Category Archives: Wetenschap

Statistieken

In deze corona-tijden word je momenteel doodgegooid met allerlei statistieken. (Sorry, een beetje ongelukkige uitdrukking in dit verband.)  Met statistieken moet je uitkijken. Zo zei Benjamin Disraeli, Engels premier in de negentiende eeuw, ooit eens:  “Er zijn drie soorten leugens: leugens, verdomde leugens en statistieken.”  

Ook Churchill wist wel hoe je met statistieken moest omgaan: “Je kunt slechts die statistieken vertrouwen, die je zelf hebt gemanipuleerd.”  Politici maken dan ook vaak misbruik van statistieken. De Duitse politicus Heinz Kühn zei niet voor niets: “Politici gebruiken statistieken zoals dronken kerels lantarenpalen: niet ter verlichting maar als stut. 

Een mooi hedendaags voorbeeld van iemand die statistieken misbruikt, is de republikeinse gouverneur Brian Kemp van de Amerikaanse staat Georgia. Kemp, een trouw aanhanger van president Trump, is een zeer omstreden politicus die onder andere beschuldigd wordt van kiezersmanipulatie vanwege allerlei maatregelen die er voor zorgden dat veel Afro-Amerikanen, Aziaten en latino’s bij de laatste gouverneursverkiezingen niet konden stemmen. Hij won deze verkiezingen nipt.

Vanwege de corona ontkwam gouverneur Kemp er niet aan om ook voor Georgia een lockdown uit te roepen, maar hij was de eerste gouverneur die zijn staat weer wilde open gooien. Half april was zijn oorspronkelijk voorstel. Dat vond zelfs Trump wat te vroeg, maar toen Kemp eind april allerlei zaken al weer toestemming gaf om open te gaan, roemde Trump het beleid van Kemp.

Ter verdediging van zijn besluit liet Kemp onlangs allerlei statistieken en grafieken publiceren, die lieten zien dat het aantal besmettingen in Georgia ook na de openstelling bleef dalen. Neem bijvoorbeeld deze grafiek die voor de vijf belangrijkste ‘counties’ –  zeg maar een soort “gemeentes”; Georgia heeft er 159 –  de aantallen nieuwe besmettingen per dag liet zien over de periode 26 april tot en met 9 mei. Ondanks de openstelling een duidelijk dalende lijn, aldus Kemp.

0000000 grafiek 1

Als we deze lantaarnpaal-grafiek echter wat nader bekijken, dan vallen een tweetal zaken op. Allereerst de volgorde per dag  van de vijf counties. De counties hebben allemaal hun eigen kleur, maar ze staan niet elke dag in dezelfde volgorde. Telkens staat het county met de meeste nieuwe besmettingen voorop, waardoor je niet meer de ontwikkeling per county goed ziet.

Maar dat is ‘peanuts’ vergeleken met de andere manipulatie die in de grafiek zit. Kijk eens goed naar de x-as. De dagen staan daar niet in de goede volgorde.

0000000 grafiek 0

Zo wordt bijvoorbeeld 30 april gevolgd door 4 mei, 5 mei door 2 mei, 2 mei door 7 mei, 7 mei door 26 april en 26 april door 3 mei. Een ratjetoe.

Joey deVilla, aan wiens blog ik deze grafiek ontleen, omschreef het als volgt:  ” The dates are out of order. In fact, they’ve been specifically re-ordered to make it look as if the number of cases has been dropping steadily for the past few weeks”  Volgens de Washington Post was Georgia nu de enige staat in Amerika waar op order van de gouverneur donderdag wordt gevolgd door zondag.

Joey deVilla zette de grafiek ‘goed’ en toen zag het beeld er als volgt uit:

0000000 grafiek 3

Nu is niet meer sprake van een continu dalende lijn. Geconfronteerd met de manipulatie boden Kemp en zijn perssecretaresse hun excuses aan. Er was voor deze weergave gekozen zeiden ze om de trend voor het publiek wat makkelijk zichtbaar te maken.

0000000 grafiek 6

Je kan je overigens afvragen wat ze bedoelt met ‘Our mission failed’.  Het was trouwens niet de eerste keer dat er kritiek kwam op grafieken van de staat. In maart verscheen deze grafiek met de nieuwe aantallen per dag. Een continu stijgende lijn, min of meer rechtlijnig, niet exponentieel.

0000000 grafiek 4

Maar als je naar de Y-as kijkt, dan zie je daar een merkwaardige schaalverdeling: 30, 60, 90, 100, 130, 160, 190, 240, 250, 300, 350, 400. Daardoor valt de exponentiële  toename van de aantallen op 26 maart wat minder op.

Ik zou dus zeggen, pas een beetje op met de grafieken van gouverneur Kemp, of om een uitspraak van de Amerikaanse schrijver William Saroyan te parafraseren: “Ik geloof dromen eerder dan statistieken van gouverneur Kemp.”

 

 

Zoals Albert Einstein zei (of niet?)

Van Albert Einstein circuleren veel citaten. Ik citeer hem ook wel eens, vooral als ik weer eens wat zinloos aan het doen ben – en dat gebeurt best vaak –  om mijn gedrag goed te praten,  zoals “Als we wisten wat we deden, heette het geen onderzoek.” 

eisntein

Andere bekende citaten van Einstein zijn:

  • Logica brengt je van A naar B. Verbeelding brengt je overal.”
  • “We kunnen een probleem niet oplossen met de denkwijze die het heeft veroorzaakt.”
  • “Een uur zitten bij een aardig meisje vliegt voorbij als een minuut, maar een minuut op een brandende kachel lijkt wel een uur. Dat is relativiteit.”
  • “Intellectuelen lossen problemen op. Genieën voorkomen ze.”
  • “Twee dingen zijn oneindig, het universum, en menselijke domheid. Maar van het universum weet ik het nog niet helemaal zeker.”

Die laatste uitspraak zie je momenteel in allerlei variaties terug op internet, maar dan met Donald Trump in de hoofdrol. “Twee dingen zijn oneindig, het universum, en de domheid van Donald Trump. Maar van het universum weet ik het nog niet helemaal zeker.

Dit naar aanleiding van Trumps uitspraak van gisteren of het misschien een goed idee was om mensen met desinfecterende middelen zoals bleekmiddel te injecteren. Dit omdat het coronavirus daar slecht tegen kan. Tja, wie verzin zoiets – de president van de Verenigde Staten dus.

Nu is het met citaten zo dat ze vaak onjuist geciteerd worden, uit het verband worden gehaald of aan de verkeerde persoon worden toegeschreven. Ik heb even op internet gezocht om te kijken of dit voor het domheid-citaat van Einstein (de ‘originele’, niet die met Trump) ook geldt en inderdaad, ook voor dit citaat is het hoogst onzeker of Einstein het gezegd heeft. Ene Garson O’Toole, een Amerikaanse ‘Quote investigator’,  heeft dit in 2011 onderzocht. Het resultaat van zijn onderzoek kan je in dit blog  uit juli 2011 lezen.

Spoiler alert: Volgens het blog schreef ene Frederick S. Perls  in 1940 in een boek het volgende: “Two things are infinite, as far as we know – the universe and human stupidity.” Today we know that this statement is not quite correct. Einstein has proved that the universe is limited.” 

Uiteindelijk is dit in het “citaat” niet alleen “veranderd’ en nog uitgebreid met de toevoeging ‘Maar van het universum weet ik het nog niet helemaal zeker.” maar ook wordt het dus ten onrechte toegeschreven aan Albert Einstein.

Bij zijn onderzoek naar de bron van het citaat stuitte Garson O’Toole overigens ook nog op een mooie uitspraak over ‘grenzen’ en ‘domheid’ van Alexandre Dumas. Die zou in 1865 gezegd hebben:

“Une chose qui m’humilie profondément est de voir que le génie humain a des limites, quand la bêtise humaine n’en a pas.”

Vrij vertaald: “Een ding dat me tot grote bescheidenheid brengt, is te zien dat het menselijk genie zijn grenzen heeft, terwijl de menselijke domheid dat niet heeft.”

dumas

Nu zitten we nog wel met de vraag of Alexandre Dumas dat ooit daadwerkelijk heeft gezegd.

p.s. als ik naar de kapsels van Einstein en Dumas kijk, dan vraag ik me af of er in hun tijd soms ook sprake was van een ‘lockdown’ van de kappers.

Mogelijke verbanden met het coronavirus

Het coronavirus is nog niet echt onder controle.  Het enige land waar duidelijk vooruitgang te zien lijkt, is China. Straks moeten we nog allemaal naar China om het virus te ontvluchten. Ik zie het Naomi Campbell, gezien dit berichtje op de site van het AD, nog wel doen ook.

1 campobeeDe foto in het krantenberichtje is afkomstig van haar eigen Instagram-account

Enfin, ook in Nederland werken we er hard aan om de uitbraak onder controle te krijgen. Zo heeft Minister-president Rutte het advies gegeven om geen handen meer te schudden, waarna hij prompt de hoogste baas van het RIVM een hand gaf.

1 rutte

Het was duidelijk nog even wennen voor Rutte. Ook zijn elleboog-begroeting  hield nog niet over.

1 rutte 2

Ik heb trouwens wel wat twijfels over dat ellebooggroeten, want is die elleboog niet juist het lichaamsonderdeel waarin je volgens de RIVM het beste kon niezen?

Maar dat we beter even het handen schudden niet kunnen doen, is verstandig beleid, zoals ook wel blijkt uit de reconstructie die men heeft kunnen maken van de route die het virus heeft gemaakt vanaf de man die het virus van een dier kreeg tot aan de grote besmetting in China.

00 virus1

Enfin, ik heb besloten om ook mijn steentje bij te dragen om het virus te bestrijden en ik heb daarom eens gekeken of ik vanuit een andere invalshoek dan de medische hoek verbanden kan ontdekken tussen de coronauitbraak en …..  Wat er op die puntjes moet staan, weet ik uiteraard nog niet. Dat ben ik immers nog aan het onderzoeken.

Als eerste heb ik gekeken of er een verband is tussen de verspreiding  van het coronavirus over Nederland en die van de zonnewijzers. Waarom daar een verband tussen zou zijn? Ik heb geen flauw idee, maar hé, ik ben aan het onderzoeken, of zoals Albert Einstein zou zeggen: “Als we wisten wat we deden, heette het geen onderzoek.”

1 zonne

Er lijkt geen verband te zitten tussen de verspreiding van het coronavirus en de verdeling van zonnewijzers over Nederland. Het zelfde geldt voor het coronavirus en de verdeling over Nederland van deelnemers aan een enquête onder katteneigenaren met de vraag of ze kattenemoties kunnen herkennen in hun beestjes.

1 katten 2

Ook het aantal musea per provincie lijkt geen rol te spelen.

1 musea

Die roze bolletjes met cijfers geven niet het aantal overleden mensen aan maar het aantal musea per provincie met subsidie.

Een volgende vergelijking betreft die tussen de verspreiding van het virus en de verdeling van de standaardopbrengst boomkwekerij over Nederland.

1 boom

Ik moet zeggen dat ik hier wel wat overeenkomsten zie. Alleen heb ik nog geen goede verklaring waarom gebieden met een lagere opbrengst per boomkwekerij meer coronavirus-gevallen kennen.

Wel weet ik dankzij mijn vergelijkingsonderzoek dat het niet de ooievaars zijn geweest die het virus naar Nederland hebben gebracht.

1 ooievaar

Er zijn dan ook nauwelijks baby’s die besmet zijn.

Nee, de echte verdachte, dat kan er maar één zijn: de belastingdienst! Kijk maar eens naar het verband van de verspreiding van het virus en de verspreiding op de site van ‘Alle Storingen’ van mensen die problemen hadden met het online doen van de belastingaangifte.

1 belasting

Het verband is duidelijk! Maar wacht eens even zult u zeggen, in Groningen zijn er ook problemen met de site van de belastingdienst, maar daar zijn nog geen coronavirus-gevallen gemeld. Inderdaad, maar let u even op het  woordje ‘nog’. Dankzij de voorspellende waarde van mijn onderzoek – geen dank – kunnen de GGD-diensten in Groningen zich er nu alvast op voorbereiden dat er ook een golf corona-patiënten hun kant op komt.

p.s. Ik kwam gisteren toevallig Mark Rutte tegen in Den Haag. Over mijn suggestie dat het dit jaar in verband met het coronavirus verstandig lijkt om geen belasting te innen, zei de minister-president:  “Als je tot de conclusie komt dat het innen van belasting een te groot risico is, moet je dat besluit heroverwegen.”  Wel zei hij dat hij het nog even met het RIVM en het kabinet wilde bespreken, waarop we elkaar hartelijk de hand schudden en elk ons eigen weg gingen.

 

In quarantaine

In Nederland is er nu ook iemand positief getest op het coronavirus. Er wordt onderzocht met wie de man recent contact heeft gehad. Deze mensen zullen, als ze niet positief op het virus testen, toch vermoedelijk veertien dagen in een soort quarantaine – al of niet thuis – moeten zitten om er zeker van te zijn dat ze het virus niet hebben.

Dit geldt ook voor die mensen die nu veertien “opgesloten zitten” in een hotel op Tenerife omdat daar twee zieke Italianen hebben verbleven. (Even tussen haakjes, de meeste reisverzekeringen schijnen de kosten gemoeid met dit verlengde verblijf niet te dekken; dat is lekker.)

00000 00 00 reis

Nu hebben die mensen met die periode van veertien dagen quarantaine eigenlijk nog mazzel, want als er letterlijk vastgehouden zou worden aan het woord quarantaine, dan zouden ze veertig dagen in quarantaine moeten zitten. Het woord stamt namelijk af van het Italiaanse woord ‘quaranta’ wat veertig betekent.

Het idee om iemand, die mogelijk een besmettelijke ziekte heeft, in quarantaine te plaatsen, is al oud. Zo mochten ten tijde van de Zwarte Dood (de periode van de builenpest;1347-1351) zeelieden en andere nieuwkomers in Ragusa (het huidige Dubrovink) pas na 30 dagen isolatie de stad in. Dit om te voorkomen dat ze de ziekte de stad in brachten.

00000 00 00 verspreiding

Op dit kaartje is goed te zien dat de Zwarte Dood zich vooral vanuit de havens over Europa verspreidde. Tegenwoordig zorgt het reizen per vliegtuig er voor dat ziektes zich veel sneller over de wereld verspreiden. De schattingen over het aantal mensen dat wereldwijd aan de Zwarte Dood overleed lopen behoorlijk uiteen: van zo’n 75 tot 200 miljoen mensen. In Europa overleed zo’n 30% van de mensen aan de ziekte.

Venetië nam, net zoals een aantal andere Italiaanse steden, de isolatiemaatregelen van Ragusa over. Nadat de Zwarte Dood “uitstierf”, bleef men bij nieuwe epidemieën vast houden aan een isolatieperiode van dertig dagen (men sprak toen over een ‘trentine’.)  Maar in 1448 bleken er in Venetië bij een nieuwe pestepidemie ondanks de isolatieperiode van dertig dagen toch zieke mensen de stad in te komen. Daarop verlengde de Senaat van Venetië de isolatietermijn naar 40 (‘quaranta’) dagen – achteraf bleek dat de betreffende pestvorm een incubatietijd had van 37 dagen – en zie hier de oorsprong van het woord ‘quarantaine’.

Al lang voor de Middeleeuwen werden mensen in quarantaine geplaatst. Het idee om mensen te isoleren in het geval van een besmettelijke ziekte is al minstens 2700 jaar oud en misschien wel ouder.

Zo vermeldt de Bijbel, in het Oude Testament;  Leviticus 13 – dit boek is vermoedelijk zo’n 700 jaar voor Christus geschreven –  al een quarantainevorm (het betreft hier een geval van lepra) […] Zo zal de priester hem, die de plaag heeft, zeven dagen opsluiten. Daarna zal de priester op den zevenden dag hem bezien […]

De Bijbel bevat in het Oude Testament meerdere zogenaamde ‘reinheidswetten’.

  • Mensen mogen geen dieren eten die vanzelf zijn doodgegaan, geen ratten en muizen eten, geen voedsel eten waarop dode dieren hebben gelegen (Leviticus 17:15, Deuteronomium 14:21a en Leviticus 11:29, 32, 33).
  • Mensen moeten zich vaak wassen en degenen die een zichtbare besmettelijke ziekte hebben, moeten worden afgezonderd (Leviticus 15:1-23 en 13:1-7, 46).
  • De ontlasting moet worden begraven en een bron, put of emmer moet worden afgedekt, zeker wanneer er in de omgeving mensen sterven (Deuteronomium 23:12, 13 en Numeri 19:14, 15)

Iemand die deze regels kende en toepaste was een zekere Balavignus. Hij was een Joodse arts die ten tijde van de Zwarte Dood in 1348 werkzaam was in de Joodse wijk in Straatsburg. Hij adviseerde om de hele wijk schoon te maken en al het afval te verbranden. Dit zorgde in de Joodse wijk voor een flinke  daling van het aantal ratten (met daarop de vlooien die de pestbacterie overdroegen) met als gevolg veel minder slachtoffers in de Joodse wijk dan in de omliggende Christelijke wijken. In de Joodse wijk overleed maar zo’n 5% van de mensen aan de ziekte tegenover 30% in de andere wijken van Straatsburg.

Dit verschil viel ook het stadsbestuur van Straatsburg op. Maar in plaats dat het stadsbestuur de hygiënische maatregelen van Balavignus overnam, beschuldigden ze hem er van dat hij, en de andere Joden uit de wijk, bronnen en waterputten van de Christenen vergiftigden. Balavignus werd zwaar gefolterd en ‘bekende’ daarop. Deze ‘bekentenis’ leidde tot pogroms in heel Europa waarbij  tienduizenden Joden het leven lieten.

Tot zover dit stukje geschiedenis. De komende dagen zult u hier geen blogposts lezen. Niet omdat ik in quarantaine zit, maar omdat het weekend is en ik haast nooit in het weekend schrijf. Ik zit die twee dagen in een soort ‘duetaine’. Ook moet ik op de vliering even het mondkapje opzoeken wat onze familie al eeuwenlang gebruikt.

00000 00 00 kapjeMocht u binnenkort iemand met zo’n kapje over straat zien lopen, dat ben ik!

 

Een wetenschappelijke grap

In de laatste twee blogposts vertelde ik twee anekdotes over de Nobelprijswinnaars Albert Einstein en  Niels Bohr. Vandaag een wetenschappelijke grap over deze twee. U ziet, ik ben het wetenschappelijke niveau van dit blog wat aan het opkrikken.

Bohr en Einstein dus. Ze waren vrienden en discussieerden vaak, vooral over de kwantummechanica. Bohr was een van de opstellers van deze theorie. De kwantummechanica is een ingewikkelde theorie met grote implicaties. ‘Als u niet geschokt bent door de kwantummechanica, dan heeft u de theorie niet begrepen’, sprak Bohr eens.

Einstein begreep de theorie wel, maar was het niet altijd met Bohr eens. Hij had vooral moeite met de toepassing van het onzekerheidsprincipe van Heisenberg in de theorie. De Duitse kwantumfysicus Werner Heisenberg ontdekte in 1927 dat je nooit alles van een deeltje kan weten. Óf je weet zijn positie exact, of je weet precies wat zijn snelheid is.  Maar je kan ze niet allebei tegelijkertijd exact meten.  Hoe nauwkeuriger we de ene grootheid meten, hoe onnauwkeuriger de andere.

Dit komt niet door onnauwkeurigheid in de meting maar door een fundamentele onzekerheid die ingebakken zit in de natuur.  Toen Einstein dit onzekerheidsbeginsel in de natuur voor het eerst te horen kreeg, was zijn opmerking ‘God dobbelt niet’,  Hij kon niet accepteren dat er onzekerheid zou zijn in de fundamentele wetten van het universum.

Bohr en Einstein discussieerden er vaak en intensief over. Op een congres in Brussel in 1935 over de kwantummechanica hield Bohr een lezing. Opeens stopte hij en richtte hij zich rechtstreeks tot de in de zaal zittende Einstein en sprak: ‘Zie je wel. Dit bewijst dat God niet altijd doet wat jij vindt dat hij zou móeten doen!

Einstein had ook zijn vraagtekens bij het idee uit de theorie dat elementaire deeltjes sneller dan de lichtsnelheid informatie konden uitwisselen en dat ze spontaan konden verschijnen en verdwijnen en nu komt de wetenschappelijke grap:

‘Waarom stak Albert Einstein de straat over? Antwoord: hij zag Bohr en wou hem even niet zien, maar toen hij aan de overkant van de straat kwam, stond Bohr daar ook.’

einstein + bohrEinstein is de straat overgestoken maar daar loopt Bohr ook.

(De foto genomen in 1930 tijdens de Solvay Conferentie in Brussel; door Paul Ehrenfest, eveneens een natuurkundige en Nobelprijswinnaar.)

Oké, misschien is deze grap iets te wetenschappelijk. Daarom tot slot de grap die bij een verkiezing in 2017 uit 40.000 ingezonden grappen als de beste grap werd uitgekozen.

Twee jagers zijn in het bos als één van de twee ineenzakt. Hij lijkt niet meer te ademen en heeft een wezenloze blik in zijn ogen. Zijn jagersvriend pakt snel zijn telefoon en belt 112. Huilend zegt hij: ‘Mijn vriend is dood! Wat kan ik doen?’ De telefonist antwoordt: ‘Rustig aan, ik kan helpen. Om te beginnen moeten we eerst zeker weten dat hij dood is.’ Er volgt een stilte, daarna klinkt er een geweerschot. De man komt terug aan de telefoon en zegt: ‘Oké, wat nu?’

Een wetenschappelijke anekdote (2)

Niels Bohr was de talentvolle, maar dromerige doelman van Akademisk Boldklub, tegenwoordig bekend als AB Kopenhagen. Vermaard is het verhaal over de wedstrijd tegen het Duitse Mittweida. De Denen waren veel sterker en Bohr had weinig te doen.

Op een gegeven moment schoten de Duitsers van ver op de goal. Tot afgrijzen van zijn ploeggenoten stak Bohr geen hand uit en de bal zeilde zo hetdoel in. Na afloop bekende Bohr dat hij – diep in gedachten erzonken – bezig was geweest een moeilijke wiskundige formule op te lossen. Zijn ploeggenoten suggereerden dat het misschien beter was dat Bohr zich geheel aan de wetenschap zou gaan wijden.Dat leek Bohr ook wel een goed idee.

Hij stortte zich op zijn studie natuurkunde. In 1909 studeerde hij af en twee jaar later ontving hij de doctorstitel. In 1912 vertrok Bohr naar Engeland, waar hij ging werken bij de beroemde Ernest Rutherford. Bohr verbeterde diens atoommodel en voor het artikel dat hij hier in 1913 (27 jaar oud) over schreef, kreeg hij in 1922 de Nobelprijs voor natuurkunde. Zijn voorganger in 1921 was Albert Einstein. Die was 26 jaar toen hij in 1905 zijn beroemde formule E=mc² opschreef.

bohr en einstein

18 juli 1925; Niels Bohr en Albert Einstein in Leiden tijdens de verjaardag van de Nederlandse natuurkundige Hendrik Lorentz; foto genomen door  de natuurkundige Paul Ehrenfest.

Het waren de jaren dat jonge natuurkundigen de wetenschap op zijn kopzetten. Het was dan ook niet verwonderlijk dat Bohr, toen hij in 1920 hoofd van het Instituut van Theoretische Fysica in Kopenhagen werd, allemaal jonge natuurkundigen om zich heen verzamelde.

Bohr moedigde zijn leerlingen aan vooral buiten de geijkte paden te denken. Zo kreeg een student die met een nieuwe theorie aankwam, te horen: ‘Uw theorie is gek, maar niet gek genoeg omwaar te zijn.’ Een andere student kreeg te verstaan: ‘Je bent niet aan het nadenken, je bent alleen maar logisch bezig’

Befaamd is ook de anekdote over het hoefijzer dat boven de deur van de werkkamer van Bohr hing. Een student vroeg: ‘Maar professor, een eminent geleerde als u gelooft toch niet in de werking van een hoefijzer?’ Waarop Bohr antwoordde: ‘Nee natuurlijk niet, maar men heeft mij verzekerd dat het, ook al geloof je er niet in, toch werkt.’

Een wetenschappelijke anekdote

In 1921 hield Albert Einstein na het winnen van de Nobelprijs een lezingentournee langs meerdere universiteiten in het noordoosten van de Verenigde Staten.

einstein1921: Einstein samen met zijn tweede vrouw Elsa (in het midden van de foto) aan boord van de SS Rotterdam in de haven van New York.

Einstein werd daarbij rondgereden door een vaste chauffeur. Deze zei op een dag na de zoveelste lezing dat hij deze nou zo vaak gehoord had dat hij hem ook wel kon vertellen.

Einstein zei: “Dat is een goed idee, ze kennen hier weliswaar mijn theorieën, maar weten absoluut niet hoe ik er uit zie. Bij de volgende universiteit mag jij de lezing geven. Hier heb je mijn papieren. Ik ga wel achter in de zaal zitten.” Zo gezegd zo gedaan. Einstein ging met de pet van de chauffeur op in de zaal zitten en de chauffeur gaf de lezing.

Toen de chauffeur klaar was, stond één van de plaatselijke professoren op en zei: “Meneer Einstein, ik heb een vraag voor u. Maar het is een heel moeilijke vraag, dus ik kan me heel goed voorstellen, dat u niet direct een antwoord op deze vraag weet en dat u er thuis eerst eens op uw gemak over wilt nadenken. Dat is prima.“ Vervolgens stelde hij de vraag en keek triomfantelijk de zaal rond.

De chauffeur dacht even na en antwoordde toen. “Nee hoor professor, dat is helemaal geen moeilijke vraag. Sterker nog, ik denk zelfs dat mijn chauffeur die daar achter in de zaal zit hem ook zou kunnen beantwoorden. Meneer de chauffeur, wilt u een poging wagen?”

Einstein stond op, beantwoordde de vraag en ging vervolgens met een grote grijns zitten. De professor en de zaal in verbijstering achter latend.

 

Bellingcat

Bellingcat is een internationaal onderzoekscollectief, dat vooral bekend is geworden door onthullingen over de Syrische burgeroorlog en de MH17-ramp.  Ze combineren informatie en beeldmateriaal afkomstig van internetplatforms zoals Twitter, YouTube, Instagram, Facebook en Google Earth om zo meer inzicht te krijgen over allerlei internationale conflicten, moordaanslagen en wapenleveranties.

Dat doen ze bijvoorbeeld door details op foto’s te vergelijken met straatbeelden op onder meer Google Maps. Zo konden ze redelijk nauwgezet de route in Oost-Oekraïne reconstrueren die de BUK-installatie aflegde die in 2014 de MH17 neerhaalde.  Bellingcat werd in juli 2014 opgericht door de Engelsman Eliot HigginsDe naam dankt zij aan de Engelse fabel ‘Belling the Cat‘.

(Die fabel gaat over een groep muizen die last hebben van een kat. De muizen gaan in overleg met elkaar wat ze met het probleem van de kat moeten doen. Dan oppert één van de muizen het idee om de kat een belletje om te binden zodat ze altijd zijn komst kunnen horen. Iedereen vindt dit een puik idee, maar dan is er het probleem wie van de muizen de kat de bel moet ombinden. Spoiler alert: niemand van de muizen wil dit doen.)

00000000000 bellingcat

Dit is Eliot Higgins toen hij op 28 oktober 2015 in Keulen een prijs in ontvangst nam. Hoe hij er uit ziet, was niet zo moeilijk te achterhalen. Ik heb gewoon even op zijn Wikipedia-pagina gekeken. (Foto © Superbass / CC-BY-SA-4.0 (via Wikimedia Commons)”)

Bellingcat heeft een aantal mensen in dienst die betaald krijgen en daarnaast zijn er veel vrijwilligers. Hun inkomsten halen ze uit schenkingen en het geven van workshops hoe je op het internet kan speuren. Dat zijn vaak meerdaagse workshops. Momenteel vindt er eentje in Amsterdam plaats. Goedkoop zijn ze niet. Je betaalt er 2200 euro voor.

Ik zal u de kosten van deze workshop echter besparen en u hier een oefening speuren op internet geven. Stel dat u deze twee foto’s op internet ziet (waarvan u alleen weet dat ze binnen een kwartier van elkaar genomen zijn) en u wilt weten waar deze foto’s zijn gemaakt en wat die poes op dat dak doet.

00000000000 brug

00000000000 tom poes

Op de bovenste foto is een bijzonder ingewikkeld verkeersbord te zien met op de achtergrond een pilaar van een brug. Als u met hulp van de functie ‘Afbeelding zoeken in Google’ – die vindt u als u op de foto gaat staan en dan op de rechtermuisknop drukt – naar vergelijkbare foto’s zoekt, dan komt u niet ver. Hoewel, eigenlijk wel want u belandt overal ter wereld. U krijgt namelijk als zoekresultaat allerlei foto’s van gele borden te zien, afkomstig uit de hele wereld. Niet echter de brugpilaar en ook niet een foto met hetzelfde bord.

00000000000 bord

Veel meer informatie geeft echter de tweede foto prijs. Allereerst zien we daar het telefoonnummer van een fietsenmaker: 010 414 44 44 – mooi nummer trouwens. Met behulp van Google zien we dat dit nummer toe behoort aan fietsenwinkel S. de Vries,  Thorbeckestraat 30, 3071 XZ in Rotterdam. Als we daarna op Google Streetview kijken, zien we inderdaad dit huis. Het is gelegen op het Noordereiland in Rotterdam.

00000000000 abcd

Vervolgens de vraag wat doet dat beeld van Tom Poes op dat huis?Daar helpt de functie ‘Afbeelding zoeken in Google’ deze keer wel bij. We krijgen dan namelijk onder andere als zoekresultaat.

00000000000 abc

Het huis op de foto blijkt het geboortehuis te zijn van Marten Toonder, onder andere de ‘schepper’ van Olie B. Bommel en Tom Poes. Het beeld is een hommage aan Marten Toonder.

Nu we weten wat er op de tweede foto staat, kunnen we weer terug naar de eerste foto. We weten dat die iets eerder dan de tweede foto is gemaakt. Waarschijnlijk dus op een brug in de buurt van het Noordereiland in Rotterdam. Het is overduidelijk niet de Erasmusbrug, maar als we op Google Maps naar de Willembrug kijken, dan zie we daar de rode pilaar terug.

00000000000 brug 2

Dat is dezelfde pilaar als op de eerste foto. Waarschijnlijk is degene die de foto’s heeft gemaakt – dat was ik – over de Willemsbrug naar het Noordereiland gelopen.

Ziet u hoe makkelijk het is om iets te reconstrueren. En dan zijn die mensen van Bellingcat nog veel malen professioneler en beter dan ik.

p.s. De reden dat ik de eerste foto heb genomen was het verkeersbord. Ik liep er met een snelheid van nog geen vijf kilometer per uur voorbij en snapte er al helemaal niets van. Hoe moet dat wel niet zijn voor een automobilist die er met vijftig kilometer per uur voorbij rijdt.

De tweede foto heb ik genomen omdat ik een liefhebber ben van de Bommel-boeken van Marten Toonder. We liepen bij toeval voorbij het huis waar hij in 1912 is geboren. Ik wist helemaal niet dat hij in Rotterdam was geboren.

Weer (3)

Ook vandaag wil ik het met u hebben over het warme weer van vorige week. Mocht u overigens een derde achtereenvolgende  blogpost over dit onderwerp wat veel van het goede vinden, dan bevindt u zich in “goed” gezelschap, want in 2015 tweette  Donald Trump al.

0000 40 trump

Op het gevaar af dat u mij ‘boring‘ gaat vinden, toch nog een keertje over het weer van vorige week . Op de sociale media werd daar  vorige week namelijk druk over “gepraat”. Twee voorbeelden.

Allereerst een tweet van de politie van de stadswijk Feyenoord – u mag  drie keer raden in welke stad die wijk ligt.

0000 40 tweet politie

Ivm het weer doen wij geen achtervolgingen te voet. Verzoek is dus om niet weg te rennen als we roepen dat je moet blijven staan.
Als de temperatuur onder 20 graden zakt, doen we weer graag mee

Kijk, dat vind ik humor. Ik vond de tweet dan ook leuk, maar dan moet je net Nederland hebben. Een aantal zuurpruimen vond  dat zo’n tweet beslist niet  kon. ‘

Vinden jullie het gek, dat niemand de #politie nog serieus neemt. Jullie gedragen je als een stel pubers en zo worden jullie door menigeen ook behandeld. Shame on you!”  gaf iemand die zich een “Vrije geest” en een “creatief denker” noemde  als reactie . En iemand anders  tweette: “Neem de burger serieus door de wet uit te voeren, in plaats van janken over de temperatuur. Met deze mentaliteit zou er in zuidelijken landen chaos ontstaan. Jankers zijn het tegenwoordig.”

Zucht. Gelukkig waren er ook genoeg mensen die het voor het politie opnamen. En ook moet ik zeggen dat de politie Feyenoord steeds keurig een reactie gaf op elke klaag-reactie op de ‘zweet-tweet’, zoals:

0000 40 polpolitie

Ook degene die in zijn reactie begon over de conditie van de gemiddelde agent van de politie Feyenoord en de score die hij/zij behaald – dat woord had eigenlijk met een ‘t’  gespeld moeten worden –  bij een “coupe test“, kreeg keurig een antwoord.

0000 40 polpolitie 2

Dan een andere tweet en wel van ‘Buienradar’. Deze tweette:

0000 ijsje

Leuk gevonden en deze tweet kreeg dan ook haast alleen maar positieve reacties, al was er toch nog iemand die wat te zeuren had: “Zorg eerst maar eens dat jullie het weer goed voorspellen. Begin deze week melding dat de afkoeling vrijdag zou komen. En later wordt het elke dag een dag opgeschoven. In het Noorden hebben we nog steeds geen afkoeling.”

Dan nog even over mijn vader en het weer. Hij was geen twitteraar -gezien het feit dat hij  in 1985 overleed, is dat ook niet zo verwonderlijk. Wel was hij weervrijwilliger voor de KNMI, gespecialiseerd in onweer.  In de jaren zestig had je in Nederland een heel netwerk van vrijwilligers die allerlei meldingen over het weer aan de KNMI door gaven.

Mijn vader was ook lid.  Voor zover ik weet, gaf hij  alleen meldingen door over onweer. Hij had daartoe een speciaal formulier van de KNMI waarop hij – in het geval dat het onweerde – noteerde hoe lang het onweer duurde, de hevigheid er van en op wat voor afstand van ons huis het was. Ik hielp hem daarbij wel eens.  Als we een bliksemflits zagen, telden we hoe lang het duurde voordat we de donder hoorden en berekenden dan hoe ver weg het onweer was – elke seconde tussen flits en klap stond ongeveer voor 340 meter.

Eens in de zoveel tijd – ik geloof één keer per maand – stuurde mijn vader het formulier per post op. Wat de KNMI er dan nog mee kon, geen idee. In ruil voor zijn vrijwilligerswerk kreeg mijn vader een gratis blad van de KNMI. Daar stonden allerlei interessante verhalen over het weer, en ook over sterrenkunde in, die ik, de jonge ‘assistent-waarnemer onweer’,  met plezier las.

Vijftig jaar geleden

Vandaag is het vijftig jaar geleden dat de mensheid voet op de maan zette. Op zondag 20 juli 1969 om 20:17:39 GMT landde de maanlander met aan boord Neil Amtrong en Buzz Aldrin op de maan.

De eerste twee uur op de maan werd besteed om de maanlander klaar te maken voor onmiddellijk vertrek. Dit voor het geval  er iets mis zou gaan en een snel vertrek noodzakelijk was. Daarna stond een dutje op het programma, maar de beide astronauten hadden daar geen behoefte aan – net zoals je als klein kind de avond voor je verjaardag moeilijk in slaap viel – en er werd besloten om eerder dan gepland met de maanlanding te beginnen.

Nu mag u raden: wat was de eerste handeling die Neil Amstrong deed nadat hij het luik opende? Hij gooide een zak met afval met urine- en poepzakken, vieze filters en verpakkingen van eten naar buiten! Nog voordat hij de trap afdaalde. De buitencamera was overigens nog niet ingeschakeld waardoor het op tv niet te zien was.

Het is fraai. De mens reist vier dagen door de ruimte heen om naar de maan te gaan en daar aangekomen is het eerste wat hij doet een zak met afval op de maan gooien.

0000 afvalDe witte zak met afval op de boden van de maan.

We verplaatsen ons nu even duizend jaar in de tijd. In een ‘galaxy, far far away’ is een planeet ontdekt met een levensvorm die op de onze lijkt. Dankzij het gebruik van wormgaten kunnen we er naar toe reizen. De bewoners nodigen ons uit en als het ruimtevoertuig van de mensheid is geland, gaat er op die onbekende planeet een luid gejuich op. Dan gaat de deur open en vliegt er een zak met afval naar buiten. Nou die bewoners zullen ons vast nog een keertje uitnodigen, maar niet heus.

Maar goed, terug naar de maanlanding van 20 juli 1969. Zie hier hoe Buzz Aldrin uit het luik kruipt. Het was passen en meten om met zijn ‘rugzak’ door het luik te komen.

0000 uitstappen0

0000 uitstappen

0000 aaa

0000 aaa1

0000 aaa2

De foto’s zijn gemaakt door Neil Amstrong, die sowieso de meeste foto’s op de maan maakte. Op alle beroemde foto’s van een astronaut op de maan is dan ook Buzz Aldrin te zien.

0000 aaa22Dit is Buzz Aldrin. In de weerspiegeling van diens helm is Amstrong te zien.

In totaal liepen de twee mannen zo’n 2,5 uur op de maan en verbleven ze, inclusief de tijd in hun maanlander, ruim  21 uur op de maan. Toen vlogen ze weer weg en maakten even later contact met de Columbia, waarin hun maatje Michael Collins ondertussen eenzaam rondjes om de maan had gedraaid. Op de momenten dat hij achter de maan was, met de aarde niet in zicht, werd Collins wel betiteld als de eenzaamste mens in het heelal.

De beelden van de maanlanding werden wereldwijd door naar schatting zo’n 500 miljoen mensen bekeken. In Nederland werden Chriet Titulaer en Henk Terlingen er beroemd mee.

0000 henk terlingen

Vijftig jaar geleden. HenkTerlingen (“Apollo Henkie”) – jasje en schoenen uit; wijnfles op de grond; volle asbak; papiertroep om hem heen – zit te wachten totdat hij in de tv-uitzending weer wat moet zeggen. Hij heeft even rust. De deskundigen zijn aan het woord.

Zelf heb ik de maanlanding ook “live” gezien. (Niet op de maan uiteraard maar kijkende naar de televisie-uitzending. ) Vier jaar geleden schreef ik hierover in een blogpost:

“[…]  Mijn ouders gingen niet op vakantie naar het buitenland. Dat vonden ze met vier kinderen te veel gedoe en te duur. Wij gingen elke zomer naar een huisje op een vakantiepark in Nederland. Dat was ook leuk. Ik kan me zulke huisjes herinneren in Sint Anthonis (Noord-Brabant), Exloo (Drenthe) en Bakkeveen (Friesland). Vooral die laatste vakantie weet ik nog goed.

Ik liep er niet alleen in het donker keihard tegen ons huisje aan, maar we mochten er ook met alle kinderen naar de eerste maanlanding kijken. Mijn ouders vonden dat we zo’n historische gebeurtenis moesten zien. Dus zaten we in een volgepropt zaaltje naar een zwart-wit toestel te kijken waar we Neil Amstrong de eerste stappen op de maan zagen maken (“That’s one small step for a man, one giant leap for mankind”).

Apollo_11_first_step

Toen we terugliepen naar ons huisje – niet hollen Martin –  keken we naar de maan om te zien of we Amstrong konden zien. “Net niet” zei mijn vader, hoewel mijn jongere zusje zeker wist dat ze een stipje op de maan zag bewegen.

 

 

De maanlanding is een groot complot

De slimme lezers van dit blog – en al mijn twee lezers zijn slim; wie zou die andere lezer zijn, denkt u nu misschien –  hebben het al lang in de gaten. Deze week gaan mijn blogs over de eerste maanlanding die vijftig jaar geleden heeft plaatsgevonden.

Alhoewel, volgens sommigen heeft er nooit iemand op de maan rond gelopen en is er sprake van een groot complot. Volgens deze complotdenkers zijn de maanlandingen in scene gezet. De reden zou zijn dat de Amerikanen technisch nog niet in staat waren om een veilige maanlanding te doen, maar dat ze a) geen gezichtsverlies wilden lijden – president Kennedy had in 1962 gezegd dat Amerika voor het einde van het decennium een man op de maan zou zetten –  en b) dat ze de Russen “voor wilden zijn”.

Volgens deze theorie lanceerden de Amerikanen een onbemande ruimteraket en filmden ze de drie astronauten ergens in een maandecor. Daartoe hadden ze de bekende regisseur Stanley Kubrick in gehuurd die een jaar eerder de sciencefictionfilm 2001: A Space Odyssey had gemaakt.

Dat de maanlanding inderdaad in een filmstudio heeft plaats gevonden en niet op de maan, blijkt wel uit onderstaande foto. Wie goed naar de achtergrond van de foto kijkt, zie daar namelijk de muren en ramen van de filmstudio.

00 fake

Oké, deze foto is inderdaad niet op de maan genomen, maar tijdens één van de trainingen van de astronauten voor de vlucht.

De complotdenkers komen met allerlei “bewijzen” voor hun theorie. (Zie bijvoorbeeld deze pagina). De drie meest genoemde argumenten zijn:

1) Neil Amstrong werd door een buitencamera gefilmd terwijl hij de eerste stap op de maan zette. Hoe kan dat?

000 stap

2) De Amerikaanse vlag staat te wapperen terwijl er op de maan geen atmosfeer en wind is.

000 vlag

3) Er zijn op de achtergrond van de foto’s die genomen zijn op de maan – en ook op de beroemde foto die genomen is vlak voor de koppeling van de Eagle, het maanlandingsvoertuig, met het moederschip Columbia   – nergens sterren te zien.

000 maanlanderDe maanlander Eagle nadert de Columbia. Op de achtergrond is de aarde te zien maar geen sterren.

Voor het geval uw mond open is gevallen van verbazing, zal ik hem nu weer sluiten. Allereerst hoe kon er een werkende camera zijn die Amstrong van buiten de maanlander kon filmen tijdens zijn afdaling van het trapje?

Dat komt omdat er in de MESA, dat staat voor Modularized Equipment Stowage Assembly’,  zeg maar platvloers een gereedsschapkist die aan de buitenkant van de maanlander zat, ook een camera zat. Terwijl Neil Amstrong nog op de maanlander stond, maakte hij de MESA open. Vanaf aarde werd daarna een signaal gestuurd waardoor de camera werd geactiveerd – dat signaal deed er ongeveer drie seconden over om bij de maan te komen  – waardoor de miljoenen tv-kijkers op aarde Neil Amstrong (met een vertraging van drie seconden) konden zien afdalen op de maan.

000 cameraIn het rode cirkeltje de camera in de MESA

Dan de wapperende vlag. Het lijkt inderdaad net alsof de vlag staat te wapperen. Dat hij er zo “wapperend” uit ziet, komt niet door de wind, maar doordat hij de hele reis kreukelig opgevouwen zat en er zo uit zijn verpakking kwam. Ook was hij iets te groot voor de standaard. Nadat de vlag aan een Г-vormige vlaggenpost was bevestigd, bewoog hij inderdaad even kort, maar dat was het gevolg van het natrillen van de vlaggenstandaard. Even later bewoog de vlag niet meer.

Dat kan je bijvoorbeeld goed zien in onderstaand ‘gifje’ waarin twee foto’s zijn gemonteerd van Buzz Aldrin die kort achter elkaar zijn genomen. Je ziet de astronaut bewegen maar de vlag niet wapperen.

000 as11-40-5874-75

Dan het ontbreken van de sterren op de achtergrond. Dat komt door de sluitertijd. Er was veel licht op de maan op het deel waar de astronauten waren, eigenlijk gewoon daglicht net zoals op aarde. De foto’s werden daarom  met korte sluitertijden genomen om te voorkomen dat er een overbelichting zou optreden. Daardoor  had het veel zwakkere sterrenlicht geen kans om de film te belichten en ook “op de foto te komen.”

Alleen als je foto’s maakt met een veel langere sluitingstijd zou je sterren kunnen zien. Vergelijk bijvoorbeeld eens deze twee foto’s met elkaar.

000 kort2

 

000 lang

Op de bovenste foto uit 2008 is het International Space Station ISS te zien gefotografeerd vanuit de Space Shuttle Atlantis. De foto is met een korte sluitertijd genomen. Er zijn geen sterren te zien.  De onderste foto uit 2011 is genomen vanuit het ISS met een lange sluitertijd. Hij laat de terugkeer naar aarde zien van de Atlantis – dat is de kromme streep op de foto. Boven in deze foto (genomen met een lange sluitertijd) zijn in tegenstelling tot de andere foto met een korte sluitertijd nu wel sterren (de witte puntjes) te zien.

Zo zijn stuk voor stuk steeds allerlei argumenten van complot-denkers weerlegd.

Wat wel waar is, zijn de steeds vaker opduikende geruchten dat ik al deze blogposts niet zelf schrijf. Zo’n constante hoge kwaliteit, dat kan niet. Al die blogposts kan hij nooit zelf schrijven, wordt er dan gezegd. Daar moet hij hulp bij hebben.

Het is waar. Ik zal het maar bekennen, ik heb zelfs nog nooit ook maar één van deze blogposts zelf geschreven. Dat wordt gedaan door een heel team van topcolumnisten en schrijvers, waaronder zelfs enkelen die de Nobelprijs voor literatuur hebben gewonnen.

Het spijt me dat ik u al die jaren voor de gek heb gehouden. Ik had kunnen weten dat het ooit uit zou komen. Abraham Lincoln zei ooit eens: “Men kan sommige mensen voortdurend bedriegen, en alle mensen een tijdje, maar men kan niet alle mensen voortdurend bedriegen.”

Honderd jaar geleden

Met hulp van Delpher zocht ik gisteren even in kranten van 1919 op de combinatie ‘Voorst’ en de naam ‘Van Neck’. Delpher toonde mij een viertal kranten, waaronder de Apeldoornse Courant van 13 juni 1919. De krant van die dag begon met ‘breaking news’ over een fietstocht die zijne koninklijke hoogheid Prins Hendrik een dag eerder te Apeldoorn had gemaakt

Plaatselijk Nieuws. Van het Loo. — Z. K. H. Prins Hendrik bracht gisteravond per rijwiel een bezoek aan den heer I. J. van Dam, voorzitter van de Afdeling „Apeldoorn” der Nederlandsche Padvindersvereeniging, te wiens huize Z. K. H. de thee gebruikte. De Prins was vergezeld van zijn page Jhr. Sminia’

Tot zover het ‘breaking news’ van de Apeldoornse Courant van 13 juni 1919. De reden dat ik met de combinatie ‘Van Neck, Voorst en 1919’ een hit kreeg, was een bericht over enkele rechtszaken die waren behandeld voor de ‘Zutphense Balie’, waarin de naam ‘Van Neck’ voor kwam. (Niet als dader natuurlijk, maar als slachtoffer.)

0000000000 1919apeldoornse courant 13 06 juni

Een diefstal met braak, het wegnemen van klosjes afvalgaren en het aanlengen van melk met water, het is niet de categorie misdaden zoals je ze vandaag de dag in de kranten aantreft, maar toch.

Deze rechtszaken waren echter niet de reden dat ik in kranten uit 1919 op de naam ‘van Neck’ in combinatie met Voorst zocht. Nee, dat deed ik omdat het gisteren precies 100 jaar geleden was dat mijn vader in Voorst was geboren. Ik keek daarom op Delher om te zien of er misschien een geboorteadvertentie of een bericht van de burgerlijke stand te vinden was, maar dat was helaas niet het geval.

Maar goed, gisteren was het dus 100 jaar geleden dat mijn vader was geboren, of zoals mijn broer het per WhatsApp formuleerde:  ‘Wat gaat een eeuw toch gauw!’  Nederland telde in 1919 zo’n 7 miljoen inwoners. Koningin Wilhelmina was de regerende vorstin, Jonkheer mr. Ch.J.M. Ruys de Beerenbrouck van de RKSP – wie kent hem niet – de ‘eerste minister’ zoals het in die tijd heette. Drie weken na de geboorte van mijn vader stemde de Tweede Kamer voor de invoering van het algemeen kiesrecht voor vrouwen, wat overigens niets met de geboorte van mijn vader te maken had.

Mijn vader heeft de honderd niet gehaald. Hij stierf 34 jaar geleden op 66-jarige leeftijd aan de gevolgen van een auto-ongeluk. Ik hoop wel de honderd te halen, maar dat duurt nog wel even. Ik ben namelijk van 1955. Dat is, en nu dwaal ik wel wat af, hetzelfde jaar als waarin Albert Einstein overleed – dit voor degenen die in reïncarnatie geloven.

En nu ik het toch over Albert Einstein heb, ik moet opeens denken aan die beroemde conversatie tussen Albert Einstein en Marilyn Monroe, waarin de laatste gezegd zou hebben: “Het zou toch wat zijn als wij samen een kind zouden hebben. Uw hersens en mijn uiterlijk.”, waarop Albert Einstein zou hebben geantwoord “Interessante gedachte, maar het kan natuurlijk ook andersom  uitpakken.” Volgens sommige bronnen eindigde hier de conversatie, maar volgens andere bronnen zou Marilyn daarna nog gezegd  hebben: ‘Wat bedoelt u?‘, waarop Einstein antwoordde “‘Dit bedoel ik dus.”

Ik geloof overigens helemaal niks van dit verhaal, het is ongetwijfeld een broodje aap verhaal. Volgens mij hebben Einstein en Marilyn Monroe elkaar nooit ontmoet. Of toch wel?

0000000000 2EinsteinEen ‘stil’ uit een reclamefilmpje voor Pepsi cola.

Maar goed, terug naar 1919. Negen dagen na de geboorte van mijn vader was er een volledige zonsverduistering, die te zien was in zowel Zuid-Amerika als in Afrika. Twee expedities reisden vanuit Europa naar die continenten om te zien of het licht rondom de zon   werd afgebogen, iets wat Albert Einstein’s algemene relativiteitstheorie voorspelde. Dat bleek inderdaad het geval te zijn. Mijn vader was op dat moment negen dagen oud. Ik neem aan dat hij hier niks van mee heeft gekregen.

Voor het geval, u nu zegt, wat bazelt hij hier allemaal, citeer ik even nog Albert Einstein: “Logica brengt je van A naar B. Verbeelding brengt je overal.”

 

Een talenwonder

In de Volkskrant verscheen vrijdag een artikel over een promotieonderzoek van cognitiewetenschapper Johanna de Vos naar de studieresultaten van 118 Nederlandse eerstejaars studenten psychologie aan de Radboud Universiteit.  87 studenten deden de opleiding in het Nederlands en 31 in het Engels. Het bleek dat de studenten die les kregen in het Nederlands gemiddeld een half punt hoger scoorden dan de studenten die de lessen in het Engels volgden (7,23 versus 6,68).

De aantallen, zeker van de Engelstalige groep, zijn niet zo groot, dus ik vraag me wel af of de uitkomst echt significant is, maar volgens de onderzoekster was dit het geval, dus dat zal dan wel; het is tenslotte een promotieonderzoek. Of het gebruik van Engels de oorzaak van het verschil in cijfers was, kon de onderzoekster echter niet zeggen. Er kunnen andere oorzaken zijn (zie daarvoor het artikel). Zoals een echte wetenschapper dan zegt: hier is meer onderzoek voor nodig.

Voor wat mij betreft zou een college in het Engels of in het Nederlands absoluut niets uit maken. Ik ben nu eenmaal een talenwonder. In Nederland zijn er naast mij geloof ik nog drie andere mensen die vreemde talen net zo goed beheersen als ik. De ene is mijn tweelingbroer die u kent onder de naam Ivo Niehe, de tweede is Eurocommissaris Frans Timmermans en de derde is minister Sigrid Kaag.

Ik spreek bijvoorbeeld voortreffelijk Nederlands, Engels, Duits en Frans en daarnaast nog eens 6906 andere talen niet. Hoewel als ik heel eerlijk ben, moet ik dit toch enigszins nuanceren. Mijn Nederlands kan iets beter. Zo liet mijn uitgever mijn manuscript voor de Titanic bijvoorbeeld corrigeren door iemand wiens Nederlands net iets beter was dan dat van mij en zoals deze Yvette schreef: “Ik heb er veel werk aan gehad, en hoop dat de tekst er flink van opknapt.”. Zie hier bijvoorbeeld één van de door haar gecorrigeerde pagina’s.

00o scriptEn dit was dan nog één van mijn betere pagina’s.

Ook mijn Engels kan iets beter. Zo gleed de oudste dochter een keer tijdens een vakantie in Amerika bij een wandeling in het Yosemite National Park uit over een gladde steen en hield daar een bloedende knie aan over. Toen een Amerikaan vroeg wat er gebeurd was, antwoordde ik “She slept on a stone.” De dochters hadden dan ook liever niet dat ik iets in het Engels zei.

Voor wat betreft het Duits, die taal kan ik daadwerkelijk heel goed verstaan. Dat komt omdat ik vroeger altijd op de Duitse tv naar het voetballen keek. Woorden als Fallrückzieher (omhaal) en Ecke (hoekschop) zijn appeltje-eitje voor mij (en nee dat noem je op zijn Duits niet ‘apfle-ei’ maar ‘ein Spaziergang’. Ook keek ik altijd met mijn ouders naar Duitse krimi’s zoal Derrick (“Harry, hol mal den wagen”), der Alte en Tatort. Zelfs allerlei dialecten kan ik daardoor volgen. (Bij Tatort zat vaak een Weense commissaris.). Maar andersom, mijn Nederlands – Duits dus, is ‘ehrlich gesagt’ een stuk minder.

Dan het Frans. Dat is eigenlijk nooit verder gekomen dan middelbaarschoolniveau en dat is ook nog eens ver weg gezakt. Opmerkelijk genoeg hadden wij ruim vijftig jaar geleden geen Engels maar wel twee keer een uurtje Frans per week in de hoogste klas van de lagere school. Deelname was vrijwillig maar o wee als je niet mee deed. Daardoor zaten we twee dagen per week al om half acht op school om Frans te leren. “Un, deux, trois, voice mon frère François, quatre, cing, six, voila ma soeur Alice” Dat soort rijmpjes  moesten we dan opdreunen.

Ook het liedje “Alouette, gentille alouette, Alouette, je te plumerai. Je te plumerai la tête. Et la tête! Et la tête! Alouette, Alouette […]!”zongen wij enthousiast mee. Wisten wij veel dat het ging over een leeuwerik die helemaal kaal werd geplukt  (zijn hoofd; zijn snavel; zijn ogen; zijn nek enzovoorts). Hadden we dat geweten, dan waren onze kinderzielen behoorlijk beschadigd geweest.

Enfin, dit allemaal overziend, zou het best wel eens kunnen dat ook ik bij een Engelstalig college een lager cijfer zou scoren dan in het geval dat het vak in het Nederlands werd gegeven. Maar zoals Voltaire ooit eens zei: “De mooie fouten van een genie zijn mij meer waard dan de keurige en koude taal van een academisch purist.”

 

 

Kwaliteit

Nu ik toch bezig ben met verhalen over mijn studie bedrijfskunde aan de TH Twente – opa vertelt van vroeger; zie hier en hier –  wil ik het deze keer even hebben over het vak ‘Kwaliteit’. Een klant die een product koopt verwacht een bepaalde kwaliteit. Het liefst koopt hij een product van een zo hoog mogelijke kwaliteit tegen een zo laag mogelijke prijs, maar wie bijvoorbeeld iets bij de Action koopt weet dat deze combinatie soms niet altijd zal optreden. Wel dat het goedkoop is.

Uit een interview in het AD van 9 maart 2017 met Sander van der Laan, de hoogste baas van de Action. “Wij verkopen geen Jaguar en Rolls-Royce, daar moeten we eerlijk in zijn. Maar wij willen wel degelijk een acceptabele kwaliteit leveren. En dat kunnen wij als geen ander voor een lage prijs, waardoor onze artikelen ook bereikbaar zijn voor mensen met een kleine portemonnee.”

De Action heeft heel veel verschillenden producten in het assortiment. “Mensen vinden ons vooral een hele leuke formule”, zegt Van der Laan. De winkels zijn ingericht op ‘schatzoekers’, legt hij uit. ,,Je weet van tevoren nooit wat je precies vindt, maar je gaat altijd naar huis met meer dan je zocht. Een klant die komt voor sponsjes en vaatwastabletten komt met gemiddeld zeven artikelen bij de kassa en rekent 10 euro af

Even tussendoor, weet u wat in 2017 het meest verkochte product van de Action was? De boodschappentas: daarvan gingen er honderdduizenden per week over de toonbank.

action

Het gaat goed met de Action. Volgens dit berichtje op NU.nl bedroeg de omzet van de Action in 2018 4.2 miljard euro en steeg de operationele winst naar 450 miljoen euro.

Het assortiment van de Action is volgens het artikel in het AD erg groot (6.000 artikelen) en wisselt snel: elke week komen er 150 tot 200 nieuwe artikelen bij en verdwijnen er – op is op – ook weer artikelen. Sommige artikelen halen grote verkoopcijfers. Zo verkoopt Action rond de feestdagen een half miljoen kerstmannen en speciale acties leveren soms spectaculaire verkoopcijfers op zoals 400.000 Toblerone-repen in één week.

Maar goed, terug naar het vak ‘Kwaliteit’. Onze hoogleraar ‘Kwaliteit’ noemde kwaliteit wel eens geschiktheid voor gebruik  – in die definitie past het beleid van de Action goed – en om een “kwalitatief” goed product te maken moet je bepaalde kosten maken.

Zo zijn er allerlei interne kwaliteitskosten, onder andere kwaliteitskosten die je als fabrikant moet maken om een product te maken (ontwerp en ontwikkeling; organisatie van het productieproces, training en opleiding van medewerkers, controlekosten, foutkosten van afgekeurde producten e.d.), maar ook externe kwaliteitskosten (klachtenafhandeling, garantie en herstelkosten, retourkosten e.d).

Om u niet te vervelen – u verwacht immers een bepaalde kwaliteit van deze blogposts – zal ik u echter niet met de theorie van kwaliteit en kwaliteitskosten lastig vallen, maar me beperken tot enkele praktijkvoorbeelden die onze hoogleraar  – professor Harold Vorstman, hij was de eerste directeur Kwaliteit bij Philips; dat was nog in de tijd dat Philips allerlei soorten producten van wc-brillen tot gloeilampen verkocht en fabrieken over de hele wereld had – vertelde tijdens het college.

Zo was hij eens in een Philips-fabriek in Portugal. Daar stond een grote machine die een bepaald product fabriceerde. Aan beide zijdes van de machine was een medewerker aan het werk. De professor vroeg eerst aan de medewerker aan de linkerkant van de machine wat zijn taak was.

Hij moest zorgen dat de temperatuur van het productieproces de hele tijd constant op een bepaalde waarde bleef. Vervolgens vroeg de professor aan de man aan de rechterkant van de machine wat zijn taak was. Hij deed een kwaliteitscontrole van de output. “En wat doet u als de kwaliteit niet goed is?” vroeg de professor. “Dan stel ik met deze knop de temperatuur van de machine  bij.” zei de man.

Dit was volgens de professor nou typisch een voorbeeld van wat er mis kon gaan als je geen goede beschrijving van het productieproces maakte. Dan kon het gebeuren dat je mensen met conflicterende opdrachten aan het werk zette .

Een ander mooi voorbeeld wat er kon gebeuren als je geen goede beschrijving van het productieproces had, was het voorbeeld van een verffabriek. Daar stond een grote mengmachine om van twee kleuren verf een mengkleur te maken. Een machine hield in de gaten of er de goede kleur tot stand was gekomen. Het viel de professor op dat er tijdens het proces een door midden gesneden ui in het verfmengsel werd gegooid en dat als het mengsel de goede kleur had, de ui er weer uit werd gevist.

ui

Deze uien zijn van nature al rood; foto Rasbak; Wikipedia

Hij vroeg waarvoor dat was maar niemand van de mensen die de machine bedienden had enig idee waarom dat werd gedaan. Zo lang ze dit werk deden gooide ze er al een ui in. Ook andere mensen van de afdeling wisten niet waarom er een ui in werd gegooid.

Wat bleek, vroeger toen er nog geen machine was die de goede kleurensamenstelling in de gaten hield, gooide men er een ui in. Aan de verkleuring van de ringen van de ui kon men dan zien of de samenstelling van het mengel goed was. Nu had met de nieuwe machine de ui geen enkel nut meer, maar omdat in het productie-proces niet was vastgelegd wat de rol van de ui was, bleef men de ui er in gooien.

Bij het vak ‘Kwaliteit’ hoorde ook een dag “kwaliteit kijken” in een fabriek in de omgeving van Enschede en daar dan een rapport over schrijven. De groep van het jaar voor ons was naar de Wavin-frabiek in Hardenberg geweest. Die fabriek produceerde in die tijd onder andere PVC-buizen. De man die de rondleiding deed, liet vol trots een machine zien die de buizen controleerde en afgekeurde buizen automatisch verwijderde.

Eén van de studenten pakte een afgekeurde buis uit de afvalbak en liep naar het begin van de keuringsmachine. Hij zette een kruisje op de buis en gooide de buis in de machine. “Waarom doet u dat?” vroeg de man van Wavin. “Ik wil zien of de machine consequent is en de buis opnieuw afkeurt.” Bij de Wavin had niemand er aan gedacht om die test te houden. De jongen kreeg prompt een baan aangeboden.

Wijzelf liepen een dagje rond bij Vredestein, een bandenfabriek. Daar leerden we dat je theoretisch wel een mooi kwaliteits-programma kon opzetten, maar dat de praktijk soms weerbarstig kon zijn. Zo vertelde onze begeleider vol trots dat ze alle dure banden een stickertje gaven waarop stond op welke machine de band was gemaakt. Mocht blijken dat er een fout in het productieproces was opgetreden, dan konden ze makkelijk zien waar alle banden van die machine zich in de fabriek bevonden.

In de fabriek zagen we inderdaad een man met de stickertjes aan het werk. Hij plakte precies zoals onze begeleider had gezegd een stickertje op elke band.

vredestein

Twee mensen aan het werk in de fabriek van Vredestein in Enschede. De man rechts met de bril en de anjer is de stickertjes-plakker. Foto Harry Pot; Anefo; Nationaal Archief,

We zagen echter dat hij nog maar weinig stickertjes in zijn bakje had. “Wat deed hij als zijn stickertjes op waren? Zette hij dan het productieproces stil en ging hij dan nieuwe stickertjes halen?” vroegen we hem. Nee dat niet, dan leende hij wat stickertjes van zijn collega van de machine naast hem. De volgende morgen vulde hij dan wel weer zijn eigen stickertjes aan. Tot zover het verschil tussen theorie en praktijk.

Professor Vorstman overleed afgelopen december op 97-jarige leeftijd.

 

Personeelspsychologie (2)

Gisteren schreef ik over het college personeelspsychologie van professor Aloysius van Hoesel en de testen die hij ons tijdens zijn colleges liet maken. Vandaag nog een voorbeeld hoe hij ons zaken duidelijk trachtte te maken. In dit geval betrof het de vraag of bedrijven sollicitanten een pasfoto mee moesten laten sturen bij hun sollicitatiebrief of niet. (Ja, ja, in die tijd schreef je als sollicitant nog een brief.)

Maar voordat de professor die vraag ging beantwoorden, liet hij ons eerst twee grote foto’s zien. Op de ene was een vriendelijk lachende man te zien, op de andere foto stond een streng kijkend iemand met een nazi-pet op. De vraag was wie van de twee we het liefst als schoonvader hadden? De vriendelijk lachende man scoorde 100%.

Dat was dus een Amerikaanse seriemoordenaar zei de professor in wiens tuin de lichamen van negen vermiste prostitués waren aangetroffen. (In de tuin van de seriemoordenaar uiteraard, niet in de tuin van de professor.) De andere was een populaire acteur die de rol van een Duitse SS’er in een oorlogsfilm speelde.

De moraal van het verhaal was dat je niet alleen op een foto moest af gaan, maar dat je moest proberen om zo veel mogelijk informatie te krijgen voordat je een keuze maakte. Had bijvoorbeeld iemand van ons hem eerst gevraagd wie de mensen op de foto waren, dan had hij gezegd een seriemoordenaar en een acteur, maar ja, niemand van ons had de vraag gesteld.

Maar goed, nu de kwestie van het wel of niet mee laten sturen van pasfoto’s door sollicitanten. Daartoe had hij een test bij zich. We kregen allemaal een blad met 100 pasfoto’s en een invulformulier. Het ging in dit geval om een bedrijf dat op zoek was naar een boekhouder. Ze zochten iemand die accuraat was en goed met cijfers.

Nu hadden alle honderd mensen op de foto uitgebreide psychologisch onderzoeken en allerlei testen ondergaan, waarbij vastgesteld was of ze de gewenste eigenschappen voor een boekhouder hadden of niet. Van de honderd mensen op de foto hadden vijftig mensen wel de gewenste eigenschappen, de andere vijftig niet. Aan ons nu de schone taak om  aan de hand van de pasfoto’s aan te geven of wij dachten dat de betreffende persoon geschikt was of niet.

Het was een doorsnee van de bevolking: man, vrouw, oud, jong, bedachtzaam kijkend dan wel vrolijk lachend. Eentje had een potloodje achter zijn oor gestopt. Dat moest vast wel een goede boekhouder zijn dacht ik, maar voor de rest viel het me niet mee. Nadat iedereen klaar was met de test – we moesten onze namen op het formulier zetten – werden de invulformulieren door een assistent van de professor ingenomen. Terwijl het college door ging keek de assistent de formulieren na.

Na de pauze kregen we de uitslag. Er was sprake van een normaalverdeling.

normaalverdelingVoorbeeld van een normaalverdeling

Gemiddeld hadden we 44% van de mensen goed ingeschat zei de professor. Dat was zelfs nog minder dan de vijftig procent die we gescoord zouden hebben als we alleen maar gegokt hadden. Degene van ons die de meeste mensen goed had gekwalificeerd, had een score van 62%.

Dat we gemiddeld nog niet eens de vijftig procent haalden, kwam door vooroordelen legde de professor uit. Zo zaten er dertig mensen in de test met een bril, vijftien van die brildragers waren goed met cijfers, vijftien niet. Maar bij ons scoorden de brildragers veel beter. Dat was typisch een voorbeeld van een vooroordeel. Dat mensen met een bril beter met cijfers zijn dan met mensen zonder bril, was volkomen lariekoek zei de professor. Het enige wat je over mensen met een bril kon zeggen, was dat ze minder goede ogen hadden. Daarnaast was er ook nog licht vooroordeel over vrouwen. Ze zouden volgens onze inschatting minder goed met cijfers zijn dan de mannen.

Dat we gemiddeld nog niet eens een score van vijftig procent goed ingeschat hadden,  bewees volgens de professor dan ook overtuigend dat het vragen om een pasfoto bij een sollicitatiebrief geen enkele zin had. Sterker nog, je sloot er op grond van vooroordelen zelfs geschikte kandidaten mee uit. Alleen als het uiterlijk een onderdeel van de functie was, zoals bij fotomodellen, dan had het zin.

Maar”, zo zei de professor, “Er is vandaag iets unieks gebeurd, wat nog nooit eerder bij mijn colleges in voorgaande jaren is voor gekomen. “Wie van u is Martin van Neck?” Verbaasd keek ik op toen ik mijn naam hoorde. Aarzelend stak ik mijn vinger op. “Meneer van Neck, voor het eerst in al die jaren dat we hier deze test doen, hebben we iemand wiens inschatting op basis van alleen een pasfoto het bedrijf kan helpen om de juiste sollicitant uit te nodigen. Bij u is er namelijk sprake van een 97%-betrouwbaarheidsinterval. Ik had het, ik zeg het maar eerlijk, niet gedacht dat het ooit zou gebeuren, maar vandaag is het dan toch gebeurd.”

Ik voelde een zekere trots. Totdat de professor zei: “U had maar drie van de honderd mensen goed ingeschat. Hiermee kan een bedrijf wat, alleen wel in negatieve zin, want wat u zegt klopt niet. Maar trekt u zich dit niet persoonlijk aan. Het is maar een test.”

Ik ben maar nooit op een afdeling Personeelszaken gaan werken. Professor van Hoesel overleed in 2010. Hij werd bijna 90 jaar oud.