All posts by Martin

Korte verhalen

Om de Nobelprijs voor literatuur te winnen – zie de vorige blogpost –  moet ik werken aan een groot en groots oeuvre. Eerst maar eens zorgen voor een groot oeuvre. Ik kan natuurlijk heel dikke boeken gaan schrijven, maar dat is een hoop werk en leidt lang niet altijd tot een Nobelprijs. Zo telt ‘Oorlog en Vrede’ van Tolstoj meer dan 1000 bladzijden en ook zijn Anna Karenina is met 864 bladzijden bepaald geen dun boekje. Een Nobelprijs leverden hem die dikke pillen echter niet op.

Maar als het niet uit de lengte moet komen, dan maar uit de breedte. Of te wel korte verhalen, maar dan wel heel veel. Het schrijven van korte verhalen is echter wel een specialisme. Er zijn zelfs wedstrijden georganiseerd om het beste korte verhaal te schrijven. Zo was er een wedstrijd om een verhaal te schrijven met zo min mogelijk woorden, maar waarin wel de volgende drie aspecten aan de orde moesten komen: religie, seksualiteit en mysterie. Het winnende verhaal (geen idee wie de auteur was) luidde: “Jezus, ik ben zwanger! Maar van wie?”

Dit verhaal telt zeven woorden. Het kan echter korter. Als ultieme vorm van het korte verhaal geldt namelijk het zogenaamde zeswoordenverhaal. Het bekendste en meest aangehaalde voorbeeld daarvan is een tragisch verhaal, waarbij haast altijd wordt gezegd dat Ernest Hemingway het in het kader van een weddenschap heeft geschreven. Het luidt:

For Sale, Baby Shoes, Never Worn’

dubbelgangers

Links Tolstoj van de lange verhalen (foto uit 1840);  rechts Hemmingway van de korte verhalen (foto uit 1923). Het lijken wel broertjes.

Dat Hemmingway daadwerkelijk de auteur is van dit beroemde zeswoordenverhaal is echter hoogstwaarschijnlijk niet juist. Ene Garson O’Toole van http://quoteinvestigator.com/ heeft in 2013 namelijk in een uitgebreid artikel (http://quoteinvestigator.com/2013/01/28/baby-shoes/) aangetoond dat de oorsprong van het babyschoentjesverhaal al in 1910 ligt. Toen verscheen er op 16 mei in de Washingtonse krant ‘The Spokane Press“ – naar aanleiding van een eerdere advertentie in de krant waarin babyspullen (“Never been used”) te koop werden aangeboden – een artikel over het tragische verhaal achter deze advertentie.

baby shoes

Zie hier het originele artikel over de advertentie uit The Spokane Press. van 16 mei 1910 (zoals opgespoord door Garson O’Toole).

Het zou natuurlijk leuk zijn geweest als O’Toole boven het artikel had geschreven: “Hemmingway niet de auteur van Baby-Shoes-verhaal” (en daarbij tellen we ‘Baby-Shoes-verhaal’ dan uiteraard als één woord), maar dat was helaas niet het geval.

Er zijn veel mensen die zeswoordenverhalen schrijven. Vijf vertaalde voorbeelden uit het Engels (de oorspronkelijke auteurs zijn mij helaas onbekend):

  • We noemen de ziekte naar jou’
  • ‘Passagiers, dit is niet uw captain’
  • ‘Ik fake Alzheimer zei opa, alweer’
  • ‘Sorry Soldaat, schoenen alleen per paar’
  • ‘Niet aanraken, stond er in braille’

En vijf Nederlandse voorbeelden (met tussen haakjes de auteurs):

  • Te koop: Minirok. Te kort gedragen.’ (P. Groeneweg)
  • De dood verhinderde Jack’s laatste woorden.’ (Herman Brusselmans)
  • Met zijn auto keihard langs flitspalen.’ (Saskia Noort)
  • We blijven hopen haar te vinden.’ (Kristien Hemmerechts)
  • Ze had een balansdag, qua mannen’ (Susan Smit)

Ook Joost Zwagerman schreef in 2007 een zeswoordenverhaal: “ Maar zijn verhaal: ‘Niet nu! Ik ben al dood.’ is wel een beetje wrang om nu te lezen.

Ik heb ook geprobeerd om een zeswoordenverhaal te schrijven, maar ik komt niet verder dan

  • Kennedy: Warm vandaag, gelukkig een cabriolet.’
  • ‘Titanic-ober: Wat wilt u als dessert?’
  • ‘Nu al thuis? stamelde zijn vrouw’
  • ‘Zes woorden slechts?’ Dat lukt nooit!

Echt sterk zijn mijn probeersels niet. Bij het Kennedy-verhaal moet je al weten dat, toen hij in Dallas werd doodgeschoten, hij in een cabriolet met het dak neergeklapt reed. En als je een verhaal moet uitleggen dan deugt het niet. En bij het tweede voorbeeld is ‘Titanic-ober’ natuurlijk een heel lelijk woord, maar ja, als ik schrijf ‘Ober op de Titanic’ dan heb ik al vier van de zes woorden gebruikt en heb ik geen plek meer voor het dessert. Het derde verhaal gaat nog, daar kan je nog wel iets bij voorstellen, maar echt goed is die niet. Het vierde“verhaal” is natuurlijk helemaal niets. Nee, die zeswoordenverhalen gaat het bij mij niet worden. Ik moet maar wat anders verzinnen om die Nobelprijs voor Literatuur te winnen.

Ik weet overigens wel waarom ik niet goed ben in korte verhalen. Ik ben zoals Marianne altijd zegt veel te “uitleggerig”. Daarmee bedoelt ze dat ik altijd overbodige verduidelijkingen schrijf.

Nobelprijzen

Kreeg een maandje geleden de oudste dochter haar bachelorsdiploma, gisteren was de jongste aan de beurt. Uiteraard zaten er weer een hoop trotse fotograferende ouders in de zaal.

graduation day

Even klikken op de foto voor een grotere afbeelding. Mijn dochter is te herkennen aan een zwarte toga.

De dochter heeft economie in Rotterdam gestudeerd. Tijdens zijn praatje merkte de decaan op dat de Nobelprijs voor economie die de Rotterdamse econoom Jan Tinbergen in 1969 had gekregen buiten de zaal te zien was in een glazen vitrine. Hij raadde ons, en ook de studenten, aan om die eens te gaan bekijken. Je kon hem op een afstandje van 20 centimeter zien. Dichter bij een Nobelprijs zult u waarschijnlijk niet komen, hield hij ons en de studenten voor.

Nu heeft Tinbergen officieel niet de Nobelprijs voor economie gewonnen maar ‘de prijs van de Zweedse Rijksbank voor Economische Wetenschappen ter nagedachtenis aan Alfred Nobel’. Deze prijs is pas in 1969 voor het eerst uitgereikt. Strikt formeel is het dus geen Nobelprijs, maar een kniesoor die daarover valt. In de praktijk wordt deze prijs altijd als een Nobelprijs betiteld. Bovendien wordt hij op dezelfde dag als de ‘echte’ Nobelprijzen uitgereikt. Dus na afloop deze prijs toch maar even bekeken.

nobelprijs

Slechts 20 cm scheiden mij nog van een Nobelprijs!

Maar hoezo zou ik eigenlijk niet dichter bij een Nobelprijs kunnen komen? Dat zullen we nog wel eens zien. Ik heb even gekeken waar mijn beste kansen liggen. Bij de wetenschappelijke prijzen wordt de prijs meestal uitgereikt om een baanbrekend wetenschappelijk onderzoek te eren dat al jaren eerder heeft plaatsgevonden. Daar zit ik deels goed. “Mijn wetenschappelijke ontdekkingen” tijdens mijn studie ‘Toegepaste Wiskunde’ dateren inderdaad al van jaren geleden. Maar of mijn ‘onderzoeken’ baanbrekend genoeg waren, dat waag ik te betwijfelen. Ik vermoed van niet. Maar eigenlijk doet dat er allemaal niet toe, want er is helemaal geen Nobelprijs voor Wiskunde. De Wikipedia geeft een mooie verklaring voor de reden hiervan:

“Er is geen Nobelprijs voor wiskunde. Er is veel gespeculeerd waarom een Nobelprijs voor wiskunde ontbreekt. Een wijdverbreid verhaal is dat Nobel wilde voorkomen dat een beroemd wiskundige (Gösta Mittag-Leffler) de prijs zou krijgen, omdat hij een affaire zou hebben met een vrouw met wie Nobel relaties onderhield. Meer waarschijnlijke verklaringen zijn dat Nobel de wiskunde niet zag als een praktische wetenschap waar de mensheid veel aan zou hebben, en het feit dat er al een andere prestigieuze wiskundeprijs in Scandinavië bestond, waar hij niet mee wilde concurreren.”

Goed, dus geen wetenschappelijke Nobelprijs. Dan resten er nog twee opties: die voor Literatuur en die voor Vrede. Die voor Vrede wordt lastig. “Ik ben voor Wereldvrede!” maar ik ben bang dat alleen het uiten van deze kreet niet voldoende is voor het winnen van de Nobelprijs (maar misschien win ik er wel een Mister World verkiezing mee). Ik denk dat ik het beste kan gaan voor die van Literatuur. Maar hoe groot zijn mijn kansen daar? Er is er nog nooit eentje toegekend aan een schrijver die in het Nederlands schreef. Vergroot dat mijn kansen  – eindelijk ook een Nederlandstalige auteur! –  of verkleint dat mijn kansen juist? Ik vermoed dat mijn felrealistische non-fictie literatuur die ik tot nu heb geschreven niet voldoende is, dus ik moet snel een nieuw oeuvre opbouwen. Dat kan ik, denk ik, het beste en het snelste doen door middel van dit blog.

Waar moeten mijn schrijfsels aan voldoen? Even een blik op de motivatiereden die het Comité volgens de Wikipedia heeft verstrekt bij het uitreiken van de Nobelprijs aan de laatste zes winnaars:

  • 2011: Tomas Tranströmer; Zweden. “Omdat hij met zijn verdichtende, doorschijnende beelden ons een nieuwe toegang geeft tot de werkelijkheid.”;
  • 2012: Mo Yan; China. “Die met zinsbegoochelend realisme in zijn volksverhalen verleden en heden doet versmelten
  • 2013: Alice Munro; Canada. “Meester van het hedendaagse korte verhaal.”
  • 2014: Patrick Modiano; Frankrijk. “Voor de herinneringskunst waarmee hij de meest ongrijpbare menselijke lotsbestemmingen heeft weten op te roepen
  • 2015: Svetlana Aleksijevitsj; Wit-Rusland. “Voor haar veelstemmige werk, een monument voor lijden en moed in onze tijd”
  • 2016: Martin van Neck; Nederland. ”Als erkenning voor zijn observatievermogen, de originaliteit van zijn verbeelding, de kracht van zijn ideeën en zijn opmerkelijke talent voor het vertellen; eigenschappen die de blogposts van deze wereldberoemde auteur kenmerken

Dat ik volgend jaar de Nobelprijs krijg (niet alles wat op de Wikipedia staat is waar) is nog een beetje onzeker – de reden die hier staat lijkt overigens verdacht veel op de reden waarmee Rudyard Kipling in 1907 de Nobelprijs won; dat is toeval. Wel geef ik toe dat de toekenning aan een schrijver van een blog omstreden zal zijn, maar er zijn wel vaker omstreden toekenningen geweest. De Wikipedia geeft zelfs een hele lijst van omstreden toekenningen. De mooiste vind ik die van 1974:

In 1974 waren Graham Greene, Vladimir Nabokov en Saul Bellow genomineerd, maar ze moesten het onderspit delven voor een gedeelde prijs aan twee Zweedse auteurs, Eyvind Johnson en Harry Martinson, die zelf juryleden waren.

Ik ga dus voor die van literatuur maar om de kans op die andere ook nog te vergroten, nog eenmaal: “IK BEN VOOR WERELDVREDE!”

 

 

Een giraffe met naam

Wellicht is voor het pasgeboren naamloze girafje uit Artis – zie de blogpost van 3 november – een schrale troost te weten dat Zarafa, de bekendste giraffe van Europa, aanvankelijk ook naamloos door het leven ging. ‘Aanvankelijk’ is in dit kader overigens een behoorlijke understatement. Zarafa kreeg haar naam namelijk pas in 1998, dat is liefst 173 jaar nadat ze was geboren.

zarafa

Een opgezette Zarafa zoals ze vandaag de dag te zien is in het Muséum d’histoire naturelle de La Rochelle. Foto Selbymay – Wikipedia

Degene die haar de naam Zarafa gaf, was de Amerikaanse schrijver Michael Allin die in 1998 het boek: ‘A Giraffe’s True Story, from Deep in Africa to the Heart of Paris’ schreef. In dit boek beschreef hij de opmerkelijke reis van een giraffe die in 1825 van het diepe zuiden van Soedan naar Parijs werd gebracht. In het boek gaf hij haar gemakshalve de naam Zarafa, dat in het Arabisch zowel ‘charmant’ als ‘giraffe’ betekent. Deze naam is sindsdien de naam waar het beest vandaag de dag onder bekend onder staat.

Zarafa was een geschenk van Mohammed Ali aan koning Charles X van Frankrijk. Mohammed Ali was de van oorsprong Albanese gouverneur van Egypte. Hij hoopte met zijn ongewone geschenk te bewerkstellen dat de Fransen, de Engelsen en de Habsburgers  – zowel de Engelse koning George IV alsmede keizer Franz II kregen ook een giraffe – zich niet in de toenmalige Griekse vrijheidsstrijd zouden mengen. (Tevergeefs, de Fransen en de Engelsen zouden de Grieken steunen in hun opstand tegen Turkije.) Een giraffe was in die dagen een buitengewoon ongewoon geschenk. De laatste giraffe voor Zarafa die in Europa te zien was, was een giraffe in Florence, die sultan Mamelouk van Egypte in 1486 aan Laurent de Médici had geschonken.

Zarafa werd als jong kalf in de buurt van de Zuid Soedanese stad Sannar gevangen. Op de rug van een kameel werd ze naar Khartoem gebracht. Dat was een reis van een kleine 300 kilometer. Via een boottocht van zo’n 2500 kilometer over de Nijl belandde ze in Cairo. Vandaar ging de reis naar Alexandrië, waar ze in september 1826 scheep ging voor een tocht naar Marseille. Tijdens de hele reis kreeg de jonge giraffe elke dag zo’n 25 liter melk afkomstig van drie koeien die samen met haar mee reisden. Ook was er een groot gat uitgesneden in het dek van de boot waar Zarafa haar hoofd door kon steken. Na een tocht van 32 dagen kwam ze op 31 oktober 1826 aan in Marseille, waar ze een grote sensatie was.

Omdat de zeereis door de golf van Biscaye als te gevaarlijk voor het jonge beest werd gezien, besloot men om Zarafa over land van Marseille naar Parijs te brengen. Ze overwinterde in Marseille en op 20 mei 1827 begon ze aan haar 41 dagen lange wandeling naar Parijs. Tijdens deze wandeling van 900 kilometer die haar onder andere voerde door de steden Aix-en-Provence, Avignon, Orange en Lyon werd ze in elke stad opgewacht door duizenden toeschouwers.

Boek Giraffe

Het boek van Allin is ook in het Nederlands vertaald. De afbeelding op het kaft is een schilderij van Jacques Raymond Brascassat getiteld ‘Passage de la girafe à Arnay le Duc’, waarin hij Zarafa tijdens haar wandeling door de gemeente Arnay le Duc heeft weergegeven. Het schilderij bevindt zich in het Musée des Beaux-Arts de Beaune.

Op 30 juni 1827 kwam Zarafa in Parijs aan waar ze op 9 juli officieel door koning Charles X in ontvangst werd genomen. Ze kreeg een onderkomen in de Jardin des Plantes. Daar kwamen dat jaar zo’n 600.000  – zo ongeveer heel Parijs in die tijd – enthousiaste toeschouwers haar bekijken. Er ontstond een grote toeristische industrie om haar heen. Ze werd bijvoorbeeld afgebeeld op allerlei zaken, zoals porselein en klokken. Ook had ze invloed op de mode. Mannen gingen extra hoge hoeden dragen en vrouwen staken hun haar hoog op en droegen jurken met een giraffeprint.

Giraffe mode

Giraffenjurk en “giraffenhaar”; afbeelding uit ‘The Repository of Arts, Literature, Commerce, Manufactures, Fashions, and Politics’ omstreeks 1827.

Achttien jaar later zou Zarafa overlijden. Na haar dood werd ze opgezet. Ze heeft nog jarenlang in de foyer van de Jardin des Plantes gestaan, voordat ze werd overgebracht naar het Muséum d’histoire naturelle de La Rochelle waar ze nog steeds staat. De twee giraffes die naar Londen en Wenen gingen stierven binnen twee jaar na hun aankomst.

 

Correcties en Aanvullingen

De kans dat er in mijn blog fouten verschijnen is zo klein dat er op dit blog geen behoefte is aan een rubriek ‘Correcties en Aanvullingen’. Dit in tegenstelling tot veel kranten zoals de NRC en de Volkskrant waar het bijna dagelijkse rubrieken zijn. Ik mag die rubrieken graag lezen. Neem bijvoorbeeld de volgende verbetering uit de Volkskrant van gisteren.

In de recensie over de tentoonstelling Azië > Amsterdam in het Rijksmuseum (V, pag 8-9, 30 oktober) staan twee fouten door een eindredactionele ingreep. Het intro meldt dat Hollandse VOC-schepen eind 16e eeuw luxe-producten mee terugnamen vanuit Azië. Dat waren nog geen VOC-schepen – de Vereenigde Oostindische Compagnie werd pas in 1602 opgericht. Ook staat erin te lezen dat de producten hebbedingen werden voor de Amsterdamse grachtengordel. Die bestond eind 16e eeuw ook nog niet.’

Een heerlijk bericht. Je ziet de verbijstering van de journalist voor je als hij ’s morgensvroeg bij het ontbijt de inleiding van de eindredactie bij zijn stuk in de krant leest. VOC-Schepen? Grachtengordel? De meeste grachten in Amsterdam zijn nota bene pas in het begin van de 17e eeuw gegraven. Welke idioot van de eindredactie is hier verantwoordelijk voor? Kwaad belt hij naar de krant. “Rectificeren!” brult hij.

Ik ben niet de enige die de rubriek graag leest. Ook Nico Dijkshoorn maakt in zijn column van 19 mei 2015 in De Volkskrant melding van het feit dat hij de rubriek graag leest. Sterker nog, hij zou zelfs een rubriek willen schrijven met daarin ‘Aanvullingen & Verbeteringen’ op nooit verschenen publicaties.

Een hele krant vol met verzonnen ‘Aanvullingen en Verbeteringen’ daarop zou ik mij meteen abonneren. ‘In het artikel ‘En dan trek ik me terug in mijn creatieve unit en dan kan de hele buitenwereld mijn kloten kussen’ is de echte naam van Jett Rebel helaas niet goed geschreven. Bonkert Schuipsma had moeten zijn: Blakert Schoepert. De nieuwe cd heet niet Suck maar Sok.’ aldus Nico Dijkshoorn.

Ik ben het niet met hem eens. Je moet ze niet gaan verzinnen. De kracht van de rubriek is juist dat het correcties zijn op serieus geschreven berichten. Bovendien zijn veel aanvullingen en verbeteringen op zich al leuk genoeg om te lezen. Wie dit ook goed aanvoelt, is fotoredacteur Frank Schallmaier van de Volkskrant. Voor de Volkskrant van zaterdag 22 november 2014 maakte hij een overzicht van de leuke correcties. Ik heb hier even de vijftien leukste gekopieerd.

correcties

(Even aanklikken om ze goed te kunnen lezen)

Correcties en Aanvullingen

In de blogpost ‘Correcties en Aanvullingen’ van donderdag 4 november 2015 schrijf ik: ‘De kans dat er in mijn blog fouten verschijnen is zo klein dat er op dit blog geen behoefte is aan een rubriek ‘Correcties en Aanvullingen’ Dit had moeten zijn: ‘De kans dat er in mijn blog fouten verschijnen is zo groot dat er op dit blog ook een grote behoefte is aan een rubriek ‘Correcties en Aanvullingen’

In de blogpost ‘Correcties en Aanvullingen’ van donderdag 4 november 2015 wordt ten onrechte gemeld: “Ik heb hier even de vijftien leukste gekopieerd” Het zijn er slechts twaalf.

Een giraffe zonder naam

In de Volkskrant van gisteren was er uitgebreid aandacht voor Artis. Op de voorpagina stond een grote foto van twee giraffen en de hele pagina drie was ingeruimd voor het belangrijke nieuws dat Artis-directeur Haig Balian te melden had. Wat dat was? De hekken verdwijnen! Vanaf nu lopen de dieren vrij rond tussen de bezoekers (‘Wilt u de leeuwen vooral niet aaien”). Nee, grapje, het echte nieuws was dat Artis de dieren geen namen meer gaat geven.

Dieren hebben niet dezelfde gevoelens als mensen. We moeten ze in hun waarde laten. Door die namen worden wilde dieren individuen. Ze worden gezien als troetelbeestjes, huisdieren. De namen blokkeren het bredere verhaal. Het gaat niet alleen om dat ene dier maar om de natuur eromheen, om de ecologische samenhang.” aldus de directeur in de krant.

Wel is het zo dat de verzorgers voor hunzelf wel namen aan de dieren zullen blijven geven. ‘Dat zal niet meer Tanja zijn of Japie. […] Nu kiezen we voor namen uit het land van oorsprong van de dieren’. De reden  dat de verzorgers wel namen blijven hanteren, is dat dit overdracht van werkzaamheden tussen de verzorgers wat makkelijker maakt. Daar zit wel wat in. “Die ene schildpad voelt zich niet lekker”. “Welke?” ”Die slome”. Dat schiet natuurlijk niet op.

Ik weet niet goed wat ik van het nieuwe beleid moet denken. In mijn jeugd hadden alle dieren namen. Vraag maar eens aan iemand van mijn leeftijd wat voor een dieren Skippy, Flipper en Clarence waren en er is een grote kans dat je het juiste antwoord krijgt (kangoeroe, dolfijn en een schele leeuw; dit voor de jonge lezertjes). Dit geldt ook voor bekende recentere dierentuindieren. Als je vraagt: “Was Knut een ijsbeertje, een bruine beer of een pandabeer?” dan zal je denk ik weinig foute antwoorden krijgen. En ook Bokito heeft in 2007 – is dat al weer acht jaar geleden? –  behoorlijk naam gemaakt met zijn optreden in Blijdorp.

Knut Bokito

links Knut (foto Jens Koßmagk; Wikipedia); rechts Bokito (foto Maarten Visser; Flickr/ Wikipedia)

Dat je dieren in het wild geen namen gaat geven, daar kan ik inkomen, al hoewel, toen die tandarts uit Amerika in juli in Zimbabwe de grootste leeuw van het land doodschoot, was het wel fijn dat we wisten dat die leeuw Cecil heette. Dat maakte het net nog wat erger.

Maar gelukkig zie je weinig natuurfilms meer op tv waar de voice-over zeg: “Daar ontwaken de hyena’s. Leider Geert voert de troepen aan, op zoek naar een nieuw stuk rood vlees, stokstaartje Halbe volgt. Misschien valt er ook voor hem nog wat te halen. Alexander, de blauwvoetgent loopt kwaad te stampvoeten. Mark, de aegolius, knapt ondertussen een uiltje in de boom. Van Diederik, de dappere dodo, is al een tijdje niets meer vernomen.”

stokstaartje blauwvoetgent uil

Een stokstaartje zonder naam (foto: Eliedion; Wikipedia); een blauwvoetgent zonder naam (foto: Pete; Flickr /Wikipedia) en een Aegolius zonder naam (foto Mdf; Wikipedia)

Dat dieren nu ook in de dierentuin geen naam meer krijgen, ik moet er nog even aan wennen. Maar goed, bij de geboorte van een girafje op 19 oktober heeft Artis dus bewust het beestje geen officiële naam gegeven.

‘20 oktober 2015 – In Artis is op 19 oktober om 01.30 uur een giraffe geboren. De dierverzorgers troffen hem op maandagochtend aan in de stal. Het is een hengst. Het is de tweede geboorte van een giraffe in Artis in 2015. Op 28 juli werd de eerste giraffe geboren, die goed is opgenomen in de kudde. De kudde bestaat nu uit acht giraffen; vijf merries en drie hengsten.’ aldus een bericht op de site van Artis.

Het is trouwens maar goed dat ik niet als giraffe ter wereld ben gekomen, want over de bevalling van het nieuwe girafje lees ik verder nog:

‘Een giraffenbevalling is bijzonder omdat de moeder het veulen rechtopstaand werpt. Hierdoor maakt het jong een val van bijna twee meter. Tijdens de val draait het jong zich, zodat het een veilige landing op de zij maakt. Giraffen staan en lopen snel na de geboorte, om met de kudde mee te kunnen bij gevaar, wat noodzakelijk is voor een giraffe in het wild.’

Kijk uit voor de hyena’s,  jong anoniem girafje.

Een groot gitaarspeler

Ik ben een groot-gitaarspeler. Voor wie dat niet gelooft, zie hier het bewijs:

gitaar

Ok, de mensen stonden niet op de banken voor mijn gitaarspel, maar dat lag niet aan mijn spel maar aan de banken.

bankje

Eerlijk gezegd, ik ben niet zo’n muzikaal talent. Zo kan ik absoluut niet pianospelen. Ik heb het wel geprobeerd. Toen ik op de middelbare school zat, leek het mij wel een goed idee om piano te leren spelen, maar voor mij gold ongeveer hetzelfde als dat wat de Amerikaanse auteur George Ade (1866-1944) ooit zei over het pianospel van zijn vrouw Dorothy:

De muziekleraar kwam tweemaal per week om de afschuwelijke kloof te overbruggen tussen Dorothy en Chopin.”

Na twee jaar hield ik dan ook met de lessen op, dit tot opluchting van mijn lerares op de Muziekschool in Deventer. Toch heb ik een keer een pianoconcert gegeven, nou ja deel uitgemaakt van een pianoconcert. Op de muziekschool was er aan het einde van het schooljaar altijd een concert van de leerlingen, waar de trotse ouders naar de gemaakte vorderingen van hun kinderen konden luisteren. Ieder kind dat in het tweede of hogere leerjaar zat, dus ook ik, moest er aan mee doen.

Nu was er bij mij nauwelijks sprake van vorderingen, dus had de lerares bedacht dat het beter was, dat ik samen met mijn broer – die ook les had en wel goed kon spelen – een quatre-mains zou spelen. Ze had een stuk uitgezocht met een moeilijke hand – dat was voor mijn broer – en een makkelijk deel, dat was voor mij. Het kwam er op neer dat ik af en toe een paar noten moest meespelen, terwijl mijn broer het zware werk deed. Wekenlang oefenden we en ik moet eerlijk zeggen dat ik op het laatst af en toe zelfs de goede toetsen aansloeg.

Op de grote dag bleek er voor ons een jongen te spelen die heel erg goed was. Heel fijn, probeer daar maar eens als duo overheen te komen, maar goed, enthousiast gingen we aan de slag en ik moet zeggen, het ging niet eens zo slecht. Opgelucht keek ik toen we klaar waren dan ook de zaal in, waar ik als eerste het onthutste gezicht van mijn lerares zag. Mijn broer speelde namelijk nog door. Ik was vergeten dat de laatste regel van het stuk twee keer moest.

p.s De gitaar is de Max Guitar van het Max Café in de haven van Scheveningen. Daar fietsten we gisteren langs toen we terugkwamen van een strandwandeling.

p.p.s Het bankje staat in het Westduinpark, zo halverwege Scheveningen en Kijkduin. Als je daar bij de Laan van Poot naar het strand loopt, moet je eerst een hoge duin beklimmen. Bovenaan staat dit bankje waar je kan uitrusten van de klim.

Een verkeerd geplaatste komma

I spent all morning putting in a comma and all afternoon taking it out.Oscar Wilde

Er is een bekend verhaal over een spion in de Eerste Wereldoorlog die al was veroordeeld en op het punt stond om geëxecuteerd te worden. Toch waren er nog altijd twijfels over zijn schuld en daarom stuurde de commandant van het vuurpeloton vlak voor de executie een telegram naar de hogere legerleiding met de vraag of de volstrekking van het vonnis door moest gaan.

Het was maar goed dat hij dit had gedaan, want er bleek net nieuwe informatie over de man binnen te zijn gekomen, waarop de hoogste legerleiding besloot om af te zien van de executie en onmiddellijk een telegram terug stuurde met de tekst ‘Wacht, niet executeren!’ Helaas plaatste de verzender van het telegram de komma op de verkeerde plaats, waardoor de commandant van het vuurpeloton las ‘Wacht niet, executeren!’

Ook het wel of niet opnemen van een komma kan een heel andere betekenis aan een zin geven. Een mooi Engels voorbeeld is de zin “Let’s eat, grandma”. Zonder de komma  krijg je een heel andere maaltijd. En als je schrijft: ‘Ik hou van je, liefje’ let er dan goed op dat die komma er staat, want anders beschuldig je die ander er niet alleen van dat hij nog een liefje heeft, maar geef je ook nog eens toe dat je zelf ook van dat liefje houdt.

Dat de plaats van de komma bij getallen essentieel is, is natuurlijk helemaal evident. Zo plaatste een Amsterdamse ambtenaar in 2013 een komma verkeerd waardoor de belastingdienst in totaal bij vergissing 188 miljoen euro aan woonkostenbijdrage overmaakte naar huishoudens, in plaats van 1,88 miljoen euro. Veruit de meeste huishoudens stuurden het te veel ontvangen bedrag direct terug maar niet iedereen deed dit. Ondanks 59 gewonnen rechtszaken had de gemeente een jaar later nog steeds 2 miljoen euro niet terug.

Vanwaar nu dit verhaal over verkeerd geplaatste komma’s? Omdat ons huis te koop staat! Nee, niet ons eigen huis, maar het huis dat we al zo’n bijna dertig jaar lang willen kopen, staat nu eindelijk te koop. Dit huis zagen we voor het eerst in de jaren tachtig toen we een keer via Wassenaar naar het strand fietsten. Het had wel iets van een Engelse cottage en ik was op slag verliefd op het huis.

Raaphorstlaan 6 v3

Klik op de foto, dan ziet het er een stuk beter uit.

Het huis zoals het op Google Streetview te zien is. Je hebt een vrij uitzicht over de weilanden en ook de buurt is goed. Zie bijvoorbeeld deze foto van Google Earth. “Ons huis” staat linksonder op de foto, in het huis rechtsboven bij het (blauwe) zwembad wonen onze koning en koningin.

Raaphorstlaan 6.lucht

Wie het huis van onze koning beter wil zien, moet even op de foto klikken

Ik zei tegen Marianne toen ik het huis voor het eerst zag: “Hier gaan we ooit nog eens wonen. Als dit huis ooit te koop komt te staan, dan kopen we het”.

We trouwden, kochten elders een huis, kregen kinderen, verhuisden naar een groter huis, zagen de  kinderen opgroeien en uit huis gaan, en gedurende al die jaren keek ik altijd even naar het huis als we op weg naar de duinen of het strand er voorbij aan fietsten. Nooit stond het te koop. Tot gisteren. Gedachteloos fietste ik voorbij. Opeens zag ik vanuit een ooghoek een bord in de tuin staan. ‘Te koop’ stond er op. Ik stopte. Met verbazing keek ik naar het bord en vervolgens naar het huis. Het stond zelfs al leeg. Ik maakte met mijn mobieltje een foto van het huis met het bordje ‘te koop’ en stuurde die naar Marianne. ’s Avonds zochten we op Funda het huis op.

Deze riet gedekte woonboerderij bestond ooit uit twee wooneenheden maar is samengevoegd tot één fraai en charmant geheel. Het perceel omvat 2274 m2 eigen grond. Er is een stenen garage (2 auto’s) met gastenverblijf en een vrijstaande berging. De zonnige en vooral mooi aangelegde tuin is voorzien van diverse zonneterrassen. Daarnaast is het uitzicht grandioos en in elk seizoen schitterend op haar eigen wijze.”

De verkopende makelaar had er liefst 78 foto’s bij geplaatst. Van binnen zag het er net zo leuk uit als van buiten. Er is maar één probleem: de komma in de vraagprijs. Deze stond op de verkeerde plaats. Had die één plekje naar links gestaan dan hadden we het huis direct gekocht, maar nu is het ver boven ons budget

Ik ben nu allerlei argumenten aan het bedenken waarom we blij mogen zijn dat we het niet kunnen kopen. De kinderen zijn het huis al uit en het huis is daarom veel te groot; de tuin geeft te veel onderhoud en er is helemaal geen supermarkt in de buurt! Waar haalt die Willem-Alexander – “zegeltjes erbij meneer?“ – eigenlijk zijn boodschappen?

Maar als die komma iets anders had gestaan…..

Over fietsen op het Binnenhof en Atlassen

Als je over het Binnenhof fietst, dan is het altijd opletten geblazen. Een hoop toeristen hebben niet in de gaten dat je er ook mag fietsen. Vooral met elkaar fotograferende Japanners en Chinezen heb je voor je het weet een cultuurbotsing.

Gisterenmiddag was het extra opletten, want onder een zaaltje van de Ridderzaal was blijkbaar een afscheidsreceptie van een hoge ambtenaar. Bij de ingangspoort zag ik een tweetal vrouwen staan die allebei een kistje met een fles wijn bij zich hadden. Even verderop bij het Mauritshuis stopte een dienstauto, waaruit een gedistingeerde man uitstapte met in zijn hand ook al een fles wijn in een kistje. Werd hier afscheid genomen van een notoire alcoholist of was het geven van een fles wijn in een kistje bij een afscheid soms een richtlijn van het ministerie?

Thuis gekomen besloot ik hier even op te googlelen. Het leverde niet veel op. Ik trof alleen een toespraak aan van minister-president Rutte bij het afscheid van Saskia Stuiveling als president van de Algemene Rekenkamer op 28 mei 2015 in Den Haag, waarin hij zei:

Beste Saskia, in plaats bloemen en een kistje wijn heb ik voor je meegenomen een nieuw in stellen ‘Stuiveling Open Data Award’, …..”

Maar dus niks over een richtlijn voor het geven van een fles wijn in een kistje bij een afscheid. Wel gaf Google een hit met daarin de resultaten van een WOB-verzoek van iemand die blijkbaar nieuwsgierig was naar de representatiekosten van het Ministerie van Binnenlandse Zaken.

Continue reading Over fietsen op het Binnenhof en Atlassen

We hebben een beller (2)

De naam van het verhaal met de titel “We hebben een beller” dat ik twee dagen geleden schreef, deed me er aan denken dat ik tien jaar geleden een keer een opzet voor een verhaal met dezelfde titel heb geschreven voor de serie ‘Het Nutteloze Kennisparadijs’ die ik in die tijd voor De Volkskrant schreef. Dat  verhaal begon als volgt:

We hebben een beller.

Op 10 maart 1876 vond het allereerste telefoongesprek ter wereld plaats. Op die dag “belde” Alexander Graham Bell zijn assistent Thomas Watson, die zich elders in het huis bevond en sprak de beroemde woorden: “Mr. Watson—Come here—I want to see you“.

Bell aan het bellen   Thomas Watson

Links Bell aan het bellen in 1892; Rechts Thomas Watson, de persoon die als eerste persoon ter wereld gebeld werd (“Neem jij even op”).

Bell is overigens niet ‘de bedenker’ van de telefoon. Zo had in 1861 de Duitser Johann Philipp Reis al een idee ontwikkeld voor een apparaat waarmee via een elektrische verbinding geluid op afstand kon worden overgedragen. Hij noemde dat een ‘Telefon’. Alleen slaagde hij er niet in om een werkende versie te ontwikkelen. Hij had dan ook geen patent op zijn idee. Hetzelfde gold voor de Italiaanse Amerikaan Meucci. Die bedacht in 1871 ook een apparaat (de ‘telettrofono) waarmee je op afstand geluid kon horen. Maar vanwege geldgebrek – een volledige patentaanvraag kostte 250 dollar en Meucci was even daarvoor failliet gegaan –  was hij niet in staat om een patent voor zijn apparaat aan te vragen. Het trieste voor Meucci was dat zijn idee later wel bleek te werken, maar ja, geen patent. Het was daardoor Bell die als eerste een patent kon indienen voor een werkende telefoon en dat toegewezen kreeg.

Iemand die net als Bell ook een patent indiende voor een werkende ‘telefoon’ was een zekere Elisha Gray. Maar – en nu komt het –  hij was twee uur te laat! Hij diende zijn aanvraag  in op dezelfde dag als Bell, maar diens patentaanvraag werd twee uur eerder geregistreerd. Gray beweerde later dat hij zijn aanvraag ’s morgens vroeg al bij de opening van het patentbureau had ingeleverd maar dat de klerk het in zijn In-bakje had laten liggen. Een mooi verhaal.

Dat hij van zijn vrouw die dag eerst boodschappen moest doen voordat hij naar het patentbureau kon gaan, zou natuurlijk zelfs nog een mooier verhaal zijn, maar dat verzin ik hier ter plekke. Over de vraag wie het recht had op het patent voor de telefoon hebben Meucci, Gray en Bell uiteindelijk zo’n 500 rechtszaken gevoerd en het slot van het liedje was dat het patent bij Bell bleef.

Een mooi detail over het leven van Bell dat hier beslist niet onvermeld mag blijven, is dat Bell getrouwd was met een doof iemand, Mabel Gardiner Hubbard. Zij was een van de dove studentes die hij had leren kennen toen hij spraakles gaf op een dovenschool. De man die de telefoon heeft “bedacht”, heeft dus nooit naar huis kunnen bellen om tegen zijn vrouw te zeggen dat hij wat later thuis kwam.

Bell dovenschool

Bell, bovenaan de trap rechts met baard, op een dovenschool in Boston waar hij in 1871 les gaf.

Voor wat betreft het eerste werkende mobieltje, dat verscheen pas bijna 100 jaar later. Degene die het eerste mobiele gesprek voerde, was Martin Cooper van Motorola. Hij belde op 3 april 1973 naar Joel Engel van concurrent AT&T om hem te laten weten dat het Motorola was die als eerste een werkend mobieltje had. Zijn historische eerste woorden  – uit de categorie ‘lekker puh’ – waren: “Joel, ik bel je met een ‘echte’ mobiele telefoon.”  Ok, hij zal het vermoedelijk niet in het Nederlands gezegd hebben, maar ook in het Engels, is het niet een uitspraak uit het rijtje: “Het is een kleine stap voor een mens maar een grote stap voor de mensheid” – zijnde de eerste woorden van Neil Amstrong toen hij als eerste mens voet op de maan zette.

Ik heb het verhaal niet voor de krant gebruikt. Ik was er niet helemaal tevreden over. Maar dat is natuurlijk geen enkel beletsel om het hier wel te plaatsen!

 

Een moeilijk koekje

Marianne krijgt morgenmiddag wat mensen op bezoek van de Fietsersbond. Of ik even iets in huis wil halen voor bij de thee. Ik sta bij Albert Heijn op de koekjesafdeling naar de koekjes te kijken. We hebben gisterenavond de finale van ‘Heel Holland Bakt’ gekeken, en waarschijnlijk hoor ik daarom bij elk koekje wat ik zie de stem van meester-patisseur Robèrt, die zegt dat het een heel moeilijk koekje is om te maken.

Tja, welke koekjes zal ik kopen? Weet je wat, deze koekenbakker bakt ze zelf wel. Ik ga voor het bakkersspeculaasje. “Technisch is het bakkersspeculaasje  een lastig koekje om te bakken. Niet alleen moeten de bakkers heel goed op de verhouding ‘Specu’ en ‘Laas’ letten, maar ook de juiste temperatuur van de oven is belangrijk .”

Thuisgekomen met de ingrediënten – die ik een beetje op de gok koop; zou er ook speculaaskruiden in moeten?  – pak ik er twee oude kookboeken bij: ‘Meisje kun je koken?’ uit 1961 en ’Recepten ‘Huishoudschool’ uit 1938. Het bakkersspeculaas is immers een oer-Hollands koekje.

bakboeken

Aan het boek ‘Meisje kun je koken?’ heb ik niet zo veel. Het begint met 24 raadgevingen voor de kokende meisjes. Raadgeving 8 luidt: “Zij die altijd volgens recepten kookt, wordt nooit een goede kokkin.”  Dat mag misschien zo zijn, maar dat vind ik nog geen reden om in het boek geen enkel recept voor speculaaskoekjes op te nemen.

Het boek voor de meisjes van de huishoudschool bevat gelukkig wel een recept voor een speculaaskoekje. Eerst maar even de ingrediënten checken. Ik ben er een paar vergeten te kopen zie ik, maar zoals ‘Meisje kun je koken?’ al zegt: ”Zij die altijd volgens recepten kookt, wordt nooit een goede kokkin.”

We beginnen met stap 1:“De boter roeren met suiker, citroenschil en zout.” Ha, heb ik allemaal in huis. Stap 2: “Een bakker roert er fijngestampte kruimels van koekjes door, omdat deze het deeg zachter maken; wie dus wat koekkruimels heeft, volge dat voorbeeld”. Ja natuurlijk heb ik geen koekkruimels in huis. Als ik dat wel had, dan had ik immers geen koekjes hoeven te kopen of te maken. Die stap sla ik dus over. Ik volg de rest van het stappenplan, voor zover ik de ingrediënten heb,  en zet daarna mijn bakblik in een matig warme oven. Daar verstaan wij thuisbakkers 150 graden onder.

Terwijl de koekjes in de oven liggen te bakken, zoek ik op internet naar de geschiedenis van het koekje. Het is tenslotte altijd handig om over dergelijke kennis te beschikken. Je weet maar nooit of je die kennis niet een keer nodig hebt. De eerste site waar ik op beland, wil eerst een cookie op mijn pc plaatsen. Mooi niet. Dat koekje lust ik niet. De volgende site geeft wel het geheim van het koekje prijs.

Het koekje blijkt, nadat er grote hoeveelheden suiker beschikbaar kwamen, in de zevende eeuw in Perzië (nu Iran) te zijn ‘uitgevonden’. Toen de Moren in diezelfde zevende eeuw Spanje binnen vielen, namen ze het koekje mee. We hebben in Europa dus het koekje te danken aan al die islamieten die toen naar Europa kwamen. Zou Wilders dat wel weten? Een grap over een koekje van eigen deeg ligt nu te voor de hand, dus die maak ik niet.

Amerika op zijn beurt blijkt het koekje aan ons Nederlanders te danken te hebben. Toen we in het begin van de gouden eeuw ons in Nieuw Amsterdam (nu New York) vestigden, namen we het koekje mee naar Amerika. Het Amerikaanse woord ‘Cookie’ is dan ook afgeleid van ons woord ‘Koekie’. Kijk eens aan, allemaal nuttige informatie. Daar kan ik later vast wel wat mee.

Verder blijkt er in 1988 een belangrijk onderzoek gehouden te zijn naar hoeveel koekjes Nederlanders hun gasten bij de koffie aanbieden. De mythe was dat de zuinige Nederlander altijd maar één koekje aanbood, maar het blijken er volgens dat onderzoek liefst twee te zijn, waarvan akte dus. Nadat ik deze belangrijke informatie ook tot mij heb genomen, is het al bijna tijd om de speculaasjes uit de oven te halen. “Dames en heren, nog vijf minuten!” Even later haal ik de koekjes uit de oven en presenteer ze zo mooi mogelijk voor de jury van de fietsersbond.

Ik heb er niet veel van gebakken. Ik bedoel qua aantallen, qua smaak is het een prima koekje. Benieuwd wat de mensen van de fietsersbond er morgen van zullen vinden. In elk geval geldt: ik heb veel geleerd, veel meegemaakt, maar het is oké zo.’  Zie hier het resultaat:

bak2

p.s. Voor het geval er nu iemand roept ‘wacht eens even, ik zie daar op de achtergrond van de foto een pak speculaas van de AH liggen, hij heeft helemaal geen koekjes gebakken! Daarop zeg ik maar één woord: kletskoekjes!

We hebben een beller

De HTM is een campagne begonnen voor bellende fietsers. Het is niet zo dat de HTM wil dat fietsers eens flink meer met hun fietsbel gaan bellen, maar het is een voorlichtingscampagne om fietsers op de gevaren te wijzen van het mobiel bellen onder het fietsen.

bellen

Bord bij het tunneltje onder de N44 bij de Horsten in Wassenaar

Op Radio West vertelde een voorlichtster dat ze een onderzoek hadden gedaan. Tijdens een tramrit had de bestuurder gemiddeld veertig keer per rit te maken met een bellende fietser. “Veertig keer per rit een noodstop?” vroeg de interviewer verbaasd. ‘Nee dat niet, maar wel dat een trambestuurder tijdens zijn rit veertig keer een bellende fietser zag, waarvan het de vraag was of deze de tram wel in de gaten had. Het was dus goed opletten voor hun chauffeurs.

Dat er overal en altijd mensen met hun mobieltje bezig zijn, klopt. Hoe vaak zie je bijvoorbeeld niet dat mensen die in de rij voor de kassa bij Albert Heijn staan aan het bellen zijn en dat ze zelfs als ze aan de beurt zijn hier nog mee doorgaan.

Bij de kassa van de Kookwinkel in de Passage van Den Haag vinden ze dat niet zo fijn. We zagen daar namelijk vanmiddag dit opmerkelijke bordje bij de kassa staan.

bordje bellen

Leuk! Overigens voor de slimmeriken, de foto is inderdaad met mijn mobieltje gemaakt.

Het zijn moderne tijden, want toen we terug naar huis fietsten, zagen we aan een lantarenpaal op de Bezuidenhoutseweg dit bord hangen. (Het roept automobilisten op om tijdens het rijden niet met hun mobieltje bezig te zijn. Deze uitleg is voor degenen die niet weten wat al die icoontjes betekenen; wij weten dat  uiteraard wel want wij zijn bijdetijds.)

bordje bellen 2

’s Avonds liepen we met onze jongste dochter, die weer naar Rotterdam terug ging, mee naar de tramhalte. Ze was net op tijd om de tram te halen. Ze stapte in en wij liepen verder. Even verderop passeerde de tram ons. Enthousiast zwaaiden we nog even naar haar. Ze zag ons niet. Ze zat op haar mobieltje te kijken.

De tunnels naar Alcatraz

Op 11 juni 1962 ondernamen Frank Morris en de gebroeders Clarence en John Anglin een  ontsnappingspoging vanuit Alcatraz. Over deze ontsnappingspoging is later een beroemde film gemaakt met Clint Eastwood in de hoofdrol. Wie Alacatraz vandaag de dag bezoekt – het is nu een toeristische attractie – kan nog steeds de cel zien met het gat in de muur en een nephoofd in het bed, opdat de cipiers dachten dat de gevangene in zijn bed lag te slapen.

Alcatraz cel

Foto door ons genomen tijdens een bezoek in juni 2015. “Come back to jail anytime.” riep een enthousiaste NPS-ranger – de National Park Service beheert het eiland tegenwoordig – tegen ons toen we  van het eiland af gingen.

Het drietal slaagde er in om buiten de gevangenismuren te komen en het water te bereiken, maar of het hun gelukt is om de kust levend te halen is nooit duidelijk geworden. Er is nooit meer iets van hen vernomen en volgens de Amerikaans overheid zijn de drie ontsnapte gevangenen dan ook bij hun poging verdronken.

Toch duiken er nog steeds regelmatig berichten op dat ze er wel in geslaagd zijn om de kust levend te halen. Zo verscheen er vorige week opeens in diverse media het bericht – ‘Ontsnapping Alcatraz mogelijk toch geslaagd’ kopte het AD- dat de broers Anglin in de zeventiger jaren in Brazilië waren gezien. Een foto van de twee broers, genomen in Brazilië in 1972, zou volgens ‘History Channel’ dat een documentaire over de zaak had gemaakt, het bewijs zijn.

Diverse kranten namen dit bericht van History Channel over en steevast werd in die berichten vermeld hoe moeilijk het door de gevaarlijke stromingen wel niet was om vanaf Alcatraz naar de kust te zwemmen. In één krantenartikel dat ik las, werd zelfs met grote stelligheid beweerd dat er nog nooit iemand in was geslaagd om zwemmend vanaf Alcatraz levend de kust van San Francisco te bereiken.

Ai! Als dat zo is, dan hebben er zich elk jaar grote drama’s afgespeeld bij de ‘Escape from Alcatraz triathlon’. Deze triathlon – er doen jaarlijks ruim 1500 mensen aan mee –  bestaat uit een zwemtocht van 2,5 km van Alcatraz naar de kust, een anderhalve km lang warmlooprondje en een fietstocht van dertig kilometer over de heuvels van San Francisco.

Over de ontsnappingspogingen vanaf Alcatraz – er zijn wel degelijk succesvolle pogingen geweest (in de tijd dat het een militaire gevangenis was) – heb ik een keer een column geschreven voor het Nutteloze-Kennisparadijs. Dat was een wekelijkse rubriek die ik tien jaar geleden voor de Volkskrant schreef. Zie hier het verhaal over ontsnappingen van Alcatraz die in ieder geval wel zijn gelukt.

alcatraz 2

(Klik op de afbeelding voor een leesbare versie; in de krant stond een andere foto van Alcatraz er bij, maar omdat daar mogelijk copyright  op zit heb ik die foto hier vervangen door een foto van Alcatraz  uit 1895 )

Ik heb voor de rubriek zelfs nog een tweede keer over Alcatraz geschreven. Dat betrof het verhaal over de tunnels die de gebroeders Mole in de jaren vijftig naar Alcatraz hadden gegraven. Die aflevering heeft de krant echter niet gehaald. De Volkskrant-redacteur naar wie ik altijd mijn rubriek opstuurde, dacht in eerste instantie nog ‘hé, dat is toevallig dat die gravende broers Mole heten. Maar toen hij las dat de tunnels gerestaureerd waren en voor het grote publiek zouden worden opengesteld, realiseerde hij zich dat mijn wekelijkse rubriek die week toevallig op 1 april zou verschijnen. De column werd niet geplaatst. A) de Volkskrant deed niet aan 1- aprilgrappen (in ieder geval niet in die tijd) en B) het zou de geloofwaardigheid van mijn andere nutteloze kennisberichten (die wel allemaal op waarheid berustten) onder uit halen. Daar had hij wel gelijk in.

Voor wie de nooit geplaatste aflevering over de Tunnels naar Alcatraz wil lezen, zie hier:

Tunnel naar Alcatraz

(Klik op de afbeelding voor een leesbare versie)

Sterren kijken

Gisteren zond omroep Max een programma uit dat ‘Heel Nederland kijkt Sterren’ heette. Even was ik bang dat het een programma zou zijn over populaire Nederlandse artiesten uit heden en verleden (‘Hoe gaat het nu met Imca Marina en Ben Cramer?’), maar het was een programma over astronomie: “Jeroen Latijnhouwers en Govert Schilling nemen u mee op een bijzondere ruimtereis tussen hemel en aarde. ”

Astronomie, kijk dan heb je mij aan boord. Dat fascineert mij altijd in hoge mate. Kort geleden publiceerde de NASA bijvoorbeeld deze foto – genomen door de ‘Deep Space Climate Observatory (DSCOVR) satellite’ – van de maan zwevend voor de aarde. Te zien is ‘the dark side of the moon’ die we anders nooit zien. Schitterend toch.

NASA photo

Of neem deze foto gemaakt door de NASA/ESA Hubble Space Telescope. Zweeft daar nou een gigantische kwal door de ruimte of zijn het de restanten van een geëxplodeerde ster?

NASA photo. hubble photo 2

Even tussendoor, wat ik nooit snap is dat omroepen altijd continu hun logo in beeld van het programma laten zien. Normaal gesproken let ik niet op dat logo, maar soms kan het zelfs storend werken. Zo lieten ze in het programma de volgende foto van de maansverduistering van vorige maand zien.

max maan

Wordt daar de maan verlicht door de planeet MAX?

De programmamakers hadden wel wat pech. Het programma werd rechtstreeks uitgezonden vanuit de Leidse Sterrenwacht. Op het dak daarvan stonden een aantal mensen klaar met hun sterrenkijkers om de hemel af te speuren en mooie plaatjes te laten zien. Helaas was de hemel bedekt met een groot wolkendek, waardoor er helemaal geen sterren te zien waren. Ik vraag me overigens af hoe ze die beelden nog in het programma hadden willen stoppen. Het zat namelijk al aardig vol. Er werd een groot aantal onderwerpen behandeld, onder andere over zichtbaar en niet zichtbaar licht. Radiogolven behoorden niet tot het zichtbare licht werd verteld. Begreep ik het nu goed dat als ik naar de radio luister, dat ik dan eigenlijk naar een televisie zit te kijken zonder beeld?

Ook werd er ingegaan op het grote verschil tussen de lichtsnelheid – 300.000 kilometer per seconde volgens het programma; niet helemaal juist, het is maar 299.792 kilometer per seconde – en de snelheid van het geluid. Om dat aan te tonen werd er een kanon afgeschoten – altijd een leuk plaatje voor op televisie – waarbij de presentator en de cameraman op 662 meter afstand van het kanon gingen staan. Het duurde twee seconden voordat de knal van het kanon daar te horen was, waarmee werd aangetoond dat de geluidsnelheid slechts 331 meter per seconde bedraagt.

Dat hadden mijn ouders mij vroeger al jong geleerd. Bij onweer ging de antenne van de televisie er uit en moest de tv uit – waarom onweerde het altijd onder Zorro of Robinson Crusoë? Pas als het onweer meer dan vijf kilometer ver weg was – vijftien seconden – mocht de televisie weer aan. Vol spanning zaten we dan te tellen hoe lang het duurde voordat we na een blikseminslag de donder hoorde.

Overigens dat grote verschil tussen de lichtsnelheid en de geluidssnelheid bracht mij op de vraag of het kan gebeuren dat we opeens op een dag een enorme knal zullen horen, zijnde het geluid van de oerknal die ons dan pas bereikt. Marianne vond dat een goede vraag en vond dat ik die maar aan het programma moest stellen – je kon vragen opsturen. Dat heb ik niet gedaan en vanochtend onder de douche – daar heb ik meestal de briljantste ingevingen – bedacht ik opeens dat we ten tijden van de oerknal niet ergens ver weg in de ruimte zaten maar in het bolletje zelf dat ontplofte. Of te wel we zaten in het kanon dat afging en we hebben daarom de knal al gehoord.

Tot slot ging het programma nog in op de vraag of er buitenaards leven bestaat. Ooit heb ik iemand in een ander programma met grote stelligheid horen beweren dat als dat zo was, we nooit met hun in contact zouden komen. Als het een minder intelligente levensvorm als de mens zou zijn, dan zouden ze onze signalen niet begrijpen en als ze een intelligentere vorm zouden zijn, dan hadden zij ons al lang gevonden en dat hebben ze niet gedaan. Met die redenatie ben ik het niet eens. Vanochtend had ik bij het opruimen van de was weer opeens een eenling. En hoe ik ook zocht, ik kon de andere sok, toch echt een simpele levensvorm, niet vinden.

Aan de kant gaan

Op internet kom je regelmatig de volgende radioconversatie tussen tussen Canadese en Amerikaanse  autoriteiten tegen.  Ik mag zo’n verhaal graag lezen.

‘This is the transcript of the ACTUAL radio conversation of a U.S. naval ship with the Canadian authorities off the coast of Newfoundland. The Chief of Naval Operations on October 10th 1995 released the radio conversation.’

Canadians: Please divert your course 15 degrees to the South to avoid a collision.

Americans: Recommend you divert your course 15 degrees to the North.

Canadians: Negative. You will have to divert your course 15 degrees to the South to avoid a collision.

Americans: This is the Captain of a US Navy ship. I say again, divert YOUR course.

Canadians: No. I say again, you divert YOUR course.

Americans: THIS IS THE AIRCRAFT CARRIER USS LINCOLN. THE SECOND LARGEST SHIP IN THE UNITED STATES ATLANTIC FLEET. THREE DESTROYERS, THREE CRUISERS AND NUMEROUS SUPPORT VESSELS ACCOMPANY US. I DEMAND THAT YOU CHANGE YOUR COURSE 15 DEGREES NORTH, I SAY AGAIN, THAT’S ONE FIVE DEGREES NORTH, OR COUNTERMEASURES WILL BE UNDERTAKEN TO ENSURE THE SAFETY OF THIS SHIP.

Canadians: We are a lighthouse. Your call.

Uiteraard is het een broodjeaapverhaal dat op diverse plaatsen en in diverse vormen opduikt. Vandaag zag ik opeens op Youtube dat er in 2007 zelfs een filmversie van is verschenen. Het was een reclamefilmpje van een Zweeds bedrijf dat navigatieapparatuur voor op zee en voor op land maakt.

Prachtig weergegeven.

Stage lopen

Dit weekend zijn Marianne en ik naar de film ‘The Intern’ met Robert de Niro, een favoriete acteur van Marianne, geweest. We gingen naar de zondagmiddagvoorstelling van 12.35 uur. De tijd dat wij naar de laatste avondvoorstelling op zaterdagavond gingen, ligt al een tijdje achter ons.

Het was een leuke film. Robert de Niro (72 jaar oud) speelde een 70-jarige man – hij kon dus bijna zichzelf spelen – die in het kader van een seniorenproject stage ging lopen bij een jong swingend internetbedrijf. Dat deed me aan vroeger denken. Ook ik heb een keer bij een bedrijf stage gelopen. Het was in de zomer na mijn eerste studiejaar aan de TH Twente. De Hogeschool vond dat je een keer het simpele werk van de gewone man op de werkvloer van een fabriek gedaan moest hebben. Later, als je een hoge functie in het bedrijfsleven zou hebben, zou je immers beslissingen nemen die direct invloed zouden hebben op de werkvloer. Om te weten hoe het er daar aan toe ging, moest daarom iedere student een zogenaamde sociale stage van vijf weken in een fabriek gedaan hebben, waarbij je simpel werk moest doen.

Ik belandde bij Thomassen en Drijver, een blikfabriek in Deventer. Ik kwam te werken op de afdeling kwaliteitscontrole. Ik deed wat administratief werk waarbij ik met een prikkertje gaten moest prikken in ponskaarten (het was de begintijd van computers). Daarnaast moest ik bij de lopende band kwaliteitscontroles doen.

Dat laatste hield in dat ik elke tien minuten een blikje van de lopende band moest pakken en het daarna onder een soort poortje door moest schuiven om te kijken of het niet te hoog was. Vervolgens moest ik het blikje in een afvalmand gooien en het resultaat van mijn controle noteren. Die handelingen duurden bij elkaar nog geen minuut. Vervolgens wachtte ik negen minuten, pakte dan weer een blikje van de lopende band en ging dat meten. Behoorlijk geestdodend dus.

blikje 1

Al snel pakte ik drie blikjes tegelijkertijd van de lopende band, deed de metingen, en ging dan een half uurtje door de fabriek wandelen. Ik had toen nog niet zo’n goed gevoel voor statistisch verantwoorde steekproeven.

De fabriek vond ik fascinerend om te zien. Er werkten veel buitenlanders die het zware werk deden. Bij de ovens waar het aluminium van de Hoogovens werd omgesmolten en waar het loeiheet was, stonden allemaal Turkse mannen te werken. Dat werk leek me bepaald geen pretje, maar op de een of andere wijze hadden de mannen er haast altijd wel een goed humeur. Regelmatig kwam ik in de pauzes een praatje met ze maken en ze probeerden mij dan wat woordjes Turks te leren. Ik moest tegen de baas zeggen dat hij echt ‘Am’ was. Dat betekende volgens hun dat hij een heel goede baas was. Een snelle blik in een woordenboek leerde mij dat het toch echt wat anders betekende.

Op een dag deed ik iets stoms. Ik had weer eens een blikje gemeten. Ik constateerde dat het een goed blikje was – het waren haast altijd goede blikjes – en in plaats dat ik het blikje in de afvalemmer gooide, zette ik het blikje weer terug op de lopende band. Het was immers een goed blikje. Dat had ik beter niet kunnen doen. Ik zette het namelijk per ongeluk verkeerd neer en toen stond het recht overeind in plaats van dat het plat op de lopende band lag.

Dat is niet goed dacht ik. Bezorgd volgde ik het blikje. De lopende band nam het mee naar de volgende hal en ik volgde om te kijken. Daar ging de lopende band met het blikje eerst omhoog om daarna hoog in de fabriek weer horizontaal verder af te buigen. Het moest daarbij door een nauwe opening, wat geen enkel probleem was voor de liggende blikjes maar wel voor mijn staande blikje.

‘Boink’ klonk het. Mijn blikje kon niet verder. ‘Boink’, ‘Boink’, ‘Boink’, Boink’, ‘Boink’, ‘Boink’. Alle blikjes er achter konden nu ook niet verder. Het ging maar door: ‘Boink’, ‘Boink’, ‘Boink’, Boink’, ‘Boink’, ‘Boink’, Boink’, ‘Boink’, ‘Boink’, Boink’, ‘Boink’, Boink, ‘Boink’.

Opeens klonk er een alarm en de lopende band werd stil gezet. Er kwamen een aantal mensen aangelopen die verbaasd keken naar de opstopping boven in. Ik probeerde net zo verbaasd te kijken.

Het was een moeilijk bereikbare plek. De lopende band stond meer dan een uur stil.