Category Archives: Dagelijks leven

Albert West

Marianne, kom kijken. Het overzicht van mensen die dit jaar zijn overleden begint. Dat is leuk.” Terwijl ik de woorden uitspreek, realiseer ik mij dat dit een beetje raar klinkt, vooral de combinatie ‘overleden’ en ‘leuk’. Maar van alle jaaroverzichten die je aan het einde van het jaar op tv langs ziet komen – waar blijft het jaaroverzicht dat alle jaaroverzichten bespreekt die tijdens het jaar voorbij komen? – vind ik het overzicht van de overleden mensen nu eenmaal het leukste om te zien.

Het geeft een zekere weemoed. Je ziet mensen voorbij komen uit de categorie: ‘O ja, die is dit jaar overleden; of mensen waarvan je denkt: goh, leefden die nog? – en die nu dus alsnog dood zijn; of ‘bekende’ mensen waar je nog nooit van hebt gehoord; of bekende mensen die je wel kent maar waarvan je helemaal niet wist dat ze dit jaar waren overleden.

De allereerste persoon die in de uitzending werd herdacht, was er eentje uit de laatste categorie: Albert West, een pseudoniem van Albert Westelaken. Hij bleek tijdens onze vakantie in Amerika te zijn overleden aan de gevolgen van een fietsongeluk. Helemaal gemist. Tijdens een tochtje met zijn driewielerfiets – daar fietste hij mee sinds hij in 2012 was getroffen door een ruggenmerginfarct – kwam de 65-jarige zanger in botsing met een wielrenster met uiteindelijk fatale gevolgen. Ach, Albert West, daar heb ik romantische herinneringen aan.

Ok, die laatste zin vraagt enige toelichting. Het zit zo. We gaan ruim 45 jaar terug in de tijd en wel naar juli 1970. Ik was toen veertien jaar oud, net nog geen vijftien. We waren met mijn ouders, mijn zusje en één broertje – mijn oudste broertje ging al niet meer mee – op vakantie in Drenthe. We zaten in een huisje op een groot bungalow- en campingcomplex in Exloo. Het park was eigendom van een Rotterdams havenconsortium. Het zat er dan ook vol met havenarbeiders en hun gezinnen die er goedkoop konden verblijven. Maar je kon er ook als niet-havenarbeider een huisje huren, dan betaalde je wat meer. Dat hadden mijn ouders gedaan. We maakten een paar uitstapjes in de omgeving, maar de meeste tijd was ik er aan het voetballen, vaak met een vaste groep jongens. De meeste waren fanatieke Feyenoord-fans; de club had twee maanden daarvoor als eerste Nederlandse club de Europa Cup 1 gewonnen. Ik was fan van Go Ahead. Dat werd in orde bevonden. “Het was anders geweest als je voor Ajax was geweest!”.

Het meeste trok ik op met een zekere Robert, wiens vader er uit zag alsof hij in zijn eentje een schip kon lossen. Robert had een tweelingzus, Anki geheten. Toen Robert haar aan mij voorstelde ik, merkt ik scherpzinnig op: “Zo, jullie zijn duidelijk geen eeneiige tweeling” “Nee, ik ben veel knapper” sprak ze. Dat was waar. Ze was ook leuk en gevat. Daar kwam ik op donderdagmiddag achter toen ze tijdens de door de camping georganiseerde speurtocht met Robert en mij in hetzelfde groepje zat.

’s Avonds was er een disco, al heette dat toen nog gewoon een dansavond voor jongeren. Aan het einde van de avond – ik stond met een groepje een beetje rare bewegingen te maken op de dansvloer; alsof ik met een handdoek mijn rug afdroogde – kondigde de disjockey als slotplaat van de avond een langzame plaat aan: “om lekker op te schuifelen”. Het was Cha-la-la I need you’ van the Shuffles van welke groep Albert West – daar hebben we hem – in die tijd de leadzanger was.

shuffles

The Shuffles: geheel rechts een twintigjarige Albert West.

Ik liep naar de kant maar opeens stond Anki voor me. “Zullen we?” vroeg ze. Ze legde haar armen om mij heen en drukte zich tegen mij aan. “Is goed” zei ik zo kalm mogelijk. Voetje voor voetje draaiden we langzaam rondjes en toen ze zich nog wat dichter tegen mij aan drukte, voelde ik haar borsten tegen mijn lichaam. Even dacht ik dat dat ik mij dat inbeeldde maar bij de volgende draai voelde ik ze weer. Of was het alleen maar haar beha die ik voelde? Volgens mij bloosde ik maar dat kon niemand zien, want halverwege het nummer pakte ze mijn hand en leidde mij door de openstaande deuren naar buiten naar een donker plekje bij de snoepautomaat. Ze begon te zoenen. ‘Cha-la-la, I need you’ klonk het binnen. Opeens voelde ik hoe ze voorzichtig met haar tong mijn mond binnenkwam. ‘Cha-la-la, I love you’. Oeps, wat deed ze nu? Ze tongde! Ooit had een jongen in de brugklas mij gewaarschuwd dat je dat nooit moest doen. Er waren meisjes, zei hij, die duwden hun tong in je mond en dan kreeg je allemaal vreemde bacteriën in je mond waar je heel ziek van werd. Het leek me toen al grote onzin en nu helemaal. Ik besloot het risico te nemen en voorzichtig bracht ik mijn tong in haar mond. Binnen zong Albert West weer “Cha-la-la, I need you, Cha-la-la, I love you”, buiten kronkelden onze tongen onwennig en voorzichtig om elkaar heen. Om nou te zeggen dat ik het heel lekker vond, is wat anders, maar spannend was het wel.

Toen het nummer was afgelopen, ging binnen het grote licht aan en stroomden de mensen naar buiten. “Hé zus, sta je nu met de slechtste voetballer van de hele camping te zoenen?” klonk het opeens achter mij. Het was Robert. Samen met hem liep ik even later, hand in hand met Anki, naar hun tent. Buiten de bungalowtent zaten haar vader en moeder op campingstoeltjes. Ik keek naar de kolenschoppen van handen waarmee haar vader een flesje bier vast hield en durfde Anki bij het afscheid daarom nauwelijks te zoenen. Voorzichtig gaf ik haar een zoentje op de wang en zei: “Ik zie je morgen weer”.

De volgende morgen lag ik nog gelukzalig in mijn bed toen mijn moeder mij riep. “Martin, er staan twee mensen buiten op je te wachten”. Gedurende een seconde flitste het door mijn hoofd dat Anki tegen haar ouders had gezegd dat we hadden getongd en dat deze nu verhaal kwamen halen. Ik kleedde me snel aan en keek voorzichtig naar buiten. Het waren Robert en Anki. “We komen afscheid nemen.” sprak ze. “Het gaat de hele dag regenen en daarom gaan we een dagje eerder terug. Mijn ouders zijn nu de tent aan het afbreken.” “Oh” zei ik. Omdat mijn ouders nieuwsgierig stonden toe te kijken durfde ik haar bij het afscheid nauwelijks een zoen te geven. Het bleef bij eentje op haar wang en eentje in de lucht. “Misschien zien we elkaar volgend jaar weer” zei ik zachtjes en helemaal beduusd vergat ik haar adres te vragen. Toen ze wegliepen, keek Anki nog een keertje om en zwaaide.

Uiteraard heb ik haar nooit meer terug gezien, maar – om met net zo’n gekke zin te eindigen als ik deze blogpost begon – elke keer als ik Albert West op tv zie, moet ik aan tongzoenen denken. Nou ok, niet elke keer, maar wel toen ik zag dat hij was overleden.

shuffles gouden plaat

12 februari 1970: De shuffles krijgen van Hilversum 3 disjockey Joost de Draaier een gouden plaat voor ‘Cha-la-la I need you’. Derde van rechts Albert West, helemaal links Joost de Draaier. Achteraan de manager van de Shuffles. Foto: Bert Verhoeff, Anefo; Nationaal Archief.

Een wandeling door het dorp

Zondag hebben we een rondje door het ‘dorp’ gelopen. Wat kerstkaarten bezorgen bij wat vrienden en kennissen. Het is een vak apart om zo’n kaart ongezien in de bus te stoppen. Word je “betrapt” dan sta je weer de hele tijd een gezellig praatje te houden en dat schiet niet op.

We liepen ook door de Damlaan, de ‘Dorpstraat van ons dorp’. In het nieuwe gebouw op de hoek zat nu ‘De Uitvaartwinkel’ zagen we. Het was nog net geen Uitvaartaria zoals Marianne zei maar een naam als “De Uitvaartwinkel” klinkt me toch een beetje te modern. “Mam, ik ga boodschappen doen, moet ik nog wat voor je meenemen?” “Ja, als je langs de uitvaartwinkel komt, koop dan even een crematie voor oma.” Dat soort werk.

Even verderop had de kinderkledingwinkel uitverkoop. Er hingen grote plakkaten op de ramen ‘Kortingen tot 50%!” Het leek net alsof het opheffingsuitverkoop was en dat je er dus snel bij moest zijn. Maar het is een marketingtrucje van de eigenaresse. Ze doet het al twintig jaar zo. Toen wij er nog kleding kochten voor onze kinderen, dachten wij aanvankelijk ook elk jaar dat ze opheffingsuitverkoop had en dat we dus snel moesten toeslaan.

Naast de kinderkledingwinkel zit een schoenenwinkel. Deze lijkt erg op de schoenenwinkel in het dorp waar ik als kind woonde. Die winkel was de enige schoenenwinkel van het dorp. De eigenaar was ook de enige schoenmaker van het dorp. Maar o wee, als je aan kwam zetten met kapotte schoenen die je niet bij hem had gekocht. “Zeg maar tegen je moeder dat ze die moet laten maken bij de winkel waar ze die heeft gekocht.” zei hij een keer tegen mij toen ik met door het voetballen kapot getrapte schoenen kwam aanzetten. Toen ik deze boodschap thuis doorgaf, zei mijn moeder kwaad: “Is die vent helemaal gek geworden? We kopen in het vervolg wel al onze schoenen in de stad.” Ik vond dat niet erg want in de stad hadden ze veel modieuzere schoenen. Ook verkochten ze in de stad schoenen met spekzolen waarmee je tijdens het voetballen veel minder snel uit gleed.

Aan het einde van de straat, vlakbij de sluisjes, zagen we dat de slagerij – een type ‘Slagerij J. van der Ven’ uit ‘Het Dorp’ van Wim Solleveld – zijn etalage aan kerst had aangepast. De slager had blijkbaar bedacht dat hij ook iets met kerstversiering moest doen en in het raam hingen dan ook grote worstenslingers.

worsten 2

Bij het water sloegen we linksaf op zoek naar de volgende brievenbus waar we ongezien een kerstkaart in konden stoppen – “als we van links komen, dan kunnen ze ons niet zien aankomen”. De verleiding was groot om even de ophaalbrug over te steken en aan de overkant bij “Zuivere koffie” een kop koffie met appelgebak te nuttigen, maar dan zou de hele winst van de besparing op de kerstzegels gelijk weer zijn uitgegeven. Dus dat deden we maar niet en vervolgden ons bezorgrondje.

Tranen (2)

In de vorige blogpost had ik het over produceren van tranen om ongewenste stoffen uit het oog te krijgen. Dat is iets dat niet alleen mensen doen. Veel diersoorten hebben ook het vermogen om traanvocht te produceren. Daardoor zijn zij in staat om een vuiltje uit het oog te tranen. De twee andere vormen van huilen door de mens – huilen als communicatiemiddel en huilen als emotie – is echter niet iets wat je bij dieren ziet. Althans dat vindt de meerderheid van de deskundigen op dit gebied.

Ok, je hebt krokodillentranen en huilende wolven. Maar krokodillentranen – huilen terwijl men het niet meent – is niet echt huilen van een krokodil. (Ik heb een keer ergens gelezen dat de oorsprong van deze uitdrukking een oud Egyptisch verhaal is waarin dorpelingen een huilende krokodil aantroffen naast een magere dode man. Hij huilt omdat hij spijt heeft dat hij de man heeft omgebracht sprak het stamhoofd. Nee, hij huilt omdat er maar zo weinig vlees op de man zit sprak de wijze man van de stam.)

Ook wolven huilen niet echt. Ze produceren alleen “huilgeluiden” om met de overige wolven te communiceren. Recent onderzoek leert dat wanneer een wolf de roedel verlaat, de achterblijvers huilen. De wolven huilen meer naar mate een wolf waarmee ze een goede band hebben de groep verlaat. Ook als een wolf met een hoge status de groep verlaat, wordt er harder gehuild.

Maar nu over naar de andere vormen van huilen bij de mens. Naast het “ogenschoonmaakhuilen” kent de mens nog twee vormen van huilen: het basale huilen en het emotionele huilen. Het basale huilen doen we bijvoorbeeld als volwassene omdat we pijn hebben, impliciet vragen we daarmee zonder iets te zeggen om steun of troost (“Ja, je moet ook niet op je duim slaan “– dat soort steunbetuigingen).

Baby’s huilen basaal om te kunnen communiceren. Eigenlijk worden kinderen maanden te vroeg geboren. Omdat in de loop van de evolutie onze hersenen zo gegroeid zijn dat we wel “vroegtijdig naar buiten moeten” – anders passen we niet door het geboortekanaal – zijn pas geboren baby’s alleen door middel van huilen in staat om te communiceren. Als de baby direct na de geboorte begint te huilen zijn de ouders nog blij, maar daarna vaak niet meer. Baby’s huilen om aan te geven dat ze honger hebben, een vieze luier hebben, pijn hebben of ergens anders last van hebben. Aan de ouders de taak om uit te zoeken wat het probleem is.

Daarnaast is er het emotioneel huilen. Daar zijn drie vormen in te onderscheiden: bij verdriet, bij vreugde of bij ontroering. Vaak is er sprake van een combinatie van deze vormen. Het verdriet of de vreugde van de een geeft ontroering bij een toeschouwer. Denk maar eens aan tranentrekkende bioscoopfilms of aan boeken waarin iemand dood gaat (bijvoorbeeld de oude Vitalis in ‘Alleen op de wereld van Hector Malot; daar heb ik als klein kind tranen met tuiten om gehuild.)

Om te testen of u snel een emotioneel traantje mee pinkt, laat ik u twee YouTube filmpjes zien. In het eerste filmpje zien we een groep schoolkinderen in een hal. Wat twee van die kinderen niet weten, is dat hun vader, een militair die al maanden in Afghanistan zit, onverwacht is thuis is gekomen en hun daar in de aula gaat verrassen. Let vooral even op de reactie van de oudste dochter. tussen 0.35 seconden en 1 minuut in het filmpje.

huilfilmpje 1

Dit is alleen een schermafdruk. Het filmpje, inmiddels meer dan 1 miljoen keer bekeken, kan je zien op de volgende link: https://www.youtube.com/watch?v=PxAIyEqtvOw

Op YouTube staan overigens honderden van dit soort filmpjes. Er komen heel veel soldaten terug uit Afghanistan en Irak.

Mocht u bij het zien van de vreugdetranen van de dochter geen emotioneel traantje weggepinkt hebben, dan ga ik nog een poging wagen, deze keer met het laten zien van tranen van verdriet. In onderstaand filmpje zien we een bruiloftsreceptie, waarbij een broer van de bruid de vader-dochter-dans met enkele woorden inleidt, waarna we de bruid zien dansen met een oudere man en drie andere mannen. Niet direct iets wat normaliter bij de kijkers veel emotie zal oproepen. Maar de kans daarop wordt een stuk groter als u de inleiding van de broer hoort.

Hij vertelt de aanwezigen dat de vader van de bruid kort voor de bruiloft is overleden. Op de bruiloft van haar zuster had de vader met zijn andere dochter de vader-dochter-dans gedanst op het liedje ‘Butterfly Kisses’, een lied over hoe een vader zich voelt op de dag van de bruiloft van zijn dochter. De broer heeft nu voor haar dit liedje ingezongen, waarna ze achtereenvolgens met haar opa, haar twee broers en haar schoonvader de vader-dochter danst doet. Niet geheel onbegrijpelijk houdt ze het tijdens deze dans niet droog, net zoals, gezien de vele reacties onder het filmpje, honderden mensen die het filmpje hebben bekeken ook niet.

huilfilmpje 2

Ook dit is alleen een schermafdruk. Het filmpje, inmiddels bijna 9 miljoen (!) keer bekeken, kan je zien op de volgende link:

https://www.youtube.com/watch?v=lAa43njGb3o

Heeft u een traantje weggepinkt?  “Ja, maar alleen  omdat deze blogpost zo bedroevend slecht is geschreven. Om te huilen.” zegt u natuurlijk.

Tranen (1)

Vandaag ga ik het over de ui hebben. Over de ui? Jazeker over de ui. De ui is waarschijnlijk de meest gebruikte groente. Hoeveel recepten beginnen er wel niet met ‘snipper een ui’. Het gevolg van al dat gesnipper is echter vaak een tranendal. Niet voor niets zitten er in de uitdrukking ‘tranen met tuiten huilen’ twee uien. De uitdrukking past overigens heel goed bij een huilbui als gevolg van het snijden van een ui, want ‘tranen met tuiten huilen’ betekent heel erg huilen zonder dat het echt erg is.

Waarom moet je eigenlijk huilen als je uien snijdt? Dit zit zo. Wanneer je een ui snijdt, gaan de cellen van de ui kapot en komen er enzymen in de ui vrij die reageren met een zwavelhoudende component in de ui, waardoor er een gas ontstaat (voor de liefhebber van een moeilijke naam, dit gas heet synpropaanthial-S-oxide). Nog niks aan de hand maar dit gas stijgt op en kan daarbij als het vocht tegen komt, reageren met water en dan kan er zwavelzuur worden gevormd. En dat is wat er gebeurt als het vrijgekomen gas tijdens het snijden van uien in je ogen komt.

Het gas reageert met het oogvocht en je krijgt zwavelzuur in je ogen wat uiteraard voor irritaties zorgt. Dat klinkt heel dramatisch, maar dat valt wel mee. Je ogen reageren namelijk direct op dit probleem. De traanklieren produceren onmiddellijk grote hoeveelheden vocht om het zwavelzuur af te voeren. Je gaat ook knipperen, waardoor het vocht over je oogbol wordt verdeeld – alsof er een ruitenwisser wordt aangezet; als je last hebt van droge ogen, dan ga je overigens ook meer knipperen zodat je ogen worden bevochtigd. Het zwavelzuur wordt voordat het kwaad kan aanrichten snel door het oogvocht geneutraliseerd en afgevoerd. Je gaan ook ‘snotteren’ want het vocht wordt in eerste instantie via de neus afgevoerd. Maar er worden zoveel “tranen” geproduceerd dat de traanbuizen deze hoeveelheden vocht niet allemaal kunnen afvoeren. De boel “overstroomt” en je begint te “huilen”. Tot zover een chemisch proces en de reactie van het menselijk lichaam daarop

Hoe kan je nu voorkomen dat de tranen rijkelijk gaan vloeien bij het uien snijden? Er zijn een aantal dingen die je kan doen, al of niet in combinatie. Allereerst kan je proberen de hoeveelheden vrijkomend gas te beperken.

  • Snij de ui met een scherp mes. Dan snij je minder cellen van de ui kapot waardoor er minder gas zal ontstaan.
  • Laat de wortelbasis van de ui zo lang mogelijk intact. Daar zitten de meeste irriterende stoffen geconcentreerd.
  • Stop de uien even tien minuten in de vriezer. Als de uien koud zijn, vormt er zich minder gas. Het heeft geen invloed op de smaak. Je kan ze ook een kwartiertje in de koelkast leggen (maar niet naast gesneden appelstukjes). Ook moet je ze niet langer dan twintig minuten in de koelkast leggen anders krijg je een uiengeur in je koelkast.
  • Snij met een nat mes. Als je je mes tijdens het snijden geregeld nat maakt met water, dan zal het zwavelhoudende gas eerst met het water op het mes reageren en bereikt er veel minder gas je ogen.
  • Je kan de ui ook eerst weken in water, dan reageert het vrijgekomen gas direct met dat water en bereikt het niet je ogen. Het tast wel de smaak van de ui aan. Deze wordt wat milder.
  • Een vergaande uitwerking van het bovenstaande is om de ui in het water te snijden. Dan bereikt het gas nooit je ogen, maar reageert het volledig met het water. Maar het snijdt een stuk lastiger in het water en je moet de stukjes ui daarna ook nog afgieten.

Ook kan je proberen om te zorgen dat er zo min mogelijk gas in je ogen komt. Je kan natuurlijk je ogen dichthouden maar zeker in combinatie met het snijden met een scherp mes is dit geen goed idee. Methoden die beter werken zijn:

  • Adem door je open mond en niet door je neus. Via de neusholte bereikt het gas snel je ogen. Als je door je mond ademt dan reageert het gas eerst met het vocht in je mond en komt er minder gas in je ogen. Al kunnen er dan toch nog wel wat gasdeeltjes via de lucht rechtstreeks in je ogen terecht komen. (Sommige mensen eten een stukje brood om hun mond open te houden.)
  • Je tong uitsteken schijnt ook te helpen maar weet dat de smaakpapillen op je tong zitten en dat je dan eventueel een uiensmaak in je mond krijgt.
  • Snij de ui onder de afzuigkap. Het gas wordt dan naar buiten gezogen. Moet je er natuurlijk wel voor zorgen dat je hoofd niet tussen de afzuigkap en de ui zit.
  • Fluit een liedje tijdens het snijden. “Zie je dat, die man vindt het snijden van uien zelfs leuk. Hij staat er bij te fluiten”. Niet dat uien muzikaal zijn maar het fluiten zorgt voor een luchtstroom die het gas van je ogen weghoudt. Een ventilator of een open raam geeft natuurlijk hetzelfde effect.
  • Een bril kan ook iets helpen maar die sluit het oog niet goed af. Lenzen helpen beter. Helemaal goed helpt een duikbril, maar dat is eerlijk gezegd geen gezicht tijdens het koken.

Wat je beslist niet moet doen als je last krijgt van tranende ogen, is met je handen in je ogen wrijven. Om je handen hangt het gas. Door in je ogen te wrijven vergroot je juist het probleem.

 

Een drupje verf gemorst

Van de week liep ik door de wijk Mariahoeve in Den Haag toen ik een pechgevalletje zag. Iemand had verf gekocht maar het was gaan lekken. En niet zo’n klein beetje ook.

streep 2

Hij had daardoor een heel spoor achtergelaten, niet alleen op de stoep maar ook op straat.

streep3

En het ging nog veel verder. Het spoor was niet moeilijk te volgen.

streep 1

Om de hoek liep het zeker nog 100 meter door!

De streep deed mij erg denken aan een reclamefilmpje van ‘Even Apeldoorn bellen’. Daarin rijdt een man op een lijnentrekkarretje langs een steile kusthelling als hij plotseling moet uitwijken voor een egeltje met een opmerkelijke witte streep als gevolg. (Zie de volgende link voor dit reclamefilmpje:  https://www.youtube.com/watch?v=4efHNdR96uU

even apeldoorn bellen

(Dit is geen embedded video maar alleen een schermafbeelding)

Even een testje tussendoor. De ‘Even Apeldoorn bellen’ reclames zijn altijd heel leuk, maar zijn ze ook effectief voor het bedrijf? Weet u bijvoorbeeld welk verzekeringsbedrijf u aan de lijn krijgt als u even Apeldoorn belt? Is dat:

  1. Aegon
  2. Amev
  3. ASR
  4. De Amersfoortse
  5. De Apeldoornse
  6. Centraal Beheer
  7. Klaverblad Verzekeringen

Ik geef aan het einde van deze blogpost het juiste antwoord. De egeltjesreclame stamt uit 1992. Er was toen enig rumoer over. De reclamejongens van ‘Even Apeldoorn bellen’ werden er van beschuldigd dat ze het idee hadden “gejat” uit de film ‘La Grande Vadrouille’, een Franse komische film uit 1966 met Louis de Funès en André Bourvil, waarin een achtervolgingsscène zit waarin een motor een verkeerd getrokken streep op de weg volgt en daardoor het water in rijdt.

verfstreep

Zie voor de scene https://www.youtube.com/watch?v=SJJRTYmu7lc

De film was onder de titel ‘Samen uit, samen thuis’ ook in Nederland een groot succes. Laten we het er maar ophouden dat de makers van de reclamefilm er door geïnspireerd waren. Bovendien geldt “Originaliteit is de kunst om te onthouden wat je gehoord hebt en te vergeten van wie.” Duidelijk moge zijn dat ik deze kreet niet zelf heb verzonnen. De rest van deze blogpost overigens wel.

p.s. het juiste antwoord op de Even Apeldoorn vraag is ‘Centraal Beheer’. Had u dat goed?

Voornamen (1)

Ik ben wel iemand van lijstjes. Een goed lijstje is aan mij wel besteed. Tien rare plaatsnamen en buurtschappen in Nederland: (Raar, Rectum, Boerenhol, Sexbierum, Hongerige Wolf, Waspik, Kuttingen, Gaarkeuken, Doodstil en Poepershoek) of de vijf meest voorkomende leugens:

  • Ik ben over vijf minuten daar!
  • Sorry, ik kon niet opnemen (de telefoon)
  • Oh ja, nu snap ik het (na een moeilijke uitleg)
  • Je ziet er fantastisch uit!
  • Ik lieg niet!

Dat soort werk. (Beide lijstjes zijn afkomstig van http://www.alletop10lijstjes.nl/)

Lijstjes zijn populair. Zelf heb ik in 1995 dankzij een door mij gemaakt lijstje met de tien meest populaire voornamen van 1994 uitnodigingen ontvangen om in liefst drie televisie- en vier radioprogramma’s te verschijnen. (Hoe dat zat en of ik dat gedaan heb, daar kom ik in een andere blogpost nog wel een keertje op terug).

Onlangs verscheen er een lijstje met de tien meest populaire voornamen van dit jaar (tot en met het derde kwartaal). Uiteraard heb ik dit lijstje, als voornamenexpert, met belangstelling bekeken. De meest populaire meisjesnaam 2015 tot en met het derde kwartaal is Emma, bij de jongens is dat Luuk. De gehele top tien voor meisjes in 2015 ziet er als volgt uit:

  1. Emma
  2. Julia
  3. Sophie
  4. Mila
  5. Anna
  6. Eva
  7. Tess
  8. Lotte
  9. Sara
  10. Zoë

En die van de jongens luidt:

  1. Luuk
  2. Liam
  3. Lucas
  4. Sem
  5. Daan
  6. Milan
  7. Noah
  8. Finn
  9. Levi
  10. Jesse

Dit alles weten we dankzij http://svb.nl/int/nl/kindernamen/, een site van de Sociale Verzekeringsbank die alle voornamen registreert in het kader van de kinderbijslag.

Iedereen die in Nederland woont of werkt en een kind verzorgt, heeft recht op kinderbijslag. Met de kinderbijslag betaalt de overheid mee aan de kosten die horen bij de opvoeding van een kind. De Sociale Verzekeringsbank (SVB) keert deze kinderbijslag ieder kwartaal uit. Hierdoor kennen wij de namen van alle pasgeboren kinderen.”

De site zit vol met leuke overzichten. Zo kan je bijvoorbeeld per provincie de meest populaire namen zien. Er zijn best veel regionale verschillen. In Limburg is Milan momenteel de meest populaire voornaam voor jongens en Mila voor meisjes. (Daar zit je kind dus straks in een klas vol met Milan’s en Mila’s). In Drenthe is het echter Bram en Sophie; daar komen Milan en Mila zelfs helemaal niet in de top 10 voor.

De Sociale Verzekeringsbank is niet de enige instantie die allerlei gegevens over namen bij houdt. Het Meertens Instituut beheert behalve de site met verhalen  – zie de vorige blogpost –  ook een site met informatie over namen: de ‘Nederlandse Voornamenbank’. Zie http://www.meertens.knaw.nl/nvb/

De Nederlandse Voornamen Databank geeft informatie over 600.000 verschillende officiële voornamen die in Nederland voorkomen. Het bestand is gebaseerd op de voornamen die als eerste naam en/of als volgnaam op 1 januari 2015 bij de Gemeentelijke Basisadministratie geregistreerd waren, aangevuld met recentere eerste voornamen die verkregen zijn van de Sociale Verzekeringsbank” aldus de site.

Gaat de informatie op de site van de SVB maar terug tot 2008, op die van het Meertens Instituut staan de gegevens vanaf 1880. In dat jaar zag de top 10 van meest populaire voornamen er voor meisjes als volgt uit:

  1. Maria
  2. Johanna
  3. Anna
  4. Cornelia
  5. Wilhelmina
  6. Elisabeth
  7. Catharina
  8. Hendrika
  9. Adriana
  10. Grietje

En de top 10 voor jongens van 1880 luidde:

  1. Johannes
  2. Jan
  3. Cornelis
  4. Hendrik
  5. Pieter
  6. Willem
  7. Gerrit
  8. Jacobus
  9. Petrus
  10. Jacob

Een wereld van verschil met de populaire namen van 2015. Maria, de meest populaire meisjesnaam in 1880 vinden we in 2015 pas terug op plaats 57 en Johannes, de nummer 1 van de jongens in 1880 moet het in 2015 met plaats 85 doen. Alleen Anna blijkt een naam van alle tijden te zijn: nummer drie in 1880 en nummer vijf in 2015.

Een leuk aspect van de site is dat je alleen maar een naam hoeft in te typen om een grafiek te krijgen waarin je kan zien hoe vaak gedurende de periode 1880 – 2014 die naam aan kinderen werd gegeven. Zo ziet de geboortegrafiek van Martin – een voornaam waar ik wel enige sympathie voor heb –  gedurende die periode er als volgt uit.

Martin kort

Kregen in 1970 nog 788 jongens de voornaam Martin, in 2014 was dat gedaald tot nog maar 24. Ik ga er uiteraard vanuit dat in de toekomst dit aantal weer flink zal stijgen. Voor wie wil kijken hoe het met zijn/haar eigen naam staat, dit is de link:  http://www.meertens.knaw.nl/nvb/naam/is/martin

(Je moet dan uiteraard wel in het invulvakje je eigen naam intypen.)

Bedenk overigens wel dat het absolute aantal in een bepaald jaar niet alleen afhangt van de populariteit van die naam, maar ook van het aantal mensen dat in dat jaar is geboren. Zo was er in de jaren vlak na de Tweede Wereldoorlog een geboortegolf. Zie hieronder een overzicht van het aantal geborenen van 1900 tot 2010. De piek is de geboortegolf van 1945-1950. Er werden in die jaren twee keer zoveel kinderen als het gemiddelde van de jaren ervoor geboren, dus als het absolute aantal mensen met een bepaalde naam in die jaren ook met een factor twee stijgt, dan komt dat daardoor en niet doordat de naam opeens twee keer zo populair werd.

geboortes

Je ziet sommige namen in de loop van de tijd telkens populairder worden, terwijl de populariteit van andere namen juist afneemt. Vergelijk maar eens de grafiek van Emma (de nr. 1 uit 2015) met die van Maria (de nr. 1 uit 1880).

emma

Maria

De naam Emma is eigenlijk pas de laatste vijftien jaar populair geworden. De grafiek van Maria is trouwens een mooi voorbeeld waar je heel goed de geboortegolf van1946-1950 kan zien (zo’n 2500 meisjes extra per jaar kregen in die periode dankzij deze geboortegolf de naam Maria). De naam Maria is ook een mooi voorbeeld waarbij je de invloed van sociale ontwikkelingen dan wel bepaalde gebeurtenissen terugziet in de populariteit van de naam. Bij de continue daling van de populariteit van de naam Maria vanaf de jaren vijftig zal ongetwijfeld de ontkerkelijking een belangrijke rol hebben gespeeld.

In de volgende blogpost  – cliffhanger! – nog een paar van dit soort opmerkelijke voorbeelden, onder andere over de invloed van oorlog en moord op de populariteit van namen en hoe we al in 1970 konden weten dat we dankzij Marco (van Basten) in 1988 Europees kampioen voetballen zouden worden.

Isfahan

Zo zag Isfahan 300 jaar geleden er uit. (Afbeelding afkomstig uit het boek ‘La galerie agreable du monde’ uitgeven in 1725 door P. van der Aa uit Leiden)

isphafaan

Tegenwoordig telt de stad zo’n 1,8 miljoen inwoners en is na Teheran en Mashhad de derde stad van Iran. Vanwaar Isfahan in dit blog?

Dat komt door mijn oudste dochter. Oorspronkelijk was zij van plan om het afgelopen weekeinde samen met haar vriend een weekendje Brussel te doen. Ze had daartoe een goedkope vlucht Berlijn-Brussel geboekt – het is tegenwoordig bijna moeilijker om een dure vlucht te vinden dan een goedkope –  en haar vriend zou per trein vanuit Rotterdam naar Brussel afreizen.

Maar toen kwamen de aanslagen in Parijs, gevolgd door de terreurdreiging in Brussel. Ze besloten daarop het weekend niet in Brussel door te brengen maar in Antwerpen. Ze vloog nog wel naar Brussel en nam vandaaruit de trein naar Antwerpen. Ze bekeken er een bierbrouwerij – dat zal wel het culturele aspect van het reisje zijn geweest – en gingen er verder winkelen en uit. Zondag vloog ze via Brussel weer terug naar Berlijn.

Gelukkig “vluchtte” ze naar Antwerpen en niet naar Isfahan. Voor wie deze zin niet begrijpt, zie hier het gedicht ‘De tuinman en de dood’ van Pieter Nicolaas van Eyck (1887-1954) uit 1926.

De tuinman en de dood

Een Perzisch Edelman:

Van morgen ijlt mijn tuinman, wit van schrik,  / Mijn woning in: ‘Heer, Heer, één ogenblik!

Ginds, in de rooshof, snoeide ik loot na loot, / Toen keek ik achter mij. Daar stond de Dood.

Ik schrok, en haastte mij langs de andere kant, / Maar zag nog juist de dreiging van zijn hand.

Meester, uw paard, en laat mij spoorslags gaan, / Voor de avond nog bereik ik Ispahaan!’ –

Van middag – lang reeds was hij heengespoed – / Heb ik in ‘t cederpark de Dood ontmoet.

‘Waarom,’ zo vraag ik, want hij wacht en zwijgt, / ‘Hebt gij van morgen vroeg mijn knecht gedreigd?’

Glimlachend antwoordt hij: ‘Geen dreiging was ‘t, / Waarvoor uw tuinman vlood. Ik was verrast,

Toen ‘k ‘s morgens hier nog stil aan ‘t werk zag staan, / Die ‘k ‘s avonds halen moest in Ispahaan.’

Continue reading Isfahan

Een zwart gat in de wasmachine

Zwarte gaten hebben een grote aantrekkingskracht. Niet alleen letterlijk – alles wordt in een zwart gat gezogen, ook het licht –  maar ook figuurlijk, de belangstelling voor zwarte gaten is altijd groot. Gisteravond was er op tv ‘DWDD University presenteert: Zwarte gaten door Robbert Dijkgraaf’. In het tv-college behandelde de professor de vele opmerkelijke ins (veel) en outs (weinig) van zwarte gaten.

zwart gat

Een computersimulatie van een zwart gat in de Melkweg; Zo zal het gat op 600 km afstand er uit zien. Afbeelding: Ute Kraus, Institut für Physik, Universität Hildesheim,

Toen ik gisterenavond – 27 november 2015; dat zal later als een historische datum in de wetenschap worden gezien – naar het programma keek, kreeg ik opeens een gedachte waarvan ik ook zelf de consequenties nog nauwelijks kan bevatten. Als een donderslag bij heldere hemel  – Eureka!, daar valt de appel – schoot het namelijk door mij heen dat er zwarte gaten kunnen ontstaan in een wasmachine!

Hoe kwam ik op dit idee? “Logica brengt je van A naar B. Verbeelding brengt je overal.” zou Albert Einstein zeggen. De eerste aanwijzing kreeg ik toen professor Dijkgraaf vertelde dat er sterren waren die heel snel ronddraaien met allerlei opmerkelijke zaken zoals pulsarstraling tot gevolg. Ik moest opeens aan onze wasmachine denken. De trommel in de wasmachine draait bij het centrifugeren ook heel snel rond met allerlei opmerkelijke zaken tot gevolg. Zo hebben we het al een paar keer meegemaakt dat we een was draaiden met een dekbedovertrek er in en een hoop andere zaken. Gewoon allemaal los door elkaar heen. Maar als we de machine na afloop open maakten, dan zat alles in het dekbedovertrek. Als door een wonder was alle was in het dekbedovertrek getrokken. Dit is niet één keer gebeurd maar meerdere keren.

Ook heel bijzonder was deze strak aangetrokken knoop van overhemden en broeken die we een keer na afloop in de trommel aantroffen.

was

Als je het zelf zo probeert te knopen dan lukt dat niet. Er moeten merkwaardige krachten aan het werk zijn in de wasmachine tijdens het centrifugeren.

Ik heb echter nooit gedacht aan de mogelijkheid dat er een zwarte gat in de wasmachine zou kunnen zitten. Totdat de professor vertelde over de theorie van Stephan Hawking waarom een zwart gat toch straling kan uitzenden (niet alles verdwijnt dus in een zwart gat). De verklaring van Hawking voor dit stralingsfenomeen was dat er deeltjes zijn die vlakbij het zwarte gat soms heel eventjes in twee delen uiteenvallen, een deeltje en een anti-deeltje. En dan kan het gebeuren dat het ene deeltje in het zwarte gat verdwijnt en dat het andere bijbehorend deeltje dat niet doet en vervolgens als straling door het zwarte gat wordt uitgezonden.

Toen viel het 10 eurocentstuk (er zijn geen kwartjes meer). Twee deeltjes die bij elkaar horen, waarvan er één verdwijnt. Dat herkende ik. Ik kon opeens het mysterie van de eenlingen in de was verklaren! Hoe vaak hadden we geen eenlingen in de was, dat wil zeggen sokken waarvan het bijbehorende tweede exemplaar ondanks alle naspeuringen zoek was en bleef. Ik heb zelfs een grote plastic zak met eenlingen in de kast in de hoop dat er ooit nog eens een bijbehorende tweede exemplaar opduikt.

De oplossing voor het raadsel van de eenlingen is zo simpel dat nog nooit niemand er eerder aan heeft gedacht. Tijdens het centrifugeren ontstaat er kortstondig een zwart gat in de wasmachine waarbij één sok in het zwarte gat verdwijnt en het bijbehorende andere exemplaar niet. Als de machine later tot stilstand komt, verdwijnt het zwarte gat en resteert er een eenling. Het verklaart ook waarom alle was in het dekbedovertrek wordt gezogen.

Bevat u de grootsheid van dit idee wel? We bouwen voor miljarden aan deeltjesversnellers en dan blijkt een zwarte gat gewoon in een wasmachine te kunnen ontstaan! En oh ja, gooit u de eenlingen maar weg. Het andere exemplaar zit ergens in een zwart gat, waar het niet uit kan.

Update 1 december

Na de uitzending was er op internet nog een half uurtje een vervolg op de tv-uitzending. Zie: http://dewerelddraaitdoor.vara.nl/media/350256

De eerste vraag die daarin werd gesteld, was of eenlingen in een zwarte gat kon verdwijnen. Mathijs van NIeuwkerk had geen flauw idee waar het over ging, maar de professor wist direct wat er werd bedoeld en het antwoord was bevestigend! A ha!. De Nobelprijs is binnen, alleen moet ik hem dus met delen met anderen die dit ook hadden bedacht. Dat geeft niet. De theorie is in ieder geval juist.

 

Sinterklaas

Mijn broer stuurde vanuit Oman per WhatsApp een Sinterklaaswens – waar zijn de tijden gebleven dat wensen nog gewoon met een wortel in een schoen werden gestopt.

“Beste Sint, mijn wens voor dit jaar is een dikke vette bankrekening en een slank lichaam. Het zou fijn zijn als u deze twee niet door elkaar zou halen, zoals vorig jaar.“

Ha leuk, ik ken ook nog wel een grappige Sinterklaasanekdote.

Sinterklaas is op bezoek in een V&D. Alle kinderen mogen bij Sinterklaas op schoot zitten en hem het cadeau vragen dat ze op 5 december graag willen hebben. Na een lange rij wachtenden is een klein jongetje aan de beurt. Nadat hij heeft plaatsgenomen bij de Sint is het eerste wat het jongetje zegt: “Sint ik heb de zelfde naam als u.” “Zo”, zegt Sint, “en wat wil Henk hebben op 5 december?”

Dit jaar vieren wij Sinterklaas waarschijnlijk op kerstavond. Dan is de oudste dochter net terug uit Berlijn en is de jongste dochter nog niet vertrokken voor de wintersport. Het is altijd puzzelen wanneer iedereen er is. Vorig jaar vierden wij Sinterkerst pas in de eerste week van januari. Dat was de week dat de oudste dochter even tussen een studieperiode in Singapore en een stage in New York thuis was.

Vroeger was dat veel eenvoudiger. Toen vierden we het feest gewoon op 5 december en in november stonden we altijd met de kinderen op de schouders bij de Sluisjes de aankomst van Sint te bekijken. Bij één van die aankomsten heeft de jongste dochter nog geleerd dat eerlijkheid niet altijd loont. Na afloop van het feest liepen we terug naar de fietsen. Een Piet liep nog zakjes snoep uit te delen. Aan alle kinderen vroeg hij of ze al een zakje hadden. Alle kinderen zeiden nee en kregen een zakje. Alleen mijn dochter zei eerlijk ja – het zakje was overigens zeer knap met één hand gevangen door haar vader – waarop ze geen zakje kreeg. Ik snapte het wel, hij had natuurlijk niet genoeg zakjes, maar toch, het stimuleerde de kinderen niet echt om eerlijk te zijn. Dochter keek dan ook zeer beteuterd toen ze als enige van de kinderen geen zakje van hem kreeg.

Sint

Later kreeg ze op de crèche gelukkig nog wel een cadeau van Sint en zijn Pieten.

Parijs en Toeval

Volgens de Frans schrijver en filosoof Voltaire (1694-1778; geboren en gestorven in Parijs) bestaat toeval niet. “ We noemen zo een gevolg van een oorzaak die we niet zien”. Ik denk niet dat hij gelijk heeft. Toeval bestaat wel. Soms zien we de oorzaak wel maar noemen we het toch toeval. Een voorbeeld om dit duidelijk te maken.

De allereerste bom die de Engelsen tijdens de Tweede Oorlog op Berlijn gooiden, kwam in een dierentuin terecht en doodde daar de enige olifant van heel Berlijn. Toeval? Als je een bom op Berlijn gooit, dan moet hij ergens op de grond vallen, en ja dan kan hij in het hok van de olifant terecht komen. We kennen de oorzaak (de bom) en we kennen het gevolg (de dood van de olifant). De kansberekening zegt dat het kan gebeuren, maar omdat de kans zo klein is, noemen we de dood van de olifant toch toeval.

Toeval is een gebeurtenis met een kleine kans op die gebeurtenis. Maar hoe klein moet de kans zijn voordat we iets toeval noemen?  Een tiende? Een honderdste? Een duizendste? Een miljoenste?

Hoe kom ik nu op toeval? Door die vreselijke gebeurtenissen in Parijs. Neem die twee spelers van het Franse nationale elftal, Lass Diarra en Antoine Griezmann. Diara verloor een nichtje bij één van de schietpartijen. De zus van Antoine Griezmann was aanwezig bij het concert in de Bataclan maar zij overleefde het gelukkig. Parijs telt ruim 2,2 miljoen inwoners. Bij elkaar zullen daarvan zo’n 500 tot 1000 mensen bij de aanslagen beschoten zijn. Hoe groot is dan de kans dat het Franse nationale elftal niet één maar twee spelers telt met familieleden die worden beschoten bij de aanslag?

Nog zo’n voorbeeld. Op tv was het relaas te horen van een Nederlands meisje dat in Parijs was en wilde gaan eten in het restaurant Le Petit Cambodge. Ze was net te laat voor het laatste vrije tafeltje en moest daarom even aan de overkant wachten totdat er een tafeltje vrij kwam. Even later werd het restaurant beschoten. Hoe groot is de kans dat zoiets allemaal gebeurt? Het toeval heeft haar gered.

Los van deze discussie over toeval, je zou maar de ouders, familie of vrienden zijn van bij voorbeeld Mathias en Marie die toevallig aanwezig waren bij het concert in Bataclan. Op Twitter verschenen er onder de hashtag @recherheparis al snel na de aanslag foto’s van allerlei vermiste mensen waaronder die van Marie met de vraag of iemand haar had gezien.

aanslagen 0

Kort daarna  gevolgd door foto’s van Marie samen met haar vriend Mathias, want hij was ook vermist.

aanslagen 1

Even later volgde een hernieuwde oproep. Een speurtocht bij alle ziekenhuizen in Parijs had niets opgeleverd. Ze waren nog steeds niet terecht.

aanslagen 2

Tot slot verscheen er nog een laatste update. De foto was nu zwartwit. De zoektocht was ten einde. “Ik heb geen woorden meer, alleen nog tranen” stond er in het bericht. Ze waren allebei overleden.

aanslagen 3

Hartverscheurend. Toeval is een kleine kans, met soms vreselijk verdrietige uitkomsten.

Nobelprijzen

Kreeg een maandje geleden de oudste dochter haar bachelorsdiploma, gisteren was de jongste aan de beurt. Uiteraard zaten er weer een hoop trotse fotograferende ouders in de zaal.

graduation day

Even klikken op de foto voor een grotere afbeelding. Mijn dochter is te herkennen aan een zwarte toga.

De dochter heeft economie in Rotterdam gestudeerd. Tijdens zijn praatje merkte de decaan op dat de Nobelprijs voor economie die de Rotterdamse econoom Jan Tinbergen in 1969 had gekregen buiten de zaal te zien was in een glazen vitrine. Hij raadde ons, en ook de studenten, aan om die eens te gaan bekijken. Je kon hem op een afstandje van 20 centimeter zien. Dichter bij een Nobelprijs zult u waarschijnlijk niet komen, hield hij ons en de studenten voor.

Nu heeft Tinbergen officieel niet de Nobelprijs voor economie gewonnen maar ‘de prijs van de Zweedse Rijksbank voor Economische Wetenschappen ter nagedachtenis aan Alfred Nobel’. Deze prijs is pas in 1969 voor het eerst uitgereikt. Strikt formeel is het dus geen Nobelprijs, maar een kniesoor die daarover valt. In de praktijk wordt deze prijs altijd als een Nobelprijs betiteld. Bovendien wordt hij op dezelfde dag als de ‘echte’ Nobelprijzen uitgereikt. Dus na afloop deze prijs toch maar even bekeken.

nobelprijs

Slechts 20 cm scheiden mij nog van een Nobelprijs!

Maar hoezo zou ik eigenlijk niet dichter bij een Nobelprijs kunnen komen? Dat zullen we nog wel eens zien. Ik heb even gekeken waar mijn beste kansen liggen. Bij de wetenschappelijke prijzen wordt de prijs meestal uitgereikt om een baanbrekend wetenschappelijk onderzoek te eren dat al jaren eerder heeft plaatsgevonden. Daar zit ik deels goed. “Mijn wetenschappelijke ontdekkingen” tijdens mijn studie ‘Toegepaste Wiskunde’ dateren inderdaad al van jaren geleden. Maar of mijn ‘onderzoeken’ baanbrekend genoeg waren, dat waag ik te betwijfelen. Ik vermoed van niet. Maar eigenlijk doet dat er allemaal niet toe, want er is helemaal geen Nobelprijs voor Wiskunde. De Wikipedia geeft een mooie verklaring voor de reden hiervan:

“Er is geen Nobelprijs voor wiskunde. Er is veel gespeculeerd waarom een Nobelprijs voor wiskunde ontbreekt. Een wijdverbreid verhaal is dat Nobel wilde voorkomen dat een beroemd wiskundige (Gösta Mittag-Leffler) de prijs zou krijgen, omdat hij een affaire zou hebben met een vrouw met wie Nobel relaties onderhield. Meer waarschijnlijke verklaringen zijn dat Nobel de wiskunde niet zag als een praktische wetenschap waar de mensheid veel aan zou hebben, en het feit dat er al een andere prestigieuze wiskundeprijs in Scandinavië bestond, waar hij niet mee wilde concurreren.”

Goed, dus geen wetenschappelijke Nobelprijs. Dan resten er nog twee opties: die voor Literatuur en die voor Vrede. Die voor Vrede wordt lastig. “Ik ben voor Wereldvrede!” maar ik ben bang dat alleen het uiten van deze kreet niet voldoende is voor het winnen van de Nobelprijs (maar misschien win ik er wel een Mister World verkiezing mee). Ik denk dat ik het beste kan gaan voor die van Literatuur. Maar hoe groot zijn mijn kansen daar? Er is er nog nooit eentje toegekend aan een schrijver die in het Nederlands schreef. Vergroot dat mijn kansen  – eindelijk ook een Nederlandstalige auteur! –  of verkleint dat mijn kansen juist? Ik vermoed dat mijn felrealistische non-fictie literatuur die ik tot nu heb geschreven niet voldoende is, dus ik moet snel een nieuw oeuvre opbouwen. Dat kan ik, denk ik, het beste en het snelste doen door middel van dit blog.

Waar moeten mijn schrijfsels aan voldoen? Even een blik op de motivatiereden die het Comité volgens de Wikipedia heeft verstrekt bij het uitreiken van de Nobelprijs aan de laatste zes winnaars:

  • 2011: Tomas Tranströmer; Zweden. “Omdat hij met zijn verdichtende, doorschijnende beelden ons een nieuwe toegang geeft tot de werkelijkheid.”;
  • 2012: Mo Yan; China. “Die met zinsbegoochelend realisme in zijn volksverhalen verleden en heden doet versmelten
  • 2013: Alice Munro; Canada. “Meester van het hedendaagse korte verhaal.”
  • 2014: Patrick Modiano; Frankrijk. “Voor de herinneringskunst waarmee hij de meest ongrijpbare menselijke lotsbestemmingen heeft weten op te roepen
  • 2015: Svetlana Aleksijevitsj; Wit-Rusland. “Voor haar veelstemmige werk, een monument voor lijden en moed in onze tijd”
  • 2016: Martin van Neck; Nederland. ”Als erkenning voor zijn observatievermogen, de originaliteit van zijn verbeelding, de kracht van zijn ideeën en zijn opmerkelijke talent voor het vertellen; eigenschappen die de blogposts van deze wereldberoemde auteur kenmerken

Dat ik volgend jaar de Nobelprijs krijg (niet alles wat op de Wikipedia staat is waar) is nog een beetje onzeker – de reden die hier staat lijkt overigens verdacht veel op de reden waarmee Rudyard Kipling in 1907 de Nobelprijs won; dat is toeval. Wel geef ik toe dat de toekenning aan een schrijver van een blog omstreden zal zijn, maar er zijn wel vaker omstreden toekenningen geweest. De Wikipedia geeft zelfs een hele lijst van omstreden toekenningen. De mooiste vind ik die van 1974:

In 1974 waren Graham Greene, Vladimir Nabokov en Saul Bellow genomineerd, maar ze moesten het onderspit delven voor een gedeelde prijs aan twee Zweedse auteurs, Eyvind Johnson en Harry Martinson, die zelf juryleden waren.

Ik ga dus voor die van literatuur maar om de kans op die andere ook nog te vergroten, nog eenmaal: “IK BEN VOOR WERELDVREDE!”

 

 

Correcties en Aanvullingen

De kans dat er in mijn blog fouten verschijnen is zo klein dat er op dit blog geen behoefte is aan een rubriek ‘Correcties en Aanvullingen’. Dit in tegenstelling tot veel kranten zoals de NRC en de Volkskrant waar het bijna dagelijkse rubrieken zijn. Ik mag die rubrieken graag lezen. Neem bijvoorbeeld de volgende verbetering uit de Volkskrant van gisteren.

In de recensie over de tentoonstelling Azië > Amsterdam in het Rijksmuseum (V, pag 8-9, 30 oktober) staan twee fouten door een eindredactionele ingreep. Het intro meldt dat Hollandse VOC-schepen eind 16e eeuw luxe-producten mee terugnamen vanuit Azië. Dat waren nog geen VOC-schepen – de Vereenigde Oostindische Compagnie werd pas in 1602 opgericht. Ook staat erin te lezen dat de producten hebbedingen werden voor de Amsterdamse grachtengordel. Die bestond eind 16e eeuw ook nog niet.’

Een heerlijk bericht. Je ziet de verbijstering van de journalist voor je als hij ’s morgensvroeg bij het ontbijt de inleiding van de eindredactie bij zijn stuk in de krant leest. VOC-Schepen? Grachtengordel? De meeste grachten in Amsterdam zijn nota bene pas in het begin van de 17e eeuw gegraven. Welke idioot van de eindredactie is hier verantwoordelijk voor? Kwaad belt hij naar de krant. “Rectificeren!” brult hij.

Ik ben niet de enige die de rubriek graag leest. Ook Nico Dijkshoorn maakt in zijn column van 19 mei 2015 in De Volkskrant melding van het feit dat hij de rubriek graag leest. Sterker nog, hij zou zelfs een rubriek willen schrijven met daarin ‘Aanvullingen & Verbeteringen’ op nooit verschenen publicaties.

Een hele krant vol met verzonnen ‘Aanvullingen en Verbeteringen’ daarop zou ik mij meteen abonneren. ‘In het artikel ‘En dan trek ik me terug in mijn creatieve unit en dan kan de hele buitenwereld mijn kloten kussen’ is de echte naam van Jett Rebel helaas niet goed geschreven. Bonkert Schuipsma had moeten zijn: Blakert Schoepert. De nieuwe cd heet niet Suck maar Sok.’ aldus Nico Dijkshoorn.

Ik ben het niet met hem eens. Je moet ze niet gaan verzinnen. De kracht van de rubriek is juist dat het correcties zijn op serieus geschreven berichten. Bovendien zijn veel aanvullingen en verbeteringen op zich al leuk genoeg om te lezen. Wie dit ook goed aanvoelt, is fotoredacteur Frank Schallmaier van de Volkskrant. Voor de Volkskrant van zaterdag 22 november 2014 maakte hij een overzicht van de leuke correcties. Ik heb hier even de vijftien leukste gekopieerd.

correcties

(Even aanklikken om ze goed te kunnen lezen)

Correcties en Aanvullingen

In de blogpost ‘Correcties en Aanvullingen’ van donderdag 4 november 2015 schrijf ik: ‘De kans dat er in mijn blog fouten verschijnen is zo klein dat er op dit blog geen behoefte is aan een rubriek ‘Correcties en Aanvullingen’ Dit had moeten zijn: ‘De kans dat er in mijn blog fouten verschijnen is zo groot dat er op dit blog ook een grote behoefte is aan een rubriek ‘Correcties en Aanvullingen’

In de blogpost ‘Correcties en Aanvullingen’ van donderdag 4 november 2015 wordt ten onrechte gemeld: “Ik heb hier even de vijftien leukste gekopieerd” Het zijn er slechts twaalf.

We hebben een beller

De HTM is een campagne begonnen voor bellende fietsers. Het is niet zo dat de HTM wil dat fietsers eens flink meer met hun fietsbel gaan bellen, maar het is een voorlichtingscampagne om fietsers op de gevaren te wijzen van het mobiel bellen onder het fietsen.

bellen

Bord bij het tunneltje onder de N44 bij de Horsten in Wassenaar

Op Radio West vertelde een voorlichtster dat ze een onderzoek hadden gedaan. Tijdens een tramrit had de bestuurder gemiddeld veertig keer per rit te maken met een bellende fietser. “Veertig keer per rit een noodstop?” vroeg de interviewer verbaasd. ‘Nee dat niet, maar wel dat een trambestuurder tijdens zijn rit veertig keer een bellende fietser zag, waarvan het de vraag was of deze de tram wel in de gaten had. Het was dus goed opletten voor hun chauffeurs.

Dat er overal en altijd mensen met hun mobieltje bezig zijn, klopt. Hoe vaak zie je bijvoorbeeld niet dat mensen die in de rij voor de kassa bij Albert Heijn staan aan het bellen zijn en dat ze zelfs als ze aan de beurt zijn hier nog mee doorgaan.

Bij de kassa van de Kookwinkel in de Passage van Den Haag vinden ze dat niet zo fijn. We zagen daar namelijk vanmiddag dit opmerkelijke bordje bij de kassa staan.

bordje bellen

Leuk! Overigens voor de slimmeriken, de foto is inderdaad met mijn mobieltje gemaakt.

Het zijn moderne tijden, want toen we terug naar huis fietsten, zagen we aan een lantarenpaal op de Bezuidenhoutseweg dit bord hangen. (Het roept automobilisten op om tijdens het rijden niet met hun mobieltje bezig te zijn. Deze uitleg is voor degenen die niet weten wat al die icoontjes betekenen; wij weten dat  uiteraard wel want wij zijn bijdetijds.)

bordje bellen 2

’s Avonds liepen we met onze jongste dochter, die weer naar Rotterdam terug ging, mee naar de tramhalte. Ze was net op tijd om de tram te halen. Ze stapte in en wij liepen verder. Even verderop passeerde de tram ons. Enthousiast zwaaiden we nog even naar haar. Ze zag ons niet. Ze zat op haar mobieltje te kijken.

Gespreksflarden (2)

Ik moet voor Marianne muesli kopen op de markt. “Gewoon simpele muesli” zei ze. Aangekomen bij de kraam blijken ze liefst vijf verschillende soorten te verkopen: muesli met noten, muesli zonder noten, fruitmuesli, speltmuesli en muesli supermix. Welke is nou de ‘gewoon simpele muesli’? Ik bel haar op om te vragen welke ze wil hebben. Ze neemt niet op. Ik besluit om dan maar voor de supermix te gaan. Supermix, dat klinkt niet slecht. Bovendien komt mij die zak bekend voor.

Ik loop vervolgens naar de kaaskraam. Onderweg daar naar toe, kan ik nog net een oude vrouw in een rolstoel ontwijken. Ze rijdt in volle vaart over de markt. Ze stopt bij een oude vrouw met een rollator.
Nou Ans, die stok kan je vergeten, die ben je kwijt” roept ze. “Ik heb hem op het toilet laten staan” antwoordt Ans.

Even verderop loop ik door een gesprek heen van een oudere en jongere vrouw: “Als jullie het niet voor mekaar krijgen, dan kan je het toch van ons lenen?” hoor ik de oudere vrouw zeggen.

De markt is zoals altijd een plaats vol gespreksflarden. Sommige zijn vrolijk: “Ik dacht laat ik haar eens verrassen met een bosje bloemen, daar zal ze van opkijken” aldus een man tegen de man van de bloemenkraam. Vooral dat  ‘daar zal ze van opkijken’ vind ik leuk. Sommige gespreksflarden zijn minder leuk. Wachtende bij de kaasboer hoor ik een man – ik had eerst ‘oude man’ willen schrijven maar hij is van mijn leeftijd –  tegen zijn buurman zeggen:

Waarom heeft ze het niet eerder tegen mij gezegd. Ik kan het aan hoor. Ja, we zijn allemaal geboren om dood te gaan. Maar zover is het nog niet hoor”.

Ik proef ondertussen een stukje boerenkaas. “Eén jaar oud, en lekker meneer” zegt de kaasboer. Het smaakt goed. Ik pak een stuk en vraag aan de kaasboer hoeveel het weegt. Hij kijkt er naar. “650 gram denk ik” zegt hij. Hij weegt het. Het is 635 gram.

Je hebt er verstand van” zeg ik. “Ervaring meneer”.

In de verte schreeuwt een marktkoopman: “Lekkere Hollandse aardbeien, twee eurootjes!”.

Plonk, plonk

Van de week maakte mijn fiets opeens een raar geluid. ‘Plonk, plonk’ klonk het af en toe. Het zat ergens bij de voorwiel, geen idee wat het was. Thuis de fiets in de garage gezet, hopende dat de gebruikelijke tactiek werkte, namelijk dat het probleem zich ’s nachts vanzelf  zou oplossen. Dat bleek helaas niet het geval te zijn, want toen ik gisteren weer op de fiets stapte om naar Leiden te fietsen klonk het weer ‘plonk, plonk’.

Ergens tussen Leidschendam en Voorschoten zette ik de fiets aan de kant om het voorwiel eens nauwgezet te onderzoeken. Geen idee waar ik het moest zoeken. Ik ben niet zo’n klusser.  ‘Als het niet kapot is, maak het dan niet’  was bij ons thuis het motto, dus voor ons plezier sleutelden wij niet aan fietsen. Opeens zag ik twee dingetjes met een pijltje er op waar je aan kon draaien. Ze zaten op de veringbuizen van het voorwiel. Je kon ze zowel strakker als losser draaien. Misschien waren ze wel losgetrild dacht ik deskundig en draaide ze een stuk strakker.

Ik stapte weer op de fiets en voila, het ‘plonk, plonk’ was weg. “Wat ben ik toch een handyman, wat een Van Neck al niet vermag.” dacht ik trots en fietste vrolijk verder naar Leiden.

In de stad aangekomen klonk er weer ‘plonk, plonk’.  Shit, weer losgetrild? Eerst maar eens de stad in. Het was de dag voor Leidens Ontzet. Het was er gigantisch druk. Voor de geldautomaat van de ING stond een rij van twintig mensen. Hoezo gaat het slecht met de economie of was het geld soms gratis vandaag? In de stad waren er talloze kraampjes met eetbare en niet-eetbare zaken, maar die hadden het nog niet zo druk. Ik liep door een winkelstraat waar een soort verkeersbord stond met de tekst: “Winkels open? Fietsers lopen!”

De meeste mensen trokken naar de kermis. Ik liep er een rondje. Er stonden apparaten waar ik voor geen goud in wil. Stoere jongetjes stapten er in die even later niet meer zo stoer waren.

kermis 1 kermis 3

Ik zag gelukkig ook nog attracties die je ook in mijn jeugd al had, zoals de grijpautomaat (“alweer een winnaar!”), het eendjes vissen en het touwtje trekken voor kinderen.

kermis 2  IMAG0628

Al was dat laatste wel veranderd. Wat de kinderen ook trokken, ze kregen een waardebon en afhankelijk van het aantal waardebonnen dat het kind had, kon het een prijs uitkiezen. In mijn jeugd kreeg je gewoon datgene dat je trok.

Hoewel, ik trok een keer tot mijn groot genoegen een waterpistool, maar de man van de kraam gaf mij een stuk gum. Dat pistool stond voor de gum zei hij. Nou, daar had hij een kwaaie aan mijn moeder aan. “Die jongen heeft een waterpistool getrokken, dan geef je hem ook waterpistool” sprak ze luidkeels. Toen hij dat niet direct wou doen, ging ze zoveel stennis maken, dat er allerlei omstanders op af kwamen, waarop de man maar snel eieren voor zijn geld koos en mij alsnog een waterpistool gaf.

Terug bij de fiets draaide ik weer aan de draaidingetjes – daar zijn draaidingetjes voor – maar het hielp niet: het bleef plonkerdeplonk. Of ik ze nou strakker of losser draaide, het maakte niet uit. ‘Plonk, plonk.’ Thuis gekomen zette  ik de fiets in de garage. Misschien is morgen het ‘plonk, plonk’ wel van zelf weg.