Miss Tennesee en de groenteboer

Toen ik gisteren in het fotoarchief van het Nationaal Archief zocht naar oude foto’s van de TT van Assen (zie deze blogpost), kwam ik toevallig een foto tegen van Kay Hunter, die in augustus 1958 in Tennessee, USA een missverkiezing won. Opeens zag ik mij weer als vijfjarig jongetje met een mandje bosbessen staan in een groentewinkel in Apeldoorn in 1960. Toch wonderlijk hoe het geheugen na het zien van een foto een jeugdherinnering van 56 jaar oud oproept. Nu snap ik dat u niet direct de relatie ziet tussen miss Tennessee 1958 en een groentewinkel in Apeldoorn maar het zit zo.

Vlak na mijn geboorte hoorde de dokter bij mij een ruisje. Ik bleek een aangeboren hartafwijking te hebben. Een van mijn hartkleppen was wat te groot voor mijn kleine hartje en sloot daardoor niet goed. Bij een niet goed werkende hartklep kan er in de loop der tijd schade aan het hart ontstaan doordat het hart harder moet pompen. Nu is er aan hard werken nog nooit iemand dood gegaan maar aan te hard werken door het hart wel. Daarom moest ik toen ik vier jaar oud was een open hartoperatie ondergaan om de hartklep te repareren. Dat geschiedde in het Sint Antonius Ziekenhuis in Utrecht.

000 ziekenhuis

Het Sint Antoniusgasthuis bij de bouw in 1910; in 1983 is het ziekenhuis verhuisd naar Nieuwegein

In eerste instantie leek de operatie goed verlopen te zijn, maar twee dagen later – op een zondagavond – werden mijn ouders thuis opgebeld met de vraag of ze toestemming gaven om kleine Martin met spoed nog een keer te opereren, dit omdat de wond ontstoken was. Mijn moeder vroeg wat er gebeurde als ik niet opnieuw werd geopereerd. ‘Dan gaat hij dood’ was het nuchtere antwoord en uit het feit dat u nu deze blogpost zit te lezen mag u terecht constateren dat mijn ouders toestemming gaven voor deze tweede operatie. Dit keer ging wel alles goed (ik kan nu volgens de dokter met mijn hart 120 jaar oud worden; ik ben dus halverwege.)

Wel moest ik liefst twee maanden in het ziekenhuis blijven om verder te genezen. De zusters van de kinderafdeling vonden mij een 3-L kind: Lief, Leuk en Lastig. ‘Ondernemend’ noemde mijn moeder dat laatste liever. Zo stapte ik een keer toen ik met een zuster van de kinderafdeling terugkwam van het maken van röntgenfoto’s in tegenstelling tot de zuster niet uit de lift. Voordat zij door had dat ik was blijven staan, was de lift al weg. Toen de lift even later terug keerde, bleek ik er niet meer in te staan. Terwijl ik nieuwsgierig het ziekenhuis verkende, werd er een grote zoektocht naar het vermiste hartpatiëntje georganiseerd. Pas na ruim een half uur – het halve ziekenhuis was naar mij op zoek – werd ik aangetroffen op een kamer waar ik gezellig zat te keuvelen met een oude dame die dacht dat ik één van haar kleinkinderen was die op bezoek kwam.

Na twee maanden mocht ik naar huis. Bij het afscheid had mijn ‘vaste’ kinderzuster volgens mijn moeder tranen in haar ogen, maar of dat van vreugde of verdriet was wist mijn moeder niet. Thuis gekomen mocht ik van de dokter nog niet veel doen. De eerste paar maanden moest ik vooral thuis rusten. Zo mocht ik nog niet terug naar de kleuterschool en mocht ik ook geen “zware” lichamelijke inspanningen doen. Mijn ouders hadden daarom bijvoorbeeld mijn fietsje op de vliering van de garage gelegd, maar al snel had ik door dat de buurjongetjes hun fietsjes bij hun in de tuin lieten slingeren. Die ‘leende’ ik dan en fietste er vervolgens mee door de buurt totdat een oplettende buurvrouw mij bij de kraag greep en mij terugbracht naar huis. Mijn moeder, die ook nog eens net bevallen was van mijn zusje, vond me opeens niet meer ‘ondernemend’ maar ‘lastig’.

Mijn ouders besloten daarom om tijdelijk een hulp in de huishouding in te huren. Het was een jong meisje uit de wijk naast ons die mijn moeder hielp met wat huishoudelijke karweitjes en die verder als een soort oppas voor mij fungeerde. In het kader daarvan nam zij mij regelmatig achterop haar fiets mee voor een fietstochtje door de buurt. Nu woonden wij aan de Jachtlaan in Apeldoorn, vlakbij het paleis Het Loo, waar de oude koningin Wilhelmina haar laatste levensjaren sleet, dus het was logisch dat wij wel eens langs het paleis fietsten. Maar op de een of andere wijze kwamen we toch vaker bij het paleis uit dan dat je op grond van de statistieken mocht verwachten. Dat haar vriend hier paleiswacht was, zal er ongetwijfeld een rol bij hebben gespeeld.

00 het looPaleis het Loo met een paleiswacht in een hokje (foto Ron Kroon / Anefo – Nationaal Archief)

Nu zou het natuurlijk voor het verhaal leuk zijn om te kunnen schrijven dat op een dag toen zij en haar vriend samen in het hokje stonden te “keuvelen”, er een oude vrouw – lees prinses Wilhelmina – uit het paleis kwam lopen die vervolgens zou vragen wat ze daar in het hokje aan het doen waren, maar aan zo’n gebeurtenis heb ik helaas absoluut geen herinnering en is dus hoogst waarschijnlijk ook niet gebeurd.

Maar waar ik wel een herinnering aan heb en wat dus wel is gebeurd, is die keer dat wij in de bossen rondom paleis Het Loo samen met twee buurjongetjes van onze huishoudhulp bosbessen gingen plukken. Bij haar in de wijk zat een groenteboer die voor een vol mandje bosbessen twee kwartjes gaf. Nadat we allemaal een mandje vol hadden geplukt, en zij afscheid had genomen van haar paleiswacht, liepen we naar de groenteboer in haar wijk.

Eerst waren haar twee buurjongetjes aan de beurt. De groenteboer keek even in hun mandjes of het wel goede bessen waren en of onder de bovenste laag bessen niet een lading bladeren was verstopt. Daarna gaf hij ze elk twee kwartjes. Toen was ik aan de beurt. Ik zette mijn mandje op de toonbank, keek de groenteboer hoopvol aan en hield mijn hand al vast op. De groenteboer keek naar mij en zei toen: “Van jou koop ik geen bessen”.

Pardon?” zei mijn oppasjuffrouw. “Hij is niet van deze wijk. Hij moet zijn bessen maar in zijn eigen wijk verkopen.” sprak de groenteboer “Doe niet zo raar man. Dat kind is vijf. Hij hoort bij mij.” zei onze hulp op kwade toon.

De groenteboer viel niet te vermurwen. Hij bleef weigeren om mijn bosbessen te kopen. Ik moest maar naar mijn eigen wijk gaan. Toen we weer buiten stonden, ik met mijn mandje bosbessen nog steeds in mijn hand  – het huilen stond mij nader dan het lachten – pakte onze hulp haar portemonnee en haalde daar twee kwartjes uit. “Ik koop ze wel hoor” zei ze en ze gaf mij het geld.

Het gekke is dat ik absoluut niet meer weet hoe ze heette en zelfs ook niet meer weet hoe ze er uit zag, maar dat ze mijn bosbessen kocht, weet ik 56 jaar later nog steeds. Wonderlijk hoe het geheugen werkt. Ok, zult u misschien zeggen, en wat heeft miss Tennessee nu met dit verhaal te maken? Dat komt omdat miss Tennessee in 1958 Miss Bosbes, Tennessee was.

0000 bosbes

“Miss Bosbes”. De zojuist verkozen Kay Hunter poseert met een emmer bosbessen. Tennessee, 7 augustus 1958; aldus het onderschrift op de site van het Nationaal Archief bij deze foto.