Een brief posten

Ik verstuur niet veel post. Wat kerstkaarten en af en toe iets ‘zakelijks’. De bank wilde een handtekening hebben en ik liep met de enveloppe naar een brievenbus vlak bij ons huis. De klep was dichtgemaakt. ‘Tijdelijk afgesloten’ stond er op. Maar gezien het bordje eronder, waarop stond dat deze brievenbus werd opgeheven en dat je op de site van Post.nl kon zien waar de dichtstbijzijnde brievenbus was, nam ik aan dat dit ‘tijdelijk’ definitief was.

Terwijl ik met enige ergernis naar de brievenbus zat te kijken, kwam er een vrouw aanlopen. “Ga je mee?’ zei ze. Verbaasd keek ik haar aan. Het was een misverstand. Ze had het tegen haar hond.

Ik wist dat er 200 meter verderop, naast de fietsenmaker, ook een brievenbus was en liep daar heen. Ook deze was echter tijdelijk dicht met vooruitzicht op eeuwig dicht. Een derde brievenbus in de wijk naast ons kwam ook al niet meer in de plannen van de post voor. Wat was dat nou? Post.nl kon toch niet zo maar alle brievenbussen opheffen? Ik overwoog even om een brief op hoge poten naar de directie van Post.nl te schrijven, maar ja, waar kon ik die op de bus doen?

De brievenbus bij Albert Hein bleek uiteindelijk nog open te zijn. Maar ik zal niet verbaasd op kijken als die binnenkort ook wordt opgeheven. Nog even en je moet zelf je brief bezorgen. Wel graag een postzegel er op.

Uit de tijd dat er nog nieuwe brievenbussen werden geplaatst:

000000 brievenbus11 juli 1963; “Nieuwe brievenbus in Amsterdam van polyester in de Derkinderenstraat in twee kleuren. Technisch personeel van de PTT draait de laatste bouten vast. ” Foto Hugo van Gelderen, Anefo; Nationaal Archief

Van Gogh in het woonzorgcentrum

Het Prinsenhof is een woonzorgcentrum bij ons in het dorp. De oudste dochter heeft er wel eens vakantiewerk gedaan. In het plaatselijke krantje staat een verslag van bezoek van een viertal bewoners van het verzorgingstehuis aan het Van Gogh Museum in Amsterdam. Het werd georganiseerd in het kader van de Nationale Ouderendag.

Aangekomen in het museum vertelde één van de oudjes volgens ‘Het Krantje’ bij het zien van het schilderij ‘De amandelbloesem’: “Dit schilderij heeft Vincent voor de geboorte van mijn vader gemaakt”. Ach, die oude man is een beetje in de war, dacht ik toen dit las. Maar hij was helemaal niet in de war. Wat bleek, het was de kleinzoon van Theo van Gogh, de broer van Vincent. Ik had er even niet bij stil gestaan dat er nog mensen zouden leven wiens vader het neefje van Vincent van Gogh was. Zie hier het betreffende schilderij.

000000 vangoghAmandelbloesem’; Saint-Rémy-de-Provence, februari 1890 Vincent van Gogh (1853 – 1890); olieverf op doek, 73.3 cm x 92.4 cm;  Van Gogh Museum, Amsterdam (Vincent van Gogh Stichting):

Van de site van het Van Gogh museum: “Hier schilderde Van Gogh een van zijn lievelingsonderwerpen: grote bloeiende takken tegen een blauwe lucht. Omdat de amandelboom al vroeg in het voorjaar bloeit, is het een symbool voor nieuw leven. Voor het onderwerp, de scherpe omlijningen en de plaatsing van de boom in het beeldvlak liet Van Gogh zich inspireren door de Japanse prentkunst.

Het schilderij was een cadeau voor zijn broer Theo en diens vrouw Jo die een zoon hadden gekregen: Vincent Willem. In de brief waarin hij het goede nieuws meedeelde, schreef zijn broer Theo: ‘Zoals we je hebben gezegd, vernoemen we hem naar jou en ik spreek de wens uit dat hij even vasthoudend en even moedig wordt als jij.’ Het is niet verwonderlijk dat het voor de familie Van Gogh altijd het meest dierbare werk is gebleven. Vincent Willem zou later het Van Gogh Museum oprichten.”

De vader van de man uit ons dorp heeft dus het Van Gogh museum opgericht. Ik neem aan dat ze geen toegang hebben hoeven te betalen. Het volgende uitstapje van de oudjes gaat naar diergaarde Blijdorp in Rotterdam. In 1857 werd een zekere Henri Martin, van oorsprong leeuwentemmer van beroep, daar de eerste directeur van. Misschien woont er wel een achterkleinzoon van de leeuwentemmer in het verzorgingstehuis.

Een bezoekje aan de Tweede Kamer (2)

De vergadering besprak het voornemen van de regering om de dividendbelasting af te schaffen. Er was hier al twee keer eerder over gediscussieerd, zowel tijdens de algemene beschouwingen als tijdens de begroting van het Ministerie van Financiën. Beide keren kon de regering de oppositie er niet van overtuigen dat het een goed plan was. Dat afschaffen kost namelijk flink veel geld: 1,4 miljard euro per jaar terwijl de opbrengsten niet te kwantificeren zijn.

00000 oppositieIn 1986 was het voeren van oppositie nog leuk werk. Foto Rob Bogaert, Nationaal Archief

De oppositie vindt het dan ook geld weggooien en ook een wat neutralere instantie als het Centraal Planbureau was van mening dat de afschaffing alleen een negatief effect had, namelijk dat de schatkist 1,4 miljard euro belastinginkomsten verliest. Een positief effect zag het CPB niet. Het kabinet was echter van mening dat de maatregel wel een groot positief effect zou hebben en wel op het vestigingsklimaat, waardoor internationale bedrijven vaker voor Nederland zouden kiezen, dan wel hier zouden blijven. “Ik geloof dat tot in mijn diepste vezels”, aldus premier Rutte. Tot zover de voorbeschouwing.

Het eerste kamerlid dat de zaal in liep was Thierry Baudet van het Forum voor Democratie. Alsof hij een popster was, zwaaide hij naar de tribune. Dat was ook het laatste wat we van hem zagen, want verder zagen we hem niet meer. Niet één keer liep hij die middag naar de interruptiemicrofoons om aan het debat deel te nemen. Het kon natuurlijk ook zijn dat hij het met iedereen eens was, zowel met de regeringspartijen als met de oppositie. Ook de vertegenwoordiger van DENK zwaaide naar een aantal mensen op de tribune, in zijn geval zwaaide hij specifiek terug naar een aantal schoolmeisjes met een hoofddoekje om, die enthousiast naar hem zwaaiden.

Het debat werd geopend door Jesse Klaver van GroenLinks die met een lijst van tien vragen kwam die Rutte moest gaan beantwoorden. Hij hield een gloedvol betoog, wat echter enigszins aan kracht verloor doordat hij het allemaal van een blaadje voorlas. In dat opzicht deed Lodewijk Asscher van de PVDA het beter, die sprak uit het hoofd. Wel had hij de pech dat net op het moment dat hij zei dat er iets tot de bodem moest worden uitgezocht de microfoon omlaag gleed, wat tot enige hilariteit in de zaal leidde.

Ook Emiel Roemers had de lachers op zijn hand toen hij zijn betoog beëindigde met de opmerking dat de woorden van Mark Rutte, namelijk dat hij nog steeds vierkant achter het voorstel stond, hem geruststelde. Dat had Rutte ook gezegd bij Opstelten, Teeven, Van der Steur en nog wat andere VVD’ers, en die waren allemaal een week nadat Rutte had gezegd dat hij vierkant achter ze stond vertrokken. Het leverde trommelgeroffel op in de bankjes van de SP. Ik moet zeggen dat de fractie van de SP behoorlijk rumoerig was. Vooral Renske Leijten maakte zich daar een paar keer aan schuldig. Het zou me niet verbazen dat de Kamervoorzitter haar nog eens wegstuurt. “Renske, ga jij maar eens even tien minuten op de gang staan.”

Roemer had het overigens niet over een bedrag van 1,4 miljard maar sprak telkens over een bedrag van 1400 miljoen, waarschijnlijk in een poging om het psychologisch gezien nog wat groter te laten lijken. Dat bracht in ieder geval Marianne Thieme van de Partij voor Dieren in verwarring, want die had het daarna opeens over een bedrag van 1,4 miljoen euro – eh, ik bedoel 1,4 miljard.

Geert Wilders van de PVV stond weer in de toeterstand. Hij had het over de gewone Nederlander versus ‘de multinationalsvriendjes van Rutte’. Specifiek noemde hij de VVD’ers Gerrit Zalm en Ben Verwaayen die commissaris waren bij respectievelijk SHELL en AKZO. “En premier Rutte komt zelf van Unilever, hij heeft daar tien jaar lang gewerkt”. ‘Maffiapraktijken’, aldus Wilders. Ik zou het overigens geen maffiapraktijken noemen maar ‘old boys network’, maar dit terzijde. Inhoudelijk had Wilders best wel een paar zinnige constateringen, maar hij heeft al zo vaak “Wolf!” geroepen dat niemand hem meer gelooft als er daadwerkelijk een keer een wolf verschijnt. Rutte, die eenzaam in het kabinetsvak zat, werd er niet warm of koud van. Hij bladerde tijdens de toespraak van Wilders wat nonchalant in zijn papieren.

De vertegenwoordiger van DENK verraste mij in positieve zin. Ik vind het een vervelende negatieve partij met onder andere een walgelijke ‘naming and shaming’ van kamerleden met een migratie-achtergrond als die het niet met hun eens zijn, maar hij stelde wel enkele ter zake doende inhoudelijke vragen. Dat kon je niet zeggen van de financiële man van 50-plus. Die begon zijn verhaal weliswaar over de dividendbelasting maar ging opeens over op de wet Hillen en het eigenwoningforfait. Alsof hij het onderwerp van de vergadering opeens was vergeten.

Na de oppositie kwamen de regeringspartijen aan de beurt. De eerste was Buma van het CDA. Van de zo geroemde humor van hem – de Bumor –  was weinig te merken. Slechts één keer werd er door de oppositie om een antwoord van hem gelachen, vooral de SP deed dit luidkeels, maar dat was niet omdat het antwoord grappig was maar omdat ze het dom vonden. Dit ergerde Buma en hij zei dat hij zo niet wenste te discussiëren. Nu maakten die woorden weinig indruk, want regelmatig zei hij, als hij een inhoudelijke vraag kreeg, dat hij zo niet wenste te discussiëren.

Echte antwoorden gaf hij dan ook niet, waarop de oppositie de vraag maar weer herhaalde in de hoop dat hij de tweede keer wel concreet zou worden, wat hij uiteraard niet werd. Dit sleepte zich zo voort, waarop de Kamervoorzitter voorstelde om niet in herhaling te vallen, wat iedereen een goed idee vond, om prompt weer met dezelfde discussie te beginnen, waarop de Kamervoorzitter wederom vroeg om niet in herhaling te vallen en zich aldus ook herhaalde.

Na Buma was Klaas Dijkhoff van de VVD aan de beurt. Tijdens de Algemene Beschouwingen had hij bij zijn debuut als fractievoorzitter nog gezegd dat de afschaffing van de dividendbelasting ‘een gok’ was – weliswaar eerlijk, maar politiek gezien niet gezien erg handig. Deze keer liet hij zich niet verleiden tot een dergelijke kwalificatie en had hij over “het totaalplaatje” waarin je de maatregel moest zien.

Een voorstel van Asscher om het komende jaar te onderzoeken of er andere mogelijkheden waren om het vestigingsklimaat te verbeteren – de wet zou pas in 2019 ingaan – wuifde hij weg. Dat zou onzekerheid geven en dan vertrokken de bedrijven naar buitenland. ’s Avonds zou in de DWDD een econome zeggen dat de oppositie niet sterk had opgetreden. Ze hadden alternatieven moeten geven voor een beter vestigingsklimaat. Vreemd, dat had Asscher juist willen onderzoeken maar dat wilde Dijkhoff niet. Had ik nou of had zij niet goed opgelet?

Ook Pechtold was tot geen enkel compromis bereid. Zijn antwoorden waren duidelijk met die van de VVD afgestemd. (“Rechts met de bijbel” noemde iemand van de oppositie het kabinet dan ook.) Ook Pechtold had het over het grote geheel van maatregelen waar je er niet eentje uit mocht pikken. Op de vraag waarom het voorstel in geen enkel verkiezingsprogramma had gestaan, noemde hij een rijtje voorgestelde maatregelen op die ook allemaal in geen enkel verkiezingsprogramma hadden gestaan en waar het ook om miljarden ging, maar waarvan je wist dat ze goed waren. Ik vond dat nou niet een echt sterk argument – “hij doet het ook

Premier Rutte zat al die tijd eenzaam in zijn vakje te wachten. Af en toe kreeg hij wat papieren toegestopt, waarschijnlijk door ambtenaren voorbereide antwoorden op vragen, en twee keer kreeg hij een kopje koffie of thee gebracht. Op een gegeven moment staarde hij naar de tribune. Ik had het gevoel dat hij mij zat aan te kijken en staarde terug. Rutte grijnsde. Het kan natuurlijk ook zijn dat hij naar het vak met de VVD’ers grijnsde. Ik zat pal boven dat vak. (Het is maar goed dat er zitplaatsen voor ‘de toeschouwers’ waren en geen staanplaatsen, want anders had ik nu moeten schrijven dat ik pal achter de VVD stond.)

Tegen de tijd dat Rutte zijn zegje mocht doen – de vergadering was al uren aan de gang –  moest deze gewone Nederlander naar huis om het eten te koken, dus hoe Rutte het er van af bracht, geen idee. Ook de man van de ChristenUnie heb ik gemist.

Een bezoekje aan de Tweede Kamer (1)

De nieuwe regeringscoalitie wil niet alleen dat we het volkslied kunnen zingen – daar is behoorlijk wat werk aan de winkel; in een interview met het Jeugdjournaal van 10 oktober bleek zelfs premier Rutte de tekst niet goed te kennen; hij had het over “Wilhelmus van Nassouwe zijn wij van Duitsen bloed” terwijl de tekst toch echt luidt ‘Wilhelmus van Nassouwe ben ik van Duitsen bloed – maar het nieuwe kabinet wil ook dat de schooljeugd minstens één keer naar het Rijksmuseum en de Tweede Kamer is geweest. Nu is dat plan ondertussen al weer wat aangepast. Het hoeft niet persé het Rijksmuseum meer te zijn, elk museum voldoet.

Maar dat van de Tweede Kamer staat nog steeds, een willekeurige kamer telt niet. Nu is het zo, dat ik nog nooit naar de Tweede Kamer ben geweest. Dat kan natuurlijk niet. Voor je het weet word je niet als ‘gewone Nederlander’ gezien. Dus gisterenmiddag snel de Tweede Kamer bezocht voordat de AIVD er achter komt dat ik daar nog niet ben geweest.

Je komt er niet eenvoudig binnen. Er is een veiligheidscontrole die veel lijkt op die van Schiphol. Je moet alles uit de zakken halen, ook je riem afdoen, en dat alles dan door een scanner laten gaan. Ik werd als niet gevaarlijk beoordeeld, en kreeg een sticker die ik op mijn trui mocht plakken.

00000 sticker

Even later zat ik op de tribune van de plenaire zaal van de Tweede Kamer. Er stond een debat gepland over de voorgenomen afschaffing van de dividendbelasting. De vergadering was echter nog niet begonnen en dat gaf mij tijd om de zaal eens op mijn gemak te bekijken.

00000 2de kamer

Van boven gezien, leek het een beetje op een collegezaal. Het enige wat ontbrak was de graffiti op de bankjes: “Wilders was here”. De indeling van de kamer was als volgt:

00000 twede kamer

De drie mannenbroeders van de SGP zitten een beetje raar te midden van al die VVD’ers. Waarom ze niet, net zo als bijvoorbeeld de drie kamerleden van Denk, ergens achter aan zaten – was mij een raadsel. Verder lijkt het op het plaatje er net op alsof alle linkse partijen aan de rechterkant van de zaal zitten, maar gezien vanuit het vak van het kabinet (vak K) zitten ze juist links.

Op de publieke tribune was ruimte voor ongeveer 250 toeschouwers schatte ik. Zo’n honderd daarvan waren bestemd voor groepen bezoekers. Er kwamen regelmatig groepen de zaal bekijken. Zowel huisvrouwen als ook scholieren. In afwachting van het debat maakte ik even een snel rekensommetje. Dit om te kijken of het “Bezoek de Tweede Kamer!”- plan van het kabinet succesvol zou kunnen zijn. Wil je een goed beeld krijgen van het functioneren van de Tweede Kamer dan behoort daartoe ook immers het bijwonen van een vergadering in de plenaire zaal.

De Tweede Kamer vergadert plenair op dinsdag, woensdag en donderdag, maar niet tijdens de vakanties – en die zijn ruim. Ik schat al met al dat er jaarlijks zo’n 100 keer de mogelijkheid is om de Tweede Kamer te zien vergaderen. De scholieren zullen overdag komen. Stel de Tweede Kamer vergadert overdag zes uur, dan hebben de groepen scholieren dus elk jaar gedurende 600 uur de mogelijkheid om de Tweede Kamer in actie zien.

Dan de hoeveelheid scholieren. Elk jaar worden er zo’n 175.000 kinderen – toekomstige scholieren – geboren. Als die allemaal een keer de Tweede Kamer moeten bezoeken, dan betekent dat met zo’n 100 plekken gereserveerd voor groepen dat de toekijkende scholieren jaarlijks over 1750 groepen van 100 man ‘verdeeld gaan worden’ om ze de Tweede Kamer in actie te kunnen laten zien. Met zo’n 600 uur ‘kijktijd’ beschikbaar, wil dat zeggen – 600 uur gedeeld door 1750 groepen – dat de scholieren gemiddeld zo’n 20 minuten per groep kijktijd hebben. Moet net kunnen. Veel langer zullen de scholieren niet in de vergadering geïnteresseerd zijn.

Maar het houdt niet echt over. En als echt alle scholieren komen – en hopelijk niet allemaal tegelijkertijd –  dan wordt het een komen en gaan van groepen scholieren in de zaal. Gaat ook nog eens van de kijktijd af. Het zou best eens kunnen dat het Centraal Plan Bureau dit plan niet heeft door gerekend, maar het is natuurlijk ook geen Centraal Planning Bureau.

Ik was net klaar met deze belangwekkende rekensom toen de eerste Tweede Kamer leden – ok, dat klinkt een beetje verwarrend; let op de hoofdletter, Tweede Kamer leden dus, niet Eerste Kamer leden –  de zaal betraden voor het debat. Maar daarover morgen meer.

Pret in het verzorgingstehuis

Wellicht kent u de boeken van Hendrik Groen (en de gelijkmatige tv-serie “Het geheime dagboek van Hendrik Groen”). Wist u dat in het echt het in sommige verzorgingstehuizen nog een stapje verder gaat dan de fictie van deze boeken?  Zie het volgende busje dat ik vandaag voor de deur zag staan van  Cato Bezuidenhout in Den Haag “Bezuidenhout is bestemd voor mensen die 24 uur per dag intensieve zorg nodig hebben in een beschermde omgeving”, aldus de site van Cato wonen, welzijn en zorg.

00000 busje

Wat zat er in dat busje? Een lading paaldanseressen of alleen maar de palen en moeten  de bewoners zelf  paaldansen? Als het de oudjes maar niet te veel opwindt.

Ik hoop overigens voor de dames dat ze niet alleen buiten een paal hebben staan maar ook binnen.  Is wat warmer.

 

 

Een wild assortiment

Herkent u deze man?

00000 van vollenhove

Het is poelier Van der Geest uit ons dorp. Misschien zult u zich afvragen waarom draagt poelier Van de Geest een helm? Dat komt door zijn assortiment. Het is weliswaar heerlijk maar helaas ook erg wild. In een advertentie in ons plaatselijk krantje waarschuwt Van der Geest deze week zijn klanten er dan ook voor dat zijn assortiment wild is. Dus bezoekt u zijn zaak, neem dan voor uw veiligheid een helm mee. Zie hier zijn advertentie.

00000 polier

Ok, geintje, de man met de helm is niet poelier Van der Geest maar Pieter van Vollenhoven. De foto is genomen tijdens zijn militaire dienst bij de luchtmacht in Breda in april 1966; fotograaf Eric Koch; Nationaal Archief.

De echte poelier Van der Geest draagt natuurlijk nooit een militair uniform in zijn zaak. Maar wel een helm!

00000 prins clausDe echte poelier Van der Geest

Niet naar Malta

Ik kreeg een mailtje van het UWV. Over vijf dagen verliep mijn CV. “Is dit niet de bedoeling? Verleng dan uw cv via werk.nl.” Nu heb ik al een tijdje geen WW-uitkering meer, maar je weet maar nooit wat het UWV in haar onmetelijke wijsheid met terugwerkende kracht beslist, dus toch maar voor de zekerheid mijn CV verlengd. En nu ik toch op de site was, keek ik ook even of er misschien een leuke “schrijvers-vacature” was. Ik typte de zoekterm ‘auteur’ in en kreeg de volgende mogelijkheden voorgeschoteld:

00000 auteur

Ach, auteur of monteur wat maakt het uit. We zijn allemaal ‘teurs’. Ik probeerde het daarna met de zoekterm ‘schrijver’. Dat gaf wat meer variatie.

00000 schrijver

Er werd een aantal technische schrijvers gezocht, maar ook een ‘Vlaamstalige Copywriter met relocatie naar Malta’. Een Vlaamstalige copywriter op Malta, dat wekte mijn nieuwsgierigheid. Ik klikte door en belandde op de site van YoungCapital. Gezien de naam van het bedrijf twijfelde ik even of ik wel tot hun doelgroep behoorde, maar dat zag ik fout. “We heten wel YoungCapital, maar iedereen is even welkom. Ook als je al wat meer ervaring hebt”. De contactpersoon voor de vacature – er stond een foto bij – leek mij overigens buitengewoon jong. Waarschijnlijk smeerde zijn moeder nog zijn boterhammen. De opdrachtgever was een bedrijf in de sport/gaming wereld. Er stond niet bij hoe hoog het salaris was, maar wel dat “een goed salaris” was. Gelukkig, geen slecht salaris. De vacaturetekst begon als volgt:

Voor onze opdrachtgever zijn wij op zoek naar een kandidaat die als Vlaamstalige Copywriter aan de slag wil op het zonnige Malta. Binnen dit bedrijf ga je werken in een jong en ambitieus team op een creatieve afdeling. Daarnaast heb je de mogelijkheid om voor een langere tijd in het buitenland aan de slag te gaan en een nieuwe cultuur te ontdekken. Kortom: dé vervolgstap in jouw carriére. “

 (Even letterlijk tussen haakjes: volgens mij hoort dat streepje in het woord carrière naar links te staan en niet naar rechts, maar misschien is het Vlaams.)

 “Als Vlaamstalige copywriter zijn er verschillende zaken waarmee jij je bezig zal houden. Dit loopt uiteen van het creëren en uiten van merkcommunicatie die niet alleen de guidelines van het bedrijf volgt, maar daarnaast ook inspireert, tot het uitvoeren van A/B-testen om content te analyseren en te optimaliseren.”

 Dat ‘volgen van de guidelines van het bedrijf’ lijkt mij op Malta wel verstandig. Laatst werd daar een kritische journaliste met een autobom opgeblazen.  Maar helaas, ik kwam niet in aanmerking, want bij de functie-eisen stond: ”Je bent Vlaamstalig, dit is een harde eis!”. Awel, dat dat wordt  geen vervolgstap in mijn carrière, geen Vlaamstalig auteur op Malta dus. Voorlopig blijf ik maar op dit blog schrijven. Dat is ook plezant.

Oom Klaas

Ruim dertig jaar geleden kwam ik in het leven van Marianne. Op een gegeven moment was de familie nieuwsgierig wie toch die Martin was. Marianne vond dat het er maar eens van moest komen en toen haar zus jarig was, reisden wij af naar Groningen, de stad waar haar zus en zwager woonden. De trein had vertraging en toen wij de overvolle huiskamer binnen liepen, zat deze al helemaal vol met familie en vrienden.

Niet direct kijken, maar daar is Marianne met haar vriend.” Iedereen keek.

Ik gaf iedereen een stevige hand – Marianne had mij op het hart gedrukt geen slappe handjes te geven; ik had blijkbaar toen ik aan haar werd voorgesteld een slap handje gegeven – en kreeg daarna een kop koffie in handen gedrukt. Haar vader vertelde een leuk verhaal over iets wat Marianne had gedaan toen ze klein was – ik geloof niet dat Marianne op dat verhaal zat te wachten – en haar moeder keek ondertussen of ik er wel om lachte. Ik antwoordde dat je met Friese kinderen – haar ouders woonden in Harlingen – niet moest spotten. Marianne is in Uithuizen geboren zei haar vader. “Dat ligt niet in Friesland?” vroeg ik. Nee, dat lag in Groningen. Ik kreeg opeens de dringende behoefte om de wc op te zoeken. Ik vroeg waar het toilet was. Dat bleek buiten te zijn, in een houten hokje pal achter het huis – het was een oud klein arbeidershuisje. Terwijl ik buiten naar het hokje liep, keek ik even door het raam naar binnen. Recht in het gezicht van zo’n twintig mensen die allemaal naar buiten keken.

Wie er niet bij waren die dag, waren haar oom Klaas en tante Rinnie, een zus van haar moeder. Toen we een andere keer weer in Groningen waren, besloot Marianne om een bezoek aan haar oom en tante te brengen. Dan konden die mij ook leren kennen. Haar oom en tante woonden in Winsum. We leenden een stel fietsen van haar zus en zwager en vertrokken richting Winsum. Een combinatie van tegenwind (mijn verklaring; het waait veel in Groningen) en mijn conditie (Marianne haar verklaring) zorgde er voor dat we over die afstand van ongeveer 15 km een uur deden. Oom Klaas deed open en keek naar mijn bezwete voorhoofd. “Geen fietser” zag ik hem denken.

Tante Rinnie had een taart gebakken met appels uit eigen tuin. “Lekker” zei ik even later met de mond vol. Marianne keek mij afkeurend aan. Niet met volle mond praten, leek ze te fluisteren. Ik wilde nog een hap nemen maar toen ik die met mijn vorkje van mijn taartpunt probeerde af te ‘snijden’, viel het stuk met een groot boog op de grond. Op het nieuwe kleed. Tante Rinnie zei dat het niet gaf. Oom Klaas stond stoïcijns op en haalde een stoffer en blik. “Wil je nog een stukje” vroeg tante Rinnie. Aan het gezicht van oom Klaas kon ik zien, dat hij dat geen goed idee vond. Wat hij wel een goed idee vond, was het voorstel van tante Rinnie dat hij mij maar even de boerderij moest laten zien. Oom Klaas en tante Rinnie woonden nu in het dorp maar hadden vroeger een boerderij gepacht waar Marianne vaak had gelogeerd.

00000 winsumUit de ‘Fotocollectie Nederlandse Heidemaatschappij’: ‘boerenerf-beplantingen bij Winsum’; mei 1957; foto Nationaal Archief; (dit is overigens vermoedelijk niet de boerderij van oom Klaas en tante Rinnie).

Even later reden we in de auto van oom Klaas. Ik zat voorin naast oom Klaas, Marianne zat achterin. We reden langs de boerderij en daarna ook nog even een stukje door het mooie Groninger landschap. Op een gegeven moment kwamen we een auto tegen. De bestuurder zwaaide, maar oom Klaas groette niet terug. Even later herhaalde zich dit met een fietser. Ook deze zwaaide maar oom Klaas zwaaide wederom niet terug. Vreemd vond ik. Pas bij de derde tegenligger zag ik dat oom Klaas wel degelijk groette. Terwijl hij beide handen aan het stuur hield, tilde hij even zijn wijsvinger van zijn rechterhand omhoog ten teken van groet. Ik ging er op letten. Oom Klaas begroette alle tegenliggers – iedereen in Winsum scheen elkaar te kennen – op die manier. Ik vond dat mooi, zo’n klein gebaar. Ik mocht oom Klaas wel.

Vele jaren later woonden Marianne en ik de crematie van oom Klaas bij. Het was een drukke bijeenkomst. Een aantal sprekers sprak met veel eerbied over oom Klaas en toen de laatste zijn woordje had gedaan, vroeg degene die de crematie leidde of er nog iemand was die iets wilde zeggen. In een flits zag ik opeens het vingertje van oom Klaas weer voor me. Heel even overwoog ik om me te melden en het verhaal van het vingertje te vertellen en dan te eindigen met net zo’n vingertjesgebaar richting de kist, dit als een soort afscheid. Ik besloot echter om te blijven zitten. Ik was voor het overgrote gedeelte van de aanwezigen een volkomen onbekende – aanhang van een nichtje – en ik wist niet of de directe familie het wel zo zou waarderen als ik opeens als laatste spreker “ins blaue hinein” met mijn vingertjesverhaal zou komen. Dus zag ik er maar vanaf.

Daarom, voor oom Klaas, nu alsnog van achter mijn toetsenbord een vingertje als postume goet. (Dat hier “goet” staat en niet “groet” komt omdat ik bij de ‘r’ even mijn vinger omhoog had.)

Uit de rubriek “correcties en aanvullingen:

Marianne wees mij er vandaag op dat oom Klaas en tante Rinnie niet in Winsum maar in Eenrum woonden en dat de boerderij in Mensingeweer stond. (Mijn geheugen functioneert gelukkig nog goed, wel ben ik slecht in het onthouden van allerlei zaken.) Maar anyway,  Eenrum is nog verder fietsen van Groningen dan Winsum. Geen wonder dus dat ik zo vermoeid aan kwam.

00000 mensingerweerEveneens uit de ‘Fotocollectie Nederlandse Heidemaatschappij’: ‘Beplanting van een boerenerf bij Mensingeweer; ongedateerde foto Nationaal Archief; (ook dit zal vermoedelijk niet de boerderij van oom Klaas en tante Rinnie zijn).

Drie Dagelijkse Dingen

Het rijmen is weer in. Gisteren zag ik bij de slager in ons winkelcentrum een bordje staan met een aanbieding voor “Blije Kippendijen” en hoorde ik Rutte in de tweede kamer praten over “Rakkers en Stakkers”. (Het betrof hier een indeling van mensen met schulden). Rijmen is niet zo moeilijk. Herman Finkers zong ooit eens: “Op alles rijmt wel iets. Behalve dan op waterfiets, op waterfiets rijmt niets.

Hij had niet helemaal gelijk. Behalve waterfiets zijn er meer woorden, waarmee het lastig rijmen is. Zo moet je als dichter uitkijken met het gebruik van woorden als ‘herfst, wulps, vijftig, zilver, stolp, slordig, nieuws, ordner, turbo, zesde, wereld en twaalf’. Volgens de Wikipedia zijn dit namelijk woorden, waarvan wordt gezegd dat deze op geen enkel ander Nederlands woord rijmen. Al zijn er voor het woord ‘herfst’ wel enkele verdienstelijke pogingen ondernomen. Zo dichtte Drs.  P:

De buren waren grimmig, zijn ouders diep gegriefd / En onder zijn collega’s was hij ook al niet geliefd. / De oude juffrouw Zomer, baas Voorjaar, meester Herfst. / Ze riepen driewerf schande, juffrouw Zomer het driewerfst.”

En van Marcel Verreck zijn de dichtregels “In de winter en de herfst / zijn bejaarden op hun sterfst

En dat laatste brengt me weer op het volgende. De levens-verwachting is afgenomen. Ik citeer even een berichtje van Nu.nl:

Nederlanders die in 2023 de 65-jarige leeftijd hebben, blijven naar verwachting nog 20,48 jaar leven. De levensverwachting van deze groep stijgt daarmee minder hard dan eerder werd gedacht. Dat meldt het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) vrijdag. Vorig jaar stelde het statistiekbureau de levensverwachting voor 65-jarigen in 2023 nog op 20,74 jaar. De levensverwachting is nu naar beneden bijgesteld, omdat de nieuwe prognose op recentere sterftecijfers is gebaseerd dan die van 2016. In de laatste vier maanden van 2016 en de eerste acht maanden van 2017 zijn meer mensen gestorven dan eerder werd verwacht.”

Dit lijkt geen goed nieuws maar om met Cruijff te spreken “Elk nadeel heeft zijn voordeel”. Marianne en ik kunnen hierdoor allebei drie maanden eerder met pensioen omdat de  ingangsdatum van de AOW gekoppeld is aan de levensverwachting.

En nog meer goed nieuws. Gisteren was gedurende elf minuten de wereld een stukje veiliger. Gedurende die tijd was het twitter-account van Donald Trump offline. Op zijn laatste dag bij het bedrijf had een medewerker van Twitter het account van de ‘realdonaldtrump’  gedeactiveerd. Hij heeft mijn stem voor mijn ‘medewerker van de maand’.

0000 twitter

Helaas, Trump is weer online.

Anekdotes

Ik lees af en toe wel eens de Ikjes in de NRC. ‘Een Ikje is een persoonlijke ervaring of anekdote in maximaal 120 woorden.’ aldus de NRC. Maandag las ik dit ikje opgestuurde door ene Theo Boer. Te leuk om hier niet te citeren

“Wij hadden de juwelier opdracht gegeven om in onze trouwringen de verwijzing „I Joh. 4:19” op te nemen. Een Bijbeltekst waar staat: „Wij hebben lief, want God heeft ons eerst liefgehad.” Bij het ophalen bleek de juwelier ervan te hebben gemaakt: „Joh. 4:18”. Wij zochten de tekst op. Jezus in gesprek met de Samaritaanse vrouw: „Terecht zegt gij: ik heb geen man. Want gij hebt vijf mannen gehad en die gij nu hebt, is uw man niet.”

Ik neem aan dat ze die 18 toch maar in een 19 hebben laten veranderen.

Ik heb lang geleden ook wel eens een ikje ingestuurd, over mijn inmiddels overleden schoonvader die met een kennis mee reed naar een crematie. Twee oude mannetjes in een auto. Het was in de begintijd van de Tom Tom. Aangekomen bij het crematorium ‘sprak’ het navigatiesysteem: “U heeft uw bestemming bereikt”.  Mijn schoonvader vertelde het verhaal altijd met veel plezier.

Ik vond de anekdote leuk, maar de NRC plaatste hem niet. Dat ze dat niet deden was terecht. Het woord anekdote stamt namelijk uit het Grieks (‘anekdoton’) en betekent letterlijk ‘niet uitgegeven’.

Desalniettemin mag ik anekdotes altijd graag lezen. Ze geven meestal aanleiding tot vrolijkheid en dat kan nooit geen kwaad. Ik eindig deze blogpost daarom met nog een anekdote. Hij staat vermeld in een ingestuurde brief aan De Volkskrant van een zekere Nico Spilt d.d. 6 oktober 2001. De brief was geschreven naar aanleiding van een verhaal over de tijd dat prinses Beatrix op de Kees Boeke-school in Bilthoven zat. Ik citeer:

Een paar jaar geleden hoorde ik een mooi verhaal van een medewerker uit de tijd dat Beatrix en haar zussen naar de Werkplaats gingen. Het was een erg arme school, omdat Kees Boeke geen financiële bijdrage van de overheid wilde hebben. Er was dus bijvoorbeeld geen geld om het gymnastieklokaaltje te verwarmen. Een kroonprinses met koude voeten: dat kon natuurlijk niet. Vandaar dat er vanuit Soestdijk een vloerkleed werd bezorgd. Dat heeft er jarenlang gelegen, totdat de laatste zus van Beatrix de school verliet. Een dag later reed er een auto voor om het kleed weer op te halen. Ergens in dat enorme paleis, waar twee mensen hun laatste dagen slijten, moet dus een kamertje zijn waar het nog steeds een beetje naar zweetvoeten ruikt.”

Ik heb even op de site van het Nationaal Archief gezocht. Zie hier het betreffende kleed.

0000 kleed1947: Prinses Beatrix en andere leerlingen tijdens de gymnastiekles; fotograaf Willem van de Poll, Nationaal Archief

Matchfixing in het schaken

Dat matchfixing en omkoping in het voetbal voorkomt is bekend, maar dat het ook gebeurt in het schaken wellicht minder. Toch is het zo. Ik kan het weten, want ik ben er zelf een keertje bij betrokken geweest. Het is nu meer dan veertig jaar geleden en daarmee verjaard. Dus kan ik het nu wel opbiechten.

Het gebeurde tijdens de laatste competitiewedstrijd van ons team Drienerlo 2 thuis tegen Haaksbergen 1. Voor ons stond er niks meer op het spel. Ongeacht de uitslag zouden we ergens in de middenmoot eindigen. Haaksbergen had nog wel belang bij de wedstrijd. Zij konden theoretisch gezien nog kampioen worden. Ze stonden twee wedstrijdpunten achter op het al uitgespeelde ESGOO 2, het tweede team van een club uit Enschede. Bij winst op ons zou Haaksbergen gelijk eindigen met ESGOO 2.

Echter, in dat geval zouden de bordpunten – zeg maar het doelsaldo – beslissen. Haaksbergen had veel minder bordpunten dan ESGOO 2. Alleen als ze met 10-0 of met 9,5 – 0,5 van ons zouden winnen, zouden ze kampioen zijn. Bij 9-1 zou een beslissingswedstrijd volgen. Bij elke andere uitslag zou ESGOO 2 kampioen zijn en promoveren. De kans op zo’n grote uitslag was echter gering. De grootste uitslag dat jaar in de competitie was 8-2.

De avond begon met het aanbieden van de eerste consumptie aan de gasten door onze teamcaptain. Dat de eerste consumptie aangeboden werd door de thuisclub was standaard in de competitie. Wat niet standaard was, was dat daarop de aanvoerder van Haaksbergen het woord nam. Hij vertelde dat, als de heren studenten het goed vonden, dat Haaksbergen dan graag de tweede consumptie voor zijn rekening wilde nemen. Hij had zelf een zoon die studeerde en wist dat studenten het financieel altijd moeilijk hadden.

De heren studenten hadden er geen probleem mee dat Haaksbergen een consumptie aanbood.

Het zou niet de laatste consumptie zijn die de spelers van Haaksbergen ons aanboden. Regelmatig bood iemand van Haaksbergen zijn tegenstander een biertje aan en het werd een vrolijke avond. Op de borden ging het crescendo met Haaksbergen. Aan het eind van de avond stond het 7-0 voor Haaksbergen. Maar helaas voor hen ging het op de laatste drie borden wat minder. Op één bord stonden ze weliswaar wat beter maar waarschijnlijk zat er geen winst in, op de andere twee borden stonden ze zo goed als verloren. Veel meer dan een 8-2 uitslag zat er waarschijnlijk niet in. Maar om de kansen op het kampioenschap in stand te laten, speelden de spelers van Haaksbergen, hopende op een blunder van hun tegenstander, stug door.

In die tijd was het zo dat als aan het eind van de avond de partijen nog niet klaar waren, dat ze dan afgebroken werden. Een speler moest een zet afgeven die in een enveloppe werd gestopt en de partij werd dan een week later vervolgd. Meestal hadden de spelers en de teams hier geen zin in en werd er door de teamcaptains overlegd. “Als jullie die partij opgeven, dan geven wij die partij op”. Zo ongeveer ging het dan. Alleen als de teamcaptains er niet uitkwamen, of als een individuele speler het resultaat niet accepteerde, dan werd de partij een week later uitgespeeld.

Wij overlegden even intern met ons team. Eigenlijk gunden we Haaksbergen, zeker na al die aangeboden consumpties, het kampioenschap veel meer dan ESGOO, de grote concurrent van Drienerlo in Enschede. Maar om het kampioenschap nu helemaal cadeau te geven, dat vonden wij weer net iets te ver gaan. We besloten dat Haaksbergen en ESGOO het maar onderling moesten uitvechten. We stelden de teamcaptain van Haaksbergen daarop voor dat als zij akkoord gingen met remises in de twee partijen waarin wij veel beter stonden, dat wij dan de derde partij zouden opgeven. Uiteraard ging de teamcaptain van Haaksbergen met dit voorstel akkoord. De uitslag was daarmee 9-1 voor Haasbergen. Een beslissingswedstrijd tussen Haaksbergen en ESCOO 2 zou nu over het kampioenschap gaan beslissen. Even later vertrok Haaksbergen in juichstemming naar huis.

Wij vierden de nederlaag aan de bar, toen er opeens twee vertegenwoordigers van ESGOO verschenen. Ze waren nieuwsgierig naar de uitslag. “9-1 verloren helaas, het zat niet mee. Sorry, jullie moeten het in een beslissingswedstrijd gaan uitmaken.”  Verbijsterd keken ze ons aan.

00000 max euwe“Een mislukte poging in 1945 om Max Euwe om te kopen. Deze Nederlandse wereldkampioen was onomkoopbaar”.  Foto Theo van Haren Noman; Nationaal Archief

Geen idee overigens wie de beslissingswedstrijd heeft gewonnen.

Vals spelen bij schaken

In het schaken wordt wel eens vals gespeeld. In 2006 doken zelfs beschuldigingen van vals spel op  tijdens de match om het wereldkampioenschap tussen Veselin Topalov en Vladimir Kramnik. De manager van Topalov verweet Kramnik te vaak naar het toilet te gaan, een beschuldiging van vals spel. “Toiletgate” was geboren. Er was geen enkel bewijs voor en de schaakwereld deed de zaak als grote onzin af. Krammink won de tweekamp en werd wereldkampioen.

Nog een gevalletje veelvuldig toiletbezoek. Ik citeer even het Noordhollands Dagblad, editie Heerhugowaard, van 27 mei 2014, over vals spel tijdens een toernooi in Roemenïe, waarbij een Nederlandse amateurspeler bij was betrokken – nee, dat was ik niet!

“Hoe flest iemand in de praktijk de boel? Schaakcomputers spelen sterker dan mensen. Hun Elo-sterkte wordt op minimaal 3000 geschat, dus ruim meer dan wereldkampioen Magnus Carlsen die met 2880 op eenzame hoogte bij de mensen staat. Schaakprogramma’s die op smartphones draaien komen in de buurt van 2500. De betrapte Nederlander in Roemenië is een redelijk sterke amateurschaker met een Elo van 2233. […] In Roemenië werd hij betrapt door zijn tegenstander. Die vertrouwde het niet, de Nederlander verliet te vaak het bord. Volgens verklaringen achtervolgde hij hem naar het ‘plassengebied’, forceerde de toiletdeur en trof zijn tegenstander aan met zijn smartphone met de actuele partijstelling. De fraudeur werd uit het toernooi gezet en wacht mogelijk een lange schorsing.”

Vanwege dit soort zaken mogen vandaag de dag bij veel schaaktoernooien spelers tijdens de partij geen mobieltje bij zich hebben. Maar dit belet sommige schakers niet om het toch nog op deze manier te proberen. Zo werd in 2015 de Georgische schaakgrootmeester Nigalidze tijdens een schaaktoernooi in Dubai betrapt op valsspelen. Ook hij moest opvallend vaak naar het toilet. Het viel zijn tegenstander op dat hij elke keer hetzelfde toilethokje pakte, ondanks dat er anderen vrij waren. Hij meldde het aan een medewerker van het toernooi, die het toilethokje doorzocht. Achter de spoelbak vond hij een in toiletpapier gewikkelde iPhone. Daarop stond een schaakapp die de wedstrijd analyseerde.

Je kan ook valsspelen zonder toiletbezoek. Bij een toernooi in Amerika werd een speler met een pet op betrapt. In de pet zat kunstig elektronica verstopt waarmee hij in contact stond met vrienden buiten de toernooizaal die de partij voor hem op een computer analyseerde. Ook is al een keer iemand betrapt met een gehoorapparaatje op, althans dat zei hij. De slimme arbiter controleerde het typenummer op internet en zag dat het geen gehoorapparaat was maar een zendertje / ontvanger.

0000 schakenSoms zitten de hulpkrachten op een plek waar je ze niet verwacht. Foto Harry Pot; Nationaal Archief

Een ander beroemd geval van vals spelen vond plaats tijdens de Olympiade – zeg maar het wereldkampioenschap schaken voor landenteams –  van 2010. Twee Franse schakers en de Franse teamleider hadden naar verluidt een ingenieus systeem bedacht. De teamleider liep tijdens de partijen door de zaal. Regelmatig verdween hij echter naar de bar om daar op zijn mobiel te kijken. Daar kreeg hij zetten doorgestuurd van een kompaan die de partijen op een computer analyseerde De teamleider keerde vervolgens terug naar de zaal en liep daar vervolgens met  door de zaal. Hij keek dan eerst even met een onschuldig gezicht naar een partij die aan de gang was op de eerst rij en vervolgens naar eentje op de vierde rij van zijn team. Daarmee gaf hij aan dat de computer voorstelde om een stuk naar veld A4 te verplaatsen.

Ze vielen knullig door de mand. Het mobieltje van de man deed het tijdens één van die partijen niet meer. Hij leende daarop de telefoon van een bestuurslid van de Franse bond, die nadat hij later het apparaat terug kreeg, een ongeduldig sms’je met de tekst ‘waar blijven de zetten?” er op zag staan. Er volgde een onderzoek en er volgden lange schorsingen.

Bij deze voorbeelden is het telkens de schaker die hulp zoekt bij een computer. Er is een bekend voorbeeld van het omgekeerde. In 1997 speelde de toenmalige wereldkampioen Gary Kasparov  een match tegen de IBM-schaakcomputer Deep Blue. Tot ontsteltenis van Kasparov verloor hij met 3,5 – 2,5. Hij uitte na afloop de beschuldiging dat de computer werd geholpen door twee grootmeesters, die het apparaat op beslissende momenten ‘hielpen’ bij de keuze voor een zet.

Tot slot één van de leukste voorbeelden van valsspelende schakers die ik ken is deze. Het betreft het klassieke influisteren van een zet, niks geen elektronica.

0000 knudde

Het is een FC Knudde tekening uit 1990 van tekenaar Toon van Driel.

Goed, waarom nu deze blogpost over vals spelen in het schaken? Dat komt omdat ik wilde schrijven over matchfixing in het schaken. Ik googelde daarvoor even op ‘vals spelen in het schaken’ en trof daarbij een hoop voorbeelden aan, waarvan ik een deel hierboven heb beschreven.

Dat er matchfixing in het voetballen voorkomt is bekend, maar dat het ook voorkomt in het schaken wellicht niet. Toch is dat zo. Ik ben er zelf een keer bij betrokken geweest. Het was veertig jaar geleden en de zaak is inmiddels verjaard, dus ik kan er over schrijven. Echter deze blogpost is nu te lang om daar nu ook nog over te schrijven, dus dat stel ik, als soort cliffhanger, uit tot een volgende blogpost.

Schaken tegen de Nederlandse kampioen (2)

Urbanus, de Belgische komiek, zei eens: “Winnen, dat is iets voor losers”. Toch vond ik het altijd wel fijn als ik met schaken won. Niet dat ik dat vaak deed, maar af en toe gebeurde het wel. Weet u dat ik zelfs eens een keer van een (latere) Nederlands kampioen schaken heb gewonnen. Echt waar. Niet van Jan Timman, maar van Rini Kuijff, de Nederlands kampioen van 1989.

Ok, de omstandigheden waren bijzonder, maar toch. Het was in mijn studententijd. Op onze studentenflat woonde ook ene Menno. Hij was een goede schaker, veel beter dan ik. Hij speelde in de landelijke hoofdklasse. Dat is het hoogste niveau in Nederland.

Menno was bevriend met Rini die nog beter kon schaken. Op een dag deden Menno en ik mee aan een eendaags toernooi georganiseerd door één van de schaakverenigingen van Enschede. Rini, die dat weekend toevallig bij Menno op bezoek was, besloot ook mee te doen. Terwijl ik in één van de lagere groepen ploeterde – ik weet nog dat een Duitse schaker aan mij vroeg of ik wist wie de Gruppenführer was; ik dacht even wat vraagt hij nou? –  schaakten Menno en Rini in de hoogste groep. Rini won het toernooi gemakkelijk en kreeg een foeilelijke beker.

Hij was niet van plan om die beker mee naar huis te nemen. We gingen eten bij een Chinees en toen we naar buiten liepen, liet hij de beker opzettelijk in de vensterbank tussen de planten staan. Helaas, we waren al honderd meter ver weg, toen de ober hard hollend met de beker kwam aanrennen. “Meneeeeeer, u vergeet uw beker!”. Een tweede poging om de beker kwijt te raken, in een café waar Rini de nodige biertjes dronk, slaagde wel.

Om een uur of twaalf waren we weer terug op onze studentenflat. Rini brulde met zo’n luidde stem “Wie heeft er zin in een vluggertje?” dat alle meisjes op onze flat geschrokken naar hun kamers vluchtten – als u onder de hashtag #metoo iets over een schaker leest, dan weet u nu wie dat betreft – maar Rini bedoelde een partijtje schaak met een bedenktijd voor de hele partij van vijf minuten.

schaakklok

Ik zag mijn kans schoon. Normaal had ik geen schijn van kans, maar Rini was niet echt nuchter meer, dus wie weet. Helaas, de eerste twee partijtjes veegde hij me desondanks compleet van het bord. Toen kwam partij drie. Rini koos voor een opening die ik toevallig heel goed kende. Voor de kenners, het betrof de Sveshnikov variant van het Sciciliaans.

.000 schaken 2

Menno en ik hadden een keer die opening heel goed bestudeerd. We hadden zelfs een nieuwe zet voor wit bedacht. Dat leek aanvankelijk een winnende zet te zijn. Zwart kon op negen manieren antwoorden, waarvan de acht meest logische zetten allemaal verloren. Maar helaas een moeilijk te vinden negende mogelijkheid gaf zwart wel een winnend voordeel, waardoor onze zet niet speelbaar was. Ik dacht: hij heeft maar vijf minuten voor de hele partij, hij is niet helemaal nuchter meer, ik gok er op. Rini was verrast door de zet. Even dacht hij na – de klok tikte ondertussen door – toen koos hij voor één van de acht foute antwoorden. “Yess!” riep ik. Ik wist wat ik moest doen en won de partij eenvoudig.

Rini was op slag nuchter. Althans zo leekt het. “Opnieuw” brulde hij. Binnen no-time stond dezelfde stelling weer op het bord en ik deed weer mijn nieuwe zet. Deze keer koos Rini na enig nadenken wel voor mogelijkheid negen en werd ik kansloos van het bord gemept. Maar goed, ik had toch maar mooi een keertje van hem gewonnen. Toen hij later Nederlands kampioen werd, zei ik wel eens achteloos “Oh die, daar heb ik wel eens van gewonnen.

Gene Brown, Amerikaans schrijver: “Het ellendige van bescheidenheid is dat je er niet over kunt opscheppen”

 

Schaken tegen de Nederlandse kampioen

Ik heb wel eens tegen de Nederlands kampioen schaken gespeeld. Voor wie dat niet gelooft, zie hier.

0000 JT

Het is de voorkant van het maartnummer in 1974 van Schakend Nederland, het blad dat alle leden van de Koninklijke Nederlandse Schaakbond in de jaren zeventig maandelijks kregen toegestuurd. De man met het lange haar, die hier een simultaan geeft, is Jan Timman, meervoudig Nederlands schaakkampioen. Ik zit naast die drie jongetjes. De foto stond eerder in dagblad Tubantia.

De foto is in Enschede gemaakt tijdens één van de zogenaamde V&D schaaksimultaans. In de jaren zeventig organiseerde V&D jaarlijks in verschillende steden van het land schaaksimultaans. In Enschede trad dat jaar Jan Timman op. Voor het geval u nieuwsgierig bent naar de uitslag, ik verloor nipt (1-0). Omstreeks zet 15 dreigde ik een paard kwijt te raken, maar voor dat probleem vond ik een oplossing. Niet zo’n goede oplossing echter want daardoor raakte ik een paar zetten later twee paarden kwijt.

Ik had toen net zo goed kunnen opgeven, maar speelde toch nog een zet of tien door tot er bij zet 30 meer stukken van mij naast het bord stonden dan er op. De reden dat ik niet tien zetten eerder opgaf was tweeledig. Ten eerste had ik op mijn studentenflat gezegd dat ik het wel minstens dertig zetten zou vol houden tegen Timman en ten tweede gold dat als ik doorspeelde en niet direct opgaf, dat dan beter was voor de overige deelnemers aan de simultaan. Dat kwam door de regel dat als de simultaangever bij je bord was, je dan gedwongen was om te zetten. Dus hoe meer deelnemers er nog in de strijd waren, hoe langer het duurde voordat hij weer bij je bord was, hoe meer bedenktijd je voor je zet had.

Van die regel dat je gedwongen moest zetten als de simultaangever bij je bord was, maakte een jaar later Hans Böhm misbruik tegen mij. Hij gaf dat jaar de simultaan. Tegen hem ging het een stuk beter dan tegen Timman en eigenlijk stond ik na een zet of dertig heel goed, misschien wel zelfs gewonnen. Dat beviel Böhm overduidelijk niet. Aangekomen bij mijn bord keek hij sacherijnig naar zijn stelling, pakte een kop koffie en ging uitgebreid nadenken. Opeens zette hij de koffie neer, deed plotseling een zet en ging er vandoor.

Ik keek naar het bord en had direct het gevoel dat zijn zet niet goed was. Echter, het was een heel gecompliceerde stelling en terwijl ik zat te kijken hoe ik de zet van Böhm kon weerleggen, zag ik uit een ooghoek hoe hij zo ongeveer hard hollend langs de overige borden liep. Binnen no-time was hij weer bij mijn bord en brulde: “Zetten!”. Noodgedwongen deed ik een zet waarvan ik hoopte dat hij goed was, maar aan de grijns van Böhm kon ik al zien dat dit niet het geval was – thuisgekomen zag ik later binnen vijf minuten hoe ik de zet van Böhm had kunnen weerleggen.

Na zijn antwoord stond ik verloren. Ik had eigenlijk een paar zetten later wel kunnen opgeven, maar speelde expres door totdat hij me mat had gezet. Daardoor moest hij aan het einde van de avond de hele tijd van mijn bord aan het ene eind van de tafel naar het andere eind van de tafel lopen waar ook nog iemand zat te spelen. Serves him right.