Category Archives: Geschiedenis

Fanny Blankers-Koen

Op Radio West is ‘1948’, een plaatje waarmee Gerard Cox in 1972 een kleine hit had, te horen:

Buiten huilt de wind om ’t huis / Maar de kachel staat te snorren op vier / Er hangt een lampje voor de brievenbus / En in de tochtigste kieren zit papier / We waren heel erg arm / En niemand hield van ons / Maar we hadden thee en nog geen tv / Maar wel radio en lange vingers / We gingen nog in bad / Haartjes nat, nog even op / Totdat vader zei: Vooruit naar bed” / Dan kregen we een kruik mee / Gezichten op ‘t behang / Maar niet echt van binnen bang / Toen was geluk heel gewoon……”

De tekst is van Kees van Kooten en Wim de Bie, geschreven op de melodie van Alone again (naturally) van Gilbert O’Sullivan. Ze zongen het in Hadimassa. Gerard Cox zette het daarna op de plaat. Het is een nostalgisch lied over het jaar 1948. Uiteraard komt in een lied over dat jaar ook Fanny Blankers-Koen voorbij lopen. “Fanny Blankers-Koen, die won vier maal goud in Londen”.

Mijn moeder heeft Fanny Blankers-Koen gekend. Ze woonden allebei in Hoofddorp en zaten er tegelijkertijd op turnen en atletiek. Mijn moeder kon beter turnen, Fanny Blankers-Koen harder lopen. Was het andersom geweest dan had mijn moeder vier maal goud gewonnen in Londen.

blankers koen1948

Fanny Blankers Koen, geheel rechts, tijdens de finale van de 80 meter horden tijdens de Olympische Spelen van Londen van 1948; Collectie Nationaal Archief.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werkte mijn moeder – ze was 22 jaar toen de oorlog uitbrak – op een postkantoor in Hoofddorp. Mijn moeder sprak wel eens over die periode. Zo vertelde ze dat er op het postkantoor tijdens de oorlog wel eens stiekem brieven werden open gestoomd en gelezen. Een overduidelijke overtreding van de Postwet, maar niet alleen zal het verjaard zijn, er waren ook omstandigheden die dit rechtvaardigden. Het handelde om brieven die meestal anoniem aan de Sicherheitsdienst,  of hoe die Duitse organisatie ook mocht heten, werden gezonden. Vaak ging het in deze brieven over Joodse onderduikers. Als dat het geval was, dan werd de brief één of twee dagen opgehouden en werden de mensen eerst gewaarschuwd dat de onderduikplek was verraden voordat de brief werd doorgestuurd.

In een ander verhaal vertelde mijn moeder over een bezoek dat Fanny Blankers-Koen in 1941, vlak na de geboorte van haar zoon Jan, aan het postkantoor bracht. Mijn moeder zat achter het loket toen Fanny Blankers Koen met de kinderwagen binnenkwam.

Kijk Corrie” – zo heette mijn moeder –  “Dit is nu Jan. Wil je hem even vasthouden?” Toen mijn moeder daarop bevestigend antwoordde, pakte Fanny het kind op en legde het tot verrassing van mijn moeder in het luikje waarmee poststukken naar binnen werden geschoven. Mijn moeder schoof daarop kleine Jan naar binnen, waarop deze vervolgens uitgebreid door alle dames van het postkantoor werd bekeken en geknuffeld. Even later werd de kleine Jan weer door het luikje naar buiten geschoven.

Zeven jaar later zou de vliegende huismoeder vier gouden medailles in Londen winnen.

blankers koen1948 2

Augustus 1948; Fanny Blankers-Koen met haar kinderen. Zoon Jan draagt de vier gouden medailles; foto J.D. Noske / Anefo, Nationaal Archief

Fanny Blankers-Koen overleed in 2004 op 85-jarige leeftijd. Mijn moeder overleed twee jaar later op 88-jarige leeftijd.

 

Drees en het Mariakaakje

Ik woon nu al een jaar of dertig in de Haagse regio, maar ik was nog nooit naar het Haags Historisch museum geweest. Dat kan natuurlijk niet en daarom toch maar eens een keer, samen met de oudste dochter, een bezoek aan dit museum gebracht. Het begon helemaal verkeerd toen bij de kassa bleek dat alleen Haagse studenten korting kregen en niet Rotterdamse studenten. Maar goed, binnen bleek het wel een aardig museum te zijn – je bent er in een uurtje of twee door heen – dat, verrassing, verrassing, over de Haagse geschiedenis gaat.

Zo is een soort video-animatie te zien waarin je kan zien hoe de stad Den Haag zich in de loop van de eeuwen heeft ontwikkeld, hangen er – uiteraard Haagse – schilderijen en voor de liefhebbers van Crime Scene Investigation The Hague is er de (versteende) tong van Johan de Wit en de teen van zijn broer Cornelis te zien. In een ander zaaltje wordt aandacht besteed aan Haagse helden zoals Willem Drees sr.

Op een informatiepaneel werd het leven uit de doeken gedaan van de man aan wie wij onder andere de AOW te danken hebben. Toen Drees deze invoerde wist hij overigens vast al dat hij zelf 101 jaar oud zou worden. Er hingen ook foto’s van Drees, onder andere eentje van hem voor zijn huurwoning in de Beeklaan – hij ging meestal lopend naar zijn werk, ook toen hij minister-president was – en Drees keurig in de rij bij het stemmen.

drees

Drees in de rij bij het stemmen voor de Tweede Kamerverkiezingen van 1956; foto Harry Pot; Anefo; Nationaal Archief.

“Wat een schattig mannetje” zei de oudste dochter die eigenlijk nog nooit van Drees had gehoord. Terwijl wij het informatiebord over Drees lazen, zagen we echter opeens dat het Haags Historisch Museum gigantisch de mist in ging. Op het bord stond namelijk ook vermeld dat de beroemde anekdote dat Nederland de Marshall-hulp te danken had aan een Mariakaakje – dat mevrouw Drees bij de thee serveerde  tijdens het bezoek van twee hoge Amerikaanse ambtenaren die kwamen praten over de toekenning van de Marshallhulp –  niet waar zou zijn. Zo zou de Marshall-hulp al zijn toegekend voordat Drees premier werd. Ai, ai, ai, Haags Historisch museum toch! Sommige verhalen zijn te mooi om niet waar te zijn. Die ga je gewoon niet stuk checken. Dat is not-done.

In 2012 publiceerde ik een boek over de Titanic die honderd jaar daarvoor was gezonken. Voor dat boek onderzocht ik welke verhalen en mythes over de Titanic nu wel en welke niet waar waren. Eén verhaal controleerde ik echter niet, namelijk het verhaal van de honden die waren gered. Twee van die honden aan boord van de Titanic vonden ook een plekje in één van de reddingsboten. Nu wil het verhaal dat bij aankomst in New York één van die honden de loopplank afrende en prompt op de kade door een auto werd overreden. Overleef je als hond het zinken van de Titanic, overkomt je dit. Dit verhaal is natuurlijk te mooi om niet waar te zijn en ik heb het dan ook zonder te checken in mijn boek opgenomen. Zo hoort het.

En nu gaat het Haags Historisch Museum dus zeggen dat het verhaal over het Mariakaakje en Drees niet waar is! Maar, gelukkig is het verhaal wel waar. Er is zelfs fotografisch bewijs van.

Het verhaal speelt zich namelijk niet in 1947 of 1948 af, maar pas in 1949 nadat de Marhall-hulp al was toegekend. De Amerikanen wilden echter weten of de hulp wel overal goed gebruikt werd en stuurden twee hoge ambtenaren, de heren Harriman en Hoffman op rondreis door Europa. Omdat het bezoek aan Italië waar de heren met veel pracht en praal werden ontvangen uitliep, kwamen ze pas op zondag in Nederland aan. Omdat het ministerie zoals gewoonlijk dicht was op die dag – en Drees het zonde vond om het speciaal voor dit bezoek te openen en het te verwarmen, nodigde Drees de delegatie bij hem thuis in zijn rijtjeswoning aan de Beeklaan uit. Toen de heren arriveerden, ontstond er eerst een misverstand. Hoffman en Harriman dachten namelijk dat de man die deur open deed een butler was, maar het was Drees zelf. Even later presenteerde mevrouw Drees de thee met de befaamde Mariakaakjes. Harriman, die dacht dat ze dit alles thuis in Washington nooit zouden geloven, pakte daarop zijn fototoestel en maakte er onderstaande foto van. Deze foto bevindt zich thans in het archief van de Library of Congress in Washington DC.

drees koffie

Mrs. Drees, the wife of Prime Minister of the Netherlands, presents Mr. Drees, the Prime Minister of the Netherlands, a cup of tea. Photo: W. Averell Harriman; Collection Library of Congress, Washington DC.

Bij het vertrek zei Harriman tegen zijn collega Hoffman de historische woorden: “Aan een land waarvan de minister-president zo woont en leeft, is ons geld goed besteed.” Nederland behield zijn Marshall-hulp. Het werd zelfs verhoogd en uiteindelijk zou Nederland over de periode 1948-1952 een steunbedrag van 1 miljard dollar van de Amerikanen krijgen voor de wederopbouw. En dat dus mede dankzij het Mariakaakje bij de thee van mevrouw Drees.

Een carrièrepad

De functie van minister-president in Nederland is geen startersfunctie. Het is zelfs geen functie voor iemand die toe is aan een tweede stap in zijn carrière. Dat blijkt wel als we naar onderstaande foto uit juli 2011 kijken met daarop de nog levende (ex-) minister-presidenten van Nederland.

Minister-president

Van links naar rechts Wim Kok, Dries van Agt, Piet de Jong, Mark Rutte, Ruud Lubbers en Jan Peter Balkenende

Alle premiers hadden eerst al een jaar of twintig gewerkt en waren de veertig al gepasseerd voordat ze aan het ambt begonnen. Mark Rutte en Ruud Lubbers waren beide 43 jaar oud toen ze minister-president werden, Dries van Agt en Jan Peter Balkenende 46 jaar, Piet de Jong 51 jaar en Wim Kok was zelfs al 55 jaar toen hij in 1994 minister-president werd.

Voordat genoemde heren het hoogste ambt bekleedden, hadden ze allemaal eerst een baan buiten de politiek. Degene met het meest opwindende baantje was Piet de Jong. Die was in een niet-grijs verleden duikbootkapitein. Mark Rutte was tien jaar lang in dienst van Unilever, onder meer als personeelsmanager. Wim Kok werkte eerst twee jaar als commercieel medewerker op een handelskantoor en trad daarna in dienst van de vakbond. Dries van Agt begon zijn werkzame leven als advocaat, Ruud Lubbers was ondernemer in het familiebedrijf Hollandia, een constructiewerkplaats en machinefabriek, en Jan Peter Balkenende tot slot had het saaiste startersbaantje. Hij begon in 1982 als beleidsmedewerker juridische zaken bij het bureau van de Academische Raad (al combineerde hij die functie met het gemeenteraadslidmaatschap van Amstelveen (waar hij in 1993 zijn ‘krokettenmotie’ indiende: de (nog steeds geldende) bepaling dat de gemeenteraadsleden recht hebben op een kroket als de raadsvergadering tot na 23:00 uur duurt.)

Ook In Amerika zie je vaak dat de president in zijn jonge jaren een functie buiten de politiek heeft bekleed. Zo zaten bijvoorbeeld vader en zoon Bush beide in de olie-business en was Jimmy Carter een pindaboer. De drie naoorlogse presidenten met de meest opmerkelijke banen in hun jeugd waren Gerald Ford, Ronald Reagan en Harry Truman. Gerald Ford was parkranger in Yellowstone National Park. Dat Reagan behalve sportverslaggever – hij kreeg 5 dollar voor elk verslag – acteur is geweest is algemeen bekend, maar dat hij in zijn jeugd in de zomer ook een aantal jaren badmeester was, is wat minder bekend. Naar eigen zeggen en tellen redde Reagan – hij werd in die tijd ‘Dutch’ genoemd omdat hij er zo Nederlands uitzag; geen idee wat ik mij daarbij moet voorstellen – liefst 77 mensen het leven (waarbij je je kan afvragen of de gemeente niet het zwemmen in dat blijkbaar zeer onveilige water al lang had moeten verbieden).

ford reagan 1

Gerald Ford als parkranger en Ronald Reagan als strandwacht.

Harry Truman tenslotte was de pianobegeleider van de nog zeer prille actrice Lauren Bacall.

truman 1

Ok, dit is niet helemaal waar. Tijdens het maken van deze foto op 10 februari 1945 in de ‘National Press Club’ in Washington DC was Truman al vicepresident. Tijden deze bijeenkomst om 800 militairen te eren speelde Truman een stukje op de piano. Lauren Bacall, één van de aanwezige Hollywoodsterren, klom bij die gelegenheid op de piano. Truman zelf was wel ingenomen met dit optreden en deze foto, dit in tegenstelling tot zijn vrouw Bess (die thuis de bijnaam ‘the Boss’ had). Zij vond het maar helemaal niks. Een paar maanden na deze foto trouwde Lauren Bacall met Humphrey Bogart en was Truman na de dood van Franklin Roosevelt de president van Amerika geworden.

Maar dat de man, die later de moeilijke beslissing moest nemen om de atoombommen op Japan te gooien, in zijn jonge jaren een heel ander beroep als politicus had, is wel waar. Truman had in 1920 in Kansas City namelijk samen met een partner een winkel in kleding en naaigerei.

Truman 2

Truman, links op de foto, in zijn winkel. Een jaar na het maken van deze foto sloot de winkel wegens een gebrek aan succes zijn deuren.

Uit de Amerikaanse archieven (3)

Op 6 november 1940 stuurde een veertienjarige Cubaanse jongen een brief naar de Amerikaanse president Franklin D. Roosevelt om hem te feliciteren met zijn herverkiezing. Tevens vroeg hij de president of hij hem een biljet van tien dollar kon sturen, dit omdat hij er nog nooit eentje gezien had. Voor het geval de president behoefte had aan ijzer, bood de jongen hem ten slotte nog aan om de ijzermijnen van Cuba te laten zien.

De brief van de jong Cubaan bevindt zich thans in het Nationale Archief in Washington D.C.

fidel castro

fidel castro 2

De letterlijke tekst van de brief  gericht aan ‘Mr. Franklin Roosevelt, President of the United States’ luidt:

“My good friend Roosevelt:

I don’t know very English, but I know as much as write to you. I like to hear the radio, and I am very happy, because I heard in it, that you will be President for a new (periodo). I am twelve years old. I am a boy but I think very much, but I do not think that I am writing to the President of the United States. If you like, give me a ten dollars bill green american in the letter, because never, I have not seen a ten dollars bill green american and I would like to have one of them.

My address is: Sr. Fidel Castro, Colegio de Dolores, Santiago de Cuba; Oriente Cuba

I don’t know very English but I know very much Spanish and I suppose you don’t know very Spanish but you know very English because you are American but I am not American.

Thank you very much, Good by. Your friend, Fidel Castro

If you want iron to make your ships I will show to you the bigest (minas) of iron in the land. They are in Mayorí, Oriente, Cuba.”

De Fidel Castro uit deze brief is inderdaad de Fidel Castro van Cuba, al was hij op het moment van schrijven al veertien jaar oud en niet twaalf zoals hij in zijn brief vermeldde.

fidel castro. foto

In 1955 vertelde de Cubaanse revolutionaire leider in een interview dat hij inderdaad de brief had geschreven. Hij had zelfs namens de president een antwoord van een Amerikaanse overheids-functionaris gekregen die hem bedankt voor zijn brief en de felicitatie, maar er zat geen tien dollar biljet bijgesloten.

Ai! Had die Amerikaanse overheidsfunctionaris dat nu maar wel gedaan. Misschien was Fidel Castro dan wel kapitalist geworden in plaats van communist en hadden we in oktober 1962 nooit de Cuba-crisis gehad.

 

Uit de Amerikaanse archieven (2)

In juni 1972 werkte de 24-jarige Frank Wills als nachtwaker in één van de vele kantoren in Washington DC. Hij verdiende er weliswaar niet veel mee, zo’n 80 dollar per week, maar hij was al lang blij dat hij een baantje had. Eerder had hij gewerkt in de auto-industrie in Detroit maar was naar Washington vertrokken in de hoop op een beter leven.

Als hij zijn ronde door het gebouw had gelopen, moest Wills in een soort logboek de belangrijkste gebeurtenissen opschrijven. Zo ook op 17 juni 1972. Op 12.05 uur ’s nachts schreef hij bij aanvang van zijn dienst, ‘6-7-72 Wills on Duty 12.00 ’. Zie hieronder de betreffende pagina uit het boek van die dag:

watergate 1

Dat we vandaag de dag dit logboek nog kunnen bekijken, komt omdat het bewaard is gebleven. En niet op zo maar een plek in een of andere kantoorarchief maar in de Nationale Archieven van Amerika, net zoals bijvoorbeeld de onafhankelijkheidsverklaring uit 1776.

watergate 3

De reden dat dit schrift zich in het Nationaal Archief bevindt, is namelijk de historische betekenis voor Amerika van hetgeen Wills om 1.47 uur schreef: “Call police found tape on Doore“. Als gevolg van dit historische telefoontje zou uiteindelijk twee jaar later Richard Nixon, de president van de Verenigde Staten, moeten aftreden.

Frank Wills was de nachtwaker van het Watergate gebouw. Nadat hij op 17 juni 1972 zijn eerste controle-ronde door het gebouw had gemaakt, liep hij via de garage naar het tegenoverliggende Howard Johnson motel om daar wat sinaasappelsap te kopen. In de garage zag hij dat een slot van een van de deuren was afgeplakt met Duck Tape. Dit gebeurde wel vaker. Aannemers of verhuizers die in het gebouw aan het werk waren, plakten soms de sloten even met Duck Tape vast – of zetten een stoel of zoiets in de deuropening – om te voorkomen dat de deur telkens in het slot zou vallen en ze dan ieder keer er iemand bij moesten roepen om de deur weer open te maken. Wills dacht dat iemand vergeten was om de Duck tape weg te halen. Hij zag er niks ernstig in en trok het los.

Nadat hij zijn sinaasappelsap had gehaald, keerde Wills terug naar zijn werkplek, maar om de een of andere reden besloot hij om toch nog even naar de deur van de tape te kijken. Tot zijn verbazing zag hij dat de tape weer over het slot heen was bevestigd. Hij belde daarop de politie die met drie man arriveerde. Alle deuren van het gebouw werden afgesloten, de liften buiten werking gesteld en verdieping voor verdieping doorzocht de politie het gebouw. Op de zesde verdieping van het elf verdiepingen tellende gebouw, in de kantoren van het ‘Democratic National Committee’, trof de politie vijf mannen aan die daar bezig waren met het plaatsen van afluisterapparatuur en de rest is geschiedenis.

Hoe het verder met Frank Wills is gegaan, is echter niet zo bekend. Het antwoord op deze vraag luidt: niet zo best. Zes maanden na de inbraak nam hij ontslag en trad in dienst bij een ander bedrijf waar hij iets beter werd betaald. Daar werd hij echter na enige tijd ontslagen omdat hij tegen de zin van het bedrijf twee dagen vrij nam voor een familiebezoek. Sindsdien was het voor hem een wisselend bestaan van werkloosheid afgewisseld met slecht betaalde tijdelijke baantjes.

Ten tijde van het aftreden van Nixon werd hij een aantal keer geïnterviewd over zijn rol. Hij vroeg hiervoor 300 dollar en soms kreeg hij het ook. In 1976 speelde hij zichzelf in ‘All the president’s men’, de speelfilm met Robert Redford en Dustin Hofman als Bob Woodward en Carl Bernstein, het journalisten-duo van de Washington Post die het Watergate-schandaal ontrafelden. Wills was heel even als nachtwaker in de openingsscene van de film te zien. Het waren overigens eerder fifteen seconds of fame dan fifteen minutes of fame. Hij kreeg 1000 dollar voor zijn rol.

all the presidents man

Youtube: Screenshot uit de film met Frank Wills, die in de openingsscène zich zelf speelt.

Eind jaren zeventig vertrok hij uit Washington en woonde een tijdje bij zijn moeder in South Carolina. In 1979 kreeg hij vanwege de diefstal van een pen van 99 cent een boete van $20. In 1983 werd hij wederom aangeklaagd voor winkeldiefstal. Deze keer betrof het een paar gymschoenen ter waarde van 12 dollar. Vanwege zijn eerdere veroordeling kreeg hij automatisch een jaar gevangenisstraf, waarvan hij er minstens drie maanden van moest uitzitten. Volgens Wills was hij onschuldig. Hij had, zo zei hij, in de winkel in zijn rugzak een stel schoenen gestopt die bestemd waren voor de verjaardag van een kind uit een eerdere relatie. Omdat hij niet wilde dat het kind het cadeau kon zien, had hij de schoenen al in de winkel in zijn tas gestopt en werd hij, voordat hij ze überhaupt bij de kassa kon afrekenen, al aangehouden en beschuldigd van diefstal.

Veel mensen voerden actie voor hem. Vooral het feit dat hij vanwege de diefstal van een pen van 99 cent en een paar schoenen van 12 dollar langer in de gevangenis moest zitten dan een aantal mensen die direct betrokken waren bij het Watergate-schandaal vond men onrechtvaardig. Hij kreeg financiële steun, kwam op borgtocht vrij en er werden rechtszaken tot op het hoogste staatsniveau gevoerd. Het hooggerechtshof van de staat oordeelde dat het nu eenmaal de staatswet was dat bij een tweede veroordeling wegens winkeldiefstal automatisch een veroordeling van één jaar gevangenisstraf volgde en hield het vonnis overeind.

Op het moment dat het staatshooggerechtshof deze uitspraak deed, woonde Wills niet meer in Amerika maar op de Bahama’s, waar hij in dienst van de activist en komiek Dick Gregory – die zich zijn lot aantrok – een voedingssupplement promootte. Onduidelijk is of Wills de straf daadwerkelijk ooit heeft moeten uitzitten; Wills zei later in interviews van niet, maar andere bronnen vermelden dat hij uiteindelijk drie weken in de gevangenis heeft gezeten.

Toen zijn moeder eind jaren tachtig een hersenbloeding kreeg, keerde hij terug naar Amerika en ging haar verzorgen. Ze leefden samen van haar maandelijkse uitkering van $450. Toen zijn moeder in 1993 overleed, had hij geen geld voor haar begrafenis en stelde haar lichaam ter beschikking aan de medische wetenschap. Zonder financiële steun van zijn moeder ging het steeds slechter met Wills. De laatste jaren van zijn leven woonde hij in Georgia in een soort schuur zonder telefoon en elektriciteit. Van de plaatselijke dominee kreeg hij er voedsel. De meeste tijd bracht hij door in de plaatselijke bibliotheek. Hij was een fanatiek boekenlezer. In september 2000 kreeg hij net als zijn moeder een hersenbloeding en stierf in bittere armoede op 52-jarige leeftijd.

Uit de Amerikaanse archieven (1)

In juli 1969 ondernamen de Amerikanen een poging om een man op de maan te zetten. Spoiler alert! / leeswaarschuwing!  Onderstaande tekst bevat details over de afloop van het verhaal.

De poging lukte. Het ging allemaal goed. Op 20 juli 1969 zette Neil Armstrong als eerste voet op de maan – “That’s one small step for a man, one giant leap for mankind” -, een kwartiertje later gevolgd door Buzz Aldrin. Amstrong en Aldrin verbleven in totaal ruim 21 uur op de maan waarvan zo’n 2,5 uur lopende op het maanoppervlak. Daarna stegen ze weer met hun maanlander op, maakten contact met het moederschip met daarin de derde astronaut Michael Collins, vlogen vervolgens in vier dagen tijd terug naar aarde, waarna ze veilig neer plonsden in de Stille Oceaan. Hier werden ze aan boord genomen van de USS Hornet. Aan boord van dit schip bevond zich ook de Amerikaanse president Richard Nixon die hen hartelijk verwelkomde.

maanlanding met nixon

Armstrong, Collins en Aldrin (voor een periode van achttien dagen in quarantaine na hun terugkeer) worden toegesproken door president Nixon; foto NASA.

 Zoals op bovenstaande foto te zien is, was de ontvangst door Nixon een olijke boel. Maar het had ook anders kunnen aflopen. Voor het geval dat het op de maan was misgegaan en Amstrong en Aldrin er niet meer vandaan konden komen – ‘In event of Moon Disaster’ – , had de staf van Nixon alvast een plan de campagne opgesteld hoe de Amerikaanse regering hier mee moest omgaan.

Allereerst zou de president de weduwen in spé opbellen. Daarna zou hij het volk toespreken. Dan, als de NASA de verbinding met de mannen op de maan verbrak, zou een geestelijke een soortgelijke procedure houden als bij een begrafenis op zee.

De speech was al voor Nixon uitgeschreven, zoals bleek toen onderstaand document in de jaren negentig uit de Amerikaanse archieven opdook. Het document was opgesteld door één van de speechschrijver van het Witte Huis, Bill Safire, en was gericht aan Bob Halderman, in die tijd stafchef van het Witte Huis.

maanlanding

Vrij vertaald had Nixon, in het geval Amstrong en Aldrin niet van de maan af konden komen, het Amerikaanse volk als volgt toegesproken:

“Het lot heeft bepaald dat de mannen die in vrede naar de maan gingen om deze te verkennen daar zullen blijven om er in vrede te sterven. Deze dappere mannen, Neil Armstrong en Edwin Aldrin, weten dat er geen hoop is op redding. Maar ze weten ook dat er hoop voor de mensheid ligt in hun offer. Deze twee mannen geven hun leven voor het meest nobele doel van de mensheid: de zoektocht naar de waarheid en kennis.

Er zal om hen worden gerouwd door hun familie en vrienden; Er zal om hen worden gerouwd door hun land; Er zal om hen worden gerouwd door de wereld; Er zal om hen worden gerouwd door Moeder Aarde die het aandurfde om twee van haar zonen naar het onbekende te sturen.

 Tijdens hun ontdekkingstocht riepen zij iedereen in de wereld op om zich te verenigen; in hun offer, verbinden ze de broederschap van de mens nog strakker. In het verleden keken mensen naar de sterren en zagen er hun helden in de sterrenbeelden. In moderne tijden doen wij hetzelfde, maar onze helden zijn epische mensen van vlees en bloed.

 Anderen zullen volgen, en zullen zeker hun weg naar huis vinden. De zoektocht van de mens zal worden voortgezet. Maar deze mannen waren de eersten, en zij zullen de belangrijkste in ons hart blijven. Want een ieder die in de nachten die nog zullen komen omhoog kijkt naar de maan, weet dat er een deel is van die andere wereld die altijd van de mensheid zal zijn.”

Gelukkig voor Amstrong en Aldrin hoefde Nixon deze woorden niet uit te spreken en verdween het memo in het archief.

Neil Amstrong zou na zijn maanavontuur nog twee jaar voor de NASA blijven werken, daarna werd hij hoogleraar luchtvaart- en ruimtevaarttechniek aan de Universiteit van Cincinnati. Ook reisde hij de hele wereld over. Later verbond hij zijn naam aan diverse grote Amerikaanse bedrijven zoals Chrysler waarvoor hij als boegbeeld c.q. spreekbuis fungeerde. Hij overleed in augustus 2012 op 82-jarige leeftijd.

Ook Buzz Aldrin verliet na twee jaar de NASA. Hij keerde terug naar het Amerikaanse leger en werd benoemd tot commandant van de Test Pilots School op de Edwards Air Force Base in Californië. Het viel hem echter moeilijk om het leven op aarde weer op te pakken. Hij kreeg last van depressies en had een tijd lang een alcoholverslaving. Hij kwam daar weer overheen. Hij leeft nog steeds. Hij hoopt op 20 januari 86 jaar te worden.

De derde astronaut van deze vlucht, Michael Collins, leeft ook nog. Hij is momenteel 85 jaar oud. Na zijn terugkeer was hij onder andere staatssecretaris van Buitenlandse Zaken (in de regering van Nixon), directeur van het National Air and Space Museum in Washington D.C en vicepresident bij LTV Aerospace, een bedrijf dat vliegtuigen en raketten produceert.

Voor wat betreft de andere hoofdrolspelers van dit verhaal: Richard Nixon bleek in tegenstelling tot wat hij zelf dacht (I’m not a crook!”) wel een schurk te zijn en moest in augustus 1974 als gevolg van het Watergate-schandaal noodgedwongen aftreden als president. Hij stierf in 1994 op 81-jarige leeftijd. Bob Halderman, de stafchef van het Witte Huis die het memo liet opstellen, verdween als gevolg van dat zelfde Watergate-schandaal zelfs voor 18 maanden in de gevangenis. Hij stierf in 1993 op 67-jarige leeftijd. William Safire, degene die de speech schreef, ging in 1973 als journalist voor de New York Times werken waar hij ook jarenlang een column over juist taalgebruik had. Hij stierf in 2009 op 79-jarige leeftijd.

In totaal hebben, inclusief Amstrong en Aldrin, twaalf mannen op de maan gelopen. Allen keerden veilig naar de aarde terug. Of er voor de andere tien astronauten ook al speeches klaar lagen voor het geval het mis zou gaan, is niet bekend. Ik gok van wel.

Grenscorrecties

Al lezende op de site van The Guardian valt mijn oog opeens op een bericht over een voorgenomen grenscorrectie in 2016 tussen België en Nederland. Huh? Daar weet ik helemaal niets van. Volgens het artikel ruilen België en Nederland ergens dit jaar op de grens van Limburg en Belgisch Limburg stukken land met elkaar. Zo te zien krijgen we volgens het kaartje van The Guardian  overigens meer land terug dan dat we weggeven.

grenscorrectie

Tekening van de voorgestelde landruil zoals weergegeven op de site van the Guardian

 De achtergrond van deze landruil is dat de Maas die deels de oorspronkelijke landgrens vormde in de loop van de tijd op sommige plaatsen recht getrokken is, waardoor een deel van het oorspronkelijk Belgisch grondgebied  – ter grootte van zo’n 15 voetbalvelden – nu een soort schiereiland van Nederland is geworden. De Belgen kunnen er alleen nog maar bij door middel van bootjes. Dit zou niet zo erg geweest zijn, ware het niet dat de misdaad dit gebied heeft ontdekt, onder andere voor de drugshandel. In 2012 werd er zelfs een lijk zonder hoofd gevonden. Omdat het Belgisch grondgebied was, viel dit misdrijf onder de Belgisch politie maar deze had grote problemen om het gebied te bereiken, want officieel mochten ze niet over Nederlands grondgebied rijden.

Mede om dit soort criminele problemen te voorkomen zijn Nederland en België nu overeengekomen om de grenzen wat aan te passen. The Guardian verwondert er zich over dat zo’n landuitruil tussen twee landen zo probleemloos verloopt. ”And all with a smile on everyone’s face [..]”. Dit komt natuurlijk omdat Wilders het waarschijnlijk nog niet weet. “Deze flutregering verkwanselt goede stukken Nederlands grondgebied aan België en wat krijgen we er voor terug: boeventuigland!” dat soort werk.

Ik heb er even op gegoogeld maar vroeger ging de vaststelling van de grens met België heel wat moeilijker. Denk alleen maar eens aan Baarle-Nassau en Baarle-Hertog waar enkele enclaves zijn. De oorzaak hiervan lig in het feit dat bepaalde stukken grond daar vroeger eigendom waren van de heer van Nassau en andere stukken van de hertog van Brabant.

De voorgenomen grenswijziging met België is niet de grootste in de ‘recente’ geschiedenis van Nederland. Dat waren de grenswijzigingen met Duitsland na de Tweede Wereldoorlog. In het najaar van 1945 eiste de Nederlandse staat van Duitsland een schadevergoeding van 25 miljard gulden. Eerder dat jaar was echter al op de Conferentie van Jalta bepaald dat herstelbetalingen uitsluitend werden gegeven in natura en niet in de vorm van liquide middelen. De Nederlandse regering zette daarop diverse commissies aan het werk, waaronder eentje die onder leiding stond van een zekere Frits Bakker Schut.  Zijn eerste plan A omvatte een annexatie van grote delen van Duitsland met onder meer de annexatie van de steden Aken, Keulen en Mönchengladbach Hij maakte ook nog twee andere plannen – de plannen B en C waarbij het te annexeren gebied wat kleiner zou zijn. Zie hieronder een kaartje van deze plannen (zoals vermeld op de Wikipedia; auteur ‘Tubantia’.)

grensplan

In totaal zou Nederland in plan A er zo ruim twee miljoen inwoners bij krijgen. De Nederlandse politiek was verdeeld. Eelco van Kleffens, de minister van Buitenlandse Zaken was voorstander van het plan, maar Willem Drees, in die tijd de minister van Sociale Zaken, was fel tegen. Toenmalig minister-president Wim Schermerhorn was ook niet zo’n voorstander van annexatie van grote delen van Duitsland, maar koningin Wilhelmina daarentegen was juist weer een fervent voorstander. Zij drong er ook sterk bij Schemerhorn op aan om over te gaan tot onderhandeling met de geallieerden over de annexatie van grote stukken Duitsland. Uiteindelijk “eiste” Schemerhorn in 1946 een stuk Duits grondgebied op van een kleine 5000 km2. Dit was veel minder dan het oorspronkelijke plan van Bakker Schut, maar omvatte nog steeds een gebied waar meer dan 500.000 Duitsers woonden. In 1947 bracht men de eis terug tot 1840 km2 (met daarin zo’n 160.000 Duitsers). Uiteindelijk kreeg Nederland  op 23 april 1949 in de slotverklaring van de Londense Duitslandconferentie een gebied toegewezen van 69 km2. Elten was daarbij met 3600 inwoners de grootste plaats die Nederlands werd. In totaal “verhuisden” in 1949 bij deze “grenscorrectie” circa 10.000 Duitsers van Duitsland naar Nederland.

In 1963 gaf Nederland het gebied in ruil voor 280 miljoen mark schadevergoeding weer terug aan Duitsland. Dit leverde overigens één van de meest geniale smokkeloperaties aller tijden op. In de nacht voor de teruggave werden er enkele grote vrachtauto’s vol met boter Elten in gereden. De volgende dag bevonden deze vrachtauto’s zich in Duitsland, waar de boter veel meer waard was. In dit geval was de boter niet de grens over gesmokkeld maar de grens over de boter gegaan.

Om nog even terug te komen op het oorspronkelijke annexatieplan van Bakker Schut. Ach, had Nederland daar maar aan vastgehouden. Dan zouden we voor de bekende kerstmarkten helemaal niet naar Duitsland hoeven af te reizen, maar zouden we gewoon naar de Nederlandse steden Aken en Keulen kunnen gaan. Maar nog veel belangrijker zou zijn geweest dat als de steden Keulen en Mönchengladbach Nederlands zouden zijn geweest, dat we dan we ongetwijfeld in 1972 Europees kampioen voetballen zouden zijn geworden en in 1974 wereldkampioen. Dit omdat dan de grote spelmakers van Duitsland uit die tijd (Günther Netzer van Borussia Mönchengladbach en Wolfgang Overath van 1FC Köln) Nederlander zouden zijn geweest.

Berlijn onder de grond

Toen wij vorig weekend bij onze oudste dochter in Berlijn waren, hebben wij op zaterdag een rondleiding gedaan bij de ‘Berliner Unterwelten’. (zie  http://berliner-unterwelten.de/ ) Je kan daar allerlei rondleidingen doen waarbij je ‘ondergronds’ gaat.

Zo hebben ze rondleidingen waarbij je de schuilkelders uit de Koude Oorlog kan bekijken en ook een rondleiding met als onderwerp de vele tunnels die onder de Muur zijn gegraven. Wij deden deze laatste: tour M. Weliswaar zie je tijdens deze tour niet de originele tunnels meer – die zijn er niet meer – maar wel ga je door schuilkelders en zie je een ondergrondse reconstructie van het begin van een tunnel. Allemaal hoogst interessant.

 

Tijdens deze rondleiding verlieten wij op een gegeven moment de schuilkelders door een deur die normaliter op slot zat. De gids had de sleutels en we kwamen uit in een gang van een metrostation. Dat lijkt me een vreemd gezicht als je op de metro staat te wachten en je ziet opeens een deur – die altijd gesloten is  – open gaan, waar vervolgens een grote groep mensen uit komt. Waar komen die vandaan?

De gids vertelde dat hij een keer een rondleiding  gaf aan een aantal kinderen, toen hij terug moest omdat een groepje kinderen was achtergebleven – er was per ongeluk een deur in het slot gevallen en hij had de sleutels. Hij liet de overige kinderen daarom op het perron bij de deur wachten. Toen hij terug kwam, stonden er allemaal politieagenten bij de kinderen. De politie was toevallig bezig met een actie op het metrostation en had opeens een aantal kinderen uit een deur die altijd dicht was het perron op zien komen. Ze hadden gevraagd waar ze vandaan kwamen, waarop de kinderen hadden geantwoord: ”Wir kommen von der Unterwelt und warten auf unser Führer”. Sindsdien liet de gids zich geen Führer meer noemen.

De Rijksdag

Het afgelopen weekend waren we op bezoek bij onze oudste dochter die tijdelijk in Berlijn woont. Voor 28 euro vlieg je tegenwoordig al naar Berlijn. Je bent er in een uurtje. We bezochten samen met haar onder andere de Rijksdag, waar we – de Engelstalige rondleidingen waren uitverkocht – een Duitstalige rondleiding volgden. Mark Twain zou zeggen “Het valt me elke keer weer op hoe slecht de Duitsers hun eigen taal spreken” maar desondanks konden we de gids redelijk goed volgen. Zo vertelde ze dat de wereldberoemde foto van de Russen die aan het einde van de Tweede Wereldoorlog de Russische vlag hesen boven op de Rijksdag was gefotoshopt. Op de oorspronkelijke foto was te zien dat de soldaat die de vlag plaatste twee polshorloges droeg. Dat kon natuurlijk niet. Russische soldaten plunderen immers niet. Op de vrijgegeven foto werd daarom één horloge weggeretoucheerd.

In de Rijksdag zijn overigens nog steeds sporen te zien van de Russische aanwezigheid, zoals kogelgaten en Russische graffiti op de muren. Bij de eerste verbouwing na de Tweede Wereldoorlog waren deze achter een betimmering verdwenen – het gebouw  ligt net in de westelijke sector-  maar de Engelse architect Norman Foster, die in 1995 de prijsvraag had gewonnen om het gebouw te verbouwen, liet de graffiti weer tevoorschijn komen omdat het deel uitmaakte van de geschiedenis van de Rijksdag. Er stonden volgens de gids overigens alleen maar nette zaken.
rijksdag 0

Een ander opmerkelijk verhaal dat de gids vertelde over de oorlogsperiode was dat in de loop van de oorlog de kraamafdeling van een nabijgelegen ziekenhuis naar de kelder van de Rijksdag was verplaatst, waardoor er nog zeventig Berlijners zijn die als geboorteadres de Rijksdag hebben. Ze zijn nu in de zeventig.

Niet alles wat de gids vertelde begrepen we. (Toch jammer dat de gids haar eigen moedertaal zo slecht sprak.) Zo snapten we het verhaal over de adelaar in de zaal van de bondsdag niet helemaal.

rijksdag 1

Volgens de gids was de richting waar de adelaar naar keek na de oorlog veranderd. Tegenwoordig kijkt hij naar rechts. Links en rechts hadden in dit geval niks met politieke voorkeur te maken maar met oorlog en vrede. Rechts zou de kant van de vrede zijn. De Nazi’s hadden een adelaar die naar links keek, dat was de kant van de oorlog. Alleen ze vertelde dit verhaal toen we aan de achterkant van de adelaar stonden, wat het allemaal een beetje verwarrend maakte. Ook heeft de adelaar nu een oog in zijn achterhoofd, zodat hij je altijd in de gaten heeft. Hij kan daardoor ook de kamer zien van ‘Bundeskanzlerin Dr. Angela Merkel.’

rijksdag 3

Haar kamer ligt vlak achter de zaal zodat ze niet ver hoeft te lopen. Haar kamerdeur is heel groot, wel bijna drie meter hoog, wat volgens de gids bij een rondleiding met jonge kinderen tot een zekere angst bij één van de peuters leidde: “Is mevrouw Merkel werkelijk zo groot?” had het kind gevraagd, blijkbaar bevreesd dat er elk ogenblik een reuzin uit de kamer kon komen.

We zagen ook één van de meest omstreden delen van de Rijksdag, namelijk het kunstwerk dat door de Fransen was geschonken.

rijksdag 2

Het bestaat uit een wand met allemaal lege laden met de namen er op van alle parlementsleden die tussen 1919 en 1999 democratisch zijn gekozen. Alleen de namen van de parlementsleden die tussen 1933 en 1945 in het parlement kwamen ontbraken. Hun laden waren zwart gemaakt. Bij sommige laden stond aangegeven dat de leden slachtoffer waren geworden van het Nationaal Socialisme. Het kunstwerk was omstreden omdat er ook laadjes waren voor mensen als Hitler, Goering en Goebbels. Hier was lang over gediscussieerd maar omdat deze personen voor 1933 gewoon in het parlement waren gekozen had men besloten om ze op te nemen. Het zou geschiedvervalsing zijn om dit aspect weg te laten. Wel lokte het laadje van Hitler vaak felle reacties uit. Het was al acht keer ingetrapt. We werden verzocht dat niet te doen.

Tot slot: het mooiste deel van de Rijksdag om te bekijken is de nieuwe glazen koepel boven op de Rijksdag. Deze is ook te bezoeken zonder dat je een rondleiding doet.

rijksdag 4

Niet alleen heb je van boven een mooi uitzicht over Berlijn maar ook geven de spiegels allerlei mogelijkheden om  op een creatieve manier foto’s te maken

rijksdag 5

Drie  voor de prijs van één. (De bovenste drie figuren zouden zo bij de Stasi kunnen werken.)

 

 

Ivo Niehe, George Bush sr. en ik

Laatst had ik het weer een keer, iemand die zei dat ik op Ivo Niehe lijk. Het gebeurt wel vaker dat mensen dat zeggen, maar het is niet juist. Ik lijk niet op hem. Andersom klopt het wel, Ivo Niehe lijkt wel een beetje op mij.

Ivo Niehe Martin van Neck   Ivo Niehe Martin van Neck

Ivo Niehe                                                Martin van Neck

Maar behalve de uiterlijke gelijkenissen zijn er nog een paar overeenkomsten. Zo spreken wij allebei onze vreemde talen goed: ik het Twents en Ivo het Engels, Frans, Duits, Spaans en Italiaans, en gezien het feit dat er op de Wikipedia ook een pagina over hem in het Pools is, vermoedelijk ook die taal.

Daarnaast is er de overeenkomst dat wij beide regelmatig ontmoetingen hebben met de groten der aarde. Zo herinner ik me nog goed de ontmoeting die ik in 1989 had met de Amerikaanse president George Bush sr. tijdens zijn bezoek aan ons land.

Het was juli 1989. Bush sr. was op staatsbezoek. Hij logeerde bij koningin Beatrix. Merkwaardigerwijs niet bij haar thuis – sorry, ik kan dit weekend geen logees hebben – maar in haar werkpaleis aan het Noordeinde (had zij daar ergens in een vergaderzaaltje een stretcher voor hem klaar gezet?)

Voorafgaand aan dit bezoek hadden Bush en ik onze ontmoeting. Het was een maandagmorgen en ik liep door de stad op weg naar kantoor. Vlakbij het binnenhof stonden allemaal dranghekken. Die bleken voor Bush te zijn – althans voor het publiek aan de kant van de weg – maar dat was eigenlijk volkomen overbodig want er stond geen mens. Alleen op de hoek bij de vijver van het Binnenhof stond een Amerikaan met twee vlaggetjes te wachten. Ik vroeg hem wat er aan de hand was. Hij vertelde dat zijn president zo langs zou komen en ik besloot even te wachten om te kijken wat er gebeurde. Even later kwam de auto met Bush er in aan rijden. Deze zat somber om zich heen te kijken, want er was werkelijk niemand op straat om naar te zwaaien. Op dat moment begon de Amerikaan naast mij wild enthousiast met zijn vlaggetjes te zwaaien. Bush zag het, veerde helemaal op en begon enthousiast naar ons te zwaaien.

Bush in de auto

Ik zwaaide braaf terug, waarop Bush zich omdraaide en zijn beide duimen nog naar ons opstak om aan te geven dat de Amerikaan en ik goed bezig waren. Daarna reed de autostoet weer verder. Aardige man pa Bush.

Schrijven is schrappen

Het is soms makkelijker om van een kort verhaal een lang verhaal te maken dan van een lang verhaal een kort verhaal. Neem bijvoorbeeld het volgende tienwoordenverhaal (net ter plekke door mij verzonnen) “Sorry, ik wist toch ook niet dat het geladen was.” Even je fantasie gebruiken en je hebt zo een langer verhaal.

Andersom is daarentegen vaak een stuk lastiger. Om van een lang verhaal een kort verhaal te maken moet je gaan schrappen (‘schrijven is schrappen’) en zaken weg laten (‘kill your darlings’). Beide zijn zaken waar ik moeite mee hebt.

In 2005 schreef ik voor de Volkskrant de rubriek ’Het nutteloze kennisparadijs’. Ik had de ruimte voor ongeveer 600 woorden. Heel vaak had ik een leuk idee, ging aan de slag en als het klaar was, liet ik de woorden-tellen-functie van ‘Word’ er op los. En ja hoor, dan had ik weer 900 woorden. Moesten er 300 uit. Eerst gingen de niet-noodzakelijke bijvoeglijke naamwoorden er uit, maar dat was nooit voldoende. Dan de niet-noodzakelijke bijzinnen. Meestal was ik er dan ook nog niet. De volgende stap was dan het weggooien van een hele alinea – en daar stond natuurlijk altijd een o zo leuke maar overbodige anekdote in (‘kill your darlings’).

De grootste uitdaging voor wat betreft het schrappen was toen een wat oudere collega op kantoor – de woorden ‘wat oudere’ kan je in een in te krimpen verhaal zo schrappen – met een oud boek  -‘oud’ kan ook weg – uit 1922 kwam aanzetten. Het was een boek geschreven door Hiram Bingham III, die hierin beschreef hoe hij de wereldberoemde (woord kan ook weg) Inca-stad Manchu Picchu ontdekte. Misschien was dat wat voor mijn column. Het boek staat tegenwoordig online: ‘Hiram Bingham: Inca Land: explorations in the highlands of Peru. Houghton Mifflin, Boston, Massachusetts 1922.’ (deze zin kan in zijn geheel weg.)

http://www.gutenberg.org/files/10772/10772-h/10772-h.htm )

Het was zeker iets voor mijn column. Het was een hilarisch verslag, althans dat vond ik,  – deze bijzin kan ook weg – van zijn ontdekking van Manchu Picchu. Het enige probleem was echter dat het boek 350 bladzijden telde. Probeer dat maar eens in 600 woorden samen te vatten – ook deze laatste zin kan probleemloos worden geschrapt.

Het kostte me best veel tijd om er een mooi (woord kan weg) kort verhaal van te maken. En net toen ik het af had, stopte de Volkskrant met mijn column. Had ik weer. Ik heb het verhaal later nog wel opgenomen in het nutteloze kennisboek. (Deze hele alinea met de anekdote van het stoppen door de Volkskrant zou in zijn geheel weg kunnen; maar dat doe ik hier uiteraard niet omdat ik mooi zelf de lengte van deze blogpost bepaal.)

Maar goed, – deze twee woorden kunnen ook weg –  zie hier hoe een boek van 350 bladzijden in ruim 600 woorden wordt samengevat. De foto’s heb ik voor deze blogpost speciaal toegevoegd. Ze staan niet in het boek.  Deze laatste twee zinnen kunnen uiteraard ook zonder enig probleem worden geschrapt.

Indiana Jones and the lost city of the Incas

Hiram Bingham III, professor Zuid-Amerikaanse geschiedenis aan de Yale University, werd beroemd met zijn ontdekking van Manchu Picchu. De gebouwen van deze Incastad in Peru behoren tot de best bewaarde overblijfselen uit de Incatijd en worden jaarlijks door een half miljoen toeristen bezocht.

manchu

Foto Martin St-Amant – Wikipedia – CC-BY-SA-3.

Bingham ontdekte de gebouwen tijdens de Yale-expeditie van 1911 naar Peru. Het was toeval. Hij was niet op de hoogte van het bestaan van de stad. Een boer vertelde hem er over en wilde hem voor een dollar wel naar het complex brengen. Het was niet eenvoudig om er te komen. Een wankele boomstam over een kolkende rivier en giftige slangen behoorden tot de hindernissen

.bingham

Bingham, staande op een brug in het oerwoud van Peru; Foto afkomstig het Yale  University archief; fotograaf Harry Ward Foote

Bingham, geboren in 1875 en zoon van missionarissen, was een echte avonturier. Hij deed dit niet om rijk te worden – hij was getrouwd met de kleindochter en erfgename van de oprichter van het juwelenconcern Tiffany en woonde in een huis met dertig kamers – maar vanwege een lang gekoesterde wens om beroemd te worden.

bingham gezin

Bingham in 1908 met zijn vrouw, zijn kinderen, zijn vader en zijn tante. Op de bovenste rij staan van links naar rechts: Hiram Bingham II, Hiram Bingham IV en Hiram Bingham III. Foto afkomstig uit het boek van Bingham

Het doel van de Yale-expeditie was Mount Coropuna, waarvan men destijds dacht dat het de hoogste berg van Zuid Amerika was. Deze berg was in die tijd nog niet beklommen en Bingham wilde graag als eerste op het hoogste punt van Zuid Amerika staan. Hij had hierbij opvallenderwijs concurrentie van een zekere Annie Peck. Deze 60-jarige Amerikaanse schooljuffrouw wilde ook als eerste Mount Coropuna beklimmen. Dit om aandacht te vragen voor de rechten van de vrouw.

annie peck fanny workman

Links: Annie Peck in 1911; foto afkomstig uit de Library of Congress Prints and Photographs Division Washington: rechts een collega klimster, Fanny Bullock Workman, op het Silver Throne plateau, Karakoran in Kasmir, Azië in 1917 met een krant met de tekst ‘Votes for Women; foto William Hunter Workman.

Mount Coropuna is een bergcomplex met meerdere pieken. Bingham en de zijnen beklommen de westelijke piek. Halverwege de beklimming ontstond er twijfel. Zaten ze wel op de goede piek? De twee kilometer verderop gelegen noordelijke piek leek bij nader inzien hoger. Na een uitgebreide vergelijking dachten ze niettemin toch op de goede piek te zitten. Ten onrechte, in werkelijkheid is de noordelijke piek 20 meter hoger dan de piek die zij beklommen.

mount corupana

Mount Coropuna met zijn meerdere pieken. foto Edubucher / Wikipedia 

Beklom Bingham de verkeerde piek, zijn concurrente Annie Peck beklom zelfs de verkeerde berg. Ze zag een andere berg aan voor Mount Coropuna. Boven aangekomen op de top van haar berg plantte ze een vlag met de tekst ‘VOTES FOR WOMEN’.

Aangekomen op de top van Mount Coropuna bepaalde Bingham met behulp van twee hoogtemeters de hoogte van de berg. Dat leverde een grote teleurstelling op. De berg was slechts 6425 meter hoog, veel minder hoog dan gedacht, hij stond niet op het hoogste punt van Zuid Amerika – dat is de berg Aconcagua in Argentinië, die is 6962 meter hoog.

Na de beklimming reisde Bingham door naar Parinacohas (ook wel bekend als Lake Flamingo). Bingham verkeerde in de veronderstelling dat Parinacohas het diepste meer van Zuid Amerika was. Hij wou graag als eerste de diepte van dit meer bepalen.

lake inca

Flamingo’s boven het meer; foto afkomstig uit het boek van Bingham

Onderweg naar het meer was een collega dagenlang bezig om een honderden meters lang meetlint te maken met om de 1,5 meter een loodgewicht. Aangekomen bij het meer roeide Bingham voorzichtig naar het midden en liet het meetlint langzaam zakken. Hij hoorde vrijwel direct ‘ploink’. Het meetlint raakte de bodem al, zelfs nog voordat het eerste loodgewicht onder water was verdwenen. Uiteindelijk bleek het meer nergens dieper te zijn dan 1,5 meter.

Gelukkig voor hem werd hij toch beroemd dankzij de boer die hem de weg wees naar Manchu Picchu.

Bingham bleef een avonturier. In de Eerste Wereldoorlog leerde hij vliegen. In 1917 was hij hoofd van de Amerikaanse vliegschool in Issoudan, Frankrijk. Later ging Bingham de politiek in. In 1924 werd hij gouverneur van Connecticut. Hij was het slechts één dag. De volgende dag werd hij lid van de Amerikaanse Senaat – hij nam de plaats over van een overleden senator. Hij stond bekend als de vliegende senator. In 1929 kreeg hij een ‘Censure’, een officiële berisping, omdat hij een door de industrie betaalde lobbyist in zijn staf had. In 1933 werd hij niet herkozen.

bingham 1928

Bingham als “vliegende senator’  in 1928

Hij overleed in 1956. Het filmpersonage ‘Indiana Jones’ uit de films van Steven Spielberg is mede op hem gebaseerd. Ook een maankrater is naar hem genoemd. Enig minpuntje: je kunt de krater vanaf de aarde niet zien, hij ligt aan de achterkant van de maan. Dat zal Bingham ongetwijfeld wat minder gevonden hebben.”

Wat Bingham uiteraard niet in zijn boek vermeldde, is dat voor hem al anderen  Manchu Picchu hadden ‘ontdekt’, zoals in 1867 de Duitser Augusto Berns. (Deze zin kan ook weg).

Eigenlijk kan deze hele blogpost wel weg.

Een giraffe met naam

Wellicht is voor het pasgeboren naamloze girafje uit Artis – zie de blogpost van 3 november – een schrale troost te weten dat Zarafa, de bekendste giraffe van Europa, aanvankelijk ook naamloos door het leven ging. ‘Aanvankelijk’ is in dit kader overigens een behoorlijke understatement. Zarafa kreeg haar naam namelijk pas in 1998, dat is liefst 173 jaar nadat ze was geboren.

zarafa

Een opgezette Zarafa zoals ze vandaag de dag te zien is in het Muséum d’histoire naturelle de La Rochelle. Foto Selbymay – Wikipedia

Degene die haar de naam Zarafa gaf, was de Amerikaanse schrijver Michael Allin die in 1998 het boek: ‘A Giraffe’s True Story, from Deep in Africa to the Heart of Paris’ schreef. In dit boek beschreef hij de opmerkelijke reis van een giraffe die in 1825 van het diepe zuiden van Soedan naar Parijs werd gebracht. In het boek gaf hij haar gemakshalve de naam Zarafa, dat in het Arabisch zowel ‘charmant’ als ‘giraffe’ betekent. Deze naam is sindsdien de naam waar het beest vandaag de dag onder bekend onder staat.

Zarafa was een geschenk van Mohammed Ali aan koning Charles X van Frankrijk. Mohammed Ali was de van oorsprong Albanese gouverneur van Egypte. Hij hoopte met zijn ongewone geschenk te bewerkstellen dat de Fransen, de Engelsen en de Habsburgers  – zowel de Engelse koning George IV alsmede keizer Franz II kregen ook een giraffe – zich niet in de toenmalige Griekse vrijheidsstrijd zouden mengen. (Tevergeefs, de Fransen en de Engelsen zouden de Grieken steunen in hun opstand tegen Turkije.) Een giraffe was in die dagen een buitengewoon ongewoon geschenk. De laatste giraffe voor Zarafa die in Europa te zien was, was een giraffe in Florence, die sultan Mamelouk van Egypte in 1486 aan Laurent de Médici had geschonken.

Zarafa werd als jong kalf in de buurt van de Zuid Soedanese stad Sannar gevangen. Op de rug van een kameel werd ze naar Khartoem gebracht. Dat was een reis van een kleine 300 kilometer. Via een boottocht van zo’n 2500 kilometer over de Nijl belandde ze in Cairo. Vandaar ging de reis naar Alexandrië, waar ze in september 1826 scheep ging voor een tocht naar Marseille. Tijdens de hele reis kreeg de jonge giraffe elke dag zo’n 25 liter melk afkomstig van drie koeien die samen met haar mee reisden. Ook was er een groot gat uitgesneden in het dek van de boot waar Zarafa haar hoofd door kon steken. Na een tocht van 32 dagen kwam ze op 31 oktober 1826 aan in Marseille, waar ze een grote sensatie was.

Omdat de zeereis door de golf van Biscaye als te gevaarlijk voor het jonge beest werd gezien, besloot men om Zarafa over land van Marseille naar Parijs te brengen. Ze overwinterde in Marseille en op 20 mei 1827 begon ze aan haar 41 dagen lange wandeling naar Parijs. Tijdens deze wandeling van 900 kilometer die haar onder andere voerde door de steden Aix-en-Provence, Avignon, Orange en Lyon werd ze in elke stad opgewacht door duizenden toeschouwers.

Boek Giraffe

Het boek van Allin is ook in het Nederlands vertaald. De afbeelding op het kaft is een schilderij van Jacques Raymond Brascassat getiteld ‘Passage de la girafe à Arnay le Duc’, waarin hij Zarafa tijdens haar wandeling door de gemeente Arnay le Duc heeft weergegeven. Het schilderij bevindt zich in het Musée des Beaux-Arts de Beaune.

Op 30 juni 1827 kwam Zarafa in Parijs aan waar ze op 9 juli officieel door koning Charles X in ontvangst werd genomen. Ze kreeg een onderkomen in de Jardin des Plantes. Daar kwamen dat jaar zo’n 600.000  – zo ongeveer heel Parijs in die tijd – enthousiaste toeschouwers haar bekijken. Er ontstond een grote toeristische industrie om haar heen. Ze werd bijvoorbeeld afgebeeld op allerlei zaken, zoals porselein en klokken. Ook had ze invloed op de mode. Mannen gingen extra hoge hoeden dragen en vrouwen staken hun haar hoog op en droegen jurken met een giraffeprint.

Giraffe mode

Giraffenjurk en “giraffenhaar”; afbeelding uit ‘The Repository of Arts, Literature, Commerce, Manufactures, Fashions, and Politics’ omstreeks 1827.

Achttien jaar later zou Zarafa overlijden. Na haar dood werd ze opgezet. Ze heeft nog jarenlang in de foyer van de Jardin des Plantes gestaan, voordat ze werd overgebracht naar het Muséum d’histoire naturelle de La Rochelle waar ze nog steeds staat. De twee giraffes die naar Londen en Wenen gingen stierven binnen twee jaar na hun aankomst.

 

We hebben een beller (2)

De naam van het verhaal met de titel “We hebben een beller” dat ik twee dagen geleden schreef, deed me er aan denken dat ik tien jaar geleden een keer een opzet voor een verhaal met dezelfde titel heb geschreven voor de serie ‘Het Nutteloze Kennisparadijs’ die ik in die tijd voor De Volkskrant schreef. Dat  verhaal begon als volgt:

We hebben een beller.

Op 10 maart 1876 vond het allereerste telefoongesprek ter wereld plaats. Op die dag “belde” Alexander Graham Bell zijn assistent Thomas Watson, die zich elders in het huis bevond en sprak de beroemde woorden: “Mr. Watson—Come here—I want to see you“.

Bell aan het bellen   Thomas Watson

Links Bell aan het bellen in 1892; Rechts Thomas Watson, de persoon die als eerste persoon ter wereld gebeld werd (“Neem jij even op”).

Bell is overigens niet ‘de bedenker’ van de telefoon. Zo had in 1861 de Duitser Johann Philipp Reis al een idee ontwikkeld voor een apparaat waarmee via een elektrische verbinding geluid op afstand kon worden overgedragen. Hij noemde dat een ‘Telefon’. Alleen slaagde hij er niet in om een werkende versie te ontwikkelen. Hij had dan ook geen patent op zijn idee. Hetzelfde gold voor de Italiaanse Amerikaan Meucci. Die bedacht in 1871 ook een apparaat (de ‘telettrofono) waarmee je op afstand geluid kon horen. Maar vanwege geldgebrek – een volledige patentaanvraag kostte 250 dollar en Meucci was even daarvoor failliet gegaan –  was hij niet in staat om een patent voor zijn apparaat aan te vragen. Het trieste voor Meucci was dat zijn idee later wel bleek te werken, maar ja, geen patent. Het was daardoor Bell die als eerste een patent kon indienen voor een werkende telefoon en dat toegewezen kreeg.

Iemand die net als Bell ook een patent indiende voor een werkende ‘telefoon’ was een zekere Elisha Gray. Maar – en nu komt het –  hij was twee uur te laat! Hij diende zijn aanvraag  in op dezelfde dag als Bell, maar diens patentaanvraag werd twee uur eerder geregistreerd. Gray beweerde later dat hij zijn aanvraag ’s morgens vroeg al bij de opening van het patentbureau had ingeleverd maar dat de klerk het in zijn In-bakje had laten liggen. Een mooi verhaal.

Dat hij van zijn vrouw die dag eerst boodschappen moest doen voordat hij naar het patentbureau kon gaan, zou natuurlijk zelfs nog een mooier verhaal zijn, maar dat verzin ik hier ter plekke. Over de vraag wie het recht had op het patent voor de telefoon hebben Meucci, Gray en Bell uiteindelijk zo’n 500 rechtszaken gevoerd en het slot van het liedje was dat het patent bij Bell bleef.

Een mooi detail over het leven van Bell dat hier beslist niet onvermeld mag blijven, is dat Bell getrouwd was met een doof iemand, Mabel Gardiner Hubbard. Zij was een van de dove studentes die hij had leren kennen toen hij spraakles gaf op een dovenschool. De man die de telefoon heeft “bedacht”, heeft dus nooit naar huis kunnen bellen om tegen zijn vrouw te zeggen dat hij wat later thuis kwam.

Bell dovenschool

Bell, bovenaan de trap rechts met baard, op een dovenschool in Boston waar hij in 1871 les gaf.

Voor wat betreft het eerste werkende mobieltje, dat verscheen pas bijna 100 jaar later. Degene die het eerste mobiele gesprek voerde, was Martin Cooper van Motorola. Hij belde op 3 april 1973 naar Joel Engel van concurrent AT&T om hem te laten weten dat het Motorola was die als eerste een werkend mobieltje had. Zijn historische eerste woorden  – uit de categorie ‘lekker puh’ – waren: “Joel, ik bel je met een ‘echte’ mobiele telefoon.”  Ok, hij zal het vermoedelijk niet in het Nederlands gezegd hebben, maar ook in het Engels, is het niet een uitspraak uit het rijtje: “Het is een kleine stap voor een mens maar een grote stap voor de mensheid” – zijnde de eerste woorden van Neil Amstrong toen hij als eerste mens voet op de maan zette.

Ik heb het verhaal niet voor de krant gebruikt. Ik was er niet helemaal tevreden over. Maar dat is natuurlijk geen enkel beletsel om het hier wel te plaatsen!