jaar oud.

 

Personeelspsychologie (1)

Alvorens ik met mijn blog begin – ok, eigenlijk ben ik al begonnen – wil ik u eerst even deze foto laten zien.

Monroe

Het is een foto uit 1945 gemaakt door de Amerikaanse legerfotograaf David Conover. De foto verscheen op 26 juni 1945 in het blad ‘Yank, the Army Weekly’, een blad voor Amerikaanse militairen tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Op de foto staat een vrouw met een propeller in de hand die in een vliegtuigfabriek werkt. Het is echter niet zo maar een vrouw die hier aan het werk is. Het is een nog jonge – ze is hier negentien jaar oud – Norma Jeane Dougherty. Later is ze onder een andere naam beroemd geworden. U kent haar als Marilyn Monroe.

Maar goed, nu de blog van vandaag. Tijdens mijn studie Bedrijfskunde aan wat toen nog de TH Twente heette, hadden we ook een vak dat personeelspsychologie heette. Het werd gegeven door professor Aloysius van Hoesel. In het dagelijkse leven was hij hoofd van de psychologische dienst van AKZO en daarnaast was hij buitengewoon hoogleraar in de algemene bedrijfspsychologie aan de TH Twente.  Op een geestige manier probeerde hij altijd zijn studenten wat praktische psychologische kennis bij te brengen.

Zijn colleges waren erg  leuk en daarom ook heel populair. Soms zat er zelfs wel eens een portier of een meisje uit de kantine in de zaal, niet om college te volgen maar gewoon omdat ze gehoord hadden dat hij zo grappig les gaf. Op een dag kwam er vlak voor de pauze zijn secretaresse opeens de zaal in lopen. Ze droeg een bord met daarop de tekst ‘Na de pauze een test’. Ze liep een keer heen en weer voor de zaal langs, zwaaide nog even bij de deur en verliet toen de zaal. We keken haar met een verbaasde blik na. De professor zei er niks over.

Na de pauze kwam hij er op terug. “Weet u nog dat mijn secretaresse voor de pauze de zaal binnen kwam lopen?” Ja dat wist iedereen nog. “En weet u nog dat ze een bord droeg?” Ja, dat wist ook iedereen nog. “Ok, nu gaan we een test doen. Ik ga u niet vragen wat er op dat bord stond, dat diende slechts als afleiding, ik wil graag dat u opschrijft wat voor een kleren ze droeg. De linkerhelft van de zaal krijgt een multiple choice formulier, de rechterhelft een leeg blaadje waar ze zelf op moeten schrijven wat ze droeg.”

Ik zat in de linkerhelft. Ik kon kiezen uit een zwarte broek, een bruine broek of een blauwe broek. Eerlijk gezegd wist ik niet goed meer wat ze aan had. Ik had ook meer op het bord gelet dan op wat ze droeg. Het stond me vaag bij dat ze iets blauws aan had en ik kruiste het vakje met ‘blauwe broek’ aan.

Toen iedereen klaar was, riep de professor zijn secretaresse binnen om de papieren op te halen. Ze droeg een blauwe jurk.

Wacht maar even met ophalen van de papieren van de linkerhelft. Ik denk niet dat het nodig is” zei hij. “Of is er iemand van die helft die niet één van de drie broek-mogelijkheden heeft aangekruist, maar op het papier heeft geschreven dat ze een jurk droeg?” Nee, dat had niemand gedaan. Iedereen had voor één van de drie broek-mogelijkheden gekozen.”

Wat we hiervan leren, althans dat is de bedoeling”, sprak de professor vervolgens, “is dat mensen veel te gemakkelijk op een autoriteit af gaan. U krijgt een papiertje van een autoriteit, in dit geval van mij als professor , met alleen maar foute informatie er op. Toch besluit u allemaal om één van de drie door mij aangereikte mogelijkheden aan te kruizen. Niemand durfde mij tegen te spreken en op te schrijven dat ze een jurk droeg, als u het al gezien had. Kortom, kijk heel goed uit met het klakkeloos overnemen van informatie die u van een autoriteit krijgt aangereikt

Ook kunnen we hiervan leren”, vervolgde hij, “dat open vragen in de vorm van “Wat zag u?” vaak een beter resultaat opleveren dan een gesloten vraag in de vorm van: “Was het een zwarte broek? Maar om dat laatste te controleren, vraag ik mijn secretaresse nu even snel de antwoorden van de rechterhelft te controleren.”

De uitkomst was dat slechts zo’n 20% procent een blauwe jurk had opgeschreven. De rest had of de kleur fout of broek in plaats van jurk opgeschreven. “Het leerpunt hiervan is” zei de professor “dat getuigen vaak onbetrouwbaar zijn. Slechts een kwartiertje geleden heeft u haar zien lopen. Toch geeft 80% van u een foute beschrijving van haar kleren. Nu werd u afgeleid door het bord dat ze droeg, maar in het dagelijks leven zijn er heel veel zaken die afleiden. Kortom, wees heel voorzichtig als iemand u iets vertelt wat  hij heeft meegemaakt, behalve als hij zegt dat hij een goed college van mij heeft bijgewoond. Dan moet u hem direct geloven.”

Om te kijken of u een goede getuige bent, mag u nu – zonder naar boven te scrollen – bedenken wat voor kleren Marilyn Monroe op de foto aanhad. Weet u het nog? Dan mag u nu kijken of u het goed had.

 

Big Bang

Maandag was hoogleraar theoretische sterrenkunde Vincent Icke te gast bij De Wereld Draait Door. Het ging over een boek van Stephan Hawking dat postuum was verschenen. Zie hier. Aan de orde kwam ook de vraag of er een God was en ook de Big Bang waarmee het heelal ontstond kwam ter sprake. Volgens Vincent Icke begon met die knal, ongeveer 13,7 miljard geleden, ook de tijd. Daarvoor was er niets. Ook geen tijd.

0 dwdd

Matthijs van Nieuwkerk kon zich dat niet goed voorstellen. Er moest toch iets zijn dat in een nanaseconde daarvoor die knal had veroorzaakt en dan kwam je toch dicht bij een God dacht hij. Hij vertelde dat hij er ook met professor Veringa, die een aantal jaar geleden de Nobelprijs voor scheikunde had gewonnen, over had gesproken en die zei dat hij ook die gevoelens had. Daarop merkte Vincent Icke gevat op dat Veringa de Nobelprijs voor scheikunde had gewonnen, niet die voor natuurkunde. Voor de Big Bang was er nu eenmaal niets, aldus Vincent Icke. Geen tijd, ook geen nanoseconde.

Matthijs van Nieuwkerk vond dat maar moeilijk te bevatten, evenals tafelheer Jan Mulder die graag wou weten wat dat ‘niets’ dan wel niet was. Omdat Vincent Icke minstens een kwartier nodig zou hebben om uit te leggen wat niets was, zag hij daar echter van af.

Wat Matthijs van Nieuwkerk en Jan Mulder zich volgens een andere bekende professor – uw eigen professor Van Neck –  misschien niet realiseren, is dat ieder mens zijn eigen big bang moment heeft gehad, namelijk zijn eigen ontstaan. Nu is de samensmelting van een eitje van mijn moeder en het zaadje van mijn vader hoogstwaarschijnlijk niet met een luide knal geschied, maar je kan die gebeurtenis waarbij ik tot leven kwam wel zien als mijn persoonlijke big bang. Opeens was mijn bestaan er. Daarvoor bestond ik niet. Of te wel ieder mens heeft zijn eigen persoonlijke oerknal.

Nu denk ik  dat ik voor deze ontdekking waarschijnlijk geen Nobelprijs zal krijgen , maar je weet het maar nooit. U mag mij nomineren (om een Nobelprijs te krijgen moet je genomineerd worden). En over Nobelprijzen voor de theorieën met betrekking tot de Big Bang gesproken, ik las op de site van Kennislink een aardig stukje over hoe je aan een Nobelprijs komt. Niet iedereen krijgt de prijs die hij verdient. Leest u even mee:

“[…] Natuurlijk is er steevast dispuut over laureaten die hem eigenlijk niet verdienen en anderen die hem wel hadden moeten krijgen. Pikant is dat de relativiteitstheorie, wellicht de grootste individuele wetenschappelijke prestatie ooit, nooit is beloond met een Nobelprijs (Einstein kreeg hem voor zijn verklaring van het foto-elektrisch effect). Evenmin leidt de ontdekking van de elektronenspin door Uhlenbeck en Goudsmit tot een Nobelprijs.

Een wrang geval van miskenning is de ontdekking van de kosmische achtergrondstraling door Arno Penzias en Robert Wilson, een regelrecht bewijs voor de Oerknaltheorie. Al in 1948 schrijft natuurkundige Ralph Alpher zijn dissertatie over de Oerknal en voorspelt hij de aanwezigheid van kosmische achtergrondstraling van zo’n vijf kelvin. De tijd is niet rijp – niemand is geïnteresseerd, het prille vakgebied van de radioastronomie toont geen belangstelling om naar die straling te zoeken, en Alpher raakt vergeten.

Later pikt Robert Dicke de Oerknaltheorie op en doet het werk nog eens dunnetjes over. Hij is al een radioantenne aan het bouwen als Penzias en Wilson bij toeval de achtergrondstraling ontdekken. Het levert hun tweeën in 1978 de Nobelprijs op. Dicke wordt daarbij vergeten en van Ralph Alpher heeft niemand ooit gehoord.”

Dus mensen, nomineer mij even voor mijn ontdekking dat ieder mens een eigen Big Bang heeft gehad, anders zit over 100 jaar iemand een blog te schrijven over waarom ik nooit een Nobelprijs heb gewonnen. En dat willen we niet.

Het menselijk geheugen

In juli schreef ik een blogpost over de Jachtlaan 28 in Apeldoorn. Dat is het huis waar ik geboren ben en waar ik tot mijn tiende heb gewoond. Ik schreef onder andere over een luik op zolder, waaronder een ruimte was waar vermoedelijk in de Tweede Wereldoorlog onderduikers hadden gezeten.

Deze week kreeg ik een mail van de huidige bewoner van het huis met de vraag of ik nog foto’s van het huis uit die tijd had. Die had ik eigenlijk niet, wel stuurde ik hem wat informatie over het huis en de directe omgeving uit die tijd. Ik stuurde de mail ook naar mijn oudere broer met de vraag of hij nog foto’s had en of ik in mijn mail en in mijn blogpost niet te veel onzin had verteld. Mijn broer is niet alleen ouder en wijzer, maar heeft ook een beter geheugen. Mijn geheugen bleek niet helemaal vlekkeloos gewerkt te hebben. Zo schreef mijn broer over de onderduikers in het huis aan de huidige bewoner:

Er zat direct op de zolder een luik verborgen onder het zeil. Alleen die berging was niet zo diep als mijn broer dacht. Vermoedelijk hebben daar illegale dingen in de oorlog gelegen. Boven de zolderkamer zat verborgen nog een bergruimte. Daar zaten vermoedelijk de onderduikers. Verder was er een raadselachtige koker naar de achterste slaapkamer, waar ik sliep. Geen idee waar die voor diende.”

Kortom, de kern van mijn verhaal – de onderduikers – zat nog wel goed in mijn geheugen, maar de details niet. Gisteren las ik toevallig in de Voetbal International een verhaal, geschreven door Geert-Jan Jacobs, waarin dit fenomeen – de kern van het verhaal klopt maar de details zitten fout in het geheugen – ook te zien was. Het betreft een anekdote die de cabaretier Freek de Jonge tijdens een bijeenkomst in het Abe Lenstra Stadion in Heerenveen vertelde over een ontmoeting van hem met Abe Lenstra. Ik citeer uit het stuk.

Eén keer ontmoette hij zijn idool. Het gebeurde in Zaandam, waar het gezin De Jonge begin jaren vijftig vanuit het Friese Workum was neergestreken. Tussen huis en basisschool passeerde hij altijd de fietsenwinkel annex sportzaak van Lou Rep, de oom van de latere international John. Op zekere middag, volgens de Jonge was het in 1951 of 1952, wierp hij een blik in Reps toko en zag daar tot zijn verbijstering een overbekend silhouet. Dat van Abe Lenstra, die geknield aan de voeten van de winkeleigenaar zat.

‘Hij keek naar buiten, onze blikken kruisten elkaar. Toen móét Abe iets gezien hebben van mijn Friese achtergrond, dat kan niet anders. Hij deed de deur open en zei: “Do moat ik hawwe!”. Abe was vertegenwoordiger bij Quick, hij ging het hele land door met schoenen. Hij haalde een paar Quick Juniors uit zijn tas en legde aan Lou uit dat zelfs de grootste boerenlul met die schoenen heel aardig kon voetballen. Dus ik kreeg ze aangemeten.’  

 In het Abe Lenstra Stadion deinen grijze kruinen geamuseerd op en neer als De Jonge voordoet hoe hij al die jaren geleden de bal zorgvuldig klaarlegde en de moeder aller aanlopen nam. ‘Ik gaf dat ding een onvoorstelbare hengst. Die bal knalde tegen de muur, vloog door de hele zaak en eindigde op een plank met sportbekers. Ze vielen allemaal op de grond.” Abe stond er hoofdschuddend bij en zei: “Dat is net sa best.”. Waarop ik antwoordde: “Mar wol in de priezen!” Lenstra adviseerde het spichtige kereltje komiek te worden, een tip die De Jonge ter harte nam.

Tot zover de anekdote van Freek de Jonge. Hij blijkt echter niet alle details juist te hebben, want het verhaal in de VI gaat als volgt verder:

‘Leuk verhaal’, zegt een besnorde meneer in het publiek. Hij hoorde de anekdote van De Jonge al een keer of vijf eerder, maar kon er toch wel weer om gniffelen. ‘Er zaten wel een paar foutjes in.’ Met glinsterende ogen:  ‘In 1951 en 1952 was Abe nog werkzaam op het gemeentehuis van Heerenveen, dus in die jaren kan dit nooit gebeurd zijn. Bovendien was hij later geen vertegenwoordiger namens Quick. Abe ging de winkels langs met zijn eigen sportschoen: De Abe Junior’.

0000 abe29 januari 1952; Abe Lenstra aan het werk op het gemeentehuis van Heerenveen; foto Harry Pot, Anefo, Nationaal Archief

Kortom, ook bij Freek de Jonge is te zien dat menselijke geheugen soms details van verhalen uit het verleden aanpast of vergeet en dat brengt me naar de actualiteit. In Amerika beschuldigt dr. Christine Blasey Ford Brett Kavanaugh, Trump’s kandidaat voor het Hooggerechtshof, er van dat hij haar begin jaren tachtig seksueel heeft belaagd.

Omdat zij niet meer precies wist, wanneer en waar dit gebeurde, beweren een aantal leden van de Republikeinse partij dat deze beschuldiging niet waar kan zijn. Die redenatie lijkt me niet juist. Het lijkt me eerder een voorbeeld dat het menselijk geheugen wel de kern van de zaak onthoudt, maar de details vergeet of verkeerd onthoudt. Vooralsnog geloof ik haar wel. Brett Kavanaugh lijkt me gezien zijn opvattingen over allerlei zaken sowieso geen geschikte kandidaat, maar dat is een heel ander verhaal.

Een plakkende Mondriaan en een bordurende Vermeer

Vandaag is het blogpost nummer 600. Dat moet dus niet zo maar een niemendalletje zijn maar een weloverwogen goeddoordachte blogpost. Daarom een wetenschappelijk verhaal en wel over hoe schilders  tot hun compositie komen. Het antwoord daarop luidt: ieder heeft zijn eigen methode.  Zo, daar kijkt u van op of niet?

Ik pak er even twee voorbeelden bij. Allereerst Piet Mondriaan. Zijn laatste schilderij was de Victor Boogie Woogie.

mondriaan 2Dit schilderij was toen de schilder in 1944 overleed nog niet af. Daardoor kunnen we zien hoe hij werkte. Als je goed naar het schilderij kijkt, dan zie je namelijk dat hij gebruikte maakte van gekleurde stukjes cellotape.

mondriaan

Als de compositie hem beviel, dan haalde hij de cellotape weg en schilderde hij het vakje in de goedgekeurde kleur en afmeting.

Een heel andere werkwijze had Johannes Vermeer. Die borduurde eerst zijn ontwerp voordat hij het schilderde.  Vermeer, een bekwaam borduurder,  was een veeleisend man. De compositie moest eerst perfect zijn voordat hij deze met verf op het doek zette. Voordat hij zich aan het schilderen zette, had hij al honderden borduurwerken van het onderwerp gemaakt.

Zo zag ik van de week twee van deze Vermeer-borduursels in onze plaatselijke kringloopwinkel.

vermeer

Het geborduurde melkmeisje is zo te zien al bijna de definitieve versie.

vermeer melkmeisje

Dat geldt echter niet voor ‘Het glas wijn’ dat in het Gemälde Museum in Berlijn hangt.

vermeer glas wijn

vermeer berlijnUw deskundige gids in 2015 in Berlijn 

Vergelijk het borduursel van Vermeer eens met de uiteindelijke versie. Het is een wereld van verschil.

vermeer glas wijn 2JPG vermeer glas wijn

De definitieve kleuren zijn anders en ook in de compositie heeft hij heel wat  veranderingen gebracht. Wel is de rudimentaire opzet van het schilderij al goed te zien

Tot slot, ik hoor het u vragen, zijn die borduursels van Vermeer ook veel geld waard? Helaas, het antwoord is nee. Dit omdat hij er zo veel van heeft gemaakt.  Voor elke schilderij wel honderden, soms wel duizend.  Zo weinig Vermeer schilderde, zo veel borduurde hij. En daarnaast zijn er ook nog eens veel vervalsingen van zijn borduurwerken in omloop.

Ik heb deze twee borduurwerkjes dan ook laten staan.

 

Een wetenschappelijk artikel

Zoals elders op de site te lezen valt, ben ik op zoek naar het tweede straatje van Vermeer. In het kader daarvan heb ik wel eens contact gehad met professor Frans Grijzenhout van de Universiteit van Amsterdam. Deze ontdekte eind 2015 aan de hand van een oud belastingboek welke huizen stonden afgebeeld op het (eerste) Straatje van Vermeer: Vlamingstraat 40-42 in Delft. Niet iedereen was het echter met zijn conclusie eens. Onder andere de heren  Eijkelboom en Vermeer – niet de schilder zelf; ook geen familie – schreven een artikel waarin zij stelden dat de professor het onjuist had.

Eén van hun argumenten was dat de aanwezigheid van een schrobgoot op het schilderij niet hoefde in te houden dat de huizen aan een gracht moesten liggen. Sterker nog een schrobgoot zou juist een aanwijzing kunnen zijn dat er geen gracht was. Dat zou de theorie van de professor onderuit halen, want het belastingboek waarop hij zich baseerde bevatte de belastinggegevens van huizen die in 1660 aan een gracht lagen. En als er geen gracht was, dan klopte de theorie van de professor niet. Ik citeer even een stukje van Eijkelboom en Vermeer waarin zij dit punt opwierpen.

[…]“De goot kan evenwel met evenveel recht geduid worden als een aanwijzing tegen de aanwezigheid van de gracht. Als er over de volle breedte van het schilderij, net buiten beeld, een gracht zou zijn, zo zou de redenering kunnen luiden, zou het niet hebben uitgemaakt waar het water de gracht in liep. Het afschot (een bewust aangebrachte helling van een straat voor het laten weglopen van vloeistof) van een straat langs een gracht loopt namelijk doorgaans vanaf de gevelwand licht naar de gracht af, om te voorkomen dat water terugloopt naar de bebouwing en daarin binnendringt. Goten aan de kant van de gevel of dwarsgoten, zoals op het schilderij, zijn daarom niet nodig. De bewoner had zich dan de moeite van de aanleg van een voor het verkeer hinderlijke goot kunnen besparen. Juist het gegeven dat het overtollige water voor verdere afvoer naar een specifieke plaats moest worden geleid, zou erop kunnen wijzen dat er geen gracht gedacht is.”

Dat leek me geen juiste redenatie. In een mailtje naar de professor stipte ik dit onderwerp ook even aan. Ik schreef: “Ik zou zeggen dat gezien het feit dat de goot doorloopt over straat, dit juist wel wijst op een gracht. Immers als er een gracht is om het water af te laten voeren, dan wil je het water er zo snel mogelijk heen leiden en het zich niet laten verspreiden over straat. Ik heb daarom even een uitgebreide steekproef gedaan (n=1) om te kijken of er op schilderijen uit Delft uit die tijd afvoergoten richting grachten e.d. te zien zijn. Ik heb gekeken naar het Gezicht op Delft van Vermeer. Als ik dan inzoom op de kade aan de overkant van de trekvaart, dan lijken daar ook afvoergoten zichtbaar te zijn die naar de trekvaart leiden. Maar dat kan ik fout zien en wellicht zijn het helemaal geen afvoergoten. Zie de afbeelding.

00000 vermeer

De professor reageerde hier niet op, maar blijkbaar was hij het wel met me eens. Want dit voorjaar zag ik opeens mijn naam terug in een artikel in het blad KNOB-2018-1. De professor schreef daarin een wetenschappelijk artikel waarin hij alle kritiek op zijn aanname dat de afgebeelde huizen de Vlamingstraar 40 en 42 waren, overtuigend weerlegde, althans dat vond ik. Zie hier de voorpagina van zijn artikel (waar overigens ook de schrobgoot te zien is.)

00000 0

Tot mijn verrassing zag ik mijn naam twee keer in het artikel opduiken. De eerste keer bij een stukje dat ging over de schrobgoten. De professor schrijft over de schrobgoot:

00000 1 00000 2

Ook gebruikte hij in het artikel een citaat van Benjamin Franklin dat ik in mijn mailtje aan hem had opgenomen. Mijn mail beëindigde ik namelijk met: “Kortom, zo ver ik het kan beoordelen staat jouw theorie nog steeds overeind. Bovendien een theorie die gebaseerd is op belastingboeken die moet wel kloppen. Zoals Benjamin Franklin al zei: “Op deze wereld is niets zeker, behalve de dood en de belastingen.”

Blijkbaar vond de professor dat een leuk citaat. Elders in het stuk, bij de weerlegging van de kritek van een Engelsman die twijfels uitte over de betrouwbaarheid van het gebruikte belastingboek schreef de professor: “Op grond van dat register moesten burgers immers daadwerkelijk belasting betalen voor het onderhoud van de kade en het uitdiepen van de gracht voor hun deur, en niemand – toen niet en nu niet – wil meer belasting betalen dan strikt noodzakelijk. Bovendien, zoals Benjamin Franklin al zei: ‘(…) in this world nothing can be said to be certain, except death and taxes’. (18) We kunnen de gegevens uit het belastingregister dus maar beter serieus nemen.”

Alleen in een wetenschappelijk artikel mag je niet zo maar een citaat opnemen. Je moet ook de bron weergeven.  En wie zie ik daar in voetnoot 18 vermeld staan? Uw verslaggever!

00000 3

Kijk, daar staat mijn naam nog een keer. Ik word dus liefst twee keer opgevoerd in een wetenschappelijk artikel. Ik voel me dan ook zeer vereerd en ook een stuk slimmer nu. U ook?

00000 4

Voetnoot

In november 2015 onthulde professor Frans Grijzenhout dat op het schilderij ‘Het Straatje’ van Vermeer hoogstwaarschijnlijk de (toenmalige) huizen Vlamingstraat 40 en 42 in Delft stonden afgebeeld. Hij baseerde zich hierbij vooral op een belastingboek – ‘Legger van het diepen der wateren binnen de stad Delft’ uit 1667 (ook wel het ‘Register op het kadegeld’ genoemd – dat nauwkeurig aangaf hoe breed huizen en poorten in Delft waren die in die tijd aan een gracht lagen. Afhankelijk van de breedte van de huizen en poorten moesten de eigenaren belasting betalen.

Er verscheen een boek over zijn vondst en in het Rijksmuseum – en later ook in Museum Prinsenhof Delft –  was er een tentoonstelling over het onderwerp en ik moet zeggen dat de onderbouwing van de professor vrij overtuigend was. Echter niet iedereen, vooral een aantal mensen die een andere theorie m.b.t de locatie van de huizen op het schilderij aanhingen, was het met de professor eens.

Zo schreef een zekere Gerrit Vermeer – geen familie van de schilder –  samen met ene Gert Eijkelboom een kritisch stuk, waarin één van hun tegenargumenten was dat de aanwezigheid van een schrobgoot op het schilderij helemaal niet hoefde te betekenen dat er een gracht voor de huizen liep. (De aanwezigheid van de gracht gecombineerd met het ‘Register op het kadegeld’ was een essentieel onderdeel van de ‘bewijsvoering’ van de professor.

[…]. De goot kan evenwel met evenveel recht geduid worden als een aanwijzing tegen de aanwezigheid van de gracht. Als er over de volle breedte van het schilderij, net buiten beeld, een gracht zou zijn, zo zou de redenering kunnen luiden, zou het niet hebben uitgemaakt waar het water de gracht in liep. Het afschot (een bewust aangebrachte helling van een straat voor het laten weglopen van vloeistof) van een straat langs een gracht loopt namelijk doorgaans vanaf de gevelwand licht naar de gracht af, om te voorkomen dat water terugloopt naar de bebouwing en daarin binnendringt. Goten aan de kant van de gevel of dwarsgoten, zoals op het schilderij, zijn daarom niet nodig. De bewoner had zich dan de moeite van de aanleg van een voor het verkeer hinderlijke goot kunnen besparen. Juist het gegeven dat het overtollige water voor verdere afvoer naar een specifieke plaats moest worden geleid, zou erop kunnen wijzen dat er geen gracht gedacht is.” aldus de twee critici.

Nu had ik in het kader van mijn onderzoek naar het tweede Straatje van Vermeer een keer ‘Het Gezicht op Delft’ van Vermeer uitgebreid bestudeerd en gezien dat op dit schilderij ook schrobgoten stonden afgebeeld, die stuk voor stuk het water rechtstreeks naar een trekvaart afvoerden. In een mailtje aan de professor – ik had al eens een keer eerder over mijn onderzoek naar het Tweede Straatje van Vermeer met hem gecorrespondeerd – wees ik hem op deze schrobgoten.

Vorige maand verscheen er in het bulletin van Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond een uitgebreid wetenschappelijk artikel van de professor, waarin hij mijn inziens overtuigend alle kritiek op zijn onderzoek weerlegt.

0 vermeer

Mijn “vondst” van de aanwezigheid van schrobgoten op ‘Het gezicht op Delft’ wordt (keurig met naamsvermelding) ook even kort genoemd – ik sta nu in een wetenschappelijk artikel (!) – , maar dat is niet de reden dat ik hier over het artikel van de professor schrijf. De reden daarvoor is niet de inhoud, maar om te laten zien hoe je in een wetenschappelijk artikel alles moet verantwoorden in bronnen en voetnoten. In mijn mailtje aan de professor schreef ik namelijk:

Kortom, zo ver ik het kan beoordelen staat jouw theorie nog steeds overeind. Bovendien een theorie die gebaseerd is op belastingboeken die moet wel kloppen. Zoals Benjamin Franklin al zei: “Op deze wereld is niets zeker, behalve de dood en de belastingen.”

Blijkbaar vond de professor dit een leuk citaat en hij gebruikt het dan ook in zijn artikel. Maar niet zoals ik het opschreef. Je kan niet zomaar een vrije Nederlandse vertaling opnemen. Het moet wel wetenschappelijk onderbouwd zijn. Ik zag dat de professor zelfs de oorspronkelijke bron en tekst had opgezocht. Uit het (dertien pagina’s lange) artikel van professor Grijzenhout:

Op grond van dat register moesten burgers immers daadwerkelijk belasting betalen voor het onderhoud van de kade en het uitdiepen van de gracht voor hun deur, en niemand – toen niet en nu niet – wil meer belasting betalen dan strikt noodzakelijk. Bovendien, zoals Benjamin Franklin al zei: ‘(…) in this world nothing can be said to be certain, except death and taxes’.18  We kunnen de gegevens uit het belastingregister dus maar beter serieus nemen.”

Dat getalletje 18 betekent dat er een voetnoot is. In die voetnoot vermeldt de professor keurig de bron van het citaat.

0 vermeer 2

Het is maar goed dat ik op dit blog geen wetenschappelijke stukken schrijf. Dan zou ik voor elk citaat dat ik gebruik, de bron en de exacte tekst moeten opzoeken. “Van de meeste boeken blijven alleen de citaten over. Dan is het toch beter van meet af aan alleen de citaten neer te schrijven?” Dat is een citaat van de Poolse schrijver Stanislaw Jerzy Lec. Waar vind ik in Godsnaam zijn oorspronkelijke uitspraak? Ik spreek helemaal geen Pools!

Maar anyway, ik sta nu dus in een voetnoot in een wetenschappelijk artikel! Zo, nu kijkt u vast heel anders tegen mij aan.

 

Zo groot als een voetbalveld

Afgelopen vrijdag was ik in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden. Ik bezocht daar de tentoonstelling over Nineveh. Mooie tentoonstelling, ik kan hem aanraden.

00 nineveh

Nineveh, gelegen in het huidige Irak – als u nog nooit van deze plaats gehoord hebt, dan geeft dat niet; ik had er ook nog nooit van gehoord – was 2700 jaar geleden de grootste stad ter wereld. Het telde toen 100.000 inwoners. In 612 voor Christus werd de stad echter door vijanden volledig met de grond gelijk gemaakt. In het museum in Leiden zijn nu diverse voorwerpen afkomstig uit de stad te zien. Bij één van deze voorwerpen stond vermeld dat het afkomstig was uit een paleis dat liefst 80.000 vierkante meter groot was. Om te benadrukken hoe groot dat wel niet was, stond er op het informatiekaartje bij vermeld dat dit meer dan zes voetbalvelden groot was.

Dat zie je wel vaker. Dat de grootte van iets wordt vergeleken met een voetbalveld. Blijkbaar zegt een vergelijking met een voetbalveld de mensen meer dan dat iets zoveel vierkante meter groot is. Niet alleen in Nederland wordt deze vergelijking gebruikt maar ook in andere landen. Enkele voorbeelden:

  • WOS Radio (de lokale omroep voor de gemeenten Westland, Midden-Delfland, Maassluis en deelgemeente Hoek van Holland.): “Binnen een straal van 600 meter van de Westlandse dorpskernen liggen 973 percelen met ruim 46 hectare aan asbestdaken. [..] Ter vergelijking, dat is ter grootte van bijna 100 voetbalvelden.”
  • Trouw in 2011 over de Tweede Maasvlakte: “Nederland wordt 4.000 voetbalvelden groter.”
  • Daily Mail: in 2017: “An ASTEROID larger than a football field is set to zoom past our planet tonight little over a week since it was discovered.”
  • The Independent in 2014: “Giant digital billboard in Times Square is bigger than a football field”

Zo zie je maar, er wordt wat afgevoetbald. Echter, je kan je soms wel eens de vraag stellen of de vergelijking wel klopt. Laten we eens beginnen met die van WOS-radio. Een gemiddeld voetbalveld is 110 meter lang en 67 meter breed, dat is dus een oppervlakte van 7370 vierkante meter. In die 46 hectare aan asbestdaken passen dus geen 100, maar ‘slechts’ 62 voetbalvelden – nog steeds veel –  maar bij lange na geen 100 velden. Hier wordt de zaak dus wat overdreven. Of neem de Tweede Maashaven, die is in totaal 2000 hectare groot. Dat zijn 2713 voetbalvelden, geen 4000 stuks.

Of neem dat digitale billboard op Times Square. Dat is 25.000 vierkante ‘feet’ groot. Dat is omgerekend 2323 vierkante meter oftewel nog niet eens 1/3 voetbalveld. Zelfs als we uitgaan van een kleiner American Football veld (dat heeft een oppervlakte van 5346 vierkant meter), dan nog komen we niet eens tot een half voetbalveld. De grootte van het bord wordt dus schromelijk overdreven. Fake news zou Trump zeggen.

Hoe groot de asteroïde van de Daily Mail in werkelijkheid was, weet ik niet. In een volgend bericht vergeleek  de krant het ding niet meer met een voetbalveld maar met een walvis. Die worden maximaal zo’n dertig meter lang. Ik vermoed dan ook dat hij dus kleiner dan een voetbalveld groot zal zijn geweest.

Het Leids Museum daarentegen schat de boel juist te klein in. In een paleis van 80.000 vierkante meter passen zelfs bijna elf voetbalvelden. Ok, het door hen gestelde, namelijk dat het paleis groter was dan zes voetbalvelden, is dus ook waar maar ze hadden het sterker kunnen brengen: “Het paleis was groter dan tien voetbalvelden bij elkaar!”

Nu kan ik nog wel meer voorbeelden gaan onderzoeken, maar aangezien deze blogpost nu  al bijna een voetbalveld groot is, stop ik er mee.