Category Archives: Jeugdherinneringen

De Rijks HBS in Deventer -2

Dit is een vervolg op de Rijks HBS in Deventer -1 

De directeur van onze school was meneer Tijdens. ‘s Morgensvroeg stond hij vaak met zijn handen op de rug gevouwen in de hal van de school te kijken hoe de leerlingen de school binnen stroomden. Als je te laat was, moest je een briefje halen bij de conciërge. Als je geen goed excuus had – ‘de brug was open’  of ‘het stoplicht bleef maar op rood staan’  – dan moest je voor straf drie keer om kwart voor acht komen, oftewel een kwartier eerder. Je moest je dan melden bij de conciërge.

Als je tijdens de les uit de klas werd gestuurd, dan moest je je melden in het kantoor van meneer Tijdens en daar berouwvol aan hem uitleggen waarom je de klas was uitgestuurd. Zelf ben ik gedurende mijn hele HBS-tijd, ondanks dat ik wel een druk baasje was, nooit uit de klas gestuurd. Misschien kwam dat omdat mijn vader in die tijd ook leraar aan de school was. Hij gaf handelsrekenen en boekhouden. Later werd hij directeur van de MEAO. Die school zat nog een tijdje bij de HBS in, alvorens het een eigen gebouw elders in de stad kreeg.

00000 0 hbs noodlokalen2Het noodlokaal op het schoolplein was de keet waar het kantoor van de directeur (mijn vader dus) en het secretariaat van de MEAO was gevestigd, voordat de MEAO een eigen gebouw elders kreeg.

Omdat mijn vader ook leraar was aan school, hoorde ik ook wel eens leerlingen enthousiast juichen als hij ziek was. In de hal van de school hing een groot schoolbord. Het eerste wat je deed als je op school kwam, was kijken op het bord. Op het schoolbord  – internet bestond nog niet – stond namelijk geschreven welke leraren die dag ziek waren en welke lessen uitvielen. “Yes, Van Neck ziek! Geen boekhouden vandaag!” hoorde ik dan leerlingen juichen.

Directeur Tijdens had de reputatie een beetje ouderwetse directeur te zijn, maar eigenlijk was hij vrij vooruitstrevend. Zo verscheen in 1969 de film ‘Easy Rider’ met Peter Fonda, Dennis Hopper en Jack Nicholson. De school huurde op een zaterdagochtend de bioscoop af en alle leerlingen van de derde, vierde en vijfde klas van de school mochten gratis de film gaan bekijken.

Ook gaf hij ter gelegenheid van een of ander jubileum zijn zegen aan een optreden van de groep Brainbox, met daarin Jan Akkerman die later wereldberoemd met Focus  zou worden. Ze gaven een openluchtconcert op het sportveld achter het gebouw.

00000 0 hbs achterHet sportveld waar Brainbox optrad.

De band speelde ongeloof hard. Zo hard zelfs dat mijn moeder – wij woonden in Diepenveen, zo’n vijf kilometer van school af, zelfs de muziek kon horen. Van heinde en ver kwam de plaatselijke jeugd uit Deventer en omstreken naar het concert. Bij de ingang stond al snel politie – die op advies van enkele leraren van onze school, die aangaven welke leerlingen wel en welke niet op onze school zaten –  mensen tegen hielden. Het werd een legendarisch concert.

Van een hoop leraren op onze school ben ik de naam vergeten, maar van een aantal weet ik nog hoe ze heten. Zo had je Sam Le Poole, de tekenleraar. Je mocht van hem singletjes meenemen die hij dan tijdens de les draaide. Regelmatig hoorde je dan de Beatles en de Rolling Stones door het tekenlokaal schallen. Eén keer nam iemand ‘Ich Bau Dir Ein Schloss’ van Heintje mee.  Dat draaide hij ook.  Geen probleem.

Meneer Brands gaf ‘Cultuur geschiedenis van het Christendom’. Later werd dat ‘Kennis van het Geestelijk Leven’ en kwamen ook andere godsdiensten aan de orde.

Ook een opvallend iemand was mejuffrouw van de Brink. Zij gaf geschiedenis. Ze ging eind jaren zestig – the roaring sixties – altijd gekleed in de meest kleurrijke combinaties zoals een paarse rok gecombineerd met een felgroen truitje. Niemand noemde haar overigens mevrouw van de Brink – oké, misschien haar collega’s wel. De leerlingen noemden haar allemaal ‘Kleppie’. Dit omdat ze de gewoonte had om telkens hard in de hand te klappen als ze de klas stil probeerde te krijgen.

Een speciaal iemand was onze biologieleraar meneer Sikkema. Die schreef aan het begin van het schooljaar altijd zijn  naam en bankrekeningnummer op het bord. Dit voor het geval je een hoger rapportcijfer wilde hebben dan dat je op grond van je proefwerken verdiende. Gedurende al die tijd dat ik hem als biologieleraar had, dreigde hij vanwege mijn onduidelijke handschrift om punten op mijn cijfer in mindering te brengen.  Na vier jaar gaf hij eindelijk uitvoering aan deze dreigementen. Van mijn allerlaatste proefwerk Biologie op de HBS veranderde hij voor straf voor mijn slechte handschrift het cijfer 6 in een 6-min. Ai, ik was geschokt.

Nu zult u misschien zeggen, je schrijft alleen maar over leraren, niet over leerlingen. Er zaten toch ook wel leerlingen op school? Nee, dat niet. Dat was heel bijzonder, op onze school zaten alleen maar leraren, geen leerlingen. “En jij dan?”  “Oké, you’ve got me”.

De volgende keer daarom wat over mijn klasgenoten. Tot morgen leerlingen.

 

 

De Rijks HBS in Deventer -1

Van 1967 tot 1972 heb ik op de HBS in Deventer gezeten. Om toegelaten te worden tot de HBS moest je een toelatingsexamen doen. Dat was geen probleem. Ik had een tien voor rekenen en een acht voor taal, meld ik in alle bescheidenheid. (“Het ellendige van bescheidenheid is dat je er niet over kunt opscheppen.” –  Eugene A. Brown)

De HBS was een vijfjarige opleiding die je het beste kan vergelijken met het huidige Atheneum. Alleen duurde de HBS een jaar korter. Een ander verschil was dat we opmerkelijk genoeg meer vakken hadden dan het atheneum. We leerden dus minder van meer. Je koos geen vakkenpakket, maar na de derde klas werd de HBS gespitst in een HBS-A en een HBS-B. De A-kant was de talenkant, de B-kant, die ik deed, was de exacte kant.

00000 0 hbs voorzije2bDe HBS in Deventer in de jaren zestig. In de woning rechts op de foto woonde meneer Stegink, de conciërge van de school. Links zijn een paar van de vele noodlokalen te zien.

00000 0 hbs noodlokalenOp deze foto zijn de noodlokalen beter te zien. 

De HBS stond aan de Burgersdijkstraat in Deventer. De wijk ernaast was niet de meest beste buurt van Deventer, maar het snoepwinkeltje een straat verderop werd door de leerlingen in de pauze druk bezocht. De HBS is in 1980 gesloopt.

00000 0 hbs achterDe achterkant met de sportvelden waar wij gymnastiek hadden.

Bij het zoeken naar foto’s van de HBS kwam ik ook deze foto uit eind jaren zestig tegen.

00000 0 hbs auto

Het grappige is dat ik van een paar auto’s nog weet van welke leraar ze waren. Zo was de Volkswagen van meneer Jager. Deze kwam altijd aanrijden alsof hij James Bond was. Hij gedroeg zich ook als een man van de wereld, maar ja, hij gaf dan ook aardrijkskunde.

De Renault, hoe kan het ook anders, was van de leraar Frans, meneer Anciaux.  Hij draaide vaak Franse chansons van Gilbert Bécaud,  Barbara, Georges Moustaki, Jean Ferrat, Charles Aznavour en anderen in de klas, waarna hij vervolgens de teksten besprak.

Hadden we voor Frans een leraar met een Franse naam, voor Engels hadden we – alsof zijn naam zijn lot had bepaald –  meneer Smith. Nu zou je nu misschien verwachten dat we dan voor Duits iemand met een Duitse naam zouden hebben,  bijvoorbeeld Von Richthofen, maar voor dat vak hadden we mejuffrouw Kalis – oké, dat klinkt ook wel een beetje Duits.

Mejuffrouw Kalis was een wat ouder dame die het winters altijd zo koud had dat ze vaak met een jas aan in de klas zat. Ze had een merkwaardige manier om de klas stil te krijgen als deze naar haar zin te rumoerig aan het werk was. Ze sloop dan naar de deur van de klas, deed deze open en sloot deze vervolgens met een zo’n harde klap dat iedereen zich een ongeluk schrok. Ik zag dat altijd aankomen, want ik zat in mijn eentje helemaal apart in een tweepersoonsbankje bij die deur.

Dat was niet vrijwillig. Eerst zat ik met een vriendje met zijn tweeën in een tweepersoonsbankje ergens anders in de klas, maar mevrouw Kalis vond ons na een tijdje samen zo druk dat ik helemaal rechts alleen in een bankje werd gezet en mijn vriendje helemaal links. Het schooljaar er op gingen we weer ergens samen zitten, waarop mejuffrouw Kalis zei: “Wat zijn we daar aan het doen?” en ze wees onverbiddelijk naar onze oude bankjes. Had ik al verteld dat ze een strenge indruk maakte?

Dat ik bij Duits alleen in een bankje zat, had echter ook een voordeel en wel bij proefwerken. Bij proefwerken had je vaak twee versies: links en rechts. Dit om het spieken te voorkomen. En op de een of andere wijze was het altijd zo, dat als je rechts in de bank zat, de versie voor links makkelijker was en zat je links dan was juist rechts makkelijker, althans dat idee had ik altijd. Maar bij Duits zat ik alleen en dan keek ik altijd voordat ik begon welke versie mij het makkelijkste leek. Ik lette er wel op dat als ik bijvoorbeeld links had gemaakt, ik de volgende keer bij het terugkrijgen van het proefwerk in het linkerdeel van het bankje zat.

Duits was overigens niet mijn favoriete vak. Al die verschillende naamvallen en rijtjes met uitzonderingen waren niet aan mij besteed. Nu kon ik dankzij het kijken naar het Duitse voetbal en Duitse krimi’s op tv wel redelijk goed Duits verstaan, maar in de proefwerken van mejuffouw Kalis kwamen nooit woorden als ” Ecke’ (hoekschop) en ‘Fallrückzieher’ (omhaal) voor. Ook zinnetjes als “Harry, hol schon mal den Wagen” (uit Derrick) zaten niet in haar proefwerken. Wel allemaal  ‘Schwere Wörter’.

Wie auch immer (anyway; en tous cas) meer over mijn HBS-tijd volgende keer. Tot morgen leerlingen.

 

Hij die het niet verdient om hier genoemd te worden.

Ik moet iets bekennen. Ik heb me vroeger een keer schuldig gemaakt aan seksueel grensoverschrijdend gedrag. Het spijt me. Ik heb ooit iets geroepen naar een vrouw wat ik niet had moeten doen. Hoewel vrouw, het was nog maar een meisje van een jaar of veertien. Ik weet het, zo klinkt het nog erger. Ter verdediging, ik was zelf nog maar dertien jaar oud.

Het was in de zomer van 1968, een warme augustusdag. De scholen waren na de zomervakantie net weer open. Ik fietste met ‘hij die het niet verdient om hier genoemd te worden.’ – waarom hij zo heet wordt straks duidelijk –  door de stad, hoewel stad, het was Deventer. Zo’n vijftig meter voor ons uit fietsten een meisje van een jaar of veertien en een oudere vrouw, vermoedelijk haar moeder.

Opeens zei ‘hij die het niet verdient om hier genoemd te worden’: “Durf jij ‘dag schatje’ naar dat meisje te roepen?” Ik keek hem verbaasd aan.

Dat durf je niet hè” zei ‘hij die het niet verdient om hier genoemd te worden’. “Tuurlijk wel”  antwoordde ik. “maar waarom zou ik dat doen?”.Nou gewoon daarom, volgens mij durf je dat niet”

“Durf jij het wel?” Ik kaatste de bal terug. “ Ik wel hoor”, antwoordde ‘hij die het niet verdient om hier genoemd te worden’. ”Oké”, zei ik “maar dan wel samen”.  “Is goed, als we er naast fietsten, dan roepen we het allebei tegelijkertijd” zei ‘hij die het niet verdient om hier genoemd te worden’.

We verhoogden ons tempo, haalden ze in en toen we naast de moeder en dochter kwamen – ‘hij die het niet verdient om hier genoemd te worden’ aan de buitenkant; het verst weg; ik aan de binnenkant –  piepte ik met een hoog stemmetje: “Dag schatje”. ‘Hij die het niet verdient om hier genoemd te worden’ hield echter zijn mond, ging op de pedalen staan en fietste keihard door.

Het meisje en de moeder keken opzij. “Hoi Martin” zei het meisje. Het was Gisela. Ze was nieuw in onze klas. Ze was een zittenblijver en was bij ons in de klas geplaatst. Ik had haar niet herkend. “Hoi” mompelde ik met een rode kop. Ik wist niet goed wat ik zeggen moest. Ik was verbaasd dat ze mijn naam al wist. Zachtjes mompelde ik: “Tot ziens op school’ en fietste er toen snel vandoor.

00000 0 hbs voorzije2bOnze oude Rijks-H.B.S. in Deventer. Het gebouw werd in 1980 gesloopt.

Lafaard“ riep ik toen ik ‘hij die het niet verdient om hier genoemd te worden’ had ingehaald. ‘Hij die het niet verdient om hier genoemd te worden’ grijnsde slechts.

Een gemiste kans

Bij het zoeken naar de singletjes van Shocking Blue – zie gisteren – kwam ik ook mijn platenmapje tegen met mijn Beatles-singles. Ik heb een apart mapje met al mijn Beatles-singles.  De allereerste plaat die ik ooit kocht was in 1968 Hey Jude van de Beatles.

0000 beatles 0

0000 beatles 01

De voor- en achterkant van Hey Jude. Het is niet direct zo dat je zegt dat het plaatje van een oud vrouwtje is geweest die hem nooit gedraaid heeft. De hoes is een tikkeltje beschadigd.

Op de achterkant van de hoes staat het adres van de Beatles Fanclub in 1968 vermeld. Ik dacht dat zal wel een groot kantoorgebouw van de platenmaatschappij zijn. Voor de nieuwsgierigheid keek ik even op Google Earth. Wat blijkt, het is een gewoon rijtjeshuis in Leiden.

0000 beatles huis

Vanuit dit rijtjeshuis werd in 1968 de Beatles-fanclub in Nederland georganiseerd.

Mijn eerste Beatles-singletje kocht ik pas in 1968. Je kan dan ook niet zeggen dat ik er vroeg bij was. Ik ging later oude Beatles-singles verzamelen. Als ik bijvoorbeeld ergens in een platenzaak was, keek ik altijd even in de opruimingsbak om te zien of er oude Beatles-singles in lagen. Soms had ik succes en kon ik mijn collectie aanvullen.  Deze EP bijvoorbeeld – een EP was een soort singletje waar vier nummer opstonden – kocht ik tijdens een schoolreisje met de HBS in Parijs in 1970.

0000 beatles 02

Al met al heb ik een heel mapje vol. Er zitten echter geen  unieke exemplaren bij. Dat geldt niet voor mijn Beatles-lp verzameling. Zo heb ik een uniek exemplaar van The White Album .

0000 beatles wJe zal het niet zeggen maar dit is een unieke hoes. Het unieke zit hem in het nummer rechtsonder. De eerste drie miljoen exemplaren kregen een uniek nummer er in gestempeld.

0000 beatles w2

De Beatles zelf kregen de nummers 1 tot en met 4. Op een veiling bracht een aantal jaar geleden het exemplaar van Ringo Starr – hij had nummer 0000001- het lieve sommetje op van 708.000 euro. De LP met het nummer 0000005 is toen voor 19.000 euro verkocht, dit exemplaar schijnt uit de privécollectie van John Lennon te komen. Hoe lager het nummer, hoe waardevoller de hoes is. Ik heb nummer 577959. Oké, niet veel waard dus, maar wel uniek.

Ik heb ook een aantal bootlegs, dat zijn illegale opnames van concerten van de Beatles, bijvoorbeeld deze. Daar zijn er niet zo veel van.

0000 beatles

Een soortgelijk exemplaar is onlangs voor 40 dollar geveild op Catawiki. Hier word ik dus ook al niet rijk van.

Toch had ik geld kunnen verdienen met mijn Beatles-LP’s. Ik kocht mijn bootleg-exemplaren tijdens mijn studietijd altijd in een duister platenzaakje in Enschede. Op een dag halverwege de jaren zeventig vroeg de eigenaar of ik belangstelling had voor twee Amerikaanse Beatles-LP’s, die hij toevallig  via via had gekregen.

0000 beatles first

0000 beatles second

Het waren gewone lp’s uitgebracht op Capitol Records, de Amerikaanse platenmaatschappij van de Beatles. In zoverre waren ze niet uniek. In Europa werden deze platen door Parlophone uitgegeven en hadden een andere hoes. Daardoor waren deze Amerikaanse exemplaren in Nederland wel erg zeldzaam,

Omdat ik de hoes van de eerste lp waar de Beatles als slagers met al dat vlees zitten eigenlijk maar een beetje onsmakelijk vond – en ik had alle nummers al – liet ik die links liggen maar kocht ik wel die tweede, die dan ook heel toepasselijk de ‘second album’  heet.

Met de kennis van nu kunnen we dat een verkeerde keuze noemen. Ik was niet de enige die de hoes een beetje onsmakelijk vond. Dat vond de Amerikaanse platenmaatschappij kort na het uitbrengen na hernieuwd inzicht ook. Ze besloot alle exemplaren weer terug te halen en de hoes te vervangen door een ander exemplaar. Als gevolg daarvan bestaan er nog maar heel weinig exemplaren met de slagershoes.

Bezit je een exemplaar dat nog in de dichte extra  plastic verpakking zit, dan kan je die voor meer dan 100.000 euro verkopen. ‘Gewone’ exemplaren doen op veilingen bedragen van zo’n 10.000 euro. Ik zei al, met de kennis van nu, een verkeerde keus.

(Ik had in die tijd natuurlijk direct de lp uit de extra plastic verpakking gehaald want anders kan je hem niet draaien. Die handeling zou 90.000 euro “gekost” hebben.)

Misschien moet ik maar weer eens naar Enschede. Wellicht bestaat de zaak nog en als ik een beetje geluk heb ligt de LP nog in de bak met de B van Beatles.

 

 

Mariska Veres (2)

Naar aanleiding van mijn blogpost van eergisteren heb ik boven op zolder even in wat mapjes met oude singletjes zitten zoeken. Ik trof in ‘mijn platenverzameling’ zes singletjes van Shocking Blue aan, allemaal al 50 jaar of ouder.

0000 singles Shocking Blue 2

Die kunstzinnige hoes van Venus, hun nummer 1 hit in Amerika, vond ik in die tijd uiteraard (geen Mariska Veres!) helemaal niks, dit in tegenstelling tot de hoes van ‘Mighty Joe’. Alleen al vanwege de hoes – beter is: ‘vooral vanwege de hoes’; het nummer zelf, daar vond ik weinig aan – wilde je als fan van Mariska Veres dat singletje hebben. Je kon zelfs een deel van haar borsten zien en daar hoefde je niet eens veel moeite voor te doen!

0000 singles Shocking Blue 3

Erg lang ben ik overigens geen fan van Shocking Blue geweest. Op een gegeven moment vind je “echte meisjes” interessanter. Ik heb even op Wikipedia gekeken. Daar staat een stuk over Shocking Blue met daarin ook hun discografie.

0000 singles Shocking Blue

Ik zie dat mijn laatst gekochte Shocking Blue singletje ‘Shocking You’, op de foto rechtsonder; – met Mariska Veres in hotpants op de hoes;  hotpants was in 1971 even heel kort een grote rage – uit maart 1971 stamt.  Ik heb daarna behoorlijk wat singletjes gemist zo te zien.

Overigens het singletje ‘Send me a Postcard’ – linksboven op de foto, kocht ik niet op het moment dat het uitkwam (in december 1968; zo’n vroege fan was ik niet) maar een keertje later in de opruiming. De hoes stelde niet veel voor, maar ik vond het wel een goed nummer.

In die tijd kocht ik wel vaker oude singletjes voor 50 cent of zo ergens in de opruiming. In mijn platenmapjes zag ik onder andere deze zitten uit de tijd dat de Golden Earring nog dacht dat het meervoud van ‘Earring’ ‘Earrings’ was.

0000 singles golden earrings

Of neem deze plaat van BZN, met Jan Keizer maar nog zonder Annie Schilder. In die tijd speelden ze geen Volendamse palingpop maar rock ‘n roll .

0000 singles bzn

Linksboven op de hoes heb ik keurig mijn naam geschreven. Dat was omdat je van de tekenleraar op de HBS platen mee naar de les mocht nemen die hij dan tijdens het tekenen draaide. Wel je naam er op zetten!

Ik trof ook ‘Imagine’ van John Lennon aan. Toen het in oktober 1971 uitkwam, kocht ik het singletje direct.

0000 singles imagine 2

Je kan niet zeggen dat het in een spectaculaire hoes zit. Het is eigenlijk een soort retrohoes zoals je in de jaren vijftig wel vaker zag. Zie deze twee voorbeelden van ‘plaatjes’, zo noemde je in die tijd singletjes, die nog van mijn ouders zijn geweest.

0000 singles 50‘Voor één gulden per jaar ben u abonné op “gramophonehouse-nieuws”

0000 singles 50 2

Heerlijk die Apeldoornse telefoonnummers van slecht vier cijfers. (Meer dan 9999 abonnees hadden ze in die tijd (halverwege de jaren vijftig)  in Apeldoorn  blijkbaar niet.)

In mijn singletjes-collectie trof ik ook een absoluut verzamelobject aan en wel een zingende Johan Cruijff.

0000 singles cruijff

Hoewel, het woordje zingen is misschien niet het juiste woord.

Maar goed, terug naar Mariska Veres, wie haar nog een keertje Venus wil horen zingen – en vooral wil zien zingen – zie hier:

0000 singles Shocking Blue 02

 

 

 

Mariska Veres

Bij het zoeken naar wat foto’s van voetballers op Schiphol voor een mogelijk verhaal voor Hard Gras kwam ik onderstaande foto tegen van Wim van Hanegem, die in 1970 samen met het kindsterretje Wilma – ‘Zou het erg zijn lieve opa?’ – op Schiphol een gouden plaat uitreikt aan de de Haagse popgroep Shocking Blue.

000 bord 00mv 0Wim van Hanegem is de tweede van links.  Foto Joost Evers; Nationaal Archief, Anefo

Shocking Blue was de eerste Nederlandse groep die – met het nummer Venus – de eerste plaats van de Amerikaanse Bilboard top 100 haalde.

000 bord 00mvDe man bovenaan de foto is overigens geen lid van de groep, maar is Albert Mol.

000 bord 00a17 februari 1970: Haagse beatgroep Shocking Blue krijgt “zilveren penning van verdiensten” van Den Haag van wethouder van onderwijs H. J. Bilzen . Shocking Blue , Bilzen (r)’ , aldus de  beschrijving van deze foto in het Nationaal Archief; foto Rob Mieremet

Ik was in 1970 fan van Shocking Blue, niet zo zeer vanwege hun muziek maar vanwege Mariska Veres, de zangeres van de groep.  Ik had posters van haar aan de muur van mijn jongenskamer hangen. Bij het blad ‘Popfoto’ zat in die tijd regelmatig een grote poster van Shocking Blue. Het mooiste was als ze op de foto aan de zijkant stond. Dan kon je die jongens er af knippen.

Als 14-jarig jongetje was ik hevig verliefd op haar. Ze had rondingen – ronde dingen zeiden wij in die tijd; wisten wij veel –  die de meisjes in onze klas nog lang niet hadden en vooral dat schitterende lange zwarte haar vond ik prachtig.

000 bord 00mv 1000 bord 00mv 2

En nu verplaatsen we ons even in de tijd. Ruim veertig jaar later spreek ik in de pauze van een cursus iemand die in die tijd bij de groep betrokken was. Uiteraard komt het gesprek op Mariska Veres. We hebben het over dat lange zwarte haar en opeens zegt hij “Weet je dat dat een pruik was”. Wat? Echt waar? Ik kan het nauwelijks geloven.

Thuis gekomen ga ik googlelen. Ik kom een interview met haar tegen uit het begin van deze eeuw. Ze is erg dik geworden en heeft nu kort krullend haar. De interviewer stelt de vraag “Waar is dat lange haar van vroeger gebleven?” waarop ze antwoordt “Dat ligt in de kast. Dat was een pruik.” “Daar valt een jongensdroom in duigen. Ze komt in het interview wel erg sympathiek over. Zie je wel, het gaat om het karakter.

In november 2006 wordt er bij haar galblaaskanker vastgesteld. Drie weken later overlijdt ze al. Ze is slechts 59 jaar oud geworden.  Op haar Wikipediapagina lees ik:  “Op 29 augustus 2020 werd op een transformatorhuisje aan het Prins Hendrikplein in het Zeeheldenkwartier in Den Haag door burgemeester Jan van Zanen een muurschildering onthuld met Mariska’s portret, gemaakt door de Haagse Street art kunstenaar Beyond.”

Het Zeeheldenkwartier in Den Haag, daar heb ik ook gewoond. Ik moet er maar eens het transformatorhuisje gaan bekijken. Kijken of ze er met dat sluike zwarte haar op staat afgebeeld.

Ik denk het wel, al is het op Google Earth niet goed te zien. Google Earth heeft haar gezicht namelijk geblurd.

000 bord 00o

 

De beste manier om Monopoly te spelen

In mijn jeugd speelde ik vaak Monopoly. Voordat we begonnen hadden we soms al ruzie en wel over hoe de vraag hoe je de naam van het spel uitsprak. Ik zei keurig zoals het hoort ‘mo-no-polie’, maar ik had een vriendje die sprak het altijd uit als ‘mon-nop-pelie’, met de klemtoon op ‘nop’.  Helemaal fout natuurlijk. Hij won het spel dan ook haast nooit. Hoe kan je het spel ook winnen als je niet eens weet hoe je de naam moet uitspreken?

0000 monopo;y 3

Monopolie is een kwestie van geluk (de dobbelstenen), tactiek (welke straten probeer je te pakken te krijgen) en onderhandelings-vaardigheid. In dat laatste aspect was bijvoorbeeld het mon-nop-pelie’  vriendje heel slecht. “Als jij mij nou Vreeburg geef, dan krijg je van mij Electriciteitsbedrijf plus 100 gulden. Als je het niet doet, is het spel helemaal dood.” sprak ik met een zielig gezicht, waarop hij dan met een blij gezicht Vreeburg aan mij gaf. Geen idee wat er later van hem geworden is. Hij is vast sociaal werker of zoiets geworden.

De geluksfactor wordt gevormd door de twee dobbelstenen (en de Kans en Algemeen Fonds kaartjes die je trekt) . Met twee dobbelstenen is  de kans het grootst dat je zeven bij elkaar gooit.

0000 monopo;y 4

Van de zesendertig mogelijke uitkomsten geven er immers zes (1-6; 2-5; 3-4; 4-3; 5-2 en 6-1) zeven als uitkomst oftewel de kans dat je een zeven gooit is 6/36 *100% = 17%. Daarna volgen de kansen op een zes of op een acht, die zijn beide 14%. De kans dat je een twee (een dubbele één) of een twaalf (een dubbele zes) gooit is maar 3%.

De kans dat je tien gooit is 8%; altijd handig om te weten als je in de gevangenis zit en je hoopt in één keer op Vrij Parkeren – tien vakjes verderop – uit te komen  (de kans dat dit met dubbel vijf lukt is 3%).  Wij speelden altijd met de niet-officiële regel dat alle boetes in de pot kwamen en de pot was voor degene die op Vrij Parkeren kwam.

Voor wat betreft de tactiek hadden wij al snel door dat Utrecht en Groningen goede steden waren om te hebben en dat Amsterdam weliswaar leuk was om te hebben, maar dat het een dure stad was om huizen en hotels op te zetten en er kwamen ook nog eens weinig mensen op.

Even tussen haakjes, ik gebruik hier de straten- en steden-benamingen van de oer-Hollandse versie.  Je hebt tegenwoordig allerlei versies. Zelf hebben wij twee versies. Een oude Hollandse versie die van Marianne was – op de deksel daarvan heeft ze  tien keer haar naam geschreven, opdat haar jongere zusje niet zou denken dat het spel van haar was – en een ‘National Parks’ versie die we een keer op vakantie in Amerika hebben gekocht.

0000 monopo;y 5

Om je kansen te vergroten, kan je allerlei statische analyses maken. Zo kan je de kans uitrekenen dat je op een bepaalde straat komt. Stel je staat bij voorbeeld op Start en je bent aan de beurt, wat is dan de kans dat je tijdens je beurt op Brink, Ons Dorp belandt? Daarvoor moet je drie groeien. Die kans is 6%. Stel nou dat je niet op Start staat, maar op Dorpsstraat, Ons Dorp, wat is dan de kans dat je op Brink belandt? Dan moet je twee gooien en zoals boven al opgemerkt is die kans maar 3%.

Echter, er is nog een manier om in één beurt van Dorpsstraat naar Brink te komen: dan moet je eerst een dubbele drie gooien, waardoor je op Kans belandt. Dan moet je hopen dat je een goede kaartje trekt, zoals ‘Ga naar de Kalverstraat’ of ‘Ga naar Start’. Omdat je dubbel had gegooid, is je beurt nog niet voorbij en dan heb je nog een kans om dan vanaf de Kalverstraat of Start op Brink te belanden. Hoe groot de kans is dat je zo’n Kans-kaart trekt, hangt af van af welke Kans-kaartjes al getrokken zijn. Ook zijn er nog een paar andere routes mogelijk (bijvoorbeeld  dubbel drie -> Kans -> Ga naar Heerestraat -> dubbele zes -> zeven) om in één beurt vanaf Dorpsstraat op Brink te komen.) Hoe groot die kans is, weet ik niet. Niet zo groot denk ik, maar het is me veel te ingewikkeld om het uit te rekenen.

We gaan weer een vakje verder. Stel nu dat je op het Algemeen Fonds vakje vlak voor Brink staat. Dan is de kans dat je op de Brink belandt nul. Eén kan je niet gooien en de route via Kans verderop is ook uitgesloten, want om daar op te komen moet je vijf gooien en dat is geen dubbele en is je beurt afgelopen. Zo kan je voor elk vakje uitrekenen wat de kans is dat je op een bepaald vakje belandt. Daar kan je dan een groot wiskundig model van maken en met behulp ban lineaire programmering en Markov-ketens kan je uitrekenen hoe vaak mensen procentueel gezien op een bepaald vakje komen. Ik zal u de wiskundige formules achter het model besparen, vooral omdat ik er zelf ook niets van snap.

Twee mensen,  Hannah Fry en Thomas Oléron-Evans van het University College London, snappen die formules wel en hebben uitgerekend welke vakjes van het monopolybord het vaakst worden bezocht. Het vakje wat het vaakst wordt aangedaan (6%) is het vakje van de Gevangenis, of als bezoeker (2%) of als bajesklant (4%). Heel verwonderlijk is dat niet, immers je kan het gewoon bezoeken maar je kan ook op meerdere manieren in de gevangenis terecht komen, zoals via het politieagentvakje, via een Kans- of een Algemeen fonds-kaart of door drie keer dubbel te gooien in één beurt.

0000 monopo;y 1

De straat die het minst wordt aangedaan is de Leidsestraat (2,17%). Ook dat is wel te verklaren, want die straat kan je namelijk niet bereiken door zeven, het meest gegooide getal, te gooien. Immers zeven vakjes terug staat de politieagent die je naar de gevangenis stuurt en je kan dus niet op dat vakje staan.

Al met al is de Heerestraat in Groningen (3,17%) het vakje wat het vaakst wordt aangedaan, gevolgd door Station Noord (3,04%) en Vreeburg, Utrecht met 2,99%.  Als je vervolgens rekening houdt met de prijzen van huizen en een hotel, dan kan je het beste, als je maar met één tegenspeler te maken hebt, gaan voor Arnhem en Utrecht. Heb je  twee of drie tegenspelers probeer dan Utrecht en Groningen te krijgen en zijn het er vier of meer dan Rotterdam.

Ook schijnt het het beste te zijn om maar drie huizen op een straat te zetten. Pas als je al rijk bent, dan kan je dit uitbouwen naar hotels.

In dit YouTubefilmpje uit 2016 legt  Hannah Fry het allemaal uit.

0000 monopo;y 6

Dat Utrecht en Groningen goede steden waren om te hebben, wisten wij als kind zonder modellen ook al. Wij probeerden dan ook altijd zo snel mogelijk deze steden te krijgen en er huizen op te zetten. Een huis op een straat hebben, kan echter ook nadelen hebben. Er zijn namelijk twee Kanskaarten die je een huizenbelasting opleggen. Die moet je dus niet treffen,

0000 monopo;y 0

Nu was het zo dat bij ons vroeger , we die huizen-kaarten konden herkennen. Er zat een plakbandje omheen. Mijn oudste broer was een keer zo kwaad toen hij voor de tweede keer in het spel  een dergelijke kaart trok, dat hij ze allebei door midden scheurde. Mijn moeder was daar niet blij mee. Ze heeft de delen nog aan elkaar geplakt, maar door de plakbandjes kon je precies zien of ze boven op de stapel lagen. Trok je dus de Algemeen Fondskaart “Betaal ƒ 10 boete of neem een Kanskaart’ en op de Kanskaartstapel lag een kaartje met een plakbandje er op, dan was de keuze makkelijk. Tien gulden boete.

De kranten over mijn geboorte

Ik dacht ik zal eens even kijken wat er 65 jaar geleden in de kranten en tijdschriften over mijn geboorte werd geschreven. (Tussen haakjes, ik  ben niet  op 12 oktober maar op 30 juli geboren; ik loop wel vaker wat achter met het nieuws.)

Maar helaas, als ik op de naam ‘Van Neck” en ‘1955’ zoek in Delpher (dat is een krantenarchiefsite), dan tref ik geen enkel bericht over mijn geboorte aan. Dat is triest. Het enige nieuwsbericht wat ik omstreeks mijn geboortedatum in de kranten zie staan – en waar de naam ‘Van Neck’ in voorkomt – is een bericht uit ‘Waar bevinden de zeeschepen zich?’

De ‘Van Neck’  ligt op dat moment in Bombay in India. (Deze Van Neck lag op dat moment in een wieg in Apeldoorn.)

00000000 van neck

Ook zie ik dat een zekere Van Neck op 25 september 1955 voor Borne een hattrick heeft gemaakt in een voetbalwedstrijd tegen het altijd lastige KHC uit Kampen.

00000000 a borne

Maar ja, ik was toen nog maar twee maanden oud. Dat zal ik dus wel niet zijn geweest.

Het meest opmerkelijke bericht met de naam ‘Van Neck’  rond juli 1955 is een ANP-nieuwsbericht  van 2 juli 1955. Het gaat over de ‘Nationale vijfkamp’

00000000 a apeldoorn

De eerste plaats bij de motorrijders was voor wachtmeester Van Neck van de koninklijke marechaussee uit Apeldoorn, Hij behaalde veertien punten.‘ en  ‘De corpsprijs in de groep motorrijders was evenals vorig jaar voor de equipe opperwachtmeester Edenburg en wachtmeester Van Neck van het depot marechaussee in Apeldoorn.’

Weliswaar is het een bericht van vier weken voor mijn geboorte, maar niet alleen de naam ‘Van Neck’ komt er in voor maar ook de plaatsnaam ‘Apeldoorn’! In die plaats ben ik geboren. Wie is die wachtmeester Van Neck? Niet mijn vader, die was leraar boekhouden op een MULO in Apeldoorn in die tijd.

(Ook een mooie zin in het ANP-bericht: ‘Bij het handgranaatwerpen was de groepsprijs voor de mariniers‘; Ik ben wel nieuwsgierig hoe die wedstrijd ging. Gooiden de deelnemende groepen handgranaten naar elkaar?)

Enfin, niks dus in de kranten over mijn geboorte. U moet dus maar van mij aannemen dat ik echt op 30 juli 1955 in Apeldoorn ben geboren.

00000000 a MArtin

 

Schoolvoetbal

Ik kwam op de site van het Nationaal Archief deze foto tegen van een schoolvoetbaltoernooi in Amsterdam in 1966.

0000-amsterdam

Het is typisch een foto uit de serie ‘Niet laten merken dat je bang voor je tegenstander bent‘. Ik herken het beeld wel. In 1964 woonde ik in Apeldoorn en zat in de vierde klas (groep zes zeggen we nu) van  de Berg en Bosch school.

Met een hoop jongens van onze klas voetbalden we altijd in het speelkwartier en vaak ook nog na afloop van school. We hielden ook een soort stand bij wie de beste voetballer van de klas was. Voor doelpunten kreeg je punten en ook voor mooie acties.

Ik was degene die de stand bij hield, althans dat zei ik altijd. Na één week was ik er al achter gekomen dat dit veel te veel werk was en hield ik het niet meer bij. Als er iemand vroeg hoe de stand was, verzon ik ter plekke een stand, waarbij ik wel elke keer mijzelf in de top drie plaatste. Echter nooit op de eerste plaats. Dat zou ongeloofwaardig zijn, want Evert was veruit de beste voetballer van onze klas.

Wel was het zo dat ik voor mijn leeftijd goed kon voetballen. Samen met Evert mocht ik dan ook mee doen met ons schoolvoetbalteam. Dat bestond naast ons uit een paar vijfdeklassers en verder alleen maar zesdeklassers. De meeste ploeggenoten (en ook veel van de tegenstanders) waren een kop groter dan Evert en ik, net zoals op de foto van het schoolvoetbaltoernooi uit Amsterdam (vandaar dat ik er aan moest denken.)

Lang duurde mijn schoolvoetbalcarrière echter niet. Na de eerste wedstrijd vertelde een hevig geschrokken juffrouw van de eerste klas (die toevallig even kwam kijken) tegen de meester van de zesde klas (onze trainer) dat ik helemaal niet mocht mee mocht voetballen, omdat ik als klein kind een operatie aan een hartklep had gehad. (Zie hier)

Foto’s als dit (eveneens afkomstig van de site van het Nationaal Archief van het zelfde toernooi in Amsterdam) zijn er van mij dan ook niet. Ik was sowieso te klein om te gaan koppen.

0000-amsterdam 3(Schoolvoetbaltoernooi Amsterdam; 6 april 1966; Foto Joop van Bilsen, Nationaal Archief.).

Een sollicitatiegesprek

Aad van der Heuvel, bekend onder andere van Brandpunt, is overleden. Zijn tv-carrière begon min of meer per ongeluk. Ik citeer even een stukje uit de Volkskrant. “Van der Heuvel werkte als freelance verslaggever toen hij in 1959 KRO-directeur Jan Casteleijns kwam interviewen. Deze verkeerde echter in de veronderstelling dat het om een sollicitatie ging, en nam de jonge journalist direct aan.”

Dat herken ik. Ik heb ook een keer iets soortgelijks meegemaakt. Het was in 1985. Ik was afgestudeerd als bedrijfskundig ingenieur aan wat toen nog de Technische Hogeschool Twente heette. In die tijd kregen alle afgestudeerden daar de titel ‘ingenieur’, ook al was je afgestudeerd in een bedrijfseconomische richting en kon je, zoals ik, bij wijze van spreken geen schroevendraaier van een soldeerbout onderscheiden.

Ik had twee mislukte sollicitaties achter de rug – bij Philips en Fokker; hé, je bent ingenieur of niet –  toen mijn moeder suggereerde om het eens bij de PTT te proberen. Dan had je een baan voor het leven, volgens mijn moeder. Ze kon het weten want zelf had ze tijdens de Tweede Wereldoorlog een paar jaar op een postkantoor in Hoofddorp gewerkt.

Het hoofdkantoor van de PTT in Den Haag zocht iemand voor de afdeling ‘Telecom, Kosten en Tarieven’ om “de wereld van techniek en kosten bij elkaar te brengen.” Say no more, dat was mijn baan. Ik stuurde een brief en werd uitgenodigd. Het gesprek zou op een donderdag om 4 uur ’s middags plaats vinden op het hoofdkantoor van de PTT in Den Haag, dat toen nog was gevestigd tegenover de Koninklijke Stallen aan de Kortenaerkade.

pttptt 2De gebouwen van het toenmalige hoofdkantoor van de PTT in 2014; in het witte gebouw links had ik mijn gesprek (Foto Roel Wijnants). Recht tegenover, aan de andere kant van de gracht, staan de Koninklijke Stallen.

Omdat het vanuit Enschede zo’n drie uur per openbaar vervoer naar Den Haag was, en ik niet het risico wilde lopen om te laat komen – ook toen al reden er soms treinen met vertraging – nam ik een trein eerder. De treinen reden op tijd en het gevolg was dat ik veertig minuten te vroeg voor het gebouw stond. Dat leek me wel erg vroeg om me te melden en ik ging daarom maar een half uurtje op een bankje om de hoek bij de Koninklijke Stallen zitten.

Dertig minuten later meldde ik me. Ik werd gebracht naar een kamer waar twee mannen zaten. Ze waren ‘galgje’ aan het spelen. Op een whiteboard was een half opgehangen mannetje getekend, waaronder het woord . O L L I . I T A N T  stond. Die laatste twee letters leken me niet zo moeilijk te raden. De eerste vraag die ik kreeg was, waarom ik zo laat was? Huh? Ik was toch ruim op tijd?

Het bleek dat zij mij om half vier hadden verwacht. Het zweet brak me uit. Snel wierp ik een blik op de uitnodiging die ik nog in mijn hand had. Gelukkig, daar stond vier uur op. Ik liet ze het zien en de ene mompelde iets wat ik niet goed verstond. Maar zijn blik suggereerde dat het mijn schuld was, dat het verkeerde tijdstip op de uitnodiging stond. Dat was geen lekker begin en het maakte mij dan ook behoorlijk zenuwachtig. Heel goed liep het gesprek dan ook niet en eerlijk gezegd was ik een beetje verbaasd dat een dag later een secretaresse van de PTT belde om te zeggen dat de PTT met mij verder wilde.

Ik belde mijn moeder. Hé, ik ben aangenomen zei ik, ik moet volgende week nog een keer naar Den Haag, want de hoogste baas van de afdeling wil kennis met mij maken – dat had de secretaresse zo gezegd. Ik nam aan dat we dan de arbeidsvoorwaarden zouden bespreken.

De maandag er op meldde ik me weer in Den Haag. Ik was deze keer totaal niet zenuwachtig, ik was immers al aangenomen. De baas van de afdeling stelde een paar vragen, die ik braaf beantwoordde. Het was wel een beetje gek, want het leken net sollicitatievragen. Ik vroeg me af wanneer hij de arbeidsvoorwaarden van mijn dienstverband ging bespreken. Druk maakte ik me er echter niet om.

Na een half uurtje waren de arbeidsvoorwaarden nog steeds niet ter sprake gekomen en toen de man vroeg of ik nog vragen had vroeg ik er daarom naar. Oh, zei de man. Dat is standaard. Een beginnend academicus begint bij de PTT op schaal 10 en bij goed functioneren kom je na twee jaren in vaste dienst en ga je naar schaal 11. Hij bood me de baan aan, zei hij.

Een aantal maanden later kwam ik er pas achter, dat ook dit gesprek een sollicitatiegesprek was geweest. Eén van de mannen van het eerste gesprek vertelde mij toen toevallig dat ze vonden dat ik tijdens het sollicitatiegesprek behoorlijk zenuwachtig was geweest en dat ze tegen de baas hadden gezegd dat hij er op moest letten of ik ook tijdens het tweede gesprek zenuwachtig was, want in mijn toekomstige functie – je moest constant overleggen met allerlei andere afdelingen bij de PTT  – moest je geen zenuwachtig type hebben. De baas had mij echter totaal niet zenuwachtig gevonden.

Maar ja, ik wist dan ook niet dat het een sollicitatiegesprek was. Ik dacht dat ik al aangenomen was. Maar goed ook, anders was ik vast wel zenuwachtig geweest. Uiteindelijk zou ik bijna dertig jaar bij de PTT / KPN blijven werken.

Opvoeden doe je zo (3)

Wederom een bijdrage uit de cursus ‘opvoeden doe je zo’.

Les 11: Leer ze zo vroeg mogelijk zelfstandig zijn. Laat ze hun eigen kamers schoonmaken.

0000000 kinderen10

Les 12: Als u twee kinderen heeft, dan moet u er nooit eentje voortrekken.  Laat ze elkaar voorttrekken.

0000000 kinderen17

Les 13: Geeft ze niet te veel zakgeld. Laat ze al vroeg een bijbaantje nemen.

0000000 kinderen15

Les 14: Luisteren ze niet, praat dan met ze.

0000000 kinderen9

Les 15: Denk niet zwart-wit. Tenzij ze samen met u Zorro op tv kijken.

0000000 kinderen11

 

Opvoeden doe je zo (2)

Het vervolg van de cursus ‘opvoeden doe je zo”.

Les 6: Breng ze tafelmanieren bij.

0000000 kinderen8

Les 7: Leer ze netjes eten.

0000000 kinderen16

Les 8: Laat ze een plantje verzorgen.

0000000 kinderen12

Les 9: Breng ze in contact met dieren.

0000000 kinderen13

En tot slot les 10: Als de ene de andere niet kan vinden met verstoppertje, help haar dan met zoeken.

0000000 kinderen7

Opvoeden doe je zo

Uit de serie opvoeden doe je zo:

Les 1: Geef je kinderen alle aandacht.

0000000 kinderen1

Les 2: Vervoer je kinderen op een veilige en comfortabele wijze.

0000000 kinderen2

Les 3. Als je kleren “op de groei” koopt, overdrijf hierbij niet.

0000000 kinderen5

Les 4: Hou ze actief.

0000000 kinderen6

En tot slot les 5: beschouw jezelf als een groot blij kind.

0000000 kinderen3

 

De Club

Het zijn warrige tijden voor mij met het coronavirus en geen voetbal. Ik begin dan te mijmeren over vroeger en moet dan denken aan de eerste keer dat ik samen met vader mee ging naar een voetbal-wedstrijd.

Ik heb dat gevoel trachten beschreven in ‘De Club’, gebaseerd op ‘Het Dorp’.  (Op het plaatje hieronder klikken voor de versie van Wim Sonneveld.) 

0000000 het dorp

‘Het Dorp’ is overigens een Nederlandse versie van ‘La Montagne’ van Jean Ferrat. Dezelfde sfeer maar met een totaal andere tekst. Dat geldt ook voor mijn ‘De Club’. Behalve leentjebuur heb ik het ook totaal vervormd. Excuses daarvoor.

Hierbij ‘De Club’. De muziek van ‘Het Dorp’ moet u er dus zelf maar even bij denken.

De Club

Thuis heb ik nog de toegangskaart
van toen, ik heb hem bewaard
het kaartje waarmee het begon.
Samen met vader op de fiets
het lijkt een gebeurtenis van niets
maar we gingen naar het stadion.

De eerste keer mee naar de club
moeder zei roep maar hard hup.
We stonden samen voor het loket.
Vader zei doe er maar twee
de zoon gaat nu ook mee
de suppoost met zijn grote pet.

En hoog, boven de tribunes uit
zag ik de lichtmasten al staan.
Ik was een kind en wist niet beter
dan dat nooit voorbij zou gaan.

We stonden dicht op de lijn
ik voorop ik was klein
de bal, de spelers en het gras.
Een man riep scheids waar is je bril
bij het doelpunt gaf ik een gil
oh hoe gelukkig ik was

We wonnen met twee één
ik keek stralend om me heen.
op de tribune was het groot feest.
Blij fietsten we terug naar huis
moeder had thee gezet thuis
en vroeg hoe het was geweest.

En hoog, boven de tribunes uit
zag ik de lichtmasten al staan.
Ik was een kind en wist niet beter
dan dat nooit voorbij zou gaan.

Er staat een modern stadion
een groot gebouw van beton
met skyboxen en businesseats.
De commercie die volop flirt
elk seizoen een nieuw shirt
maar ik vind het maar niets

Mijn vader is al jaren dood
het voetbal waarvan hij zo genoot
is niet meer zoals het was.
Ik weet, het is de nieuwe tijd,
dat is nu eenmaal een feit
maar ik mis de geur van het gras.

En hoog, boven de tribunes uit
zag ik de lichtmasten al staan.
Ik was een kind, hoe kon ik weten
dat dat voorgoed voorbij zou gaan.

Nu moet u de tekst voor wat mij betreft niet helemaal letterlijk nemen. Het gaat om het gevoel wat die tekst probeert uit  te dragen. Toen ik een kleine jongen was, woonden wij in Apeldoorn. Mijn vader bezocht de ene week de thuiswedstrijden van Robur et Velocitas, dat was de grootste en oudste amateurvereniging van Apeldoorn.

De andere week ging hij naar AGOVV, dat betaald voetbal speelde. Beide clubs speelden nooit tegelijkertijd thuis  – dat hadden de clubs aan de KNVB gevraagd – waardoor hij elke week naar een wedstrijd toe kon.

0000 agovv27 april 1947: AGOVV – Go Ahead; foto Harry Sagers, Anefo; Nationaal Archief

Naar welke club ik voor het eerst mee ben geweest, weet ik niet, Wel is het zo dat  ze allebei geen lichtmasten hadden.  Die zag ik pas een paar jaar later voor het eerst bij Go Ahead. Dat was de club waar we heen gingen toen we in 1965 naar Diepenveen (dat ligt tegen Deventer aan) waren verhuisd.

Ik herinner me nog wel, vooral als bij een avondwedstrijd op zaterdagavond de lampen al brandden, wat een mooi gevoel het was als je van verre de lichtmasten zag.

Dromen (2)

Gisteren schreef ik over een droom die ik had toen ik vijf jaar oud was. Vandaag wil ik het met u hebben over een andere droom en wel eentje die ik droomde tijdens mijn studententijd.

Ik liet u gisteren als een soort cliffhanger twee afbeeldingen zien, waarvan er eentje betrekking had op die droom.

000000 droom

000000 droom 1

Nu zult u ongetwijfeld denken, hé een student, dat zal wel een droom zijn zoals uitgebeeld op het eerste plaatje – en ik zal vast ook wel een keer zo gedroomd hebben –  maar helaas (‘a dirty mind is a joy forever’) – geen smeuïg verhaal, de droom uit mijn studententijd waar ik het me u over willen hebben, had te maken met die verspringer.

In die droom won ik namelijk bij de Olympische Spelen zowel een gouden medaille bij het verspringen als bij het hoogspringen. Oké, niet echt een droom waarvoor Sigmund Freud (als hij nog zou leven) terug van vakantie zou komen (als hij op vakantie was). Maar goed, ik won in mijn droom dus wel mooi twee gouden medailles op de Olympische Spelen.

“Heel, knap”, zult u misschien zeggen. ”Veel getraind natuurlijk”. Ja, ja in your dreams. Ik had helemaal niet getraind. Ik won omdat ik door de lucht kon lopen. Dat had ik bij toeval ontdekt  – nogmaals, om misverstanden te voorkomen, in mijn droom dus.

Ik ontdekte het toen ik al dromend aan het hardlopen was. Ik liep op een achterafweggetje in een vast tempo, helemaal in gedachten verzonken; volkomen afgesloten van de buitenwereld, alsof ik een soort trance liep, en opeens liep ik zo de lucht in. Zeker een meter of tien zweefde ik ruim een meter boven de grond. Alsof er sprake was een soort zelf-telekinese.

000000 0jcb

Toen ik weer landde, keek ik verbaasd om heen. Hoe kon dit? Ik probeerde het opnieuw. Ik concentreerde me weer, sloot me weer helemaal af van de buitenwereld, liep een stukje in hetzelfde tempo zoals ik eerder had gedaan, en hoppa, daar zweefde ik de lucht weer in. Een stuk verder en hoger dan de eerste keer. Ik probeerde het nog een paar keer en het ging steeds beter en gemakkelijker. Ik kon opeens door de lucht lopen. Ik kon zelfs zo hoog als ik wou door de lucht lopen. Ik had geen last meer van de zwaartekracht. Ik was een nieuwe schakel in de menselijke evolutie.

Terug op mijn studentenkamer vroeg ik me af wat voor nuttigs ik voor de mensheid met deze nieuw verworven vaardigheid kon doen. Opeens wist ik het. Meedoen aan de Olympische Spelen met het verspringen en het hoogspringen! Beide onderdelen zou ik fluitend kunnen winnen.

Ik reisde af naar Den Haag waar de voorzitter van het Nederlands Olympisch Comité woonde. In de krant had een interview met de man gestaan, waarin stond  dat hij toch zo hoopte op een nieuw Nederlands talent opdat Nederland eindelijk weer eens een gouden medaille met atletiek zou winnen.

Ik belde aan en nam hem mee naar een achteraf atletiekbaantje. Daar liet ik hem zien dat ik even ver en even hoog als de bestaande wereldrecords kon springen. Ik zei dat ik graag voor Nederland mee wilde doen aan de Olympische Spelen, maar dat hij aan niemand mocht zeggen hoe goed ik was. Het moest tot op de Spelen geheim blijven. Hij ging akkoord.

000000 0springen

Op een achteraf atletiekbaantje liet ik de voorzitter (rechts in beeld) zien dat ik hoger dan het wereldrecord kon springen.

Op de dag van de wedstrijden – ’s morgens stond het verspringen op het programma, ’s middags het hoogspringen – was ik de grote onbekende Nederlandse deelnemer. “Wie is die man?” riep de Nederlandse pers, maar ik hield me afzijdig. Toen ik bij het verspringen aan de beurt was, concentreerde ik me, sloot me helemaal af van de buitenwereld, nam een aanloop, liep in mijn specifieke tempo, en kwam een meter los van de grond. Na tien meter door de lucht lopen besloot ik te landen, ruim een meter verder dan het bestaande wereldrecord. Even was het doodstil in het stadion. Toen barstte het gejuich los en snelden de fotografen massaal toe. De andere atleten keken me verbijsterd aan.

000000 0springenbbGrote opwinding in het stadion na mijn wereldrecord.

Even later stond ik samen met een Rus en een Amerikaan op het podium naar het Wilhelmus te luisteren en zag ik hoe de voorzitter van het Nederlands Olympisch Comité, die veel kritiek had gekregen op de inschrijving van die onbekende Nederlander, een traantje wegpinkte.

’s Middags was het hoogspringen. Ik liet aanvankelijk iedereen zijn gang gaan en sprong niet één keer mee. Pas toen de laatste deelnemer – een Pool die over 2,25 meter sprong  – was uitgesprongen, meldde ik mij. Ik liet tot verbijstering van de officials de lat op 2,50 leggen, bijna 20 cm hoger dan het wereldrecord. Ik deed mijn trucje, nam een aanloop, kwam los van de grond en vloog ruim over de 2,50 meter heen. Het stadion barstte uit in gejuich.

En toen ging het mis. In plaats dat ik op het springkussen landde, liep ik in een vlaag van verstandsverbijstering steeds hoger de lucht in. Tot aan de nok van het stadion toe zelfs. Ik liep een rondje om de Olympische vlam heen en keek naar beneden. Ik zag 50.000 mensen met de mond open van verbazing en realiseerde me opeens wat ik had gedaan. Ik had mijn trucje verraden. Snel “liep” ik terug naar het springkussen, landde en holde vervolgens de catacomben van het stadion in.

Net toen ik de kleedkamer binnen wilde gaan, werd ik gegrepen door twee Amerikanen met grijze regenjassen. De geheime dienst. Ze hadden door dat ik iets bijzonders kon en wilden weten hoe ik dat deed. Ik werd in een busje gezet en afgevoerd richting hun hoofdkantoor. Maar zover kwamen we niet. Onderweg werd het busje aangereden door een zwart busje met daarin Russen die allemaal een borstelsnor hadden – althans zo herinner ik het mij – en die mij uit het Amerikaanse busje sleurden. Ook zij wilden weten hoe ik dat lopen door de lucht deed. Ik hoorde iemand praten over een leger met soldaten die door de lucht liepen.

Enfin, wat daarna volgde was één groot avontuur met allerlei geheime diensten (Amerikanen, Russen, Engelsen, Fransen, Chinezen – ik geloof dat er ook allerlei schurken achter mij aan zaten) die mij steeds om de beurt ontvoerden. Ik belandde op allerlei exotische plaatsen op de wereld – als een soort James Bond. Ik zal u hiermee niet lastig meevallen, maar het eindigde met een ontsnapping – door de lucht uiteraard.

000000 0jb0

3 juli 1971; Opnamen in Amsterdam voor de James Bond film “Diamonds are Forever” , Sean Connery bij de Amstel.

Oké, zult u zeggen, interessant die droom, maar hoe kan het dat ik me details van die droom na ruim veertig jaar nog steeds herinner? Dat komt mede, omdat ik de dag erna weer exact hetzelfde droomde. En de dag daarop ook. En de dag daarna weer. Sterker nog, ik droomde die zelfde droom vijf dagen achter elkaar. Dat was niet alleen een beetje vermoeiend, maar op het laatst wist ik al tijdens mijn droom wat er ging gebeuren. Je zou zeggen, doe je voordeel in je droom met die voorkennis, maar dat deed ik in mijn droom niet. Ik bleef even dom om de Olympische vlam heen lopen.

Ik begon het na vijf dagen wel een beetje raar te vinden. Waarom droomde ik toch telkens diezelfde droom?  Ik wist dat het complete onzin was, maar ik begon toch een beetje te twijfelen. Het zou toch niet zo zijn dat die telkens terugkerende droom “bedoeld was” om mij te leren hoe ik door de lucht kon lopen?

Ik wist dat het compleet belachelijk was, maar ik besloot na vijf keer dezelfde droom om het toch stilletjes uit te proberen.  Ik ging een rondje lopen. Ik concentreerde me, sloot me volledig van de buitenwereld af, liep in mijn droomtempo en deed toen een stap de lucht in. En toen?

Niks natuurlijk, de zwaartekracht deed gewoon zijn werk en uiteraard kwam ik geen meter van de grond. Maar toch goed om even te testen.

Enfin, nadat ik had uitgeprobeerd of ik echt door de lucht kon lopen, was het ook gebeurd met die droom. Ik heb hem daarna  nooit meer gedroomd. Maar de droom herinner ik me nog wel heel goed, althans het gedeelte tot en met het om de vlam heen lopen. De details van de rest, met al die James Bond-achtige avonturen, ben ik vergeten. Vermoedelijk te veel films gezien sindsdien.

000000 0jb

3 juli 1971. Opnamen in Amsterdam van de James Bond film “Diamonds are for ever” De twee schurken mr. Wint en mr. Kidd (gespeeld door resp. Bruce Glover (links) en Putter Smith) zitten achter een student aan die door de lucht kan lopen.

Tot slot: een gouden medaille op de Olympische Spelen heb ik nooit gewonnen. Maar dat vermoedde u waarschijnlijk al.