Isfahan

Zo zag Isfahan 300 jaar geleden er uit. (Afbeelding afkomstig uit het boek ‘La galerie agreable du monde’ uitgeven in 1725 door P. van der Aa uit Leiden)

isphafaan

Tegenwoordig telt de stad zo’n 1,8 miljoen inwoners en is na Teheran en Mashhad de derde stad van Iran. Vanwaar Isfahan in dit blog?

Dat komt door mijn oudste dochter. Oorspronkelijk was zij van plan om het afgelopen weekeinde samen met haar vriend een weekendje Brussel te doen. Ze had daartoe een goedkope vlucht Berlijn-Brussel geboekt – het is tegenwoordig bijna moeilijker om een dure vlucht te vinden dan een goedkope –  en haar vriend zou per trein vanuit Rotterdam naar Brussel afreizen.

Maar toen kwamen de aanslagen in Parijs, gevolgd door de terreurdreiging in Brussel. Ze besloten daarop het weekend niet in Brussel door te brengen maar in Antwerpen. Ze vloog nog wel naar Brussel en nam vandaaruit de trein naar Antwerpen. Ze bekeken er een bierbrouwerij – dat zal wel het culturele aspect van het reisje zijn geweest – en gingen er verder winkelen en uit. Zondag vloog ze via Brussel weer terug naar Berlijn.

Gelukkig “vluchtte” ze naar Antwerpen en niet naar Isfahan. Voor wie deze zin niet begrijpt, zie hier het gedicht ‘De tuinman en de dood’ van Pieter Nicolaas van Eyck (1887-1954) uit 1926.

De tuinman en de dood

Een Perzisch Edelman:

Van morgen ijlt mijn tuinman, wit van schrik,  / Mijn woning in: ‘Heer, Heer, één ogenblik!

Ginds, in de rooshof, snoeide ik loot na loot, / Toen keek ik achter mij. Daar stond de Dood.

Ik schrok, en haastte mij langs de andere kant, / Maar zag nog juist de dreiging van zijn hand.

Meester, uw paard, en laat mij spoorslags gaan, / Voor de avond nog bereik ik Ispahaan!’ –

Van middag – lang reeds was hij heengespoed – / Heb ik in ‘t cederpark de Dood ontmoet.

‘Waarom,’ zo vraag ik, want hij wacht en zwijgt, / ‘Hebt gij van morgen vroeg mijn knecht gedreigd?’

Glimlachend antwoordt hij: ‘Geen dreiging was ‘t, / Waarvoor uw tuinman vlood. Ik was verrast,

Toen ‘k ‘s morgens hier nog stil aan ‘t werk zag staan, / Die ‘k ‘s avonds halen moest in Ispahaan.’

Wat ik overigens nooit heb geweten, en pas zag toen ik de tekst van het gedicht op internet opzocht, was dat dit gedicht grotendeels plagiaat is. Niet de letterlijke tekst, maar wel het idee. Zo schreef een zekere Fransman Cocteau drie jaar voordat Van Eyck zijn gedicht publiceerde al een verhaal over een tuinman in Perzië die naar Isfahan vluchtte omdat hij in de tuin  de Dood had gezien. Maar ook Cocteau was niet de eerste idee die dit idee opschreef. Het is een al eeuwenoud verhaal. Uit de Wikipedia:

De oudste versie van het verhaal is de Babylonische Talmoed,waarin koning Salomo een gesprek heeft met de Engel des Doods, die twee van Salomo’s klerken zegt te komen halen. Salomo […] beveelt daarop enkele geesten om het tweetal in veiligheid te brengen in het land Luz. De volgende dag komt de Dood Salomo lachend tegemoet, omdat de koning zijn dienaren heeft gezonden naar de plaats waar de Engel des Doods ze moest afhalen.

Varianten op dit verhaal duiken in de middeleeuwen op in allerlei teksten, geschreven door islamitische soefi’s, zoals de negende-eeuwse schrijver Fudail ibn Ayad en – vooral – bij de grote schrijver Roemi (1207-1273). Deze versie, te vinden in het Korancommentaar Masnavi-i Ma’navi, is de beroemdste: Roemi vertelt hoe Sulayman (koning Salomo) in zijn paleis (in Jeruzalem) een dienaar ontvangt die zegt de doodsdemon Azraël te hebben ontmoet, vraagt te mogen vluchten en op weg gaat naar India, waarna Sulayman van Azraël verneemt dat hij diens dienaar in India moest halen. Roemi’s verhaal behoort tot de bekendste vertellingen in het Midden-Oosten. Verschillende versies zijn opgenomen in Duizend-en-een-nacht.”

In een artikel in Trouw van 24 juni 1995 gaat de auteur Herman Franke uitgebreid in op deze “plagiaatkwestie”. Daar staat ook een vertaling van het verhaal van Roemi uit de dertiende eeuw:

“In de vroege ochtend rende een edelman de zaal binnen waar Koning Salomo rechtsprak. Zijn wangen waren bleek van ontzetting, zijn lippen waren blauw. Salomo zei: “Waarde heer, wat is er gebeurd?” Hij zei: “Azrajiel, de Doodsengel heeft mij aangekeken met een blik zo vol woede en agressie!” “Wat wilt u dat ik daaraan doe, zeg het me!”, vroeg de koning. De man zei: “Beschermer van het leven! Beveel de wind mij van hier naar Indië te brengen: misschien kan ik daar mijn leven redden!”

De wind kreeg het bevel de man snel weg te voeren over zee, naar een plek diep in Indië. De volgende dag, toen Salomo de staatszaken besprak en audiëntie gaf, vroeg hij Azrajiel: “Waarom hebt u deze brave moslim zo woedend aangekeken en hem van huis en haard verjaagd?” De engel zei: “Heb ik hem woedend aangekeken? Ik was verbaasd omdat ik hem hier tegenkwam terwijl ik op God’s bevel zijn ziel vandaag moet halen in Indië. Al had hij honderd vleugels, overwoog ik in verwondering, dan zou Indië nog te ver voor hem zijn.” (Vertaald uit het Perzisch door J. T. P. de Bruijn, 1995)

Dezelfde Herman Franke  – laat ik vooral zorgen dat ik hier goed aan bronvermelding doe –  schreef op 10 juni 1995 ook een artikel in Trouw over deze kwestie. Toen schreef hij onder andere:

In een radiouitzending (De Avonden), drie dagen na de dood van Ischa Meijer, gaf Freek de Jonge een mooie variant op het gedicht. Hij hoorde van Ischa’s dood op het toneel in Tiel, waar hij ook de dood van Wim Sonneveld vernomen had. Hij nam zich voor Tiel te mijden om te voorkomen dat er nog meer aardige, interessante mensen dood zouden gaan, maar hij zag bijtijds in dat hij zich gedroeg als de vluchtende Tuinman. Nu verwachtte hij uiteindelijk zelf op het toneel in Tiel te zullen sterven.”

Is het nu heel erg dat het idee van het gedicht “plagiaat” is? Het zou netter geweest zijn als Van Eyck zijn bronnen bij het gedicht had vermeld, maar dankzij de versie van Van Eyck kennen nu veel Nederlanders dit mooie verhaal en het idee er achter, dus ik vergeef hem. Sinds Van Eyck zijn er meerdere parodieën op zijn gedicht verschenen.

Eén van de mooiste daarvan is die van P. de Weerd die naar aanleiding van de “dooi-elfstedentocht” van 1985 het gedicht ‘De schaatsenrijder en de dooi’ schreef:

Een Friese stempelaar:

Vanmorgen ijlt een rijder, wit van schrik, / Mijn hokje in: ‘Mijnheer, één ogenblik!

Ginds op de trekvaart gleed ik nog zo mooi. / Toen keek ik onder mij: daar was de Dooi.

Ik schrok en haastte mij naar de andere kant, / Daar kluunde ik een tijdje door het zand.

Geef mij uw stempel, een stuk touw en ook een priem, / Voor de avond nog bereik ik Bartlehiem!’ –

 Vanmiddag (lang reeds was hij heen gespoed) / Heb ik in ‘t stempelhok de Dooi ontmoet. 

‘Waarom’, zo vraag ik, wijl het water stijgt, / ‘Hebt gij vanmorgen reeds de tocht bedreigd?’

Glimlachend antwoordt hij: ‘Geen dreiging was ‘t, / Waarvoor uw rijder vlood. Ik was verrast,

Toen ik vanmorgen in uw hokje heb gezien / Die ik des avonds halen moest in Bartlehiem.’