Category Archives: Jeugdherinneringen

Een hardwerkende student

Ik moet even wat rechtzetten. Mijn twee blogs – zie hier en hier – over de foto’s van UFO’s en ISO’s, die ik in mijn studententijd naar het Dagblad Tubantia stuurde, kunnen wellicht de indruk hebben gewekt dat er op onze studentenflat niet al te serieus werd gestudeerd. Dat was beslist niet zo. Er werd bij ons hard gewerkt. Ik heb eerst toegepaste wiskunde gestudeerd en daarna omdat ik –  behalve fan van Go Ahead zijn – niet wist wat ik wou worden bedrijfskunde. Beide in Enschede aan wat toen nog de Technische Hogeschool Twente heette.

We moesten hard leren. Zie hier mij op mijn studentenkamer allerlei kennis tot mij nemen. Het glas op mijn bureau is al leeg en de kennis uit de boeken heb ik ook al bijna tot mij genomen.

0000000000 student 7

We haalden overigens onze kennis niet alleen uit de boeken. We moesten tijdens onze studie ook allerlei praktijkopdrachten doen. Zie hier bijvoorbeeld een foto genomen tijdens de werkopdracht ‘Hoe regel ik de financiering van mijn bedrijf?’ voor het vak ‘Bedrijfsfinanciering’ uit de studie Bedrijfskunde.

0000000000 student 0

En zie hier een foto van het practicum ‘Hoe verstevig je met hulp van een personeelsfeestje het groepsgevoel?‘ voor het vak ‘Personeelspsychologie’.

0000000000 student

Ziet u wel dat het hard werken was. Leidde al dat studeren nou ook tot goede cijfers? Soms wel, soms niet.

0000000000 student 4

Dit is het laagste cijfer wat ik ooit heb gehaald. Ik had het vak niet geleerd, dit omdat ik in de week voor het tentamen mijn kostbare tijd besteedde aan een aantal andere vakken, waarvan het tentamen vrijwel tegelijkertijd was. Toch ging ik naar het tentamen. Dit voor het geval het een makkelijk tentamen zou zijn. Dat was het niet en binnen een uurtje stond ik weer buiten. Dat ik een twee kreeg in plaats van een één was waarschijnlijk een beloning voor het goed spellen van mijn naam.

Ik heb nog een keertje meegemaakt dat ik binnen een uurtje weer buiten stond. Alleen kreeg ik toen een negen, het hoogste cijfer wat ik ooit heb gehaald. En dat was niet voor zo maar een vak, het was voor ‘Topmanagement’, het allerbelangrijkste vak van de studie bedrijfskunde, waarin alle vakken van de studie zoals financiering, marketing, bedrijfseconomie, bedrijfssociologie en beleid & strategie bij elkaar kwamen.

0000000000 student 9

Het vak werd gegeven door professor Jan Kreiken. Hij was de belangrijkste man van de faculteit Bedrijfskunde. Hij was niet alleen rector-magnificus van de TH geweest maar was op dat moment ook bijvoorbeeld president-commissaris van Ahold. Hij gaf maar één vak: ‘Topmanagement.’ “De toekomst kan niet worden voorspeld, maar moet worden gemaakt” was één van zijn uitspraken.

Het tentamen ‘Topmanagement’ bestond uit twee onderdelen. Als eerste moest je vooraf een uitgebreide analyse van een bedrijf maken en aangeven wat de beste strategie voor dat bedrijf was. Wat waren de sterke en zwakken kanten van het bedrijf? Waar lagen de kansen en bedreigingen? Op wat voor een strategie moesten ze inzetten? Wat waren de alternatieven? Dat soort vragen moesten in de analyse aan de orde komen.

De basisgegevens van het bedrijf kwamen uit een dik Amerikaans boek. Daar stonden twintig Amerikaanse bedrijven in beschreven, evenals de markt waar ze in opereerden en de concurrentie. Elk jaar koos professor Kreiken één van die bedrijven uit voor het tentamen. Je mocht als je wou de case met hulp van een groepje maken. De individuele kennis testte de professor op het tentamen. Dat was het tweede deel van het tentamen. Daar kreeg je een aantal aanvullende vragen over het bedrijf die je ter plekke moest beantwoorden en toevoegen aan je vooraf gemaakte analyse.

Ik maakte de case samen met twee anderen. De professor had voor een Amerikaanse frisdrankenfabrikant gekozen. We bestudeerden uitgebreid de gegevens in het boek. Er was iets vreemds. De gegevens leken niet allemaal te kloppen. Percentages telden niet allemaal op tot honderd procent, bedragen waren verwisseld en de marktbeschrijving spoorde niet met de marktbeschrijving van een ander frisdrankbedrijf uit het boek.

Wat te doen? We besloten dat de gegevens uit het boek niet konden kloppen en maakten enkele (onderbouwde) veronderstellingen wat de juiste gegevens dan wel zouden kunnen zijn. Hierop baseerden we onze analyse. Ieder van ons schreef zijn eigen verhaal en we namen onze analyses en casebeschrijving mee naar het tentamen.

0000000000 student 00

Een voorbeeldje van de wijzigingen die wij toepasten. Ik heb het boek nog steeds. Waarom eigenlijk, ik kan het net zo goed weggooien. De gegevens die er in staan, kloppen niet en zijn nu ook nog eens flink verouderd.

Het tentamen verliep anders dan gedacht. Professor Kreiken nam vooraf het woord en zei dat hij tot zijn spijt had geconstateerd dat er fouten in het boek stonden. Hij had de juiste gegevens op papier gezet en begon deze uit te delen. Het kon heel goed zijn zei hij, dat de verbeterde gegevens tot een ander inzicht zouden kunnen leiden. In plaats van het beantwoorden van aanvullende vragen kregen we daarom nu de gelegenheid om onze analyse ter plekke aan te passen, dan wel aan te vullen. Wel op individuele basis. We mochten niet meer overleggen.

Ik keek naar het blaadje van de professor en las zijn voorgestelde wijzigingen. Ze waren anders dan de aangepaste gegevens waar wij met ons groepje van waren uitgegaan. Ik las de wijzigingen van de professor nog een keer. Ze leken mij niet logisch, de onze waren beter vond ik, maar ja, het waren wel de wijzigingen van de professor. Ik keek om me heen. De meeste studenten waren al druk aan het schrijven. Wat te doen? Ik besloot dat mijn wijzigingen beter waren, schreef op waarom ik dat dacht en veranderde niets aan mijn analyse. Ik leverde als eerste het tentamen in en binnen een uurtje stond ik weer buiten, wel met de nodige twijfels.

0000000000 student 11975; Na afloop van de Dies-rede; Rechts op de foto: rector professor Jan Kreiken; foto ‘Beeldbank Universiteit Twente’.

Een paar weken later kreeg ik het tentamenbriefje thuis. Ik had een negen. Wow! Van een jongen die een jaar later het vak volgde, hoorde ik later dat ons tentamen uitgebreid tijdens het college aan de orde was gekomen. Er zat een fout in de casebeschrijving in het boek had professor Kreiken verteld. Maar niet alleen in de beschrijving in het boek, ook in de door hem voorgestelde correcties. Dat had slechts één student durven op te merken, vertelde hij. Die had vast gehouden aan zijn eigen gecorrigeerde cijfers. Die student had hij een negen gegeven.

Alle andere studenten hadden aangenomen dat de cijfers die de autoriteit – de professor dus – had gegeven wel klopten en hadden hun analyses daarop gebaseerd. De “lesson to be learned” zei de professor was dat, hoe groot de autoriteit ook was, je altijd kritisch naar diens cijfers moest kijken.

Na mijn studie ging ik op zoek naar een baan. Even overwoog ik om bij Ahold te solliciteren – waarschijnlijk was het tentamenbriefje van professor Kreiken daarvoor voldoende – maar Ahold zat in Zaandam en daar wou ik niet heen. Mijn moeder zei dat ik bij de PTT moest solliciteren, want dan had je een baan voor het leven. Ik solliciteerde, werd aangenomen en verhuisde naar Den Haag. Daar zou ik Marianne ontmoeten, met haar trouwen en twee kinderen krijgen, maar dat is weer een heel ander verhaal.

P.S. Ik zal het maar direct opbiechten. Die drie dames die met mij op de foto staan zijn geen deelnemers aan de workshop ‘Hoe verstevig je met hulp van een personeelsfeestje het groepsgevoel?‘ voor het vak ‘Personeelspsychologie’, maar zijn drie flatgenotes van mij uit mijn studentenflat. We waren uitgenodigd voor een themafeestje met als thema film. Ik moest een Amerikaanse gangster voorstellen, zij vormden mijn entourage.

En o ja, die heren van het vak financiering, dat waren ook flatgenoten. Ik heb geen idee ten behoeve van welke gelegenheid die foto is gemaakt. Waarschijnlijk ook voorafgaand aan een feestje. Maar ja, als ik dat op schrijf, dan gaat u waarschijnlijk zeggen: zie je wel ze feestten alleen maar. Om dat beeld te ontzenuwen, daarom tot slot deze foto. Er werd wel degelijk gestudeerd en dat leidde tot resultaten.

00000 4

(Voor het geval u nu gaat zeggen, die foto (en die “schurkenfoto”) heb ik al eerder op dit blog gezien, ja dat klopt. Maar zoals onze hoogleraar marketing bij bedrijfskunde altijd zei: “Herhaling is de kracht van de reclame.”)

 

De kapper (2)

Begin jaren vijftig woonden mijn ouders in Beilen in Drenthe. Ik was nog niet geboren, dus daar heb ik weinig herinnering aan. Wel ken ik het verhaal dat mijn vader mij een keer vertelde over de dorpskapper van Beilen. Deze had de neiging niet alleen de haren maar ook de oren van je hoofd te kletsen.

Tijdens een van de knipbeurten vertelde hij mijn vader een verhaal over een echtpaar. Hij was de kostwinnaar van het gezin, zij deed het huishouden. De man des huizes wou graag dat zijn vrouw een huishoudboekje bij hield, zodat hij kon zien waaraan het geld werd uitgegeven. Van haar hoefde dat niet zo, maar toch deed zij dat vol plichtbesef en zeer nauwgezet.

000000000 huisvrouw1

Huisvrouw begin jaren vijftig aan het werk; foto Willem van de Poll; Anefo; Nationaal Archief.

Elke maand klopten de uitgaven tot op de cent nauwkeurig met het budget. Ze bleek over een goed hart te beschikken, want ze gaf regelmatig geld aan mensen die het wat slechter hadden dan haar. Maar ook dit hield ze nauwkeurig bij. Dan stond er in het overzicht een post als ‘Aan arme man gegeven: vijftig cent’.

De echtgenoot was dan ook zeer tevreden over de wijze waarop zijn vrouw de administratie bijhield. Totdat hij op een dag een keer las: ”Van arme man gekregen: twee gulden”. Toen pas ging er een lichtje bij hem branden. Zijn vrouw bleek elke keer de post ‘Aan arme man gegeven’ als sluitpost te gebruiken om het overzicht kloppend te krijgen.

Nu had het blad Panorama begin jaren vijftig een lezers-schrijfwedstrijd. Je mocht verhalen uit het dagelijks leven in sturen en als de Panorama jouw verhaal plaatste, dan kreeg je daar tien gulden voor. Mijn vader vond het verhaal over het echtpaar leuk, paste het iets aan en stuurde het op naar de Panorama. Hij won. Panorama plaatste het verhaal en mijn vader kreeg er tien gulden voor.

De volgende keer dat mijn vader bij de kapper kwam, sprak deze hem direct aan. Hij had het verhaal in de Panorama gelezen. “Dat verhaal heb ik jou verteld. Dat heb je van mij.” sprak hij. “Klopt” zei mijn vader. “Maar dan heb ik recht op het geld.” zei de kapper. “Nou”, antwoordde mijn vader, “Ik ben wel degene die het iets aangepast heeft, het opgeschreven heeft en het opgestuurd heeft, maar ik vind wel dat je recht hebt op een bijdrage en daarom heb ik besloten het hele prijzenbedrag verspreid over het jaar bij jou uit te geven – knippen kostte in die tijd één of twee gulden. De kapper knikte tevreden en begon gelijk weer met het vertellen van een verhaal. “Misschien kan je dat ook opsturen” zei hij enthousiast.

Tot zover dit kappersverhaal. Ik was van plan om deze blogpost nu te sluiten, maar er is een onverwachte wending. Ik keek namelijk even op de site van Delpher.nl – daar kan je oude kranten en tijdschriften inzien – om te kijken of ik het verhaal ergens kon terug vinden en zowaar dat lukte. Maar tot mijn verrassing was het niet de Panorama, maar het Algemeen Handelsblad van 6 november 1952 waar ik verhaal aantrof en wel in de rubriek ‘En tenslotte …”

000000000 nrc

Uit het Algemeen Handelsblad d.d. 06-11-1952

Zie hier het hele verhaal zoals dat in de krant stond:

Onlangs vertelden wij van de primitieve boekhouding in een winkeltje-van-alles, waar Rijksaccountants kwamen controleren en een post „D.M.J.W. — ƒ15.—” vonden. Deze konden zij niet verklaren en de oude vrouw die het zaakje dreef bekende eindelijk bijna in tranen dat D.M.J.W. Dat Mag Joost Weten betekende. Dit vertellinkje heeft de pen losgemaakt van een lezer, die uit het huishoudboekje van zijn echtgenote klapt, overigens nadat hij zich van het copyright heeft verzekerd.

„Mijn vrouw”, schrijft hij, „is een model-huisvrouw. Niet alleen wat de practische, maar ook wat de theoretische gang van zaken betreft. Haar budget klopt bijvoorbeeld altijd. Weliswaar is alles altijd op aan het eind van de maand, maar zij heeft dan ook iedere cent verantwoord. Dat doet zij in zo’n ouderwets schriftje, klein formaat, met een harde zwarte kaft en gelinieerd papier. Alle postjes netjes onder elkaar. Ik heb wel eens geprobeerd, in haar eigen belang, haar de beginselen van eenvoudig boekhouden bij te brengen, maar die nam zij niet van mij aan. „Niet nodig”, zei zij „ik schrijf links: 1 pond zout, en rechts: ƒ 0.14 — dan tel ik alle bedragen op en het is in orde.”

„Laatst heb ik eens in dat boekje gebladerd. Ik heb ontdekt dat mijn vrouw behalve lieftallig ook liefdadig is, want bijna Iedere dag vond ik een post: Aan arme man gegeven — en dan een bedrag, waarvoor de arme man zijn gezin een dag zou kunnen voeden. Die post was tussen twee lijntjes in gekrabbeld en ik begon half en half te vermoeden dat mijn lieve echtgenote aan het eind van de maand een aardig sommetje niet thuis had kunnen brengen … Maar goed, dank zij deze frequente arme mannen was haar balans in evenwicht.

Ook in de volgende maand traden voortdurend arme mannen op. Ze begonnen mij een beetje de keel uit te hangen, want per slot van rekening verdien ik het brood voor mijn gezin. Maar ik ben een liberaal man en erken het zelfbeschikkingsrecht van de vrouw, die ten minste even hard werkt als ik. Aan het eind van haar gecijfer was ik trouwens weer helemaal vertederd. Want het rekenkundig talent van mijn echtgenote bleek niet groot genoeg te zijn om haar tekort gelijkmatig over de arme mannen te verdelen. Zij had de lieden blijkbaar wat te veel toegedacht.
Want ten slotte had zij van haar optelling weer afgetrokken: „Van arme man gekregen — ƒ 5.—“

Eh, wat is hier aan de hand? Dit is overduidelijk het zelfde verhaal waarvan mijn vader vertelde dat hij het bij de kapper had gehoord, het enigszins had aangepast en het naar de Panorama had opgestuurd. Hoe zit dat nu? Hoe komt dit in het Algemeen Handelsblad terecht? Heeft iemand anders het verhaal geschreven en heeft mijn vader het zich in de loop van de tijd al of niet opzettelijk toegeëigend?

Kortom, ik ben in verwarring. Jammer dat er in het Algemeen Handelsblad niet de naam van de lezer bij staat, die het verhaal opstuurde. Was het mijn vader of was het  iemand anders?

Als ik het verhaal lees, dan heb ik echter het vermoeden dat mijn vader de lezer is die het heeft opgestuurd. Allereerst was het Algemeen Handelsblad de krant die mijn ouders lazen. Ook de datum – 6 november 1952 – klopt. Dat is in de tijd dat mijn ouders in Beilen woonden, de tijd dat mijn vader volgens eigen zeggen het verhaal van de kapper had gehoord. Dan is er het boekhoudkundig aspect. Het verhaal is zo te lezen duidelijk geschreven door iemand die verstand van boekhouden heeft. Mijn vader was in die tijd leraar Handelswetenschappen en Boekhouden.

Er is ook een ding dat niet klopt. Het verhaal wordt verteld vanuit de positie van de echtgenoot. Mijn vader had het echter van horen zeggen, het was geen eigen verhaal. Maar mijn vader zei dat hij het enigszins had aangepast om het mooier te maken en een verhaal geschreven vanuit de ik-persoon is natuurlijk een veel leuker verhaal.

Maar veruit de belangrijkste reden dat ik denk dat mijn vader de lezer is die het verhaal naar het Algemeen Handelsblad heeft opgestuurd, is de stijl van schrijven. Dat is precies de stijl van schrijven die ik van hem ken uit verhalen voor clubbladen van voetbalclubs en voor plaatselijk krantjes. (Tussen haakjes, als u zich afvraagt, van wie ik al die ongein heb, van mijn vader dus.)

Maar goed – het blijft een gok – als mijn vader de lezer is die het heeft opgestuurd naar het Algemeen Handelsblad, hoe zit het dan met het verhaal van mijn vader dat hij het naar de Panorama heeft gestuurd, er een tientje mee won en dat de kapper er vervolgens een deel van wou hebben? Klopt dat dan wel? Ik weet het uiteraard niet zeker, maar het zou kunnen dat  ook het kappersverhaal toch waar is.

De reden dat ik dit denk, is namelijk dat er een beetje vreemde zin in het inleidende verhaal in het Algemeen Handelsblad staat. “[…] Dit vertellinkje heeft de pen losgemaakt van een lezer, die uit het huishoudboekje van zijn echtgenote klapt, overigens nadat hij zich van het copyright heeft verzekerd.” Waarom zou een lezer dat laatste doen? Tenzij hij van plan was om het ook ergens anders heen te sturen (of al had gedaan) zoals voor de Panorama-wedstrijd.

Maar goed, hoe het nu daadwerkelijk zit en wie wat heeft geschreven, weet ik dus niet. Mijn ouders leven beide al lang niet meer en aan hen kan ik het dus niet vragen. Maar iemand kan je dertig jaar later dus nog steeds verrassen.

De kapper

Vandaag wil ik het hebben over de kapper. De kapper? Jazeker, over de kapper. Mijn oudste herinnering aan een kapper is de vogeltjeskapper uit mijn jeugd in Apeldoorn. Hij was de buurtkapper waar ik heen ging toen ik nog op de lagere school zat. De vogeltjeskapper werd zo genoemd, omdat hij een kooi met vogeltjes in zijn zaak had staan. Hij had beter de bloempotkapper genoemd kunnen worden, want dat was ongeveer het enige model dat hij kon knippen.

In het begin vergezelde mijn moeder mij nog, later niet meer. De allereerste keer dat ik van mijn moeder helemaal alleen naar de kapper mocht, vroeg de vogeltjeskapper hoe het geknipt moest worden. “Er hoeft niet al te veel af” zei ik. “Dat is vreemd” zei de kapper, “Toen je moeder straks belde, zei ze heel wat anders.”

In het begin van mijn middelbare schooltijd ging ik in Diepenveen naar de plaatselijke dorpskapper. De kapper had een leestafel. Daarop lagen allerlei tijdschriften uit een leesportefeuille waar de kapper een abonnement op had. In die leesmap zat ook ‘De Lach’, een blad waarin behalve verhalen en moppen ook ondeugende foto’s van deels ontklede dames stonden. Veel meer dan een blote borst zag je niet, maar voor een jongetje van een jaar of twaalf, dertien was dat natuurlijk reuze spannend.

de lach

De Lach van september 1967. Miss Scheveningen ‘67 zal nu ongeveer zeventig jaar oud zijn vermoed ik.

Het was niet de bedoeling dat jongens van mijn leeftijd ‘De Lach’ lazen. De kunst was daarom om tegelijkertijd de Panorama en De Lach van de leestafel te pakken en dan deze laatste vlug in de Panorama te stoppen. Vervolgens deed je dan net alsof je de Panorama las, maar bladerde je ondertussen in De Lach. Je moest er wel zorgen dat je niet door de kapper werd betrapt – ik had altijd het idee dat hij via de spiegel mij in de gaten zat te houden – want anders kreeg je een snauw en dreigde hij het tegen je vader te zeggen. Als het wel was gelukt, dan ging je later uitgebreid met je vriendjes bespreken wat je gezien had.

Tijdens mijn studententijd had ik redelijk lang haar. Net zoals nu zei ik toen altijd tegen de kapper: “Tot aan de rand van mijn oren”. Alleen bedoel ik er nu mee dat de oren helemaal vrij mogen blijven en toen dat de oren helemaal bedekt moesten blijven.

000000000 kapper

Ik in mijn studententijd. Links ben ik zo te zien net naar de kapper geweest; rechts was het tijd om naar de kapper te gaan..

 Ik had overigens geen voorkeur voor een bepaalde kapper. Dit in tegenstelling tot een jongen op onze studentenflat. Die was helemaal hotel de botel van een bepaalde kapster. Op een dag had hij al zijn moed verzameld en toen ze vroeg hoe hij het geknipt wilde hebben, zei hij: “Knip het maar zodanig dat je met me uit wilt.” Ze keek hem aan en zei toen: “Ik hou van kale mannen.” Dat werd dus helemaal niks.

Onlangs was ik weer bij de kapper. Nadat ik uitgelegd had hoe ik het wilde hebben, vroeg de kapster: “Hoe moet ik knippen?” Enigszins verbaasd antwoordde ik “Ik had gehoopt dat je dat al wist.” Maar ze bedoelde er mee of ze het haar achter met een schaar of met een tondeuse moest doen. Dat zijn altijd vragen waar ik nooit een antwoord op weet. Ik zei dat ze maar moest doen wat het beste resultaat gaf. Ze gebruikte zowel een schaar als een tondeuse. Toen ze het resultaat in een spiegel liet zien, zag ik dat er op mijn achterhoofd steeds minder te knippen valt. Ik word oud.

Waar is de bal?

Gisteren heb ik op tv gekeken naar de oefeninterland tussen Italië en Nederland. Het duel werd wel betiteld als het duel der losers. Nederland en Italië zijn namelijk de twee bekendste landen die zich niet voor het WK in Rusland hebben geplaatst. Als je naar de wedstrijd keek, dan snapte je wel waarom. Het spel was niet best en dan zeg ik het nog voorzichtig.

Er viel dan ook niet veel te beleven en of het daardoor kwam, weet ik niet, maar ik moest opeens denken aan de ‘Waar is de bal? – puzzel van vroeger. Dat was toen ik jong was – niet zo lang geleden dus –  een puzzelrubriek in de krant. Op een foto van een voetbalsituatie was de bal weggeretoucheerd en dan moest je aangeven waar de bal zich bevond. Ik heb even snel een voorbeeldje gemaakt met hulp van een foto uit het Nationaal Archief. Zie hier.

0000 bal 1

De bal heb ik dus weggeretoucheerd en aan u is nu de vraag: waar bevindt de bal zich? Als ik u de hint geef, dat de opgave gebaseerd is op Italië – Nederland, dan is het niet moeilijk meer. Ik zou bijna zeggen: een kans voor open doel.

Maar goed, hier de oplossing.

0000 bal 2

Tot zover krantenspelletjes van vroeger.

Een held

Op tv en op internet is overal het filmpje te zien van de heldendaad van Mamoudou Gassama. Deze 22-jarige Malinees – hij was een half geleden zonder geldige verblijfspapieren naar Frankrijk afgereisd – redde in Parijs een vierjarige kind van een wisse dood door met gevaar voor eigen leven als een ‘spiderman’ vier verdiepingen van een flat omhoog te klimmen.

Het jongetje was alleen thuis en was op de een of andere manier over de balkonrand geklommen en hing daar te bundelen toen hij door mensen op straat gespot werd. De toevallig voorbij komende Malinees hoorde mensen schreeuwen, keek omhoog, zag het jongetje hangen en aarzelde geen moment. Hij klom razendsnel omhoog en bracht hem in veiligheid.

Bekijk hier op de site van de NOS  beelden van de man en zijn heldendaad.

Ik kon dat kind toch niet laten vallen” sprak hij na afloop. Een echte held. President Macron heeft hem inmiddels op het Elysée ontvangen en de illegaal verblijvende Mailinees niet alleen een verblijfsvergunning en de Franse nationaliteit aangeboden, maar ook een baan toegezegd bij de brandweer. Het is hem gegund. Het asielbeleid zou overigens streng blijven zei Macron er voor de zekerheid nog bij.

Stel, dat ik in zo’n situatie belandde (niet hangende aan het balkon, maar als degene die het ziet gebeuren.) Zou ik dan ook omhoog zijn geklommen? Laat ik het zo zeggen, Ik acht de kans dat Trump de rest van zijn presidentschap alleen nog maar de waarheid spreekt groter dan de kans dat ik omhoog zou klimmen. Rekent u er dus maar niet op. Gelukkig ben ik nog nooit in zo’n situatie beland.

Het dichtstbij tot nu toe was die keer dat ik als twaalfjarig jongetje in Diepenveen langs een bejaardenflat fietste en opeens zag hoe aan de overkant op een paadje tussen de bosjes een oude dame struikelde. Ik keek even achterom om te zien of het wel goed ging, en toen ik haar niet meer overeind zag komen, fietste ik, met de nodige tegenzin, terug om te kijken of ze hulp nodig had. Bij haar aangekomen zag ik dat het oudje in de bosjes lag en niet meer overeind kon komen. Ik stapte van de fiets, hielp haar omhoog en vroeg of alles goed ging.

Lichamelijk had ze zo te zien geen problemen, maar ze was wel in paniek. Angstig keek ze naar het bejaardentehuis. Ik mocht absoluut niet tegen iemand van het tehuis zeggen dat ze was gevallen, zei ze, anders mocht ze niet meer alleen buiten lopen. Nee, dat zal ik niet doen, beloofde ik. Ze keek me opgelucht aan. Ik bood aan om met haar naar tehuis te lopen, maar dat wilde ze beslist niet. Moeizaam liep ze terug naar het tehuis. Ik pakte mijn fiets en fietste weer verder. Tot zover het overzicht van mijn heldendaden.

Barry Hughes

Zaterdag was de finale van de Champions League. Real Madrid won met 3-1 van Liverpool. Dat Real won, mocht vooral de doelman van Liverpool zich aanrekenen. Hij blunderde twee keer gigantisch. Eén keer wierp hij bij een uitgooi de bal tegen het been van een speler van Real Madrid aan, waarop de bal in het doel verdween en bij een houdbaar afstandsschot liet hij de bal op kinderlijke wijze door zijn handen gaan.

Die zal na afloop niet lekker in de kleedkamer hebben gezeten. Dat doet me denken aan het antwoord van Barry Hughes op een vraag van een journalist. Barry Hughes was begin  jaren zeventig trainer van Go Ahead, mijn favoriete clubje. Onze keeper had enorm geblunderd en een journalist vroeg na afloop hoe het met de doelman ging. “Niet best” antwoordde Hughes “Hij zat er in de kleedkamer helemaal verslagen bij, gooide wanhopig zijn hoofd in de handen en miste.”

Barry Hughes, geboren in Wales, was in de jaren zeventig van de vorige eeuw een bekende trainer, onder andere van Haarlem en van Go Ahead. Hij was echter niet alleen bekend als trainer maar ook als entertainer. Zo zong hij carnavalsliederen en trad hij op in allerlei televisieprogramma’s. Daarnaast genoot hij bekendheid omdat hij getrouwd was met de televisieomroepster en later radio- en televisiepresentator Elles Berger.

00 barry hughesElles Berger en Barry Hughes trouwen; 13 mei 1965; fotograaf Jac De Nijs; Anefo; Nationaal Archief.

In 2015 heb ik voor Hard Gras, een literair voetbaltijdschrift, een verhaal over het jeugdhuis van Go Ahead geschreven. Dat was een soort internaat waar talentvolle jeugdspelers in woonden. Mijn vader was vijftien jaar lang de studiebegeleider van de spelers in het jeugdhuis. In dat verhaal kwam Barry Hughes ook voor. Ik citeer even uitgebreid uit dit verhaal:

“[…] Het jeugdhuis kwam onder leiding van een nieuw echtpaar en de club vroeg Gerrit Eggink, een bekende makelaar in Deventer, te gaan fungeren als een soort praatpaal voor de spelers uit het jeugdhuis. Mijn vader, Harry van Neck, werd gevraagd als nieuwe studiebegeleider. Eggink was niet alleen makelaar in Deventer, hij had er ook een groot sociaal netwerk. Als er spelers uit het jeugdhuis ’s avonds in de binnenstad werden gesignaleerd op een tijdstip dat ze er niet behoorden te zijn, dan kreeg hij al snel een belletje. Mijn vader was de directeur van de MEAO in Deventer en kende vanuit die functie de andere directeuren van scholen in Deventer en omgeving goed en dat hielp bij het regelen van bijzondere studiefaciliteiten, zoals op maat gemaakte huiswerkbegeleiding voor de jeugdspelers. Wekelijks bezochten Eggink en mijn vader het jeugdhuis, waarbij dan ook vaak de studievoortgang werd besproken.

Eén van de eerste spelers in het jeugdhuis die met het strengere beleid te maken kreeg was Peter Arntz. Deze latere international was door de KNVB uitgenodigd voor een trip met het UEFA-jeugdelftal naar Zwitserland, maar omdat Eggink en mijn vader van mening waren dat het leren voor een proefwerkweek – die zou een dag na terugkomst uit Zwitserland beginnen – een hogere prioriteit had, kreeg hij tot zijn ontzetting geen toestemming om mee te gaan. Hij klaagde nog bij Barry Hughes – deze was in 1970 Fadrhonc opgevolgd als trainer – maar dat hielp niet. ‘Leren voor school is belangrijker’ zei Hughes en in plaats van in Zwitserland te voetballen, zat Arntz die week gebogen over de schoolboeken.

Ook Jack van Loon, een andere jeugdspeler, merkte dat Barry Hughes school belangrijk vond. Van Loon was bij de A-selectie gehaald, speelde al mee in oefenwedstrijden en stond op het punt om zijn debuut in de eredivisie te maken. Voor Jack van Loon was dit alles aanleiding om de aandacht voor school tot een minimumniveau terug te brengen. Mijn vader vroeg Hughes of hij Van Loon hierover wilde aanspreken. “Doen we “ zei Hughes en hij riep Jack van Loon bij zich.

Jack, het gaat goed op het veld hè.” sprak Hughes. Jack straalde. “Maar ik hoor van meneer van Neck hier dat je de school een beetje aan het verwaarlozen bent. Klopt dat?” “Mwah” mompelde Jack. “Is niet goed Jack, school is belangrijk. Ik zet je voor vier weken terug naar de jeugd. Als het daarna weer beter op school gaat, dan mag je weer bij de A-selectie mee trainen.”

Van Loon keek Hughes verbijsterd aan. Ook mijn vader was verrast. Dit had hij niet met Hughes afgesproken. Maar het hielp. Zijn aandacht voor school nam weer toe. Na vier weken mocht hij weer met de A-selectie mee trainen en even later zijn debuut maken. (Uiteindelijk zou Jack van Loon tot 1976 voor Go Ahead Eagles spelen. Daarna vertrok hij naar FC Groningen voor welke club hij ook nog eens ruim 200 wedstrijden zou spelen. Hij overleed in 2005 op 51-jarige leeftijd.)

Barry Hughes was gedurende de vijftien jaar dat mijn vader van 1970 tot aan zijn overlijden in 1985 de studieadviseur van het jeugdhuis was de trainer die de meeste belangstelling had voor de schoolprestaties van de spelers. Met de meeste andere trainers moest mijn vader vaak een strijd voeren om de jeugdspelers gelegenheid te geven om te leren. De fanatiekste onder hen was Wiel Coerver, trainer van Go Ahead Eagles in het seizoen 1976 – 1977. “Alle jeugdspelers moeten van school af. Ze moeten de hele dag trainen, dan maak ik ze allemaal miljonair. U kunt wel weg”. sprak hij. “Ik dacht het niet” zei mijn vader en de spelers bleven op school.

Hughes vond het van een goed karakter getuigen als een speler naast het voetballen ook trachtte op school succesvol te zijn. Karakter was naast techniek één van de zaken waar hij potentiële nieuwe spelers op beoordeelde. Eigenlijk was Hughes daarmee Louis van Gaal 25 jaar voor. Deze verklaarde in 1995 dat zijn successen met Ajax mede te danken waren aan zijn beoordelingssysteem TIPS dat stond voor ‘Techniek, Inzicht, Persoonlijkheid en Snelheid.’ Van Gaal zal het ongetwijfeld ontkennen, maar misschien heeft hij in zijn periode dat Hughes bij Sparta zijn trainer was – Van Gaal in de rust bij een wedstrijd: “Trainer, vindt u ook niet dat er gewisseld moet worden”; Hughes; “Inderdaad Louis, jíj gaat eruit, kleed je maar om” – iets van zijn gedachtewereld overgenomen.

0 Barry Hughes

Ten aanzien van zijn vak was Barry Hughes heel serieus, maar hij was ook een showman. Hier overhandigt hij in maart 1974 een gouden plaat aan Alice Cooper. In ruil daarvoor krijgt hij een gouden bal terug. (Let even op de fijne details zoals de bij de overjas passende pet van Hughes en het blikje Budweiser in de hand van Alice Cooper. Je bent tenslotte een woeste rocker of niet.) Fotograaf onbekend; Nationaal Archief

Dat Hughes spelers niet alleen beoordeelde op technische aanleg merkte ook Piet Hamberg. In 1972 voetbalde Hamberg bij BNC uit Finsterwolde en maakte hij deel uit van de nationale UEFA-jeugdselectie. Hij gold als één van de grootste talenten van Nederland en vanuit het betaalde voetbal was er dan ook veel belangstelling voor hem. Ook Go Ahead Eagles nodigde hem uit voor een gesprek.

Tot verbazing van Go Ahead kwam hij samen met een zaakwaarnemer. Waarschijnlijk was hij één van de eerste jeugdspelers in Nederland met een zaakwaarnemer. Hamberg vleide zich neer in een stoel – hij lag meer dan dat hij zat – en luisterde naar de verhalen van de voorzitter die vertelde wat voor een prachtige club Go Ahead wel niet was – Hamberg zakte ondertussen verder onderuit – naar Barry Hughes die zijn voetbalvisie ontvouwde – Hamberg lag nu bijna helemaal plat in zijn stoel – en naar mijn vader die vertelde hoe de spelers in het jeugdhuis werden begeleid. Toen mijn vader uit gesproken was – Hamberg lag nu horizontaal in zijn stoel – keek het jonge talent naar zijn zaaknemer. Deze kuchte en zei: “We willen 100.000 gulden tekengeld.” Dat was ruim meer dan de best betaalde speler van Go Ahead Eagles verdiende.

Hughes en mijn vader keken elkaar aan. Hughes pakte zijn portemonnee, haalde er een biljet van 25 gulden uit en gaf dit aan Hamberg. Deze wist niet goed wat hij er mee moest. Was dit een voorschot op zijn tekengeld? “Voor de reiskosten; veel succes elders” sprak Hughes. Hij stond op en liep de kamer uit. Later, toen Hamberg en zijn zaakwaarnemer weg waren, vroeg mijn vader aan Hughes of ze niet hadden moeten onderhandelen over het tekengeld. “Nee” zei Hughes: “Zag je niet hoe hij er bij lag in zijn stoel. Helemaal plat. Die haalt nooit de top. Niet het juiste karakter.”

Hamberg zou even later een contract bij NEC tekenen. Hij zou ook nog voor Wageningen, FC Utrecht, Servette en Ajax uitkomen maar de echte top haalde hij inderdaad niet” […]

Tot zover het citaat uit Hard Gras. Mijn vader overleed in 1985 op 65-jarige leeftijd na een auto-ongeluk. Barry Hughes leeft nog. Hij is nu 80 jaar oud. Elles Berger leeft ook nog en is 78 jaar oud. Ze zijn inmiddels 53 jaar getrouwd.

Uit het straatbeeld verdwenen

Uit de serie ‘Uit het straatbeeld verdwenen’: het straat-tv-kijken

Hoewel Philips al in de jaren dertig proeven met televisie uitzenden deed, vond de eerste landelijke Nederlandse (zwart-wit) televisie-uitzending pas plaats op 2 oktober 1951. Aanvankelijk waren er niet veel Nederlanders met een televisie. Er was sprake van een kip of ei probleem. Voordat ze een dure televisie kochten, wilden de Nederlanders eerst zien hoe het werkte, maar omdat ze geen tv hadden, konden ze dat niet zien.

Om die cirkel te doorbreken, plaatsten sommige radiozaken het ei (de televisie) in hun etalage en de kippen (de kijkers) konden dan staande op straat het nieuwe medium bekijken. Het straat tv-kijken was geboren.

0 tv

0 tv 310 oktober 1951 Publiek kijkt naar televisie in een etalage te Zandvoort;  Foto’s Harry Pot; Anefo; Nationaal Archief

0 tv214 mei 1952: Nederland tegen Zweden. De wedstrijd werd uitgezonden op televisie. In Amsterdam volgden mensen de wedstrijd voor de etalage van een radiozaak; Foto Herbert Behrens, Anefo, Nationaal Archief.

Ook ik heb regelmatig samen met een hoop mensen voor een etalage staan kijken. Maar dat was niet begin jaren vijftig – ik was toen nog niet geboren –  maar in het begin van de jaren zestig. We woonden toen in Apeldoorn. Met mijn vader en mijn broertje ging ik op zondag altijd naar de voetbal. De ene week naar AGOVV, dat speelde in die tijd nog betaald voetbal, de andere week naar Robur et Velocitas. Dat was een Apeldoornse amateur-voetvoetbalvereniging die haar domicilie vlakbij het terrein van AGOVV had. De twee verenigingen speelden haast nooit tegelijkertijd thuis –  waardoor we elke week wel naar een thuiswedstrijd van één van de twee clubs konden gaan.

Mijn vader bekeek de thuiswedstrijden van AGOVV samen met een aantal vrienden. Mijn broertje en ik zwierven ondertussen door het stadion. Na afloop zochten we mijn vader weer op en liepen dan altijd eerst met hem naar het huis van één van diens vrienden. Ome Chris noemden we hem hoewel hij geen echte familie was. Zijn vrouw, tante Riet, stond thuis altijd klaar met een kopje thee en een koekje en een glaasje ranja voor ons. Daarna vertrokken we naar huis. Niet rechtstreeks, eerst liepen we altijd langs een sigarenzaak in de buurt.

Voor de sigarenzaak stond vaak al een groepje mensen te wachten. Er waren in die tijd nog geen regionale radio-omroepen – ook Hilversum 3 bestond nog niet. Als je de uitslagen van het amateurvoetbal wilde weten, dan moest je wachten totdat de uitslagen de volgende dag in de plaatselijke krant stonden. De sigarenboer had echter, waarschijnlijk als reclame voor zijn zaak, iets bedacht.

Hij belde op zondagmiddag alle verenigingen op waar ploegen uit de regio Apeldoorn tegen speelden en schreef dan de uitslagen op een groot vel dat hij vervolgens op zijn etalageraam plakte. Dus als je op zondagmiddag al wilde weten, hoe je favoriete amateurclub (Robur et Velociatas in ons geval) het had gedaan, dan kon je dat op zondagmiddag al bij de sigarenboer zien.

Later vond de sigarenwinkelier het internet uit en hoefden we niet meer langs de winkel voor de uitslagen.

 

Een koninklijk huwelijk

Morgen stappen prins Harry en Meghan Markle in het huwelijksbootje.

titanic

titanic 2

Deze foto’s suggereren dat ze voor hun huwelijksreis een tripje met de Titanic hebben geboekt, maar dat is niet zo. De foto’s zijn genomen tijdens hun bezoek in maart van dit jaar aan het Titanic Belfast museum in Noord-Ierland. (foto’s: Northern Ireland Office)

De belangstelling voor het huwelijk is enorm. Eigenlijk is dit een beetje wonderlijk, want op de lijst van Britse troonopvolgers staat prins Harry slechts op plaats zes. Nummer één is prins Charles. Deze bijna 70-jarige prins is inmiddels al 67 jaar kroonprins. Hij is daarmee de langst op de troonsbestijging wachtende troonopvolger uit de Britse geschiedenis en ook de oudste Britse troonopvolger ooit. Als ik de pers mag geloven gaat hij deze records nog wel wat scherper zetten, want zijn 92-jarige moeder is nog niet van plan om het bijltje er bij neer te gooien.

Nummer twee op de lijst van troonopvolgers is Harry’s oudere broer prins William en de nummer drie tot en met vijf diens drie kinderen. Overigens staat ook koning Willem-Alexander op de lijst met mogelijke Britse troonopvolgers. Dit omdat hij verre familie is. In 2002 viel hij van deze lijst af, omdat hij met een katholiek meisje trouwde (Maxima), maar na een wetswijziging in 2013, uiteindelijk door alle vijftien landen van de Gemenebest in 2015 goedgekeurd, staat hij weer op de lijst. Een huwelijk met een katholiek iemand sluit je niet langer meer uit van de troon. De belangrijkste wijziging in de wet was het vervallen van de regel dat mannelijke troonopvolgers voorrang kregen op vrouwen (een jonger broertje had voorrang op zijn oudere zusje, maar die regel is nu dus vervallen.)

De kans dat Willem-Alexander ooit ook koning van Engeland zal zijn, is niet erg groot. In april stond hij op nummer 1160 van die lijst, pal achter zijn moeder. Ook de nummers 1161 tot en met 1197 behoren tot de Nederlandse tak. Zo staat de 10-jarige Julia ten Cate – wie kent haar niet? Het is een dochter van prinses Margarita en daarmee een kleindochter van prinses Irene – op plaats 1176 van de lijst van mogelijke Britse troonopvolgers.
De allerlaatste op de lijst, op nummer 5753, is Karin Vogel, een Duitse huisvrouw. De kans is niet erg groot dat ze ooit koningin van Engeland wordt. Ze is wel eens geïnterviewd. Van haar hoeft dat koningschap ook niet zo.

Maar goed, ondanks dat de kans niet zo groot is dat prins Harry ooit koning van Engeland zal worden, is de belangstelling van de pers en het publiek voor zijn huwelijk groot. Zo zag ik op CNN ‘Breaking News’ voorbij komen. Het paar had bekend gemaakt wie de bruidsjonkers waren. Enfin, ik moet niet te veel zeggen, want in Nederland kennen we dit soort toestanden ook. Bekijk maar eens deze foto uit 1964, genomen bij de hekken van paleis Soestdijk. In de auto zitten prinses Irene en haar toekomstige ex, Prins Hugo Carlos de Bourbon Parma. Kort daarvoor was het nieuws van de verloving van het paar uitgelekt.

irene 1964
Foto Eric Koch; Anefo; Nationaal Archief

Op deze foto is het paar te zien in de paleistuin.

irene 1964 -2Foto Harry Pot; Anefo; Nationaal Archief

Een paar maanden later trouwden ze. Op hun huwelijksdag waren er ansichtkaarten van het gelukkige echtpaar te koop. De achtjarige Martin kocht als cadeautje voor zijn moeder van zijn zakgeld zo’n ansichtkaart. Mijn moeder keek naar de kaart en zei toen: “Heb je daar je zakgeld aan uitgegeven? Wat zonde zeg.” Het was niet de reactie waar ik op gehoopt had. Mijn moeder had het niet zo op die Spanjaard.

Wat ik later wil worden

Ik weet nog steeds niet wat ik wil worden. Ja, de oudste mens ter wereld, maar verder?  Gezien mijn leeftijd moet ik toch maar eens een keuze maken.

Vroeger wilde ik voetballer worden, maar dat mocht ik niet van de dokter. Zie daarvoor hierIk heb het wel eens uitgerekend. Ten tijde van het WK van 1974 was ik nog maar 18, dat had ik waarschijnlijk net niet gehaald – jammer, ik had best wel wat van Cruijff kunnen leren. Maar bij het WK van 1978 was ik 22 geweest. Dan had ik ongetwijfeld een basisplaats in Oranje gehad. Dan had niemand het nu nog gehad over dat schot van Rensenbrink op de paal in de laatste minuut van de finale tegen Argentinië.

“In de laatste minuut raakte de Rob Rensenbrink nog de paal, niet dat het er nog toe deed na de hattrick van Martin van Neck…

Maar goed, ik ben dus geen voetballer geworden, maar financieel-economisch medewerker, business controller en business-analist, allemaal bij KPN, alleen heette dat nog PTT Telecom toen ik er begon. Zie hier mijn carrière in een notendop.

De oudste dochter, die nu in Ghana zit, heeft een beetje hetzelfde. Die weet ook nog niet goed, wat ze wil gaan doen. De Franse wis- en natuurkundige en filosoof Blaisse Pascal – over hem heb ik in het kader van mijn serie over de mensen achter de computer een keer een portret geschreven; zie hier – zei eens: “Het belangrijkste in heel het leven is de keuze van het beroep: het toeval beschikt erover.

De dochter zal ongetwijfeld een keer, al of niet dus bij toeval, een keuze maken. Toen ze nog klein was, vroegen wij haar wel eens wat ze later wilde worden en schreven dat dan op een briefje. Zie hier wat onze oudste dochter vroeger wilde worden.

000000 ambities

Het meest opmerkelijke item op dit lijstje was haar idee om tuinslang te worden. Ik kan me niet meer herinneren wat voor gedachten ze hierbij had. Maar goed, we zijn nu ruim tweeëntwintig jaar verder. Er is nog ruimte op het briefje. Ik moet haar maar weer eens vragen wat ze later wil worden.

Mijn geheugen slaapt

Als ik slaap, dan functioneert mijn geheugen minder goed dan wanneer ik wakker ben. Dat bleek afgelopen weekend. Hoewel ik al vier jaar weg ben bij KPN, droomde ik dat ik nog bij KPN werkte. Nou ja, werkte, dat was niet echt het geval. Ik had met mijn baas afgesproken dat ik thuis mocht werken en ik had al negen maanden niet ingelogd op de bedrijfssystemen van KPN. Ho, ho, het was een droom hè, en nee, ik hoef geen uitleg van deze droom.

Maar goed in mijn droom dus las ik opeens in de krant dat sommige bedrijven hun personeel controleerden door te kijken wanneer ze in de systemen inlogden en wanneer ze uitlogden. Ik schrok. Ik had al negen maanden niet ingelogd! Ik moest dus maar even heel snel in loggen. (Klinkt een beetje dom, maar nogmaals, het was een droom.) En toen had ik opeens een probleem. Ik wist mijn inlognaam en inlogcode niet meer. Piekeren, piekeren en piekeren, maar hoe hard ik ook piekerde, ik kon er niet op komen.

00000 slapen

Ik (en de jongste dochter) in de tijd dat ik mijn inlognaam nog wel slapende wist.

Misschien kwam het van al dat gepieker, maar opeens was ik wakker. En niet alleen dat, ik wist ook nog waarover ik droomde en ik wist bovendien direct weer mijn inlognaam: martin.vanneck@KPN.com. Niet echt een inlognaam die moeilijk te onthouden was. KPN had in mijn tijd – ik weet niet of het nog steeds zo is – een simpel systeem voor de inlognamen. Het was je KPN-emailadres. Dat bestond uit je voornaam, een puntje, en je achternaam. Als er meer mensen met dezelfde voor- en achternaam waren, dan werd de achternaam gevolgd door een volgnummer 01, 02 enzovoorts. Als je de enige met die naam was, dan had je geen volgnummer.

Een paar jaar eerder hadden ze het systeem dat je mailadres gelijk was aan je voorletter, plus achternaam, plus altijd een volgnummer – dat gold toen voor iedereen. Was je de enige met die naam; dan kreeg je 01 achter je naam staan. Ik was de enige binnen KPN die M van Neck heette en mijn KPN-e-mailadres was dan ook mvanneck01@kpn.com. Degene die de e-mailadressen beheerde keek bij de toekenning van de volgnummers overigens niet naar de functies van de mensen. Het was gewoon first come, first served. Zo kon het gebeuren dat Paul Smits, in die tijd voorzitter van de raad van bestuur van KPN en daarmee de hoogste baas, als e-mailadres psmits03@kpn.com had.

Op een dag verhuisde ik naar een andere afdeling binnen KPN. Opeens kreeg ik een mailtje van de beheerder van het systeem. Hij heette mij welkom bij KPN en had een mailadres voor mij aangemaakt: mvanneck02@kpn.com. Om de een of andere reden was er het misverstand ontstaan dat ik nieuw was binnen KPN. Ik stuurde hem een mailtje dat ik al bij KPN werkte en dat ik al een emailadres had: mvanneck01@kpn.com. Prompt kreeg ik een mailtje terug. Excuses voor het misverstand: ik was nu mvanneck03@kpn.com. Ik besloot direct mijn lot te accepteren en het zo te laten. Dit was een verloren strijd die alleen maar kon eindigen met een heel hoog volgnummer. Vanaf die dag was ik dus mvanneck03@kpn.com. Nou ja, de hoogste baas had ook 03 als volgnummer.

Maar goed, ik weet nu dus weer mijn inlognaam. Nu het wachtwoord nog, wat was dat ook al weer?

Vergeet-me-nietjes

Ik heb gisteren via de internetsite van de NOS naar het Kamerdebat over de vergeten memo’s van het voorgenomen dividend-belastingbesluit van het kabinet gekeken. Althans, ze waren niet echt vergeten, maar minister-president Rutte had er geen herinnering meer aan en bovendien, het waren geen memo’s, ook al stond dat woord op sommige stukken.

Niet alleen Rutte had geen herinnering aan de memo’s, ook de fractieleiders van de andere coalitiepartijen leden opeens massaal aan geheugenverlies. Dit leidde soms tot opmerkelijke gedachtesprongen. Zo antwoordde Sybrand Buma van het CDA op de vraag van Jesse Klaver van Groen Links of hij de vrijgegeven stukken had gelezen, dat hij dat bewust niet had gedaan omdat hij zijn herinneringen, die hij niet had, niet wilde vervuilen met nieuwe kennis. “Je weet heel veel niet meer“, aldus de CDA-fractieleider.  En Gert-Jan Segers van de ChristenUnie vond het “onverstandig om in zijn herinneringen te gaan graven”. Ongetwijfeld woorden waar de minister-president zich in kon vinden.

Nu is Mark Rutte behalve minister-president ook twee uur per week leraar maatschappijleer aan de Johan de Witt Scholengroep in Den Haag. (Even tussendoor: Als een willekeurige leraar maatschappij-leer aan de Johan de Witt Scholengroep in Den Haag ook nog een bijbaan als minister-president nodig heeft om rond te komen, verdienen de leraren dan wel genoeg?)  Ik ben nu wel benieuwd als één van zijn leerlingen tijdens een proefwerk als antwoord op een vraag schrijft: “Daar heb ik geen herinnering aan“ of hij hem een hoog cijfer geeft. Vermoedelijk niet en zal hij zeggen: “Je weet heel veel niet meer“.

Nu moet ik zeggen dat ik zelf ook wel eens problemen heb met mijn geheugen. Niet alleen nu maar ook vroeger al, vooral bij tentamens tijdens mijn studie. Bij het vak Bedrijfspsychologie kregen we ooit eens een keer een vraag over een bepaald wetenschappelijk model. Ik wist nog precies waar dat model in het collegedictaat beschreven stond, namelijk op de enige gedraaide pagina (in ‘landscape’) van het dictaat. (De overige pagina’s stonden allemaal in ‘portrait’.) Maar wat er stond, dat was ik compleet vergeten. Hoe hard ik ook nadacht, ik kon me niet herinneren wat er stond. Ten einde raad schreef ik op dat ik wel wist waar de gevraagde informatie in het collegedictaat stond, maar dat ik helaas niet kon herinneren wat er stond. Dit om te laten zien, dat ik echt mijn best had gedaan. Ik kreeg er geen punten voor.

Maar goed, Rutte kwam, ondanks zijn gebrek aan herinneringen, er mee weg. De hele oppositie van links tot rechts, exclusief de mannenbroeders van het SGP, stemden weliswaar voor een motie van afkeuring maar de coalitiepartijen hielden hem in het zadel. Dat verdient een bloemetje.

00000 vergeetVergeet-me-nietjes (foto Salvor Gissurardottir; Wikipedia).

Even afdwalen: over de oorsprong van de naam Vergeet-me-nietje doen twee verhalen de ronde. Volgens het ene verhaal gaf God bij de schepping aan alle planten een naam. Hij zag daarbij een klein blauw bloempje over hoofd: “Oh Heer, vergeet mij niet!” riep het bloempje. “Zo zul je heten” zei God. Volgens het andere verhaal liep er een ridder met een jonkvrouw langs een rivier. Hij wilde een bosje bloemen voor haar plukken maar door het gewicht van zijn harnas viel hij in het water. Terwijl hij verdronk, kon hij nog net het bosje bloemen naar zijn geliefde gooien en riep “Vergeet mij niet”.

Gelooft u het, dan geloof ik het, en daarmee zijn we weer terug bij de politiek.

Mijn carrière als tekstschrijver

Ongeveer 40 jaar geleden leek het mij wel een goed idee om me eens in de wereld van de popmuziek te begeven, oftewel in de wereld van seks, drugs en rock ’n roll. Nu was en ben ik nooit geïnteresseerd geweest in drugs, en rock ’n roll is niet echt mijn muziek, maar die seks, dat leek me wel wat. Ik had toen nog het rare idee dat je als popmuzikant meer aantrekkingskracht had op het andere geslacht dan als wiskunde-student. Kortom, om iets met popmuziek te gaan doen, dat leek me wel een goed plan.

Nu was er wel een probleem. Ik ben geen geboren muzikant – understatement –  en kan niet echt zuiver zingen – en heel groot understatement. Wie mij nog nooit heeft horen zingen, wees blij. Een carrière als zanger zou het beslist niet worden.

Maar niet getreurd, ik zag een andere mogelijkheid. Ik was namelijk goed in sinterklaasgedichten schrijven, dus songteksten schrijven moest ik wel kunnen. Ik zag het al helemaal voor me: een aantrekkelijk meisje dat in een discotheek enthousiast op een nummer staat te dansen en dat ik dan vervolgens achteloos zeg: “Van dat nummer heb ik de tekst geschreven, ik ken die gasten heel goed”.

Het eerste probleem was natuurlijk: voor wie moest ik die songteksten schrijven? Ik woonde in die tijd in Enschede. Dat was niet echt een popstad. Eind jaren zestig had je er de Buffoons en in 1975 had Teach-in met Ding-a-dong het Eurovisiesongfestival gewonnen, maar dat was het wel, eind jaren zeventig was er niet één Enschedese band die iets voorstelde. Bovendien wou ik gaan voor internationaal succes. Ik kocht daarom een Engels muziekblad en keek wie er de hitlijsten aanvoerde.

Het was een bandje genaamd The Jam. Een beetje punkachtig trio dat vooral in Engeland waanzinnig populair was. Ze stonden met meerdere platen tegelijkertijd in de Engelse charts en hun single ‘Going Underground’ kwam zelfs op nummer 1 binnen in de Engelse hitlijsten.

0000000 0 jam(Door op de afbeelding te klikken kom je bij het nummer op YouTube terecht.)

Het was niet echt mijn muziekstijl – voorzichtig geformuleerd – maar ze zongen veel maatschappelijk kritische teksten en daar kon ik mij wel in vinden. Bovendien was het een populaire groep en zoiets zocht ik. (In Nederland hebben ze nog een hitje gehad met een Town Called Mallice.) De vraag of ze wel op mijn songteksten zaten te wachten, leek mij een detail van ondergeschikt belang.

Ik schreef een aantal teksten, die ik u hier wijselijk zal besparen. Eentje ging over een energiecrisis die er volgens mij aan zat te komen –  ik was mijn tijd toen al ver voor uit –  met spaceshuttles die spacebadminton speelden. U merkt het, mijn teksten waren beslist niet van het niveau “Ze houdt van je, ja, ja, ja.”. In het blad stond het adres van hun platenmaatschappij en ik stuurde in mijn beste Engels een brief met mijn songteksten.

Nu verwachtte ik heel eerlijk gezegd geen antwoord terug, maar tot mijn verrassing kreeg ik een week later een brief van Paul Weller, de voorman van The Jam (links op bovenstaande afbeelding). Dat was heel aardig van hem. Hij vond mijn teksten goed – was hij onder de drugs? – maar hij schreef altijd zijn eigen teksten. Kon ik ze niet aan Nederlandse groep geven? En ik moest niet opgeven.

brief paul weller

Enfin, om een lang verhaal kort te maken, dat is allemaal niks geworden. Zelfs Nico Haak wou ze niet. Wel was het plan goed. Ik correspondeerde in die tijd met twee Engelse en Ierse meisjes en toen ik hen een kopietje van de brief van Paul Weller mee stuurde – in Engeland is hij een muzikale grootheid die  onder andere meezong op de originele Do They Know it’s Christmas? ‘ van Band Aid uit 1984 – kreeg ik allemaal bewonderende brieven terug. Dat iemand als Paul Weller mijn teksten goed vond. Ik moest wel heel goed zijn. Ja, ja, ook knap, aardig, lief, geestig en bescheiden.

Veertig jaar later treedt Paul Weller nog steeds op. Hij is twee keer getrouwd geweest en heeft in totaal acht kinderen bij vier verschillende vrouwen. Popmuzikant dus. Ik heb twee kinderen bij één vrouw en heb bij de PTT gewerkt.

Oepsblad

Bij het opruimen van een kastje kwam ik opeens een ‘oepsblad’ tegen. Oeps, dat is uit een ver verleden. Het jaar 2000? Ik moet toch vaker opruimen. Een ‘oepsblad’ was iets dat de kinderen wel eens op de basisschool moesten invullen als ze een “oeps” hadden gedaan. Hoewel, was het wel de school? Misschien zou het ook wel de naschoolse opvang geweest kunnen zijn die met oepsbladen werkte. Ik weet het echt niet meer. Oeps, dat is niet best.

Het terug gevonden oepsblad helpt niet om de vraag te beantwoorden of het de school of de naschoolse opvang was die met oepsbladen werkte. Het is namelijk geen oepsblad van één van de dochters maar van oma, de moeder van Marianne. Blijkbaar had één van de kleinkinderen een oepsblad voor oma gemaakt waarop zij een “oeps” moest schrijven. Zie hier het oepsblad van oma.

00000 1 oepsblad

Toen Oma heel jong was (7 jaar) heeft ze op één dag 3 keer in de hoek gestaan. Oma had een grote mond gehad. Het is nooit meer gebeurd. Goed he?”

00000 0 omaOma staat tweede van links; tweede van rechts haar jongere zusje.

Ai, dat is niet best. Niet één keer, niet twee keer maar liefst drie keer op één dag in de hoek moeten staan. Daar gaat oma als rolmodel. Ok, het was 1929 en oma was nog maar zeven jaar oud maar toch. Tja, wat nu? Wat moeten we nu doen met deze biecht. #OmaOepsteToo? Oma is tien jaar geleden overleden, dus de details – waren er verzachtende omstandigheden? – kunnen we haar niet meer vragen.

Enfin het gebeurde in 1929, het zal dus wel verjaard zijn en zoals oma het zelf ook schrijft: “Het is nooit meer gebeurd.”

 p.s. Bij het opstellen van het blad maakte de dochter een schrijffout. Ze begon met ‘OP’, zag de fout, streepte de letters door en schreef alsnog het woord ‘Oeps’ goed op. Eigenlijk was dat niet nodig. Een ‘oepsblad’ voor oma dat begint met opoe dat kan natuurlijk heel goed.

1958 (toen was geluk heel gewoon)

Je zou het niet zeggen maar ik ben al 62 jaar oud. Nu zou ik deze onthulling kunnen laten volgen door een relativerende wijze spreuk over ouderdom, waaruit zou blijken dat ik eigenlijk nog heel jong ben, maar dan komt u ongetwijfeld met Aristoteles aanzetten met zijn “Spreken in spreuken past de ouderdom”, dus dat doe ik maar niet.

Ik ga gewoon terug naar 1958. ‘Toen was geluk heel gewoon’ zouden Koot en Bie, en in hun navolging Gerard Cox, zingen. Wacht eens even, dat ging over 1948; – zie je wel dat ik nog jong ben zeg ik; zie je wel dat hij oud is, hij haalt jaartallen door elkaar zegt u. Maar goed, terug naar 1958 dus, dit aan de hand van een drietal foto’s.

De eerste foto stamt uit de winter van 1958. Ik zit hier samen met mijn twee broertjes op de slee. Ik zit voorop. Het was koud, erg koud.

00000 1 winter 1958

Helaas heb ik niet de foto die mijn vader hierna nam. Daar zat ik alleen op de slee. Mijn broertjes waren op dat moment sneeuwballen aan het gooien. Mijn vader zei dat ik heel stil moest zitten en vooral niet moest bewegen. Hij nam een foto en ging toen naar mijn broertjes toe om hen te fotograferen. Ik bleef zitten. Doodstil. En het was koud, erg koud.

Even later gingen mijn broertjes en mijn vader naar binnen waar de kolenkit paraat stond. Ik zat nog stil op de slee. En het was koud, erg koud.  Zoals mijn moeder later zei, dacht mijn vader dat ik al naar binnen was gegaan en bij mijn moeder in de keuken was. Dat was niet zo. Ik zat nog steeds op de slee. En het was koud, erg koud.

Het zal een minuut of tien geduurd hebben. Toen kwam mijn moeder de kamer binnen en vroeg aan mijn vader: “Waar is Martin?” Hij keek geschrokken naar buiten. Daar zat ik, op de slee. Het was koud, erg koud. Mijn moeder gaf een ijselijke kreet – heel toepasselijk in dit kader –  en snelde naar buiten en haalde me naar binnen. Terwijl ze probeerde om mij warm te krijgen, kreeg mijn vader gigantisch op zijn kop. Terecht. Zelf kan ik me het voorval overigens niet herinneren – wat ook wel logisch is omdat ik toen nog maar 2,5 jaar oud was – maar mijn moeder vertelde het later bij het zien van de foto altijd in geuren en kleuren. En elke keer kreeg ik het koud, erg koud.

Foto 2. Deze stamt uit de zomer van 1958. Ik ben hier drie jaar oud.

00000 1 zomer 1958

Ik sta hier samen met mijn broertjes bij een tent die we zelf hadden gemaakt. Zo te zien ben ik aan het kijken of er op het kleed ook een plekje voor mij is. Op de achtergrond is een stoeltje te zien. Waarschijnlijk heb ik daarop gezeten en heb toezicht op het bouwen gehouden.

Hoewel wij heel vaak tenten bouwden, gingen mijn ouders nooit met ons kamperen. Met vakantie gingen we altijd naar een huisje op een vakantiepark ergens in Nederland.

(Pas dertig jaar later, in 1988, ging ik samen met Marianne voor het eerst kamperen. We zouden dat jaar naar Amerika op vakantie gaan en daar ook kamperen. Maar eerst gingen we voor de zekerheid nog een weekje ‘proefkamperen’ in Frankrijk. De allereerste nacht voelde ik hoe iets in mijn rug zat te porren. Ik dacht dat het Marianne was maar zij zei dat ze het niet was. Toen we later de tent gingen opbreken, kwam onder het grondzeil, ongeveer op de plek waar ik lag, een verse molshoop te voorschijn, althans de aanzet daartoe.)

Foto 3. Deze foto stamt ook uit de zomer van 1958. Hier zit ik samen met mijn oudste broer bij de zandbak.

00000 1 zomer 1958 2

Het gaat hier echter niet om de zandbak maar om wat daar achter te zien is, die boom en de grond daar achter. Dat was mijn tuintje. Mijn ouders vonden het een goed idee dat we allemaal een eigen tuintje hadden. Konden we van de natuur leren.

Ik had als jongste het slechtste plekje, onder een boom met veel boomwortels en schaduw. Veel wou er dan ook niet groeien, maar ik had wel de mooiste plant van allemaal: een blauwe hyacint. Die had ik een keer zien staan op een stuk grond waar vroeger een boerderij had gestaan. Ik had hem uitgegraven en hem in mijn tuintje geplant. Wonder boven wonder sloeg hij aan en tot mijn grote vreugde kwam hij het volgende jaar weer terug. Maar verder groeide er eigenlijk niks. Een echte tuinier ben ik dan ook nooit geworden. Maar blauwe hyacinten vind ik nog steeds mooie planten.

Tot zover 1958. Toen was geluk nog heel gewoon.

Weglopen

Op internet zag ik een stukje over ‘Wim is weg’, mijn favoriete boekje (nummer 35) uit de Gouden Boekjes-reeks. Het gaat over een jongetje dat voor zijn verjaardag een driewieler krijgt en daarmee naar Spanje wil fietsten “[…] Maar papa en mama weten daar niets van. Die zijn ongerust. Wim is weg. Papa belt de politie op. Hij zegt: Er is een jongetje weg. Ons jongetje. Hij heet Wim.”

Spoiler-alert. Er begint een grote zoekactie. “De radio zegt: extra politiebericht. De mensen thuis luisteren. Er is een jongetje zoek, zeggen ze. Wat erg”. In stad en land wordt met schijnwerpers en zaklantarens naar Wim gezocht. Uiteindelijk wordt hij slapend midden in het bos gevonden en wordt Wim teruggebracht naar zijn ouders.

Het stukje over ‘Wim is weg’ deed me er aan denken dat ik als achtjarig jongetje ook een keer van huis ben weggelopen. Nee, dat was niet geïnspireerd door ‘Wim is weg’. Het was naar aanleiding van een ander boek over weglopen dat ik had gelezen. Dat spannende boek ging over een jongen die een weggelopen prinses tegen kwam. Zij was weggelopen omdat ze het keursleven van prinses zijn zat was. De jongen besloot met haar mee te gaan en liep ook van huis weg.

Onderweg beleefden ze allerlei avonturen. Zo waren er twee schurken die de prinses wilden ontvoeren. Uiteindelijk liep het goed af en keerden de prinses en de jongen allebei weer terug bij hun ouders. “Het is een deugniet maar met een gouden hartje” sprak de moeder van de jongen snikkend toen de koning de jongen thuis kwam brengen en zij hem weer in de armen kon sluiten.

Ik wilde ook wel zo iets spannends beleven en op een warme woensdagmiddag besloot ik om op avontuur te gaan. We woonden in die tijd in Apeldoorn aan de Jachtlaan, niet zo ver van paleis Het Loo af. Ik pakte mijn fietsje, zei tegen mijn moeder dat ik een stukje ging fietsen – ze gaf mij een appel mee –  en fietste naar het paleis om te kijken of daar in de buurt soms een wegelopen prinses rond liep. Nederland telde in die tijd vier prinsessen in de leeftijd van 16 tot 23 jaar, maar blijkbaar had geen van hen de behoefte om samen met een achtjarig jongetje weg te lopen.

00000 beatrix1948, een tienjarige prinses Beatrix in de tuinen van paleis Het Loo.

Nadat ik mijn appel had opgegeten besloot ik om dan maar in mijn eentje zonder prinses naar Vaassen, een plaats vlakbij Apeldoorn, te fietsen. Ik kende Vaassen uit het liedje “Palm, palm paasen, de wind komt uit Vaasen, en komt die niet uit Vaassen, dan komt die ergens anders vandaan.” In die tijd hadden de liedjes nog inhoud.

Aangekomen in Vaassen wist ik het niet meer. Eigenlijk had ik helemaal niet zo de behoefte om weg te lopen. Ik besloot dan ook om om te keren en weer naar huis terug te fietsen. Onderweg merkte ik dat mijn achterband wat zacht was. Bij een benzinestation vroeg ik of ik er mijn band mocht oppompen. De man wees me naar een luchtpomp. Het was een pomp om autobanden op te pompen, maar ik kon hem ook wel voor mijn fiets gebruiken zei hij. Ik had geen flauw idee hoe lang ik de pomp op het ventiel moest laten zitten met als gevolg dat ik dat veel te lang deed en mijn band veel en veel te hard oppompte. Die keiharde bolle achterband fietste bijzonder ongelukkig en ik was dan ook blij toen ik weer thuis was.

Ik zette de fiets tegen de muur van het huis – hij stond daar lekker in het zonnetje – en ging naar binnen. Mijn moeder had me nog niet gemist en viel me dan ook niet snikkend in de armen. Wel gaf ze me een glas limonade. Terwijl ik dat opdronk hoorde ik buiten een enorme knal. Mijn moeder en ik gingen kijken. Het was mijn achterband. Die was met een luide knal uit elkaar geknald. Verbaasd keek mijn moeder naar mijn fiets. Ik durfde niet op te biechten dat ik hem misschien wat te hard had opgepompt want dan zou ik ook moeten opbiechten dat ik weg was gelopen. Toen mijn vader aan het einde van de middag thuis kwam keek hij hoofdschuddend naar mijn band. “Die kan ik niet meer plakken” zei hij, “Wat is er gebeurd?”. “Geen idee” zei ik, “hij knalde opeens”.

Moraal van dit verhaal: laat uw kinderen uit de bibliotheek geen boeken lenen over kinderen die samen met een prinses weglopen. Kijk ze eerst zelf eerst even door. Voor je het weet kost je het een nieuwe achterband.

00000 boeken