Category Archives: Wetenschap

Honderd jaar geleden

Met hulp van Delpher zocht ik gisteren even in kranten van 1919 op de combinatie ‘Voorst’ en de naam ‘Van Neck’. Delpher toonde mij een viertal kranten, waaronder de Apeldoornse Courant van 13 juni 1919. De krant van die dag begon met ‘breaking news’ over een fietstocht die zijne koninklijke hoogheid Prins Hendrik een dag eerder te Apeldoorn had gemaakt

Plaatselijk Nieuws. Van het Loo. — Z. K. H. Prins Hendrik bracht gisteravond per rijwiel een bezoek aan den heer I. J. van Dam, voorzitter van de Afdeling „Apeldoorn” der Nederlandsche Padvindersvereeniging, te wiens huize Z. K. H. de thee gebruikte. De Prins was vergezeld van zijn page Jhr. Sminia’

Tot zover het ‘breaking news’ van de Apeldoornse Courant van 13 juni 1919. De reden dat ik met de combinatie ‘Van Neck, Voorst en 1919’ een hit kreeg, was een bericht over enkele rechtszaken die waren behandeld voor de ‘Zutphense Balie’, waarin de naam ‘Van Neck’ voor kwam. (Niet als dader natuurlijk, maar als slachtoffer.)

0000000000 1919apeldoornse courant 13 06 juni

Een diefstal met braak, het wegnemen van klosjes afvalgaren en het aanlengen van melk met water, het is niet de categorie misdaden zoals je ze vandaag de dag in de kranten aantreft, maar toch.

Deze rechtszaken waren echter niet de reden dat ik in kranten uit 1919 op de naam ‘van Neck’ in combinatie met Voorst zocht. Nee, dat deed ik omdat het gisteren precies 100 jaar geleden was dat mijn vader in Voorst was geboren. Ik keek daarom op Delher om te zien of er misschien een geboorteadvertentie of een bericht van de burgerlijke stand te vinden was, maar dat was helaas niet het geval.

Maar goed, gisteren was het dus 100 jaar geleden dat mijn vader was geboren, of zoals mijn broer het per WhatsApp formuleerde:  ‘Wat gaat een eeuw toch gauw!’  Nederland telde in 1919 zo’n 7 miljoen inwoners. Koningin Wilhelmina was de regerende vorstin, Jonkheer mr. Ch.J.M. Ruys de Beerenbrouck van de RKSP – wie kent hem niet – de ‘eerste minister’ zoals het in die tijd heette. Drie weken na de geboorte van mijn vader stemde de Tweede Kamer voor de invoering van het algemeen kiesrecht voor vrouwen, wat overigens niets met de geboorte van mijn vader te maken had.

Mijn vader heeft de honderd niet gehaald. Hij stierf 34 jaar geleden op 66-jarige leeftijd aan de gevolgen van een auto-ongeluk. Ik hoop wel de honderd te halen, maar dat duurt nog wel even. Ik ben namelijk van 1955. Dat is, en nu dwaal ik wel wat af, hetzelfde jaar als waarin Albert Einstein overleed – dit voor degenen die in reïncarnatie geloven.

En nu ik het toch over Albert Einstein heb, ik moet opeens denken aan die beroemde conversatie tussen Albert Einstein en Marilyn Monroe, waarin de laatste gezegd zou hebben: “Het zou toch wat zijn als wij samen een kind zouden hebben. Uw hersens en mijn uiterlijk.”, waarop Albert Einstein zou hebben geantwoord “Interessante gedachte, maar het kan natuurlijk ook andersom  uitpakken.” Volgens sommige bronnen eindigde hier de conversatie, maar volgens andere bronnen zou Marilyn daarna nog gezegd  hebben: ‘Wat bedoelt u?‘, waarop Einstein antwoordde “‘Dit bedoel ik dus.”

Ik geloof overigens helemaal niks van dit verhaal, het is ongetwijfeld een broodje aap verhaal. Volgens mij hebben Einstein en Marilyn Monroe elkaar nooit ontmoet. Of toch wel?

0000000000 2EinsteinEen ‘stil’ uit een reclamefilmpje voor Pepsi cola.

Maar goed, terug naar 1919. Negen dagen na de geboorte van mijn vader was er een volledige zonsverduistering, die te zien was in zowel Zuid-Amerika als in Afrika. Twee expedities reisden vanuit Europa naar die continenten om te zien of het licht rondom de zon   werd afgebogen, iets wat Albert Einstein’s algemene relativiteitstheorie voorspelde. Dat bleek inderdaad het geval te zijn. Mijn vader was op dat moment negen dagen oud. Ik neem aan dat hij hier niks van mee heeft gekregen.

Voor het geval, u nu zegt, wat bazelt hij hier allemaal, citeer ik even nog Albert Einstein: “Logica brengt je van A naar B. Verbeelding brengt je overal.”

 

Een talenwonder

In de Volkskrant verscheen vrijdag een artikel over een promotieonderzoek van cognitiewetenschapper Johanna de Vos naar de studieresultaten van 118 Nederlandse eerstejaars studenten psychologie aan de Radboud Universiteit.  87 studenten deden de opleiding in het Nederlands en 31 in het Engels. Het bleek dat de studenten die les kregen in het Nederlands gemiddeld een half punt hoger scoorden dan de studenten die de lessen in het Engels volgden (7,23 versus 6,68).

De aantallen, zeker van de Engelstalige groep, zijn niet zo groot, dus ik vraag me wel af of de uitkomst echt significant is, maar volgens de onderzoekster was dit het geval, dus dat zal dan wel; het is tenslotte een promotieonderzoek. Of het gebruik van Engels de oorzaak van het verschil in cijfers was, kon de onderzoekster echter niet zeggen. Er kunnen andere oorzaken zijn (zie daarvoor het artikel). Zoals een echte wetenschapper dan zegt: hier is meer onderzoek voor nodig.

Voor wat mij betreft zou een college in het Engels of in het Nederlands absoluut niets uit maken. Ik ben nu eenmaal een talenwonder. In Nederland zijn er naast mij geloof ik nog drie andere mensen die vreemde talen net zo goed beheersen als ik. De ene is mijn tweelingbroer die u kent onder de naam Ivo Niehe, de tweede is Eurocommissaris Frans Timmermans en de derde is minister Sigrid Kaag.

Ik spreek bijvoorbeeld voortreffelijk Nederlands, Engels, Duits en Frans en daarnaast nog eens 6906 andere talen niet. Hoewel als ik heel eerlijk ben, moet ik dit toch enigszins nuanceren. Mijn Nederlands kan iets beter. Zo liet mijn uitgever mijn manuscript voor de Titanic bijvoorbeeld corrigeren door iemand wiens Nederlands net iets beter was dan dat van mij en zoals deze Yvette schreef: “Ik heb er veel werk aan gehad, en hoop dat de tekst er flink van opknapt.”. Zie hier bijvoorbeeld één van de door haar gecorrigeerde pagina’s.

00o scriptEn dit was dan nog één van mijn betere pagina’s.

Ook mijn Engels kan iets beter. Zo gleed de oudste dochter een keer tijdens een vakantie in Amerika bij een wandeling in het Yosemite National Park uit over een gladde steen en hield daar een bloedende knie aan over. Toen een Amerikaan vroeg wat er gebeurd was, antwoordde ik “She slept on a stone.” De dochters hadden dan ook liever niet dat ik iets in het Engels zei.

Voor wat betreft het Duits, die taal kan ik daadwerkelijk heel goed verstaan. Dat komt omdat ik vroeger altijd op de Duitse tv naar het voetballen keek. Woorden als Fallrückzieher (omhaal) en Ecke (hoekschop) zijn appeltje-eitje voor mij (en nee dat noem je op zijn Duits niet ‘apfle-ei’ maar ‘ein Spaziergang’. Ook keek ik altijd met mijn ouders naar Duitse krimi’s zoal Derrick (“Harry, hol mal den wagen”), der Alte en Tatort. Zelfs allerlei dialecten kan ik daardoor volgen. (Bij Tatort zat vaak een Weense commissaris.). Maar andersom, mijn Nederlands – Duits dus, is ‘ehrlich gesagt’ een stuk minder.

Dan het Frans. Dat is eigenlijk nooit verder gekomen dan middelbaarschoolniveau en dat is ook nog eens ver weg gezakt. Opmerkelijk genoeg hadden wij ruim vijftig jaar geleden geen Engels maar wel twee keer een uurtje Frans per week in de hoogste klas van de lagere school. Deelname was vrijwillig maar o wee als je niet mee deed. Daardoor zaten we twee dagen per week al om half acht op school om Frans te leren. “Un, deux, trois, voice mon frère François, quatre, cing, six, voila ma soeur Alice” Dat soort rijmpjes  moesten we dan opdreunen.

Ook het liedje “Alouette, gentille alouette, Alouette, je te plumerai. Je te plumerai la tête. Et la tête! Et la tête! Alouette, Alouette […]!”zongen wij enthousiast mee. Wisten wij veel dat het ging over een leeuwerik die helemaal kaal werd geplukt  (zijn hoofd; zijn snavel; zijn ogen; zijn nek enzovoorts). Hadden we dat geweten, dan waren onze kinderzielen behoorlijk beschadigd geweest.

Enfin, dit allemaal overziend, zou het best wel eens kunnen dat ook ik bij een Engelstalig college een lager cijfer zou scoren dan in het geval dat het vak in het Nederlands werd gegeven. Maar zoals Voltaire ooit eens zei: “De mooie fouten van een genie zijn mij meer waard dan de keurige en koude taal van een academisch purist.”

 

 

Kwaliteit

Nu ik toch bezig ben met verhalen over mijn studie bedrijfskunde aan de TH Twente – opa vertelt van vroeger; zie hier en hier –  wil ik het deze keer even hebben over het vak ‘Kwaliteit’. Een klant die een product koopt verwacht een bepaalde kwaliteit. Het liefst koopt hij een product van een zo hoog mogelijke kwaliteit tegen een zo laag mogelijke prijs, maar wie bijvoorbeeld iets bij de Action koopt weet dat deze combinatie soms niet altijd zal optreden. Wel dat het goedkoop is.

Uit een interview in het AD van 9 maart 2017 met Sander van der Laan, de hoogste baas van de Action. “Wij verkopen geen Jaguar en Rolls-Royce, daar moeten we eerlijk in zijn. Maar wij willen wel degelijk een acceptabele kwaliteit leveren. En dat kunnen wij als geen ander voor een lage prijs, waardoor onze artikelen ook bereikbaar zijn voor mensen met een kleine portemonnee.”

De Action heeft heel veel verschillenden producten in het assortiment. “Mensen vinden ons vooral een hele leuke formule”, zegt Van der Laan. De winkels zijn ingericht op ‘schatzoekers’, legt hij uit. ,,Je weet van tevoren nooit wat je precies vindt, maar je gaat altijd naar huis met meer dan je zocht. Een klant die komt voor sponsjes en vaatwastabletten komt met gemiddeld zeven artikelen bij de kassa en rekent 10 euro af

Even tussendoor, weet u wat in 2017 het meest verkochte product van de Action was? De boodschappentas: daarvan gingen er honderdduizenden per week over de toonbank.

action

Het gaat goed met de Action. Volgens dit berichtje op NU.nl bedroeg de omzet van de Action in 2018 4.2 miljard euro en steeg de operationele winst naar 450 miljoen euro.

Het assortiment van de Action is volgens het artikel in het AD erg groot (6.000 artikelen) en wisselt snel: elke week komen er 150 tot 200 nieuwe artikelen bij en verdwijnen er – op is op – ook weer artikelen. Sommige artikelen halen grote verkoopcijfers. Zo verkoopt Action rond de feestdagen een half miljoen kerstmannen en speciale acties leveren soms spectaculaire verkoopcijfers op zoals 400.000 Toblerone-repen in één week.

Maar goed, terug naar het vak ‘Kwaliteit’. Onze hoogleraar ‘Kwaliteit’ noemde kwaliteit wel eens geschiktheid voor gebruik  – in die definitie past het beleid van de Action goed – en om een “kwalitatief” goed product te maken moet je bepaalde kosten maken.

Zo zijn er allerlei interne kwaliteitskosten, onder andere kwaliteitskosten die je als fabrikant moet maken om een product te maken (ontwerp en ontwikkeling; organisatie van het productieproces, training en opleiding van medewerkers, controlekosten, foutkosten van afgekeurde producten e.d.), maar ook externe kwaliteitskosten (klachtenafhandeling, garantie en herstelkosten, retourkosten e.d).

Om u niet te vervelen – u verwacht immers een bepaalde kwaliteit van deze blogposts – zal ik u echter niet met de theorie van kwaliteit en kwaliteitskosten lastig vallen, maar me beperken tot enkele praktijkvoorbeelden die onze hoogleraar  – professor Harold Vorstman, hij was de eerste directeur Kwaliteit bij Philips; dat was nog in de tijd dat Philips allerlei soorten producten van wc-brillen tot gloeilampen verkocht en fabrieken over de hele wereld had – vertelde tijdens het college.

Zo was hij eens in een Philips-fabriek in Portugal. Daar stond een grote machine die een bepaald product fabriceerde. Aan beide zijdes van de machine was een medewerker aan het werk. De professor vroeg eerst aan de medewerker aan de linkerkant van de machine wat zijn taak was.

Hij moest zorgen dat de temperatuur van het productieproces de hele tijd constant op een bepaalde waarde bleef. Vervolgens vroeg de professor aan de man aan de rechterkant van de machine wat zijn taak was. Hij deed een kwaliteitscontrole van de output. “En wat doet u als de kwaliteit niet goed is?” vroeg de professor. “Dan stel ik met deze knop de temperatuur van de machine  bij.” zei de man.

Dit was volgens de professor nou typisch een voorbeeld van wat er mis kon gaan als je geen goede beschrijving van het productieproces maakte. Dan kon het gebeuren dat je mensen met conflicterende opdrachten aan het werk zette .

Een ander mooi voorbeeld wat er kon gebeuren als je geen goede beschrijving van het productieproces had, was het voorbeeld van een verffabriek. Daar stond een grote mengmachine om van twee kleuren verf een mengkleur te maken. Een machine hield in de gaten of er de goede kleur tot stand was gekomen. Het viel de professor op dat er tijdens het proces een door midden gesneden ui in het verfmengsel werd gegooid en dat als het mengsel de goede kleur had, de ui er weer uit werd gevist.

ui

Deze uien zijn van nature al rood; foto Rasbak; Wikipedia

Hij vroeg waarvoor dat was maar niemand van de mensen die de machine bedienden had enig idee waarom dat werd gedaan. Zo lang ze dit werk deden gooide ze er al een ui in. Ook andere mensen van de afdeling wisten niet waarom er een ui in werd gegooid.

Wat bleek, vroeger toen er nog geen machine was die de goede kleurensamenstelling in de gaten hield, gooide men er een ui in. Aan de verkleuring van de ringen van de ui kon men dan zien of de samenstelling van het mengel goed was. Nu had met de nieuwe machine de ui geen enkel nut meer, maar omdat in het productie-proces niet was vastgelegd wat de rol van de ui was, bleef men de ui er in gooien.

Bij het vak ‘Kwaliteit’ hoorde ook een dag “kwaliteit kijken” in een fabriek in de omgeving van Enschede en daar dan een rapport over schrijven. De groep van het jaar voor ons was naar de Wavin-frabiek in Hardenberg geweest. Die fabriek produceerde in die tijd onder andere PVC-buizen. De man die de rondleiding deed, liet vol trots een machine zien die de buizen controleerde en afgekeurde buizen automatisch verwijderde.

Eén van de studenten pakte een afgekeurde buis uit de afvalbak en liep naar het begin van de keuringsmachine. Hij zette een kruisje op de buis en gooide de buis in de machine. “Waarom doet u dat?” vroeg de man van Wavin. “Ik wil zien of de machine consequent is en de buis opnieuw afkeurt.” Bij de Wavin had niemand er aan gedacht om die test te houden. De jongen kreeg prompt een baan aangeboden.

Wijzelf liepen een dagje rond bij Vredestein, een bandenfabriek. Daar leerden we dat je theoretisch wel een mooi kwaliteits-programma kon opzetten, maar dat de praktijk soms weerbarstig kon zijn. Zo vertelde onze begeleider vol trots dat ze alle dure banden een stickertje gaven waarop stond op welke machine de band was gemaakt. Mocht blijken dat er een fout in het productieproces was opgetreden, dan konden ze makkelijk zien waar alle banden van die machine zich in de fabriek bevonden.

In de fabriek zagen we inderdaad een man met de stickertjes aan het werk. Hij plakte precies zoals onze begeleider had gezegd een stickertje op elke band.

vredestein

Twee mensen aan het werk in de fabriek van Vredestein in Enschede. De man rechts met de bril en de anjer is de stickertjes-plakker. Foto Harry Pot; Anefo; Nationaal Archief,

We zagen echter dat hij nog maar weinig stickertjes in zijn bakje had. “Wat deed hij als zijn stickertjes op waren? Zette hij dan het productieproces stil en ging hij dan nieuwe stickertjes halen?” vroegen we hem. Nee dat niet, dan leende hij wat stickertjes van zijn collega van de machine naast hem. De volgende morgen vulde hij dan wel weer zijn eigen stickertjes aan. Tot zover het verschil tussen theorie en praktijk.

Professor Vorstman overleed afgelopen december op 97-jarige leeftijd.

 

Personeelspsychologie (2)

Gisteren schreef ik over het college personeelspsychologie van professor Aloysius van Hoesel en de testen die hij ons tijdens zijn colleges liet maken. Vandaag nog een voorbeeld hoe hij ons zaken duidelijk trachtte te maken. In dit geval betrof het de vraag of bedrijven sollicitanten een pasfoto mee moesten laten sturen bij hun sollicitatiebrief of niet. (Ja, ja, in die tijd schreef je als sollicitant nog een brief.)

Maar voordat de professor die vraag ging beantwoorden, liet hij ons eerst twee grote foto’s zien. Op de ene was een vriendelijk lachende man te zien, op de andere foto stond een streng kijkend iemand met een nazi-pet op. De vraag was wie van de twee we het liefst als schoonvader hadden? De vriendelijk lachende man scoorde 100%.

Dat was dus een Amerikaanse seriemoordenaar zei de professor in wiens tuin de lichamen van negen vermiste prostitués waren aangetroffen. (In de tuin van de seriemoordenaar uiteraard, niet in de tuin van de professor.) De andere was een populaire acteur die de rol van een Duitse SS’er in een oorlogsfilm speelde.

De moraal van het verhaal was dat je niet alleen op een foto moest af gaan, maar dat je moest proberen om zo veel mogelijk informatie te krijgen voordat je een keuze maakte. Had bijvoorbeeld iemand van ons hem eerst gevraagd wie de mensen op de foto waren, dan had hij gezegd een seriemoordenaar en een acteur, maar ja, niemand van ons had de vraag gesteld.

Maar goed, nu de kwestie van het wel of niet mee laten sturen van pasfoto’s door sollicitanten. Daartoe had hij een test bij zich. We kregen allemaal een blad met 100 pasfoto’s en een invulformulier. Het ging in dit geval om een bedrijf dat op zoek was naar een boekhouder. Ze zochten iemand die accuraat was en goed met cijfers.

Nu hadden alle honderd mensen op de foto uitgebreide psychologisch onderzoeken en allerlei testen ondergaan, waarbij vastgesteld was of ze de gewenste eigenschappen voor een boekhouder hadden of niet. Van de honderd mensen op de foto hadden vijftig mensen wel de gewenste eigenschappen, de andere vijftig niet. Aan ons nu de schone taak om  aan de hand van de pasfoto’s aan te geven of wij dachten dat de betreffende persoon geschikt was of niet.

Het was een doorsnee van de bevolking: man, vrouw, oud, jong, bedachtzaam kijkend dan wel vrolijk lachend. Eentje had een potloodje achter zijn oor gestopt. Dat moest vast wel een goede boekhouder zijn dacht ik, maar voor de rest viel het me niet mee. Nadat iedereen klaar was met de test – we moesten onze namen op het formulier zetten – werden de invulformulieren door een assistent van de professor ingenomen. Terwijl het college door ging keek de assistent de formulieren na.

Na de pauze kregen we de uitslag. Er was sprake van een normaalverdeling.

normaalverdelingVoorbeeld van een normaalverdeling

Gemiddeld hadden we 44% van de mensen goed ingeschat zei de professor. Dat was zelfs nog minder dan de vijftig procent die we gescoord zouden hebben als we alleen maar gegokt hadden. Degene van ons die de meeste mensen goed had gekwalificeerd, had een score van 62%.

Dat we gemiddeld nog niet eens de vijftig procent haalden, kwam door vooroordelen legde de professor uit. Zo zaten er dertig mensen in de test met een bril, vijftien van die brildragers waren goed met cijfers, vijftien niet. Maar bij ons scoorden de brildragers veel beter. Dat was typisch een voorbeeld van een vooroordeel. Dat mensen met een bril beter met cijfers zijn dan met mensen zonder bril, was volkomen lariekoek zei de professor. Het enige wat je over mensen met een bril kon zeggen, was dat ze minder goede ogen hadden. Daarnaast was er ook nog licht vooroordeel over vrouwen. Ze zouden volgens onze inschatting minder goed met cijfers zijn dan de mannen.

Dat we gemiddeld nog niet eens een score van vijftig procent goed ingeschat hadden,  bewees volgens de professor dan ook overtuigend dat het vragen om een pasfoto bij een sollicitatiebrief geen enkele zin had. Sterker nog, je sloot er op grond van vooroordelen zelfs geschikte kandidaten mee uit. Alleen als het uiterlijk een onderdeel van de functie was, zoals bij fotomodellen, dan had het zin.

Maar”, zo zei de professor, “Er is vandaag iets unieks gebeurd, wat nog nooit eerder bij mijn colleges in voorgaande jaren is voor gekomen. “Wie van u is Martin van Neck?” Verbaasd keek ik op toen ik mijn naam hoorde. Aarzelend stak ik mijn vinger op. “Meneer van Neck, voor het eerst in al die jaren dat we hier deze test doen, hebben we iemand wiens inschatting op basis van alleen een pasfoto het bedrijf kan helpen om de juiste sollicitant uit te nodigen. Bij u is er namelijk sprake van een 97%-betrouwbaarheidsinterval. Ik had het, ik zeg het maar eerlijk, niet gedacht dat het ooit zou gebeuren, maar vandaag is het dan toch gebeurd.”

Ik voelde een zekere trots. Totdat de professor zei: “U had maar drie van de honderd mensen goed ingeschat. Hiermee kan een bedrijf wat, alleen wel in negatieve zin, want wat u zegt klopt niet. Maar trekt u zich dit niet persoonlijk aan. Het is maar een test.”

Ik ben maar nooit op een afdeling Personeelszaken gaan werken. Professor van Hoesel overleed in 2010. Hij werd bijna 90 jaar oud.

 

Personeelspsychologie (1)

Alvorens ik met mijn blog begin – ok, eigenlijk ben ik al begonnen – wil ik u eerst even deze foto laten zien.

Monroe

Het is een foto uit 1945 gemaakt door de Amerikaanse legerfotograaf David Conover. De foto verscheen op 26 juni 1945 in het blad ‘Yank, the Army Weekly’, een blad voor Amerikaanse militairen tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Op de foto staat een vrouw met een propeller in de hand die in een vliegtuigfabriek werkt. Het is echter niet zo maar een vrouw die hier aan het werk is. Het is een nog jonge – ze is hier negentien jaar oud – Norma Jeane Dougherty. Later is ze onder een andere naam beroemd geworden. U kent haar als Marilyn Monroe.

Maar goed, nu de blog van vandaag. Tijdens mijn studie Bedrijfskunde aan wat toen nog de TH Twente heette, hadden we ook een vak dat personeelspsychologie heette. Het werd gegeven door professor Aloysius van Hoesel. In het dagelijkse leven was hij hoofd van de psychologische dienst van AKZO en daarnaast was hij buitengewoon hoogleraar in de algemene bedrijfspsychologie aan de TH Twente.  Op een geestige manier probeerde hij altijd zijn studenten wat praktische psychologische kennis bij te brengen.

Zijn colleges waren erg  leuk en daarom ook heel populair. Soms zat er zelfs wel eens een portier of een meisje uit de kantine in de zaal, niet om college te volgen maar gewoon omdat ze gehoord hadden dat hij zo grappig les gaf. Op een dag kwam er vlak voor de pauze zijn secretaresse opeens de zaal in lopen. Ze droeg een bord met daarop de tekst ‘Na de pauze een test’. Ze liep een keer heen en weer voor de zaal langs, zwaaide nog even bij de deur en verliet toen de zaal. We keken haar met een verbaasde blik na. De professor zei er niks over.

Na de pauze kwam hij er op terug. “Weet u nog dat mijn secretaresse voor de pauze de zaal binnen kwam lopen?” Ja dat wist iedereen nog. “En weet u nog dat ze een bord droeg?” Ja, dat wist ook iedereen nog. “Ok, nu gaan we een test doen. Ik ga u niet vragen wat er op dat bord stond, dat diende slechts als afleiding, ik wil graag dat u opschrijft wat voor een kleren ze droeg. De linkerhelft van de zaal krijgt een multiple choice formulier, de rechterhelft een leeg blaadje waar ze zelf op moeten schrijven wat ze droeg.”

Ik zat in de linkerhelft. Ik kon kiezen uit een zwarte broek, een bruine broek of een blauwe broek. Eerlijk gezegd wist ik niet goed meer wat ze aan had. Ik had ook meer op het bord gelet dan op wat ze droeg. Het stond me vaag bij dat ze iets blauws aan had en ik kruiste het vakje met ‘blauwe broek’ aan.

Toen iedereen klaar was, riep de professor zijn secretaresse binnen om de papieren op te halen. Ze droeg een blauwe jurk.

Wacht maar even met ophalen van de papieren van de linkerhelft. Ik denk niet dat het nodig is” zei hij. “Of is er iemand van die helft die niet één van de drie broek-mogelijkheden heeft aangekruist, maar op het papier heeft geschreven dat ze een jurk droeg?” Nee, dat had niemand gedaan. Iedereen had voor één van de drie broek-mogelijkheden gekozen.”

Wat we hiervan leren, althans dat is de bedoeling”, sprak de professor vervolgens, “is dat mensen veel te gemakkelijk op een autoriteit af gaan. U krijgt een papiertje van een autoriteit, in dit geval van mij als professor , met alleen maar foute informatie er op. Toch besluit u allemaal om één van de drie door mij aangereikte mogelijkheden aan te kruizen. Niemand durfde mij tegen te spreken en op te schrijven dat ze een jurk droeg, als u het al gezien had. Kortom, kijk heel goed uit met het klakkeloos overnemen van informatie die u van een autoriteit krijgt aangereikt

Ook kunnen we hiervan leren”, vervolgde hij, “dat open vragen in de vorm van “Wat zag u?” vaak een beter resultaat opleveren dan een gesloten vraag in de vorm van: “Was het een zwarte broek? Maar om dat laatste te controleren, vraag ik mijn secretaresse nu even snel de antwoorden van de rechterhelft te controleren.”

De uitkomst was dat slechts zo’n 20% procent een blauwe jurk had opgeschreven. De rest had of de kleur fout of broek in plaats van jurk opgeschreven. “Het leerpunt hiervan is” zei de professor “dat getuigen vaak onbetrouwbaar zijn. Slechts een kwartiertje geleden heeft u haar zien lopen. Toch geeft 80% van u een foute beschrijving van haar kleren. Nu werd u afgeleid door het bord dat ze droeg, maar in het dagelijks leven zijn er heel veel zaken die afleiden. Kortom, wees heel voorzichtig als iemand u iets vertelt wat  hij heeft meegemaakt, behalve als hij zegt dat hij een goed college van mij heeft bijgewoond. Dan moet u hem direct geloven.”

Om te kijken of u een goede getuige bent, mag u nu – zonder naar boven te scrollen – bedenken wat voor kleren Marilyn Monroe op de foto aanhad. Weet u het nog? Dan mag u nu kijken of u het goed had.

 

Big Bang

Maandag was hoogleraar theoretische sterrenkunde Vincent Icke te gast bij De Wereld Draait Door. Het ging over een boek van Stephan Hawking dat postuum was verschenen. Zie hier. Aan de orde kwam ook de vraag of er een God was en ook de Big Bang waarmee het heelal ontstond kwam ter sprake. Volgens Vincent Icke begon met die knal, ongeveer 13,7 miljard geleden, ook de tijd. Daarvoor was er niets. Ook geen tijd.

0 dwdd

Matthijs van Nieuwkerk kon zich dat niet goed voorstellen. Er moest toch iets zijn dat in een nanaseconde daarvoor die knal had veroorzaakt en dan kwam je toch dicht bij een God dacht hij. Hij vertelde dat hij er ook met professor Veringa, die een aantal jaar geleden de Nobelprijs voor scheikunde had gewonnen, over had gesproken en die zei dat hij ook die gevoelens had. Daarop merkte Vincent Icke gevat op dat Veringa de Nobelprijs voor scheikunde had gewonnen, niet die voor natuurkunde. Voor de Big Bang was er nu eenmaal niets, aldus Vincent Icke. Geen tijd, ook geen nanoseconde.

Matthijs van Nieuwkerk vond dat maar moeilijk te bevatten, evenals tafelheer Jan Mulder die graag wou weten wat dat ‘niets’ dan wel niet was. Omdat Vincent Icke minstens een kwartier nodig zou hebben om uit te leggen wat niets was, zag hij daar echter van af.

Wat Matthijs van Nieuwkerk en Jan Mulder zich volgens een andere bekende professor – uw eigen professor Van Neck –  misschien niet realiseren, is dat ieder mens zijn eigen big bang moment heeft gehad, namelijk zijn eigen ontstaan. Nu is de samensmelting van een eitje van mijn moeder en het zaadje van mijn vader hoogstwaarschijnlijk niet met een luide knal geschied, maar je kan die gebeurtenis waarbij ik tot leven kwam wel zien als mijn persoonlijke big bang. Opeens was mijn bestaan er. Daarvoor bestond ik niet. Of te wel ieder mens heeft zijn eigen persoonlijke oerknal.

Nu denk ik  dat ik voor deze ontdekking waarschijnlijk geen Nobelprijs zal krijgen , maar je weet het maar nooit. U mag mij nomineren (om een Nobelprijs te krijgen moet je genomineerd worden). En over Nobelprijzen voor de theorieën met betrekking tot de Big Bang gesproken, ik las op de site van Kennislink een aardig stukje over hoe je aan een Nobelprijs komt. Niet iedereen krijgt de prijs die hij verdient. Leest u even mee:

“[…] Natuurlijk is er steevast dispuut over laureaten die hem eigenlijk niet verdienen en anderen die hem wel hadden moeten krijgen. Pikant is dat de relativiteitstheorie, wellicht de grootste individuele wetenschappelijke prestatie ooit, nooit is beloond met een Nobelprijs (Einstein kreeg hem voor zijn verklaring van het foto-elektrisch effect). Evenmin leidt de ontdekking van de elektronenspin door Uhlenbeck en Goudsmit tot een Nobelprijs.

Een wrang geval van miskenning is de ontdekking van de kosmische achtergrondstraling door Arno Penzias en Robert Wilson, een regelrecht bewijs voor de Oerknaltheorie. Al in 1948 schrijft natuurkundige Ralph Alpher zijn dissertatie over de Oerknal en voorspelt hij de aanwezigheid van kosmische achtergrondstraling van zo’n vijf kelvin. De tijd is niet rijp – niemand is geïnteresseerd, het prille vakgebied van de radioastronomie toont geen belangstelling om naar die straling te zoeken, en Alpher raakt vergeten.

Later pikt Robert Dicke de Oerknaltheorie op en doet het werk nog eens dunnetjes over. Hij is al een radioantenne aan het bouwen als Penzias en Wilson bij toeval de achtergrondstraling ontdekken. Het levert hun tweeën in 1978 de Nobelprijs op. Dicke wordt daarbij vergeten en van Ralph Alpher heeft niemand ooit gehoord.”

Dus mensen, nomineer mij even voor mijn ontdekking dat ieder mens een eigen Big Bang heeft gehad, anders zit over 100 jaar iemand een blog te schrijven over waarom ik nooit een Nobelprijs heb gewonnen. En dat willen we niet.

Het menselijk geheugen

In juli schreef ik een blogpost over de Jachtlaan 28 in Apeldoorn. Dat is het huis waar ik geboren ben en waar ik tot mijn tiende heb gewoond. Ik schreef onder andere over een luik op zolder, waaronder een ruimte was waar vermoedelijk in de Tweede Wereldoorlog onderduikers hadden gezeten.

Deze week kreeg ik een mail van de huidige bewoner van het huis met de vraag of ik nog foto’s van het huis uit die tijd had. Die had ik eigenlijk niet, wel stuurde ik hem wat informatie over het huis en de directe omgeving uit die tijd. Ik stuurde de mail ook naar mijn oudere broer met de vraag of hij nog foto’s had en of ik in mijn mail en in mijn blogpost niet te veel onzin had verteld. Mijn broer is niet alleen ouder en wijzer, maar heeft ook een beter geheugen. Mijn geheugen bleek niet helemaal vlekkeloos gewerkt te hebben. Zo schreef mijn broer over de onderduikers in het huis aan de huidige bewoner:

Er zat direct op de zolder een luik verborgen onder het zeil. Alleen die berging was niet zo diep als mijn broer dacht. Vermoedelijk hebben daar illegale dingen in de oorlog gelegen. Boven de zolderkamer zat verborgen nog een bergruimte. Daar zaten vermoedelijk de onderduikers. Verder was er een raadselachtige koker naar de achterste slaapkamer, waar ik sliep. Geen idee waar die voor diende.”

Kortom, de kern van mijn verhaal – de onderduikers – zat nog wel goed in mijn geheugen, maar de details niet. Gisteren las ik toevallig in de Voetbal International een verhaal, geschreven door Geert-Jan Jacobs, waarin dit fenomeen – de kern van het verhaal klopt maar de details zitten fout in het geheugen – ook te zien was. Het betreft een anekdote die de cabaretier Freek de Jonge tijdens een bijeenkomst in het Abe Lenstra Stadion in Heerenveen vertelde over een ontmoeting van hem met Abe Lenstra. Ik citeer uit het stuk.

Eén keer ontmoette hij zijn idool. Het gebeurde in Zaandam, waar het gezin De Jonge begin jaren vijftig vanuit het Friese Workum was neergestreken. Tussen huis en basisschool passeerde hij altijd de fietsenwinkel annex sportzaak van Lou Rep, de oom van de latere international John. Op zekere middag, volgens de Jonge was het in 1951 of 1952, wierp hij een blik in Reps toko en zag daar tot zijn verbijstering een overbekend silhouet. Dat van Abe Lenstra, die geknield aan de voeten van de winkeleigenaar zat.

‘Hij keek naar buiten, onze blikken kruisten elkaar. Toen móét Abe iets gezien hebben van mijn Friese achtergrond, dat kan niet anders. Hij deed de deur open en zei: “Do moat ik hawwe!”. Abe was vertegenwoordiger bij Quick, hij ging het hele land door met schoenen. Hij haalde een paar Quick Juniors uit zijn tas en legde aan Lou uit dat zelfs de grootste boerenlul met die schoenen heel aardig kon voetballen. Dus ik kreeg ze aangemeten.’  

 In het Abe Lenstra Stadion deinen grijze kruinen geamuseerd op en neer als De Jonge voordoet hoe hij al die jaren geleden de bal zorgvuldig klaarlegde en de moeder aller aanlopen nam. ‘Ik gaf dat ding een onvoorstelbare hengst. Die bal knalde tegen de muur, vloog door de hele zaak en eindigde op een plank met sportbekers. Ze vielen allemaal op de grond.” Abe stond er hoofdschuddend bij en zei: “Dat is net sa best.”. Waarop ik antwoordde: “Mar wol in de priezen!” Lenstra adviseerde het spichtige kereltje komiek te worden, een tip die De Jonge ter harte nam.

Tot zover de anekdote van Freek de Jonge. Hij blijkt echter niet alle details juist te hebben, want het verhaal in de VI gaat als volgt verder:

‘Leuk verhaal’, zegt een besnorde meneer in het publiek. Hij hoorde de anekdote van De Jonge al een keer of vijf eerder, maar kon er toch wel weer om gniffelen. ‘Er zaten wel een paar foutjes in.’ Met glinsterende ogen:  ‘In 1951 en 1952 was Abe nog werkzaam op het gemeentehuis van Heerenveen, dus in die jaren kan dit nooit gebeurd zijn. Bovendien was hij later geen vertegenwoordiger namens Quick. Abe ging de winkels langs met zijn eigen sportschoen: De Abe Junior’.

0000 abe29 januari 1952; Abe Lenstra aan het werk op het gemeentehuis van Heerenveen; foto Harry Pot, Anefo, Nationaal Archief

Kortom, ook bij Freek de Jonge is te zien dat menselijke geheugen soms details van verhalen uit het verleden aanpast of vergeet en dat brengt me naar de actualiteit. In Amerika beschuldigt dr. Christine Blasey Ford Brett Kavanaugh, Trump’s kandidaat voor het Hooggerechtshof, er van dat hij haar begin jaren tachtig seksueel heeft belaagd.

Omdat zij niet meer precies wist, wanneer en waar dit gebeurde, beweren een aantal leden van de Republikeinse partij dat deze beschuldiging niet waar kan zijn. Die redenatie lijkt me niet juist. Het lijkt me eerder een voorbeeld dat het menselijk geheugen wel de kern van de zaak onthoudt, maar de details vergeet of verkeerd onthoudt. Vooralsnog geloof ik haar wel. Brett Kavanaugh lijkt me gezien zijn opvattingen over allerlei zaken sowieso geen geschikte kandidaat, maar dat is een heel ander verhaal.

Een plakkende Mondriaan en een bordurende Vermeer

Vandaag is het blogpost nummer 600. Dat moet dus niet zo maar een niemendalletje zijn maar een weloverwogen goeddoordachte blogpost. Daarom een wetenschappelijk verhaal en wel over hoe schilders  tot hun compositie komen. Het antwoord daarop luidt: ieder heeft zijn eigen methode.  Zo, daar kijkt u van op of niet?

Ik pak er even twee voorbeelden bij. Allereerst Piet Mondriaan. Zijn laatste schilderij was de Victor Boogie Woogie.

mondriaan 2Dit schilderij was toen de schilder in 1944 overleed nog niet af. Daardoor kunnen we zien hoe hij werkte. Als je goed naar het schilderij kijkt, dan zie je namelijk dat hij gebruikte maakte van gekleurde stukjes cellotape.

mondriaan

Als de compositie hem beviel, dan haalde hij de cellotape weg en schilderde hij het vakje in de goedgekeurde kleur en afmeting.

Een heel andere werkwijze had Johannes Vermeer. Die borduurde eerst zijn ontwerp voordat hij het schilderde.  Vermeer, een bekwaam borduurder,  was een veeleisend man. De compositie moest eerst perfect zijn voordat hij deze met verf op het doek zette. Voordat hij zich aan het schilderen zette, had hij al honderden borduurwerken van het onderwerp gemaakt.

Zo zag ik van de week twee van deze Vermeer-borduursels in onze plaatselijke kringloopwinkel.

vermeer

Het geborduurde melkmeisje is zo te zien al bijna de definitieve versie.

vermeer melkmeisje

Dat geldt echter niet voor ‘Het glas wijn’ dat in het Gemälde Museum in Berlijn hangt.

vermeer glas wijn

vermeer berlijnUw deskundige gids in 2015 in Berlijn 

Vergelijk het borduursel van Vermeer eens met de uiteindelijke versie. Het is een wereld van verschil.

vermeer glas wijn 2JPG vermeer glas wijn

De definitieve kleuren zijn anders en ook in de compositie heeft hij heel wat  veranderingen gebracht. Wel is de rudimentaire opzet van het schilderij al goed te zien

Tot slot, ik hoor het u vragen, zijn die borduursels van Vermeer ook veel geld waard? Helaas, het antwoord is nee. Dit omdat hij er zo veel van heeft gemaakt.  Voor elke schilderij wel honderden, soms wel duizend.  Zo weinig Vermeer schilderde, zo veel borduurde hij. En daarnaast zijn er ook nog eens veel vervalsingen van zijn borduurwerken in omloop.

Ik heb deze twee borduurwerkjes dan ook laten staan.

 

Een wetenschappelijk artikel

Zoals elders op de site te lezen valt, ben ik op zoek naar het tweede straatje van Vermeer. In het kader daarvan heb ik wel eens contact gehad met professor Frans Grijzenhout van de Universiteit van Amsterdam. Deze ontdekte eind 2015 aan de hand van een oud belastingboek welke huizen stonden afgebeeld op het (eerste) Straatje van Vermeer: Vlamingstraat 40-42 in Delft. Niet iedereen was het echter met zijn conclusie eens. Onder andere de heren  Eijkelboom en Vermeer – niet de schilder zelf; ook geen familie – schreven een artikel waarin zij stelden dat de professor het onjuist had.

Eén van hun argumenten was dat de aanwezigheid van een schrobgoot op het schilderij niet hoefde in te houden dat de huizen aan een gracht moesten liggen. Sterker nog een schrobgoot zou juist een aanwijzing kunnen zijn dat er geen gracht was. Dat zou de theorie van de professor onderuit halen, want het belastingboek waarop hij zich baseerde bevatte de belastinggegevens van huizen die in 1660 aan een gracht lagen. En als er geen gracht was, dan klopte de theorie van de professor niet. Ik citeer even een stukje van Eijkelboom en Vermeer waarin zij dit punt opwierpen.

[…]“De goot kan evenwel met evenveel recht geduid worden als een aanwijzing tegen de aanwezigheid van de gracht. Als er over de volle breedte van het schilderij, net buiten beeld, een gracht zou zijn, zo zou de redenering kunnen luiden, zou het niet hebben uitgemaakt waar het water de gracht in liep. Het afschot (een bewust aangebrachte helling van een straat voor het laten weglopen van vloeistof) van een straat langs een gracht loopt namelijk doorgaans vanaf de gevelwand licht naar de gracht af, om te voorkomen dat water terugloopt naar de bebouwing en daarin binnendringt. Goten aan de kant van de gevel of dwarsgoten, zoals op het schilderij, zijn daarom niet nodig. De bewoner had zich dan de moeite van de aanleg van een voor het verkeer hinderlijke goot kunnen besparen. Juist het gegeven dat het overtollige water voor verdere afvoer naar een specifieke plaats moest worden geleid, zou erop kunnen wijzen dat er geen gracht gedacht is.”

Dat leek me geen juiste redenatie. In een mailtje naar de professor stipte ik dit onderwerp ook even aan. Ik schreef: “Ik zou zeggen dat gezien het feit dat de goot doorloopt over straat, dit juist wel wijst op een gracht. Immers als er een gracht is om het water af te laten voeren, dan wil je het water er zo snel mogelijk heen leiden en het zich niet laten verspreiden over straat. Ik heb daarom even een uitgebreide steekproef gedaan (n=1) om te kijken of er op schilderijen uit Delft uit die tijd afvoergoten richting grachten e.d. te zien zijn. Ik heb gekeken naar het Gezicht op Delft van Vermeer. Als ik dan inzoom op de kade aan de overkant van de trekvaart, dan lijken daar ook afvoergoten zichtbaar te zijn die naar de trekvaart leiden. Maar dat kan ik fout zien en wellicht zijn het helemaal geen afvoergoten. Zie de afbeelding.

00000 vermeer

De professor reageerde hier niet op, maar blijkbaar was hij het wel met me eens. Want dit voorjaar zag ik opeens mijn naam terug in een artikel in het blad KNOB-2018-1. De professor schreef daarin een wetenschappelijk artikel waarin hij alle kritiek op zijn aanname dat de afgebeelde huizen de Vlamingstraar 40 en 42 waren, overtuigend weerlegde, althans dat vond ik. Zie hier de voorpagina van zijn artikel (waar overigens ook de schrobgoot te zien is.)

00000 0

Tot mijn verrassing zag ik mijn naam twee keer in het artikel opduiken. De eerste keer bij een stukje dat ging over de schrobgoten. De professor schrijft over de schrobgoot:

00000 1 00000 2

Ook gebruikte hij in het artikel een citaat van Benjamin Franklin dat ik in mijn mailtje aan hem had opgenomen. Mijn mail beëindigde ik namelijk met: “Kortom, zo ver ik het kan beoordelen staat jouw theorie nog steeds overeind. Bovendien een theorie die gebaseerd is op belastingboeken die moet wel kloppen. Zoals Benjamin Franklin al zei: “Op deze wereld is niets zeker, behalve de dood en de belastingen.”

Blijkbaar vond de professor dat een leuk citaat. Elders in het stuk, bij de weerlegging van de kritek van een Engelsman die twijfels uitte over de betrouwbaarheid van het gebruikte belastingboek schreef de professor: “Op grond van dat register moesten burgers immers daadwerkelijk belasting betalen voor het onderhoud van de kade en het uitdiepen van de gracht voor hun deur, en niemand – toen niet en nu niet – wil meer belasting betalen dan strikt noodzakelijk. Bovendien, zoals Benjamin Franklin al zei: ‘(…) in this world nothing can be said to be certain, except death and taxes’. (18) We kunnen de gegevens uit het belastingregister dus maar beter serieus nemen.”

Alleen in een wetenschappelijk artikel mag je niet zo maar een citaat opnemen. Je moet ook de bron weergeven.  En wie zie ik daar in voetnoot 18 vermeld staan? Uw verslaggever!

00000 3

Kijk, daar staat mijn naam nog een keer. Ik word dus liefst twee keer opgevoerd in een wetenschappelijk artikel. Ik voel me dan ook zeer vereerd en ook een stuk slimmer nu. U ook?

00000 4

Voetnoot

In november 2015 onthulde professor Frans Grijzenhout dat op het schilderij ‘Het Straatje’ van Vermeer hoogstwaarschijnlijk de (toenmalige) huizen Vlamingstraat 40 en 42 in Delft stonden afgebeeld. Hij baseerde zich hierbij vooral op een belastingboek – ‘Legger van het diepen der wateren binnen de stad Delft’ uit 1667 (ook wel het ‘Register op het kadegeld’ genoemd – dat nauwkeurig aangaf hoe breed huizen en poorten in Delft waren die in die tijd aan een gracht lagen. Afhankelijk van de breedte van de huizen en poorten moesten de eigenaren belasting betalen.

Er verscheen een boek over zijn vondst en in het Rijksmuseum – en later ook in Museum Prinsenhof Delft –  was er een tentoonstelling over het onderwerp en ik moet zeggen dat de onderbouwing van de professor vrij overtuigend was. Echter niet iedereen, vooral een aantal mensen die een andere theorie m.b.t de locatie van de huizen op het schilderij aanhingen, was het met de professor eens.

Zo schreef een zekere Gerrit Vermeer – geen familie van de schilder –  samen met ene Gert Eijkelboom een kritisch stuk, waarin één van hun tegenargumenten was dat de aanwezigheid van een schrobgoot op het schilderij helemaal niet hoefde te betekenen dat er een gracht voor de huizen liep. (De aanwezigheid van de gracht gecombineerd met het ‘Register op het kadegeld’ was een essentieel onderdeel van de ‘bewijsvoering’ van de professor.

[…]. De goot kan evenwel met evenveel recht geduid worden als een aanwijzing tegen de aanwezigheid van de gracht. Als er over de volle breedte van het schilderij, net buiten beeld, een gracht zou zijn, zo zou de redenering kunnen luiden, zou het niet hebben uitgemaakt waar het water de gracht in liep. Het afschot (een bewust aangebrachte helling van een straat voor het laten weglopen van vloeistof) van een straat langs een gracht loopt namelijk doorgaans vanaf de gevelwand licht naar de gracht af, om te voorkomen dat water terugloopt naar de bebouwing en daarin binnendringt. Goten aan de kant van de gevel of dwarsgoten, zoals op het schilderij, zijn daarom niet nodig. De bewoner had zich dan de moeite van de aanleg van een voor het verkeer hinderlijke goot kunnen besparen. Juist het gegeven dat het overtollige water voor verdere afvoer naar een specifieke plaats moest worden geleid, zou erop kunnen wijzen dat er geen gracht gedacht is.” aldus de twee critici.

Nu had ik in het kader van mijn onderzoek naar het tweede Straatje van Vermeer een keer ‘Het Gezicht op Delft’ van Vermeer uitgebreid bestudeerd en gezien dat op dit schilderij ook schrobgoten stonden afgebeeld, die stuk voor stuk het water rechtstreeks naar een trekvaart afvoerden. In een mailtje aan de professor – ik had al eens een keer eerder over mijn onderzoek naar het Tweede Straatje van Vermeer met hem gecorrespondeerd – wees ik hem op deze schrobgoten.

Vorige maand verscheen er in het bulletin van Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond een uitgebreid wetenschappelijk artikel van de professor, waarin hij mijn inziens overtuigend alle kritiek op zijn onderzoek weerlegt.

0 vermeer

Mijn “vondst” van de aanwezigheid van schrobgoten op ‘Het gezicht op Delft’ wordt (keurig met naamsvermelding) ook even kort genoemd – ik sta nu in een wetenschappelijk artikel (!) – , maar dat is niet de reden dat ik hier over het artikel van de professor schrijf. De reden daarvoor is niet de inhoud, maar om te laten zien hoe je in een wetenschappelijk artikel alles moet verantwoorden in bronnen en voetnoten. In mijn mailtje aan de professor schreef ik namelijk:

Kortom, zo ver ik het kan beoordelen staat jouw theorie nog steeds overeind. Bovendien een theorie die gebaseerd is op belastingboeken die moet wel kloppen. Zoals Benjamin Franklin al zei: “Op deze wereld is niets zeker, behalve de dood en de belastingen.”

Blijkbaar vond de professor dit een leuk citaat en hij gebruikt het dan ook in zijn artikel. Maar niet zoals ik het opschreef. Je kan niet zomaar een vrije Nederlandse vertaling opnemen. Het moet wel wetenschappelijk onderbouwd zijn. Ik zag dat de professor zelfs de oorspronkelijke bron en tekst had opgezocht. Uit het (dertien pagina’s lange) artikel van professor Grijzenhout:

Op grond van dat register moesten burgers immers daadwerkelijk belasting betalen voor het onderhoud van de kade en het uitdiepen van de gracht voor hun deur, en niemand – toen niet en nu niet – wil meer belasting betalen dan strikt noodzakelijk. Bovendien, zoals Benjamin Franklin al zei: ‘(…) in this world nothing can be said to be certain, except death and taxes’.18  We kunnen de gegevens uit het belastingregister dus maar beter serieus nemen.”

Dat getalletje 18 betekent dat er een voetnoot is. In die voetnoot vermeldt de professor keurig de bron van het citaat.

0 vermeer 2

Het is maar goed dat ik op dit blog geen wetenschappelijke stukken schrijf. Dan zou ik voor elk citaat dat ik gebruik, de bron en de exacte tekst moeten opzoeken. “Van de meeste boeken blijven alleen de citaten over. Dan is het toch beter van meet af aan alleen de citaten neer te schrijven?” Dat is een citaat van de Poolse schrijver Stanislaw Jerzy Lec. Waar vind ik in Godsnaam zijn oorspronkelijke uitspraak? Ik spreek helemaal geen Pools!

Maar anyway, ik sta nu dus in een voetnoot in een wetenschappelijk artikel! Zo, nu kijkt u vast heel anders tegen mij aan.

 

Zo groot als een voetbalveld

Afgelopen vrijdag was ik in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden. Ik bezocht daar de tentoonstelling over Nineveh. Mooie tentoonstelling, ik kan hem aanraden.

00 nineveh

Nineveh, gelegen in het huidige Irak – als u nog nooit van deze plaats gehoord hebt, dan geeft dat niet; ik had er ook nog nooit van gehoord – was 2700 jaar geleden de grootste stad ter wereld. Het telde toen 100.000 inwoners. In 612 voor Christus werd de stad echter door vijanden volledig met de grond gelijk gemaakt. In het museum in Leiden zijn nu diverse voorwerpen afkomstig uit de stad te zien. Bij één van deze voorwerpen stond vermeld dat het afkomstig was uit een paleis dat liefst 80.000 vierkante meter groot was. Om te benadrukken hoe groot dat wel niet was, stond er op het informatiekaartje bij vermeld dat dit meer dan zes voetbalvelden groot was.

Dat zie je wel vaker. Dat de grootte van iets wordt vergeleken met een voetbalveld. Blijkbaar zegt een vergelijking met een voetbalveld de mensen meer dan dat iets zoveel vierkante meter groot is. Niet alleen in Nederland wordt deze vergelijking gebruikt maar ook in andere landen. Enkele voorbeelden:

  • WOS Radio (de lokale omroep voor de gemeenten Westland, Midden-Delfland, Maassluis en deelgemeente Hoek van Holland.): “Binnen een straal van 600 meter van de Westlandse dorpskernen liggen 973 percelen met ruim 46 hectare aan asbestdaken. [..] Ter vergelijking, dat is ter grootte van bijna 100 voetbalvelden.”
  • Trouw in 2011 over de Tweede Maasvlakte: “Nederland wordt 4.000 voetbalvelden groter.”
  • Daily Mail: in 2017: “An ASTEROID larger than a football field is set to zoom past our planet tonight little over a week since it was discovered.”
  • The Independent in 2014: “Giant digital billboard in Times Square is bigger than a football field”

Zo zie je maar, er wordt wat afgevoetbald. Echter, je kan je soms wel eens de vraag stellen of de vergelijking wel klopt. Laten we eens beginnen met die van WOS-radio. Een gemiddeld voetbalveld is 110 meter lang en 67 meter breed, dat is dus een oppervlakte van 7370 vierkante meter. In die 46 hectare aan asbestdaken passen dus geen 100, maar ‘slechts’ 62 voetbalvelden – nog steeds veel –  maar bij lange na geen 100 velden. Hier wordt de zaak dus wat overdreven. Of neem de Tweede Maashaven, die is in totaal 2000 hectare groot. Dat zijn 2713 voetbalvelden, geen 4000 stuks.

Of neem dat digitale billboard op Times Square. Dat is 25.000 vierkante ‘feet’ groot. Dat is omgerekend 2323 vierkante meter oftewel nog niet eens 1/3 voetbalveld. Zelfs als we uitgaan van een kleiner American Football veld (dat heeft een oppervlakte van 5346 vierkant meter), dan nog komen we niet eens tot een half voetbalveld. De grootte van het bord wordt dus schromelijk overdreven. Fake news zou Trump zeggen.

Hoe groot de asteroïde van de Daily Mail in werkelijkheid was, weet ik niet. In een volgend bericht vergeleek  de krant het ding niet meer met een voetbalveld maar met een walvis. Die worden maximaal zo’n dertig meter lang. Ik vermoed dan ook dat hij dus kleiner dan een voetbalveld groot zal zijn geweest.

Het Leids Museum daarentegen schat de boel juist te klein in. In een paleis van 80.000 vierkante meter passen zelfs bijna elf voetbalvelden. Ok, het door hen gestelde, namelijk dat het paleis groter was dan zes voetbalvelden, is dus ook waar maar ze hadden het sterker kunnen brengen: “Het paleis was groter dan tien voetbalvelden bij elkaar!”

Nu kan ik nog wel meer voorbeelden gaan onderzoeken, maar aangezien deze blogpost nu  al bijna een voetbalveld groot is, stop ik er mee.

Het verleden, het heden en de toekomst

De laatste blogpost van dit jaar. Daarom ga ik vandaag filosofisch doen. Gisteren was het donderdag, vandaag is het vrijdag, morgen is het zaterdag. Ho, ho, voordat u roept: “Zo, zo, ik ben onder de indruk”, dit was het nog niet. Dit is alleen nog maar het uitgangspunt voor mijn gedachtenexperiment. Het gaat mij namelijk om  de duur van het verleden, het heden en toekomst.

Het heden duurt het kortst. Dat is nu, dat is niet zo moeilijk. Als we rekenen in dagen, dan duurt het heden één dag en dat geldt ook voor het heden van morgen, als u snapt wat ik bedoel – ik heb niet gezegd dat dit een makkelijke blogpost wordt.

Nu het verleden. Er was ooit een oerknal – over illegaal vuurwerk gesproken – dus ik neem aan dat het verleden een beginpunt kent. Volgens de huidige inzichten vond de oerknal 13,77 miljard jaar geleden plaats. Laten we de tijdsduur van het verleden even V noemen.  V = 13,77 miljard jaar en morgen dus 13,77 miljard jaar + 1 dag.

000000 nasa

Zo maakt de NASA de groei van het heelal zichtbaar in een grafiek

Dan de toekomst, die korten we even af tot T. De toekomst is morgen een dagje kleiner dan de toekomst van vandaag. Dat is logisch maar als de toekomst elke dag een dagje kleiner wordt, betekent dat dan dat op een gegeven moment de toekomst op is? Niet depressief worden, want dat zou alleen gelden als V + T = C, waarbij C dan de constante van Van Neck is. Maar misschien is C geen eindig (constant) getal maar een oneindig getal, of te wel V + T = ∞ (dit ∞ symbool staat voor ‘oneindig’) en groeit de toekomst elke dag gewoon weer een dag aan, of te wel V + T = ∞ = ∞ + 1.

Als we nu in bovenstaande formule invullen V = 13,77 miljard jaar, dan krijgen we:  T  = ∞ – 13,77 miljard jaar + 1 dag. Vooral die ene dag vind ik wel bijzonder.

Kunt u het nog volgen? Nou ik zelf niet meer, dus ik ga er nog maar eens een dagje over nadenken. (En dan zal je zien dat morgen de uitgangspunten weer veranderd zijn.)

Tot zover deze filosofische blogpost. Om u nog even voor dit jaar een wijs woord mee te geven, eindig ik met een citaat Albert Einstein: “Meer dan het verleden interesseert mij de toekomst, want daarin ben ik van plan te leven.”

Klimaatverandering

Je kan veel van Trump zeggen maar niet dat hij geen uitvoering geeft aan zijn visie op het klimaat. Nog geen week nadat hij het klimaatverdrag opzegde, daalt de temperatuur hier al met tien graden. Wat nou opwarming van de aarde? Even een flauw grapje tussendoor. Wat is het verschil tussen Trump en een eendagsvlieg? Een eendagsvlieg heeft een langere termijnvisie.

Het vervelende is dat Trump niet de enige is in Amerika die er zo over denkt. In februari 2015 nam  bijvoorbeeld James Inhofe, de republikeinse senator van Oklahoma, een sneeuwbal mee in de senaat om aan te tonen dat er geen sprake was van opwarming van de aarde.

sneeuwbal

Daarmee aantonend dat hij het verschil tussen ‘weer’ en ‘klimaat’ niet goed snapte.

Maar goed, het regent en stormt nu dus. Dat we vaker najaarsstormen in het voorjaar zullen zien, is niet iets waardoor fietsers in Leiden verrast zullen worden. Gezien dit bord worden zij al gewaarschuwd voor regen en storm

fietsen

Gewoon een paraplu mee.

Mevrouw Einstein (2)

Zoals aangekondigd in de vorige blogpost  hier het verhaal over de eerste mevrouw Einstein.

einsteinAlbert Einstein en Mileva Marić in 1912; foto: ETH-Bibliothek Zürich, Bildarchiv / Fotograaf: Unbekannt / Portr_03106 / Public Domain Mark 

Het tragische leven van de eerste mevrouw Einstein

Albert Einstein wordt vaak geciteerd. ‘Twee dingen zijn oneindig, het universum en de menselijke domheid, maar van het universum weet ik het nog niet helemaal zeker’ is bijvoorbeeld een bekende uitspraak van hem. Een wat minder bekende uitspraak van hem luidt: ‘Waar liefde is, wordt niets geëist of opgelegd’. Dit in gedachten houdend leest men met andere ogen de brief die Albert Einstein op 18 juli 1914 aan zijn eerste vrouw Mileva Maric stuurde met daarin het volgende lijstje met eisen waaraan zij moest gehoorzamen:

A) Je zorgt ervoor dat er altijd schone kleren voor mij klaar liggen, ik elke dag drie fatsoenlijke maaltijden op mijn kamer krijg voorgezet, mijn slaap- en studeerkamer er netjes en opgeruimd uit zien. Daarbij mag niemand aan de spullen op mijn bureau komen.

B) Je ziet af van een persoonlijk samenzijn van ons, tenzij dit vanwege sociale redenen strikt noodzakelijk is. Je zult van mij niet verlangen dat:  Ik bij jou in de kamer ga zitten; ik met jou uitga,  ik samen met jou op reis ga.

C) In het bijzonder dien je je in de omgang met mij uitdrukkelijk aan het volgende te houden:

  1. Je mag niet op tederheden mijnerzijds rekenen, ook mag je mij daarover geen verwijten maken.
  2. Als je tegen mij praat en ik verzoek je te zwijgen, dan dien je mij te gehoorzamen.
  3. Als ik je vraag om mijn slaapkamer dan wel mijn studeerkamer te verlaten, dan dien je dit direct te doen.

D) Je mag mij tegenover mijn kinderen noch door woord noch door gebaar kleineren.

Vergelijk dit eens met de brief die Einstein veertien jaar eerder, op 14 augustus 1900, aan haar stuurde: “Hoe heb ik vroeger alleen kunnen leven, jij bent mij kleine alles. Zonder jou heb ik geen gevoel voor eigenwaarde, geen zin om te werken, geen levensvreugde, kortom zonder jou is mijn leven geen leven.” Er is in veertien jaar die tussen deze twee brieven in ligt duidelijk iets mis gegaan.

De gehele correspondentie tussen Albert Einstein en zijn eerste vrouw Mileva Maric werd in 1987 vrijgegeven, 32 jaar na zijn dood en 39 jaar na haar overlijden. De brieven onthulden dat er naast de twee bekende kinderen van het echtpaar – de jongetjes Hans Albert en Eduard – het echtpaar ook nog een derde kind had, een dochtertje met de naam Lieserl. Ook lieten de brieven zien dat Einstein bepaald niet altijd even aardig was voor zijn vrouw en zijn kinderen.

Mileva Maric werd op 18 december 1875 geboren in Titel, Servië. Ze had een aangeboren heupafwijking, waardoor ze haar hele leven lang enigszins mank zou lopen. Ze kwam uit een redelijk welgestelde familie. Haar vader was na een carrière in het leger in de magistratuur gegaan en bezat daarnaast nog wat landbouwgrond.

Als kind blijkt ze hoogbegaafd te zijn. Ze heeft een aanleg voor talen en wiskunde en is muzikaal onderlegd. Ze zit op een meisjesschool, waar ze met kop en schouders boven de rest uitsteekt. Als ze vijftien is, krijgt ze – bij uitzondering – toestemming van de overheid om haar schoolopleiding op een jongensschool te vervolgen. Ook daar is ze de beste van de klas.

Omdat meisjes in het Oostenrijks-Hongaarse keizerrijk niet mogen studeren, vertrekt ze in de zomer van 1896 naar Zwitserland om daar aan de Universiteit van Zürich medicijnen te studeren. Na één semester stopt ze met deze studie. Haar hartstocht ligt bij de wis- en natuurkunde. Ze meldt zich aan bij het prestigieuze Polytechnische instituut, doet toelatingsexamen en wordt aangenomen. Ze komt als de enige vrouwelijk student in een klas met vijf medeleerlingen. Eén van hen is de dan zeventienjarige Albert Einstein. Mileva Maric is op dat moment twintig jaar oud.

Het eerste jaar studeert Maric hard en haalt mooie cijfers. Voor de drie jaar jongere Albert toont ze weinig interesse, maar dat verandert als deze haar het hof gaat maken. Voor het eerst heeft hij een jonge vrouw ontmoet waarmee hij over zijn wetenschappelijke denkbeelden kan praten.

In 1897 vertrekt Mileva voor de duur van een semester naar Heidelberg, Duitsland. Einstein blijft in Zürich. Hij stuurt haar brieven die zij beantwoordt. De jonge Einstein is een charmeur. Met zijn vilten hoed ziet hij er als een dandy uit. Na haar terugkomst uit Heidelberg speelt hij viool voor haar, vraagt haar vaak mee uit en ze krijgen een relatie.

Aanvankelijk heeft hun relatie positieve gevolgen voor hun beider studie. Bij het tussentijdse examen haalt Albert een 5,7 (bij een maximum van een 6,0). Mileva die vanwege haar verblijf in Heidelberg een semester achter is geraakt, scoort een paar maanden later bij haar examen een 5,1.

Dan ontstaan er familiespanningen. De joodse familie van Einstein is niet enthousiast over hun relatie. Zij is drie jaar ouder dan Albert, ze loopt mank, ze studeert, ze is te onafhankelijk, ze komt uit Servië en het belangrijkste: ze is niet joods. De familie van Mileva daarentegen geeft de jonge Albert een hartelijk welkom. De familiespanningen en de intensiteit van hun relatie gaan vooral ten koste van de studie van Mileva, maar ook de cijfers van Albert gaan achteruit. Weliswaar slaagt hij voor zijn eindexamen, maar zijn cijfer is gedaald naar een 4,9. Hij is daarmee slechts de vierde van de vijf examenkandidaten. Mileva haalt een paar maanden later tijdens haar eindexamen een gemiddelde van 4,0. Dat is niet voldoende en ze moet haar examen over doen.

Omdat Albert niet bij de beste drie studenten van zijn klas is geëindigd – en omdat de professoren de jonge Albert met zijn afwijkende ideeën over de natuurkunde als een eigenwijze student ervaren – krijgt hij na zijn studie geen baan van het instituut aangeboden. Ook sollicitaties naar een wetenschappelijke baan bij universiteiten in Duitsland, Italië en Nederland (bij Kamerlingh Onnes in Leiden) leveren niets op. Hij geeft privéonderwijs en probeert ondertussen werk te vinden.

In 1901 vertrekt Albert naar zijn familie in Italië. Mileva blijft in Zürich om te studeren. In mei brengen ze samen een paar dagen door bij het Comomeer. Ze raakt zwanger. Ze kan zich niet meer op de studie concentreren en in de zomer zakt ze weer voor haar examen. Ze besluit om met de studie te stoppen.

Het te verwachten kind is een probleem. Niet alleen zijn Albert en Mileva bang, dat als bekend wordt dat hij een buitenechtelijk kind heeft, hij geen baan zal vinden, maar ook hebben ze niet genoeg geld om het te onderhouden. Albert en Mileva besluiten dat zij naar haar ouders in Servië zal gaan om daar te bevallen. Albert blijft in Zürich en probeert ondertussen werk te vinden.

Als Mileva bij haar ouders is, stuurt Albert haar een brief, waarin hij er bij haar op aan dringt om na de geboorte van het kind, het kind niet mee terug naar Zürich te nemen. In januari 1902 bevalt zij in Novi-Sad van een dochtertje. Waarschijnlijk – in de archieven van Novi-sad is geen geboortecertificaat te vinden – krijgt het de naam Lieserl, want in een brief van 4 februari 1902 schrijft Einstein: “Het is inderdaad een Lieserl geworden, zoals je zo graag wou. Is het gezond en huilt ze veel?” Ook schrijft hij: “Hoewel ik haar helemaal niet ken, heb ik haar toch zo lief”. Hij neemt echter niet de moeite om naar Novi-Sad af te reizen en zal zijn dochter nooit zien.

Wat er vervolgens met Lieserl gebeurt, is niet duidelijk. Aanvankelijk hadden Mileva en Albert bedacht om het kind voor adoptie af te staan, maar in een brief van 12 december 1901, een maand voor haar geboorte, schrijft hij: “Ik wil niet dat we het kind afstaan. Spreek er eens over met je vader. Hij is een ervaren man die de wereld veel beter kent dan jouw ambitieuze onpraktische Johonzel” – Johonzel was de koosnaam die Mileva aan Albert had gegeven.

Of Lieserl voor adoptie is afgestaan, of dat de ouders van Mileva haar in huis hebben opgenomen, is niet bekend. In ieder geval keert Mileva in september 1902 zonder Lieserl terug naar Zürich. Na haar terugkomst trouwen Albert en Mileva in januari 1903.

Als Mileva in september 1903 weer enige tijd bij haar ouders door brengt, stuurt Einstein haar een tweetal brieven. Het zijn de laatste brieven waarin Lieserl ter sprake komt. Op 15 september 1903 schrijft hij: “Ik vind het heel erg wat er met Lieserl is gebeurd. Roodvonkkoorts kan soms heel vervelende sporen na laten.” Sommige onderzoekers denken vanwege deze brief dat Lieserl aan de gevolgen van roodvonk is overleden maar honderd procent zeker is dit niet.

De jaren 1904 en 1905 zijn de gelukkigste jaren uit het huwelijk van Albert en Mileva. Naast zijn werk op het patentbureau – hij heeft eindelijk werk gevonden als octrooideskundige derde klasse – is hij bezig met het opstellen van zijn natuurkundige theorieën. Zij runt het huishouden. In 1904 bevalt zij van een zoon, genaamd Hans Albert.

In 1905 publiceert Albert een viertal artikelen die de wetenschappelijke wereld op zijn kop zetten. Hij was hier al vijf jaar mee bezig. Dit blijkt uit een brief die Mileva in december 1900 aan vriendin schreef: “Albert heeft een natuurkundige verhandeling geschreven die waarschijnlijk  binnenkort – dat zou dus nog bijna vijf jaar duren –  in de Physikalischen Annalen gepubliceerd gaat worden. Kun je je voorstellen hoe trots ik wel niet ben op mijn lieve schatje.”

In 1909 krijgt Einstein een baan aangeboden als professor bij de Universiteit van Zürich. In 1910 wordt hun tweede zoon, Eduard, geboren. In 1911 vertrekt het gezin naar Praag. Vanaf dat moment gaat het mis. Beiden ervaren de periode in Praag als vreselijk. Wat er precies is voorgevallen, blijft onduidelijk. Ze keren in ieder geval in 1912 terug naar Zürich en er ontstaan spanningen tussen hun twee.

In 1914 accepteert Einstein een baan aan de universiteit van Berlijn en vertrekt naar Duitsland. Daar begint hij een relatie met zijn nicht Elsa Löwenthal. Het huwelijk met Mileva is dan zo goed als voorbij. Als zij zich met de kinderen bij hem in Berlijn wil voegen, stuurt hij haar het genoemde lijstje met eisen. Desondanks vertrekt ze naar Berlijn maar een paar maanden later keert ze met de kinderen terug naar Zürich. Ze zal er haar leven blijven wonen. Albert Einstein blijft in Berlijn waar hij een appartement betrekt dat naast dat van Elsa ligt.

In 1916 verzoekt hij Mileva om een scheiding. Ze weigert en wordt ziek. Haar zuster Zorka komt uit Servië over om voor de kinderen te zorgen. Onderweg van Servië naar Zwitserland wordt Zorka in Kroatië door een aantal soldaten verkracht, die op weg zijn naar het front van de Eerste Wereldoorlog. Aangekomen in Zürich krijgt Zorka een zenuwinzinking –  waarschijnlijk een reactie op het gebeuren. In plaats dat Zorka Mileva kan helpen, heeft de ziekelijke Mileva naast de zorg voor de kinderen nu ook nog de zorg voor haar zuster. Zorka zal twee jaar lang in een psychiatrische inrichting in Zürich verblijven en de rest van haar leven last blijven houden van psychische stoornissen.

In 1919 gaat Mileva alsnog akkoord met een scheiding. Volgens de scheidingsakte moet Einstein de kinderen financieel onderhouden en wordt hij verplicht 40.000 Duitse Mark op een Zwitserse bankrekening te storten. Zeer opmerkelijk is dat in de scheidingsakte al wordt vastgelegd, dat in het geval dat Albert de Nobelprijs mocht winnen, Mileva het geld krijgt.

Mileva moet voor de opvoeding van de kinderen zorgdragen, Albert krijgt het recht om ze tijdens de schoolvakantie te bezoeken. Hij maakt hier weinig gebruik van en de kinderen klagen veelvuldig dat ze hun vader niet zien. Vooral de jong ziekelijke Eduard mist zijn vader erg. Zo schrijft Mileva een keer aan Albert over Eduard: ‘Je hebt hier een lief maar ernstig ziek kind. Hij vraagt vaak wanneer zijn vader hem komt opzoeken en bij elk uitstel wordt hij verdrietiger en verdrietiger.’

Albert Einstein zal zijn hele leven lang weinig waarde hechten aan familierelaties. Dat merkt ook zijn tweede vrouw, zijn nicht Elsa, waarmee hij in 1919 trouwt. Ook haar blijft hij niet trouw. Regelmatig begint hij buitenechtelijke relaties, één van deze vrouwen neemt hij zelfs een tijdje in dienst als secretaresse.

In 1921 krijgt Albert Einstein de Nobelprijs voor natuurkunde en conform de scheidingsakte maakt hij het geld naar Mileva over. Deze koopt drie huizen. Eén huis dient als woning voor haar en de kinderen, de twee andere huizen verhuurt zij. Ze leeft van de huuropbrengsten en van het geld dat zij verdient met het geven van bijlessen wis- en natuurkunde en pianoles.

De kinderen blijken slimme jongens te zijn. Hans Albert heeft het intellect van zijn ouders geërfd. Hij gaat in Zürich naar dezelfde technische school als zijn ouders. In 1937 zal hij, net als zijn vader vier jaar eerder heeft gedaan, met zijn vrouw en kinderen naar Amerika emigreren, waar hij uiteindelijk hoogleraar aan de University of California in Berkeley bij San Francisco zal worden.

De jongste zoon, Eduard, gaat na de middelbare school psychologie studeren, maar al vrij snel stopt hij hiermee. Hij is somber en depressief en heeft zelfmoordneigingen. Hij blijkt schizofreen te zijn. Zijn hele leven lang zal hij verzorging nodig hebben. Van tijd tot tijd wordt hij in inrichtingen opgenomen. Om dit te kunnen bekostigen is Mileva begin jaren dertig gedwongen om de twee verhuurde huizen te verkopen.

De jaren dertig zijn niet de beste jaren voor Mileva. Haar beide ouders evenals haar zuster Zorka overlijden. Haar oudste zoon zit in Amerika. Ze zal hem, zijn vrouw en haar kleinkinderen, waarvan er eentje kort na aankomst in Amerika overlijdt, jarenlang niet meer zien. Haar jongste zoon is geestesziek en heeft continu aandacht nodig. Ook financieel gaat het niet goed.

Eind jaren dertig is haar financiële situatie zodanig verslechterd dat ze Albert vraagt bij te springen in de opvang van Eduard. Albert koopt het eigendom van het huis waarin Mileva en Eduard wonen en met dit geld kunnen ze weer een tijdje vooruit.

Na de Tweede Wereldoorlog verkoopt Albert in 1947 het huis. Weliswaar laat hij in de verkoopakte opnemen, dat Mileva en Eduard in het huis mogen blijven wonen, maar ondanks deze bepaling vraagt de koper hen te vertrekken.

In de verwarring die dan ontstaat, maakt de koper het geld voor het huis per ongeluk aan Mileva over en niet aan Albert. Mileva weigert vervolgens om het geld naar Albert over te maken. Dit wil ze pas doen als Albert geregeld heeft, dat zij en Eduard in het huis kunnen blijven wonen. Albert is hier zo boos over, dat hij Eduard dreigt te onterven. Dan krijgt Mileva een lichte beroerte, even later gevolgd door een tweede. Ze raakt deels verlamd en ligt maandenlang in een ziekenhuis. Op 4 augustus 1948 overlijdt ze.

Ze wordt in Zürich begraven. Omdat niemand de grafrechten wil betalen, wordt het graf al spoedig geruimd. Haar zoon Eduard zal de rest van zijn leven – hij sterft in 1965 –  in een inrichting doorbrengen.

Hans Albert krijgt na het overlijden van Mileva haar persoonlijke archief met daarin alle brieven van Albert. Dankzij deze brieven leert hij van het bestaan van zijn zuster Lieserl maar hij onderneemt geen pogingen om te achterhalen of ze nog leeft. Hans Albert overlijdt in 1973.

Na het verschijnen van de brieven in 1987 ontstaat er een discussie of Mileva misschien gezien moet worden als de medebedenkster van de relativiteitstheorie. Dit omdat Albert in één van de brieven schrijft over ‘onze theorie’. Nader onderzoek van de brieven leert dat Mileva waarschijnlijk niet heeft bijgedragen aan de theorie. Zo heeft Einstein het in zes andere brieven over ‘mijn theorie’ en ook heeft Mileva nooit geclaimd dat ze een bijdrage heeft geleverd aan de relativiteitstheorie.

Tot slot nog een vrij onbekend citaat van Einstein: ‘De enige verstandige manier van opvoeden bestaat er uit een voorbeeld te zijn, desnoods een waarschuwend voorbeeld.’

Mileva Maric zal het met hem eens zijn geweest. Albert Einstein was een geniale wetenschapper maar een beroerde familieman.

Mevrouw Einstein (1)

National Geographic – ze geven niet alleen een blad uit maar hebben ook een televisiezender – zendt momenteel de tiendelige serie ‘Genius’ uit over het leven van Albert Einstein. Het gaat niet alleen over zijn wetenschappelijke ontdekkingen maar ook over zijn privéleven, vooral over zijn huwelijk met zijn eerste vrouw Mileva Marić.

Nu weet ik toevallig veel van dit huwelijk af. Ja, ja, wat ik al niet weet. Dat komt door de rubriek ‘Het Nutteloze Kennisparadijs’ die ik in 2004 en 2005 voor de Volkskrant schreef. De eerste mevrouw Einstein stond namelijk genoteerd op mijn lijstje met mogelijke onderwerpen voor de rubriek. Ik had ooit eens ergens een stukje over haar gelezen en haar tragische levensverhaal leek me een mooi onderwerp. Echter, de afleveringen van de rubriek mochten niet langer dan 600 woorden zijn en dat was veel te weinig om haar trieste leven te kunnen beschrijven. De eerste versie die ik schreef telde namelijk zo’n 2500 woorden. Nu geldt weliswaar ‘schrijven is schrappen’ maar om een verhaal van 2500 woorden terug te brengen tot 600 woorden, dat is iets te veel van het goede. De krant heeft haar levensverhaal dus niet gehaald.

In 2005 verscheen het ‘Nutteloze Kennisparadijs’-boek met een bundeling van de columns. Ik heb toen een aantal extra verhalen speciaal voor het boek geschreven en zag toen ook mijn kans schoon om het verhaal over mevrouw Einstein in het boek op te nemen. (Ik zat voor het boek niet vast aan een lengte van 600 woorden per verhaal.)

einsteinAlbert Einstein en Mileva Marić in 1912; foto: ETH-Bibliothek Zürich, Bildarchiv / Fotograaf: Unbekannt / Portr_03106 / Public Domain Mark 

Ik volg nu dan ook met belangstelling de tv-serie. Ik moet zeggen dat ze mijn verhaal goed volgen. Weliswaar hebben ze zijn wetenschappelijke prestaties toegevoegd aan de serie – die stonden niet in mijn verhaal –  maar de persoonlijke relaties tussen Einstein en zijn vrouw laten ze zien overeenkomstig de wijze dat ik deze heb opgeschreven. Het kan natuurlijk ook zijn dat we ons op dezelfde bronnen hebben gebaseerd, maar ik was ze dus ruim tien jaar in de tijd voor. Albert Einstein zou echter zeggen: “Tijd bestaat alleen maar omdat anders alles tegelijk zou gebeuren

Ik zal even in een aparte blogpost mijn verhaal over de eerste mevrouw Einstein plaatsen. Gezien de verkoopcijfers van het boek zullen immers niet veel mensen – op een enkel familielid na – het verhaal gelezen hebben. Voor de enkeling die mijn verhaal al wel heeft gelezen, citeer ik even de Tsjechische schrijver Milan Kundera: “Geluk is het verlangen naar herhaling”.

Voor wat betreft de tv-serie, ik kan hem aanraden. National Geographic herhaalt heel vaak haar programma’s – ook zij kennen de uitspraak van Kundera – dus er is nog alle kans om afleveringen terug te kijken.

Tot slot, helemaal los van het bovenstaande, Albert Einstein overleed in 1955. Voor mensen die in reïncarnatie geloven – en ook voor degenen die dat niet doen –  dat is hetzelfde jaar als waar ik in ben geboren. Ok, het is ook het jaar waarin Steve Jobs en Bill Gates zijn geboren.