Stage lopen

Dit weekend zijn Marianne en ik naar de film ‘The Intern’ met Robert de Niro, een favoriete acteur van Marianne, geweest. We gingen naar de zondagmiddagvoorstelling van 12.35 uur. De tijd dat wij naar de laatste avondvoorstelling op zaterdagavond gingen, ligt al een tijdje achter ons.

Het was een leuke film. Robert de Niro (72 jaar oud) speelde een 70-jarige man – hij kon dus bijna zichzelf spelen – die in het kader van een seniorenproject stage ging lopen bij een jong swingend internetbedrijf. Dat deed me aan vroeger denken. Ook ik heb een keer bij een bedrijf stage gelopen. Het was in de zomer na mijn eerste studiejaar aan de TH Twente. De Hogeschool vond dat je een keer het simpele werk van de gewone man op de werkvloer van een fabriek gedaan moest hebben. Later, als je een hoge functie in het bedrijfsleven zou hebben, zou je immers beslissingen nemen die direct invloed zouden hebben op de werkvloer. Om te weten hoe het er daar aan toe ging, moest daarom iedere student een zogenaamde sociale stage van vijf weken in een fabriek gedaan hebben, waarbij je simpel werk moest doen.

Ik belandde bij Thomassen en Drijver, een blikfabriek in Deventer. Ik kwam te werken op de afdeling kwaliteitscontrole. Ik deed wat administratief werk waarbij ik met een prikkertje gaten moest prikken in ponskaarten (het was de begintijd van computers). Daarnaast moest ik bij de lopende band kwaliteitscontroles doen.

Dat laatste hield in dat ik elke tien minuten een blikje van de lopende band moest pakken en het daarna onder een soort poortje door moest schuiven om te kijken of het niet te hoog was. Vervolgens moest ik het blikje in een afvalmand gooien en het resultaat van mijn controle noteren. Die handelingen duurden bij elkaar nog geen minuut. Vervolgens wachtte ik negen minuten, pakte dan weer een blikje van de lopende band en ging dat meten. Behoorlijk geestdodend dus.

blikje 1

Al snel pakte ik drie blikjes tegelijkertijd van de lopende band, deed de metingen, en ging dan een half uurtje door de fabriek wandelen. Ik had toen nog niet zo’n goed gevoel voor statistisch verantwoorde steekproeven.

De fabriek vond ik fascinerend om te zien. Er werkten veel buitenlanders die het zware werk deden. Bij de ovens waar het aluminium van de Hoogovens werd omgesmolten en waar het loeiheet was, stonden allemaal Turkse mannen te werken. Dat werk leek me bepaald geen pretje, maar op de een of andere wijze hadden de mannen er haast altijd wel een goed humeur. Regelmatig kwam ik in de pauzes een praatje met ze maken en ze probeerden mij dan wat woordjes Turks te leren. Ik moest tegen de baas zeggen dat hij echt ‘Am’ was. Dat betekende volgens hun dat hij een heel goede baas was. Een snelle blik in een woordenboek leerde mij dat het toch echt wat anders betekende.

Op een dag deed ik iets stoms. Ik had weer eens een blikje gemeten. Ik constateerde dat het een goed blikje was – het waren haast altijd goede blikjes – en in plaats dat ik het blikje in de afvalemmer gooide, zette ik het blikje weer terug op de lopende band. Het was immers een goed blikje. Dat had ik beter niet kunnen doen. Ik zette het namelijk per ongeluk verkeerd neer en toen stond het recht overeind in plaats van dat het plat op de lopende band lag.

Dat is niet goed dacht ik. Bezorgd volgde ik het blikje. De lopende band nam het mee naar de volgende hal en ik volgde om te kijken. Daar ging de lopende band met het blikje eerst omhoog om daarna hoog in de fabriek weer horizontaal verder af te buigen. Het moest daarbij door een nauwe opening, wat geen enkel probleem was voor de liggende blikjes maar wel voor mijn staande blikje.

‘Boink’ klonk het. Mijn blikje kon niet verder. ‘Boink’, ‘Boink’, ‘Boink’, Boink’, ‘Boink’, ‘Boink’. Alle blikjes er achter konden nu ook niet verder. Het ging maar door: ‘Boink’, ‘Boink’, ‘Boink’, Boink’, ‘Boink’, ‘Boink’, Boink’, ‘Boink’, ‘Boink’, Boink’, ‘Boink’, Boink, ‘Boink’.

Opeens klonk er een alarm en de lopende band werd stil gezet. Er kwamen een aantal mensen aangelopen die verbaasd keken naar de opstopping boven in. Ik probeerde net zo verbaasd te kijken.

Het was een moeilijk bereikbare plek. De lopende band stond meer dan een uur stil.

De geschenkenspijker

Op 5 juni 2003 zijn Tineke en Nico getrouwd. Wie dat zijn? Geen flauw idee. Maar dat Tineke en Nico op die dag zijn getrouwd, weet ik dankzij een bezoek aan een kringloopwinkel in de buurt. In het gangpad van de boekenafdeling zag ik namelijk dit ingelijst borduurwerk op de grond staan.

borduurwerk

Ik vermoed dat een tante of een grootmoeder van de bruid dit met nijvere vlijt heeft geborduurd. “Oh tante Jo, wat prachtig, wat een werk”. Dat het hier nu te koop staat, heeft iets tragisch. Wat is er gebeurd?

Ik gok dat ze nu gescheiden zijn en dat het Tineke is die het naar de kringloopwinkel heeft gebracht. Ze wou het niet meer in huis hebben, maar kon het niet over haar hart verkrijgen om het in de vuilnisbak te kieperen – daar lag haar huwelijk al – en dat ze het daarom naar de kringloopwinkel heeft gebracht. Misschien kan iemand de lijst nog gebruiken.

Maar dit is speculeren. Wellicht zijn Tineke en Nico nog steeds gelukkig bij elkaar, is tante Jo onlangs overleden en hebben Tineke en Nico bij een opruimbeurt besloten dat ze het nu naar de kringloopwinkel konden brengen zonder het risico te lopen dat tante Jo bij een bezoek zou vragen: “Hebben jullie nog mijn geschenk voor jullie trouwen? Ik zie het niet meer in de gang hangen.”

Vrienden van ons hadden voor zulke cadeaus een geschenkenspijker in de gang. Dat was een spijker waaraan ze schilderijen, foto’s, borduurwerkjes en andere goedbedoelde giften konden hangen die ze ooit van familieleden hadden gekregen en die ze niet voor het hoofd wilden stoten. Als tante Pietsie op bezoek zou komen, dan zochten ze in de kast haar borduurwerkje op en hingen het aan de geschenkenspijker op. Als tante Pietsie weer weg was, verdween het weer in de kast

Koffie Kaal

Op zoek naar het bestandje waar ik op zoek naar was – dat klinkt een beetje zoekende – kom ik op de back-up van de harde schijf van een oude pc niet alleen mijn ingezonden brief naar de Volkskrant uit 2007 tegen (zie het vorige blog), maar ook een gescand stripverhaaltje dat één van mijn dochters in 2010 even snel tijdens het eten had geschetst.

Ik vertelde toen dat ik die dag behoorlijk had geblunderd op kantoor. Tijdens het halen van de koffie had ik namelijk aan een collega gevraagd of hij koffie kaal wou (ik bedoelde koffie zwart). Nou was die verspreking niet erg ware het niet dat die collega volledig kaal was. Op het moment dat ik die woorden uitsprak, realiseerde ik mij mijn vergissing en ik moet zeggen dat mijn dochter die blik waarmee ik hem toen aankeek goed heeft weergegeven.

Koffie Kaal

Brahmasphutasiddhanta

Al zoekende naar een oud bestand op een back-up van de harde schijf van een oude pc kom ik opeens een door mij geschreven ingezonden brief naar ‘De Volkskrant’ uit januari 2007 tegen. Ik was hem totaal vergeten. De Volkskrant was toen net met een bètacanon begonnen, waarin de belangrijkste ontdekkingen uit de wetenschap werden beschreven. Het eerste artikel in deze reeks ging over de ‘ontdekking’ van het getal 0, de belangrijkste ontdekking in de wiskunde vond de Volkskrant. Daar was ik het niet mee eens. Ik vond de ‘ontdekking’ van het getal 1  belangrijker en schreef de volgende ingezonden brief. Echt waar.

De “ontdekking” van het getal 0 is een enorm belangrijke gebeurtenis geweest in de wiskunde en het is meer dan terecht dat deze vinding in de beta-canon is opgenomen. Maar er is een ander getal waarvoor geldt dat het bedenken ervan nog vele malen belangrijker is geweest voor de wetenschap en waarmee de canon dus eigenlijk als eerste had moeten beginnen. Het is de basis van alles. Het betreft hier het getal 1, de eenheid van getallen. Zonder het getal 1 zou er überhaupt geen enkele eenheid in de wetenschap kunnen bestaan en daarmee geen wetenschap.

Ooit is er in het verre verleden een holbewoner geweest die het begrip 1 als eerste heeft bedacht. Misschien om het aantal dinosaurussen aan te geven dat voor de grot stond, wie weet. Dat moment kunnen we beschouwen als het moment dat de wetenschap op aarde begon.

Voor de wetenschap kunnen we de ontdekking van het getal 1 (even geniaal als eenvoudig; ieder kind snapt de betekenis) zien als de oerknal van het heelal. Het getal 0 kunnen we dan beschouwen als de grens van het heelal (en achter deze grens liggen dan de negatieve getallen)  En als we dan toch met beeldspraak bezig zijn, de getallen ‘ pi’ en ‘e’ (grondtal van de natuurlijke logaritme) kunnen we dan beschouwen als de zwarte gaten van het getallenheelal.) Kortom, het eerste artikel in de canon had niet over het getal 0 maar over het getal 1 moeten gaan.

 p.s. Overigens een goed verhaal over het getal nul. Een kleine kanttekening hierbij. De enige naam van een wetenschapper die in het artikel wordt vermeld, is die van Fibonacci, zijnde degene die in 1202  het getal 0 in Europa heeft geïntroduceerd. Dat is op zich juist maar als er een naam in het artikel had moeten staan, dan had het die van Brahmagupta moeten zijn.

Brahmagupta

Deze beroemde Indiaanse geleerde schreef in 628 na Christus, hij was toen 30, zijn boek ‘Brahmasphutasiddhanta, waarin hij onder andere over de mogelijkheden en onmogelijkheden van het getal 0 schreef.

De naam Fibonacci is veel meer verbonden met zijn reeks 1, 1, 2, 3, 5, 8, 13, 21, 34, 55…… (waarbij het volgende getal de som is van de vorige twee getallen) en met de gulden snede, “de ideale verhouding” in de natuur, die steeds beter wordt benaderd door telkens de verhouding van twee opeenvolgende getallen in de rij van Fibonacci te nemen.

De Volkskrant plaatste de brief niet. Onbegrijpelijk.

Oranje

Breaking News!!!!

Het Nederlands elftal gaat niet naar de eindronde van het EK!!!  Ok, het is niet echt breaking news meer. Nu kunnen we gaan zitten somberen maar we kunnen ook naar de toekomst kijken, zoals de directeur betaald voetbal van de KNVB, Bert van Oostveen, ook doet: “Ik begrijp de teleurstelling bij iedereen heel goed. Maar we gaan richting het WK van 2018 door met bouwen. We moeten het met elkaar doen”. Kijk, that’s the spirit. We bouwen flink door.

In de geest hiervan heeft de rubriek ‘De Speld’ gisteren in de Volkskrant alvast gekeken naar de dingen die wel goed gingen in de kwalificatie. De belangrijkste twee zaken waren volgens ‘De Speld’ de geslaagde ingooi van Gregory van der Wiel op 12 juni 2015 tegen Letland en het winnen van de toss op 10 oktober 2015 door Wesley Sneijder tegen Kazachstan. Ik citeer even hun beschrijving van deze laatste gebeurtenis.

De toss tegen Kazachstan staat op het punt van beginnen. Aanvoerder Robben is geblesseerd, reserve-aanvoerder Van Persie zit op de bank. Alles hangt af van derde aanvoerder Wesley Sneijder. Alleen hij kan deze toss winnen. Met het lood in de schoenen loopt hij richting de Franse scheidsrechter Clément Turpin en Samat Smakov, de aanvoerder van Kazachstan. Sneijder denkt al dagen aan die ene vraag, waarop alleen het lot het antwoord weet. De Utrechtenaar besluit dat het kop moet worden. Turpin stelt de vraag echter niet aan Sneijder maar aan Smakov. ‘Kop’, zegt de Kazach gedecideerd. De wereld van Sneijder stort heel even in. Twee seconden later kleurt de zwaartekracht oranje. Munt. Wesley Benjamin Sneijder heeft de toss gewonnen.”

Zelf heb ik de wedstrijd tegen Tsjechië rustig vanaf de bank thuis bekeken. Ik zag hoe bondscoach Blind na rust hoopte dat de 0-2 achterstand teniet gedaan kon worden door de bal blind – nee, dit is geen flauwe woordspeling; Nederland speelde op een gegeven moment (‘En un momento dado’ zou Cruijff zeggen) zelfs met drie centrumspitsen – naar voren te trappen. Deze tactiek werkte niet. De docenten van de KNVB-trainersopleiding gaan nog uitzoeken waarom niet. Nederland verloor met 2-3. Geen Nederland dus naar het EK. Het is niet anders. Wie moeite heeft om dit te verwerken, Herman Finkers heeft hiervoor de cursus ‘Omgaan met teleurstellingen’ ontwikkeld (maar de cursus schijnt vaak niet door te gaan).

Twaalf jaar geleden zou ik niet zo berustend zijn geweest. Ook toen dreigde Nederland het EK niet te halen. Twee beslissingswedstrijden tegen Schotland moesten de beslissing brengen. De uitwedstrijd verloor Nederland met 1-0 en de thuiswedstrijd bekeek ik dan ook met de nodige zorg. Er hing niet alleen voor het Nederlands elftal een hoop van af, maar ook voor mijzelf. Ik zou voor de uitgeverij 521 een voetbalboek over het Nederlands elftal maken. Maar als Nederland zich niet plaatste, dan zou dat niet door gaan. Nederland won de thuiswedstrijd echter overtuigend met 6-0, en even later verscheen mijn boek ‘De Oranje Rapporten’ (en is daarna nog jarenlang bij De Slegte verkrijgbaar geweest).

Gespreksflarden (2)

Ik moet voor Marianne muesli kopen op de markt. “Gewoon simpele muesli” zei ze. Aangekomen bij de kraam blijken ze liefst vijf verschillende soorten te verkopen: muesli met noten, muesli zonder noten, fruitmuesli, speltmuesli en muesli supermix. Welke is nou de ‘gewoon simpele muesli’? Ik bel haar op om te vragen welke ze wil hebben. Ze neemt niet op. Ik besluit om dan maar voor de supermix te gaan. Supermix, dat klinkt niet slecht. Bovendien komt mij die zak bekend voor.

Ik loop vervolgens naar de kaaskraam. Onderweg daar naar toe, kan ik nog net een oude vrouw in een rolstoel ontwijken. Ze rijdt in volle vaart over de markt. Ze stopt bij een oude vrouw met een rollator.
Nou Ans, die stok kan je vergeten, die ben je kwijt” roept ze. “Ik heb hem op het toilet laten staan” antwoordt Ans.

Even verderop loop ik door een gesprek heen van een oudere en jongere vrouw: “Als jullie het niet voor mekaar krijgen, dan kan je het toch van ons lenen?” hoor ik de oudere vrouw zeggen.

De markt is zoals altijd een plaats vol gespreksflarden. Sommige zijn vrolijk: “Ik dacht laat ik haar eens verrassen met een bosje bloemen, daar zal ze van opkijken” aldus een man tegen de man van de bloemenkraam. Vooral dat  ‘daar zal ze van opkijken’ vind ik leuk. Sommige gespreksflarden zijn minder leuk. Wachtende bij de kaasboer hoor ik een man – ik had eerst ‘oude man’ willen schrijven maar hij is van mijn leeftijd –  tegen zijn buurman zeggen:

Waarom heeft ze het niet eerder tegen mij gezegd. Ik kan het aan hoor. Ja, we zijn allemaal geboren om dood te gaan. Maar zover is het nog niet hoor”.

Ik proef ondertussen een stukje boerenkaas. “Eén jaar oud, en lekker meneer” zegt de kaasboer. Het smaakt goed. Ik pak een stuk en vraag aan de kaasboer hoeveel het weegt. Hij kijkt er naar. “650 gram denk ik” zegt hij. Hij weegt het. Het is 635 gram.

Je hebt er verstand van” zeg ik. “Ervaring meneer”.

In de verte schreeuwt een marktkoopman: “Lekkere Hollandse aardbeien, twee eurootjes!”.

Penvriendinnen

Het verhaal van Sylvia Witteman over het schriftje van haar grootmoeder waarin ze opschreef wat ze gekookt had en voor wie – zie het vorige blog –  deed me denken aan mijn studententijd. Ik had toen ook zo’n schriftje. Alleen daar schreef ik niet in wat ik had gekookt en voor wie, maar wat ik had geschreven en aan wie. Dat zat zo.

Als student woonde ik in een studentflat op de campus van de Technische Hogeschool Twente. Op onze flat zat een jongen die correspondeerde met enkele meisjes in het buitenland. Dat leek me ook wel leuk en ik vroeg hoe hij met die meisjes in contact was gekomen. Hij was lid van een Ierse correspondentieclub. Je betaalde eenmalig 25 gulden en je vulde een formulier in waar je kon aangeven met wat voor een soort mensen je wilde schrijven (leeftijdsklasse; mannelijk of vrouwelijk; welke landen enzovoorts). Je kreeg daarna een lijst opgestuurd met 15 namen en adressen van mensen die hadden aangegeven dat ze wel met iemand uit Nederland wilden schrijven; later werd jouw naam dan ook nog eens 20 keer doorgegeven aan nieuwe leden (en belandde je zo op hun lijstje van 15 mensen).

Ik meldde me aan, maakte de 25 gulden over en vulde het formulier in. Ik koos voor “female’, mijn eigen leeftijdsklasse en bij de landen kruiste ik als eerste Zweden aan – ik zag mij al hartstochtelijke brieven uitwisselen met zo’n blond Abba-achtig meisje. Vervolgens kruiste ik alle andere landen ook aan – het maakte mij eigenlijk niet uit waar ze vandaan kwamen en deed het formulier op de post.

Continue reading Penvriendinnen

Ouderdom (3) – koken met Sylvia Witteman

In haar column in de Volkskrant  van vandaag zat Sylvia Witteman te somberen dat ze binnenkort vijftig wordt. Vijftig?  Nou en? Dat stelt toch niks voor. Big deal. Ja, als je zestig wordt,  dan heb je wel recht van spreken, maar vijftig?

Maar goed, ze werd er helemaal somber van en om wat vrolijker te worden, had ze op twitter gevraagd: “Kunnen jullie mij een beetje opvrolijken“. Dat leverde haar een stroom filmpjes op van o.a. slapende katten in te kleine dozen, hinnikende paarden en een dansende pinguïn. Ook kreeg ze een plaatje van twee frambozen – eentje met een chagrijnig gezichtje met het onderschrift FramBOOS en eentje met een vrolijk gezichtje met het onderschrift FramBLIJ. Ook stuurde iemand haar een foto van een vrachtwagen die klem zat onder een brug. Het leuke aan die foto was dat op de zijkant van die vrachtauto met grote letters stond: “On the road to succes there are no shortcuts!”

Enfin, het lezen van die column bracht mij er toe om haar kookboek ‘Koken met Sylvia Witteman’ maar weer eens te pakken.  Ik heb Marianne dat boek ooit een keer cadeau gedaan voor haar verjaardag. Sindsdien staat het echter in een keukenkastje een beetje te versloffen – met mijn  schoonmaakwoede (ik word niet zo snel kwaad) is het denk ik overigens beter om te spreken van verstoffen). Of te wel, het wordt dus niet zo veel gebruikt.  En dat is eigenlijk wel jammer, want de verhaaltjes die ze rondom haar recepten schrijft, zijn o zo leuk.

Ik zocht een recept met broccoli er in. Dat hadden we namelijk nog liggen. Ik kwam uit bij een recept voor ‘Canard à l’orange. Dat bestaat uit eendenborst met een sinasappelensaus, frites en kropsla. Ok, daar zit dus geen broccoli in, maar die eend met sinasappelsaus leek me wel erg lekker. Die kropsla vervang ik wel door broccoli. In het verhaaltje bij dit recept vertelt ze over haar grootmoeder.  Ik citeer haar even hier (want het is zo leuk):

Vlak na de oorlog was mijn grootvader een poosje minister. Voor mijn grootmoeder was dat een heel gedoe, want er kwamen vaak belangrijke mensen eten. Ze kookte dan extra lekker: garnalencocktail, aspergeroomsoep, canard à l’orange en langevingerpudding toe bijvoorbeeld. Of krabcocktail, kervelsoep, ossenhaas met champignons en Haagse bluf met een wafeltje.

Zo had ze een paar standaardmenu’s, en ze hield in een schriftje bij wat ze gekookt had voor wie. Zo voorkwam ze dat haar gasten ooit twee keer hetzelfde zouden krijgen. Ze stond vaak lang in de keuken, want gemaksvoedsel was er toen nog niet. Garnalen moesten worden gepeld, eend moest worden geplukt en schoongemaakt. Maar ze deed het met plezier en was trots op haar kookkunst.

Tot op een dag dat na een uitgebreid diner het gezelschap aanstalten maakte tot vertrek. Een van de chique dames nam mijn grootmoeder minzaam bij de arm en zei op vertrouwelijke toon: ‘Kind, ik ben blij dat je er geen werk van hebt gemaakt.’

Mijn grootmoeder is tot haar dood beledigd gebleven door die uitspraak. Toen ze alleen nog voor haar familie en vrienden hoefde te koken, waarschuwde ze bij elk etentje spottend dat ze ‘er maar geen werk van had gemaakt’.

Het recept voor canard à l’orange dat Sylvia Witteman vervolgens  geeft kan ‘snel en toch chic’. Gelukkig maar. Ik was niet van plan er veel werk van te maken.

 

Arnon Grunberg

Uit de serie ‘Onbelangrijke berichten’ een heel onbelangrijk bericht: Arnon Grunberg heeft via Twitter ruzie met Dieuwke Wynia, de eindredactrice van DWDD. Het zit zo. Arnon Grunberg schrijft dagelijks een ‘Voetnoot’ op de voorpagina van De Volkskrant. Nu moet ik eerlijk zeggen dat ik het niet zo’n boeiende rubriek vind – dat ligt ongetwijfeld aan mij – en hem daarom meestal niet lees. Daardoor heb ik ook de aflevering van afgelopen zaterdag gemist. Die luidde als volgt:

Voetnoot Grunberg

Iemand die de rubriek wel had gelezen was Dieuwke Wynia van de DWDD en die deed iets waar ze beter even wat langer over na had moeten denken, want ze stuurde via Twitter een tweet uit waarin ze schreef dat ze zich niet kon herinneren wanneer Grunberg voor het laatst was uitgenodigd. Nu stond er vorige week toevallig een mooi artikel in De Volkskrant over hoe spontane uitlatingen op sociale media al snel kunnen uitlopen op ruzies en ook hier zag je het gebeuren: Grunberg antwoordde met een tweet, Wynia reageerde hier weer op, waarop voorlopig Grunberg het laatste woord (lees Tweet) had

DWDD tweet 0

(klik op de afbeelding voor een beter leesbare versie)

Tja, wie heeft er gelijk? Ik weet het uiteraard niet, maar het zou zo maar kunnen dat het Grunberg is. Ik heb namelijk iets soortgelijks meegemaakt, namelijk dat de eindredacteur niet goed op de hoogte was van afspraken die één van zijn redacteuren met (mogelijke) gasten maakte.

In mijn geval was dat bij BNR (Business Nieuws Radio). In 2008 had ik een voetbalboek geschreven getiteld ‘Heel het land is van Streek’. Na het verschijnen van het boek werd ik gebeld door een redactrice van BNR dat het haar wel een leuk idee leek dat ik daarover bij hun zou komen vertellen. Dat leek mij ook – publiciteit, publiciteit!  – en we maakten een afspraak.

Op de betreffende dag meldde ik mij keurig om kwart voor tien in Amsterdam bij het gebouw van waaruit BNR uitzond. De uitzending was van 10 tot 12 uur en ergens in die tijd zou het gesprek met mij plaats vinden. De portier belde naar de redactie. Ik moest even in de hal plaats nemen en zou dan opgehaald worden zei hij. Ik ging zitten op een bankje waar al een man zat die mij vaag bekend voor kwam. Deze werd na een minuutje door iemand opgehaald en even later hoorde ik hem op de radio praten – je kon de uitzending in de wachtruimte meeluisteren  – over zijn nieuw voetbalboek dat hij had geschreven.  Aha, blijkbaar was het thema van de uitzending voetbal. Ik luisterde geconcentreerd en hoopte dat hij niet dezelfde rake opmerkingen zou maken en leuke oneliners zou zeggen die ik thuis had voorbereid en waarmee ik de luisteraars zou overtuigen om naar de boekhandel te rennen om mijn boek aan te schaffen. Gelukkig deed hij dat niet en na een kwartiertje kwam hij weer naar buiten.

Ik werd echter niet mee naar boven gevraagd. Na nog een kwartier wachten, meldde ik mij maar weer eens bij de portier. Of ze boven wel wisten dat ik beneden zat te wachten. De portier zuchtte en belde weer naar boven. Er zou zo iemand komen zei hij. Dat duurde een half uur. Toen meldde een man met een rood hoofd, de eindredacteur van het programma, zich bij de portier om te vragen wie die man was die zat te wachten. Ja, dat was ik. “Er moet sprake zijn van een misverstand” zei hij. Ik stond helemaal niet op het programma. Ik liet hem de mail zien met de uitnodiging van de redactrice. Oh, dat had ze niet mogen doen. In de redactievergadering hadden ze het er over gehad wie ze moesten uitnodigen voor een item over voetbal en toen was mijn naam ter sprake gekomen. Maar toen konden ze even later die andere auteur krijgen en was de keus op hem gevallen. Het speet hem zeer, de redactrice – ze was er nu niet – had niet aan hem gecommuniceerd dat zij mij al had uitgenodigd en helaas was er geen ruimte in het programma om mij ook te interviewen. Hij zou haar er ernstig over onderhouden.

Ik maakte er maar een leuk dagje Amsterdam van.

 

Ouderdom (2)

Vond ik gisteren zestig jaar al oud, vandaag staat er in De Volkskrant een artikel over een bijeenkomst van 100-plussers. Verslaggever Toine Heijmans schrijft over een onderzoek van dr. Henne Holstege van het VUmc Alzheimercentrum. In het kader van haar onderzoek volgt zij 150 fitte honderdplussers. Ze wil graag weten waarom deze mensen gezond honderd jaar en ouder worden, terwijl anderen ter prooi vallen aan Alzheimer. Zesentwintig van deze krasse knarren (mijn woorden) zijn bij elkaar gekomen in de dierentuin in Rhenen. Ze worden toegesproken door de dokter. Ze had verwacht, zo schrijft Toine Heijmans, dat tijdens haar onderzoek een behoorlijk aantal van haar onderzoekspopulatie snel zou sterven: “Maar u sterft helemaal niet! U bent er nog steeds

Volgens de dokter is honderd worden een kwestie van geluk hebben, het zou vooral in de genen zitten. Ik hoop dat er ook nog andere factoren zijn, want voor wat betreft mijn genen zit ik een beetje problematisch. Aan de vrouwelijke kant zit ik nog wel redelijk goed (mijn ene oma werd 97 jaar, mijn andere oma 86 jaar; mijn moeder 88 jaar) maar aan de mannelijk kant sta ik er niet zo goed voor: weliswaar telt de 65 jaar van mijn vader niet echt (hij stierf aan de gevolgen van een verkeersongeval) maar mijn opa’s zijn allebei niet ouder geworden dan 75 jaar. Van de genen moet ik het dus niet hebben, maar wellicht is er nog een andere factor die bijdraagt aan een hoge leeftijd.

Daarom maar eens op Google gezocht op interviews met honderdplussers en gekeken of er een GGD is om oud te worden. (Met een GGD bedoel ik in dit geval niet de ‘Gemeentelijke Gezondheidsdienst’ maar de Grootste Gemene Deler.) Is er een factor die deze eeuwelingen gemeenschappelijk hebben?

Op het AD tref ik een artikel aan uit maart 2014 over de op dat moment oudste levende mens ter wereld, de 116-jarige Japanse Misao Okawa. Haar geheim om oud te worden: “Eet veel sushi, slaap acht uur per nacht en blijf altijd rustig”. Ook mocht ze graag makreel eten. Een jaar later werd ze naar aanleiding van haar 117e verjaardag wederom geïnterviewd. Haar geheugen was er in dat jaar blijkbaar behoorlijk op achteruit gegaan, want toen ze weer de vraag naar het geheim van haar lange levensduur kreeg, antwoordde ze deze keer: ”Daar ben ik ook nieuwgierig naar.” Ze overleed een paar weken later.

Maar goed, die vis spoort wel met wat Hendrikje van Andel-Schippers – zij is 115 jaar oud geworden en daarmee de oudste Nederlander ooit (“Ik ben te vroeg geboren en ga te laat dood” zei ze ooit eens als grap) – als verklaring gaf waarom ze zo oud was geworden. Zij zei in een interview dat ze haar hoge leeftijd te danken had  aan pekelharing. Sushi, makreel, pekelharing, wil ik wel oud worden? Ik hou helemaal niet van vis.

Gelukkig is er ook nog Jeanne Calment. Nooit is er iemand ouder – althans officieel erkend –  geworden dan deze Française. Ze werd 122 jaar en 164 dagen. Haar geheim: veel olijfolie (zelfs als huidzalf), flink wat port en chocolade. Vooral die chocola bevalt mij wel. Overigens is Calment ouder geworden dan dat volgens de Bijbel mogelijk is. Volgens Genesis 6.3 kan de mens namelijk niet ouder worden dan 120 jaar: “Toen zeide de HEERE: Mijn Geest zal niet in eeuwigheid twisten met den mens, dewijl hij ook vlees is; doch zijn dagen zullen zijn honderd en twintig jaren.” Calment sprak dan ook altijd de laatste twee jaar van haar leven: “God is mij vergeten”.

Momenteel is met haar 116 jaar, de Amerikaanse Susannah Mushatt Jones, geboren op 6 juli 1899, de oudst levende mens ter wereld. Haar geheim is veel slapen. Per 6 oktober 2015 ziet de lijst van de oudst geworden mensen ter wereld er volgens de Wikipedia als volgt uit. De groen gearceerde zijn de nog levende mensen.

Oudste mensen

(Even klikken op deze lijst om hem goed te kunnen lezen)

Als je de tabel bestudeert, dan zie je dat er nog maar twee personen in de wereld leven die in de negentiende eeuw zijn geboren. De op twee na oudste nog levende persoon (de derde groen gearceerde) is in 1900 geboren.

Tot slot, ik moet opeens denken aan de oma van een jongen uit mijn studentenflat. Zij zat in een bejaardenhuis en had nog maar één doel in haar leven. Ze wilde de oudste persoon in haar bejaardentehuis worden, maar helaas voor haar woonde er in het bejaardentehuis nog een man die ouder was dan zij. Elke keer als haar kleinzoon bij haar op bezoek kwam, vroeg ze: ”Is die verrekte vent nou nog niet dood?”

Ouderdom

Toen ik 17 was, werd ik lid van Amnesty International en 43 jaar later ben ik dat nog steeds. Blijkbaar denken ze bij Amnesty International dat het leven bij zestig eindigt en niet begint, want ik krijg een brief met een uitnodiging voor een bijeenkomst waarin uitgelegd wordt hoe je via legaten een deel van de erfenis aan hun kan schenken. Heel fijn, ga ik dus mooi niet heen.

En alsof dat nog niet genoeg is, krijg ik even later een mailtje van Henk Spaan van het blad ‘Hard Gras’, of ik even mijn leeftijd wil doorgeven aan een redacteur. Ik heb voor hun voor het komende nummer een stuk (over het voormalige jeugdhuis van Go Ahead Eagles) geschreven. Van alle auteurs waarvan een bijdrage is opgenomen staat altijd een korte biografie in het blad vermeld (“Aan dit nummer werkten mee…”. ) met tussen haakjes hun leeftijd.  (Thomas Heerma van Voss (24)…, Erik Brouwer (42)…, Frank Heinen (29)…, Martin van Neck (60)…)  Ik heb geantwoord dat ik tegenwoordig zeg dat ik van de zomer voor de tiende keer vijftig ben geworden, maar dat de burgerlijke stand dat 60 noemt. Gelukkig schrijft Jan Mulder er ook af en toe in en die is 70.

Niet dat ik in een midlifecrisis zit. Als dat zo was, dan zou ik immers 120 worden, maar zestig voelt opeens toch oud. Dat had ik niet toen ik vijftig werd, toen voelde ik mij helemaal geen zestig!

JeanneCalmentaged22

Jeanne Calment, de oudste vrouw ooit ter wereld op 22-jarige leeftijd. Ze zou na het nemen van deze foto nog 100 jaar leven.

Nu heeft oud worden ook gelukkig voordelen. Een klein voorbeeldje: vrijdagavond is onze misdaadavond. Om misverstanden te voorkomen, dat wil niet zeggen dat Marianne en ik dan een bivakmuts opzetten om oude vrouwtjes te gaan beroven, maar dat we dan op tv naar misdaadseries kijken. Dat begint met Flikken Maastricht (dat tot nu toe nog geen sterk seizoen doormaakt), waarna we overschakelen naar Net5 voor twee afleveringen van ‘Without a Trace’.

Dat laatste is een Amerikaanse misdaadserie waarin een afdeling van de ‘Missing Persons Unit (MPU)’ van de FBI in New York verdwijningen oplost. De serie liep in Amerika van 2002 tot 2009 en wordt in Nederland door Net5 uitgezonden. Omdat de serie al lang is afgelopen, zenden ze herhalingen uit en tegenwoordig herhalingen van de herhalingen. Een hoop afleveringen hebben we dus al gezien. Het gebeurt dan ook regelmatig dat we zeggen ‘Oh ja, deze herken ik, die hebben we al gezien, maar dat we – het zal de ouderdom zijn – niet meer weten hoe het ook al weer ging en we dus gewoon weer kunnen kijken.  Sir Norman Wisdom, een Engelse komiek en acteur  – hij werd 95 –   zou in dat geval zeggen: “Als je ouder wordt, gebeuren er drie dingen: ten eerste gaat je geheugen achteruit, en ik kan me niet herinneren wat die andere twee dingen zijn”.

En nu we toch aan het citeren zijn (“Spreken in spreuken past de ouderdom”; Aristoteles) ene Auber zei ooit eens: “Het is vervelend oud te worden, maar het is het enige middel om lang te leven. ” Zo is het maar net en nu zou ik hier nog een hele lading citaten over ouderdom kunnen plaatsen (“Als je morgen even oud bent als vandaag dan ben je dood”; Toon Hermans) maar dat doe ik niet. Dit in de geest van R. Quillen: “Je wordt oud als je lichaam korter wordt en je verhalen langer”.  Dus ik stop met dit verhaal. Ik ben niet oud!

Plonk, plonk

Van de week maakte mijn fiets opeens een raar geluid. ‘Plonk, plonk’ klonk het af en toe. Het zat ergens bij de voorwiel, geen idee wat het was. Thuis de fiets in de garage gezet, hopende dat de gebruikelijke tactiek werkte, namelijk dat het probleem zich ’s nachts vanzelf  zou oplossen. Dat bleek helaas niet het geval te zijn, want toen ik gisteren weer op de fiets stapte om naar Leiden te fietsen klonk het weer ‘plonk, plonk’.

Ergens tussen Leidschendam en Voorschoten zette ik de fiets aan de kant om het voorwiel eens nauwgezet te onderzoeken. Geen idee waar ik het moest zoeken. Ik ben niet zo’n klusser.  ‘Als het niet kapot is, maak het dan niet’  was bij ons thuis het motto, dus voor ons plezier sleutelden wij niet aan fietsen. Opeens zag ik twee dingetjes met een pijltje er op waar je aan kon draaien. Ze zaten op de veringbuizen van het voorwiel. Je kon ze zowel strakker als losser draaien. Misschien waren ze wel losgetrild dacht ik deskundig en draaide ze een stuk strakker.

Ik stapte weer op de fiets en voila, het ‘plonk, plonk’ was weg. “Wat ben ik toch een handyman, wat een Van Neck al niet vermag.” dacht ik trots en fietste vrolijk verder naar Leiden.

In de stad aangekomen klonk er weer ‘plonk, plonk’.  Shit, weer losgetrild? Eerst maar eens de stad in. Het was de dag voor Leidens Ontzet. Het was er gigantisch druk. Voor de geldautomaat van de ING stond een rij van twintig mensen. Hoezo gaat het slecht met de economie of was het geld soms gratis vandaag? In de stad waren er talloze kraampjes met eetbare en niet-eetbare zaken, maar die hadden het nog niet zo druk. Ik liep door een winkelstraat waar een soort verkeersbord stond met de tekst: “Winkels open? Fietsers lopen!”

De meeste mensen trokken naar de kermis. Ik liep er een rondje. Er stonden apparaten waar ik voor geen goud in wil. Stoere jongetjes stapten er in die even later niet meer zo stoer waren.

kermis 1 kermis 3

Ik zag gelukkig ook nog attracties die je ook in mijn jeugd al had, zoals de grijpautomaat (“alweer een winnaar!”), het eendjes vissen en het touwtje trekken voor kinderen.

kermis 2  IMAG0628

Al was dat laatste wel veranderd. Wat de kinderen ook trokken, ze kregen een waardebon en afhankelijk van het aantal waardebonnen dat het kind had, kon het een prijs uitkiezen. In mijn jeugd kreeg je gewoon datgene dat je trok.

Hoewel, ik trok een keer tot mijn groot genoegen een waterpistool, maar de man van de kraam gaf mij een stuk gum. Dat pistool stond voor de gum zei hij. Nou, daar had hij een kwaaie aan mijn moeder aan. “Die jongen heeft een waterpistool getrokken, dan geef je hem ook waterpistool” sprak ze luidkeels. Toen hij dat niet direct wou doen, ging ze zoveel stennis maken, dat er allerlei omstanders op af kwamen, waarop de man maar snel eieren voor zijn geld koos en mij alsnog een waterpistool gaf.

Terug bij de fiets draaide ik weer aan de draaidingetjes – daar zijn draaidingetjes voor – maar het hielp niet: het bleef plonkerdeplonk. Of ik ze nou strakker of losser draaide, het maakte niet uit. ‘Plonk, plonk.’ Thuis gekomen zette  ik de fiets in de garage. Misschien is morgen het ‘plonk, plonk’ wel van zelf weg.

 

Kinderen vliegen uit (en in)

Gisteren kreeg mijn oudste dochter haar bachelor-diploma aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam. Ze studeerde daar ‘Communication and Media’. Het is een internationale (Engelstalige) studie, zo ongeveer de helft van de studenten komt uit het buitenland: van Amerika tot Rusland, van Argentinië tot Australië, van Zweden tot Zuid-Afrika.

judith diploma 20151001_152742

(Ze kwamen niet helemaal uit het buitenland lopen.)

IMAG0615

Veel fotograferende trotse ouders

Voor haar diploma-uitreiking kwam mijn dochter overvliegen vanuit Berlijn waar ze een half jaar werkt bij een of ander hightech bedrijfje.  “Zo’n internationale periode staat goed op mijn CV” zegt ze. Nu zou ik zo denken dat er al genoeg internationale zaken op haar CV staan. Ze heeft na haar middelbare school een jaar in Riverside bij Los Angeles gestudeerd;  met een groepje medestudenten van de Erasmus-Universiteit een paar weken in New York een onderzoek naar crowdfunding gedaan (ze verbleven daarbij in een appartement in Harlem), een half jaar in Singapore gestudeerd (en daarbij half Azië afgereisd) en een stage van drie maanden in New York gedaan (bij + Pool; een organisatie die werkt aan een drijvend zwembad in de Hudson dat tegelijkertijd het water van de rivier zuivert), maar blijkbaar was dat allemaal nog niet genoeg.

Ook haar jongere zus houdt van reizen. Die kwam op de ochtend van de diploma-uitreiking terugvliegen uit Pisa waar ze met wat vriendinnen voor een korte vakantie van vier dagen was (even Pisa, Lucca en Florence bezoeken; ze was op tijd terug voor de uitreiking). In november vliegt ze met haar vriend voor een paar dagen naar Dublin, om vervolgens in december naar Praag te vliegen, waar ze een vriendin gaat bezoeken die ze kent uit haar periode dat ze een paar maanden in Wenen studeerde, om daarna per bus van Praag naar Berlijn door te reizen om daar haar zus te bezoeken.

Dat klinkt allemaal naar hele dure reizen maar dat is niet zo. Ze vliegen met bedrijven als EasyJet en Ryanair. Zo kosten de vluchten naar Dublin geloof ik 20 euro – een of andere openingsactie van Ryanair. Ga daar maar eens als KLM tegen concurreren – en ze verblijven meestal in goedkope Airbnb-appartementen of hotels, of logeren bij vriendinnen die er wonen of op stage zijn.

Hoe anders was dit vroeger. Mijn ouders gingen niet op vakantie naar het buitenland. Dat vonden ze met vier kinderen te veel gedoe en te duur. Wij gingen elke zomer naar een huisje op een vakantiepark in Nederland. Dat was ook leuk. Ik kan me zulke huisjes herinneren in Sint Anthonis (Noord-Brabant), Exloo (Drenthe) en Bakkeveen (Friesland). Vooral die laatste vakantie weet ik nog goed. Ik liep er niet alleen in het donker keihard tegen ons huisje aan, maar we mochten er ook met alle kinderen naar de eerste maanlanding kijken. Mijn ouders vonden dat we zo’n historische gebeurtenis moesten zien. Dus zaten we in een volgepropt zaaltje naar een zwart-wit toestel te kijken waar we Neil Amstrong de eerste stappen op de maan zagen maken (“That’s one small step for a man, one giant leap for mankind”).

Apollo_11_first_step

Toen we terugliepen naar ons huisje – niet hollen Martin –  keken we naar de maan om te zien of we Amstrong konden zien. “Net niet” zei mijn vader, hoewel mijn jongere zusje zeker wist dat ze een stipje op de maan zag bewegen.

Om nog even terug te komen op mijn oudste dochter: in februari begint ze aan een master studie in Leiden. Dat is verdacht dichtbij. Ik heb daarom voor de zekerheid even op Google Maps gekeken of er niet een plaats in Amerika is die ook Leiden heet (je hebt in Amerika tenslotte ook plaatsen met namen als Amsterdam en Rotterdam), maar Google vind niets. Zou ze echt in Leiden, Zuid-Holland, gaan studeren?

De Gamma

Net als de andere echte mannen, sta ik af en toe voor de keuze: waar koop ik mijn gereedschap, bij de Gamma of bij de Karwei? Voor het specifieke gereedschap wat ik nu wil kopen, is de keuze echter niet zo moeilijk, dat is de Gamma.

Als ik de zaak binnenloop kan ik nog net een grote houten schuttingpaal ontwijken die een man op zijn schouders naar buiten draagt. Binnen zie ik een jongeman in schilderskleding, de verf druipt er zo ongeveer nog van af, naar de blikken verf toe lopen. Was  de muur groter dan gedacht of was de pot te klein? Of heeft hij net zo’n vrouw als ik? Deze opmerking vraagt wellicht enige toelichting. Het zit zo.

Toen Marianne 23 jaar geleden zwanger was van onze oudste dochter, moesten de kozijnen en de deurpost van de  toekomstige kinderkamer een fris nieuw verfje krijgen. We kozen een mooi kleurtje uit en ik ging aan het werk. Toen het klaar was, bekeek Marianne het resultaat en sprak de historische woorden: “Oh, het is toch niet helemaal geworden wat ik gedacht had”. Geen probleem, we kozen een andere kleur uit en ik ging weer aan het werk. U raadt het al: het resultaat was hetzelfde. Of ik het heel erg vond, om het nog een derde keer te doen? Nu geldt bij ons thuis het zelfde als wat Woody Allen ooit eens zei: “Thuis ben ik de baas, mijn vrouw mag alleen de beslissingen nemen.” dus ik heb het nog een keer overgeschilderd (“maar dit is echt de laatste keer!”) en toen was het goed.

Maar goed, ik kom niet voor verf. Zagen, Engelse sleutels, hamers en boormachines moet ik hebben. Ze liggen in een zakje bij de kassa. Voor het geval u nu denkt, waar heeft hij het over? Klusdrop! De Gamma heeft drop in de vorm van gereedschap en eerlijk is eerlijk: het is de lekkerste drop van Nederland.

drop

Mars, Pluto en Cheesecake

Gisteren las ik in de krant dat de NASA overtuigend bewijs had gevonden dat er ook vandaag de dag nog af en toe water op Mars stroomt. Ik citeer even uit een artikel van Govert Schilling in de Volkskrant:

Voor het eerst is er nu hard bewijs: af en toe, hier en daar, stroomt er ook nu nog water op Mars – een klein beetje. Pekelwater is het – volledig verzadigd met verschillende zouten. Dankzij die smeltpuntverlagende zouten kan het water bij de extreem lage temperaturen op Mars vloeibaar blijven. Eventjes.”

 Het is inderdaad erg koud op Mars. Deze niet zo grote planeet  – de middellijn van de aarde is bijna twee keer zo groot als die van Mars – staat verder weg van de zon dan de aarde. Het is vanaf de zon geteld de vierde planeet van ons zonnestelsel (de aarde is de derde). De gemiddelde temperatuur op Mars bedraagt 63 graden Celsius onder nul. Wel kan het overdag op de evenaar van Mars plus 20 graden Celsius worden, maar als de zon ondergaat daalt de temperatuur daar zo weer naar 70 graden onder nul. Op de beide polen kan het zelfs 150 graden vriezen. Toekomstige astronauten moeten dus wollen wanten aan en een muts op.

640px-5_Terrestrial_planets_size_comparison

Een NASA compilatiefoto om de verhoudingen weer te geven van Mercurius, Venus, de Aarde, Mars en Ceres (dat is het grootste voorwerp dat ronddraait in de planetoïdegordel tussen Mars en Jupiter)

Govert Schelling vervolgt zijn artikel over het water op Mars met:

“Dat er miljarden jaren geleden zeeën en oceanen op Mars waren, is al langer bekend. Maar stromend, vloeibaar water aan het huidige oppervlak was nog nooit definitief aangetoond. Juist die vondst is wetenschappelijk gezien interessant, want het betekent dat de omstandigheden op Mars tot op de dag van vandaag gunstig zijn geweest voor het bestaan van leven.  Zij het heel sporadisch en zeer lokaal. Dat er in de pekelstroompjes daadwerkelijk micro-organismen voorkomen is overigens extreem onwaarschijnlijk: Mars heeft geen beschermend magnetisch veld en slechts een zeer ijle dampkring, waardoor dodelijke kosmische straling vrijwel ongehinderd het oppervlak bereikt…. “

Dat de kans op leven in de vorm van micro-organismen op Mars nu wat groter wordt ingeschat dan eerst – hoewel nog steeds ‘extreem onwaarschijnlijk’ – vind ik zowel fascinerend als een beetje beangstigend. Fascinerend in die zin dat er een tweede planeet zou kunnen zijn met een vorm van leven. Als dat zo is, waarom zouden er dan niet veel meer planeten in het heelal zijn waar leven is. Misschien zit er wel iemand aan het andere einde van het universum dit blog te lezen.

Ik vind het ook een beetje beangstigend die mogelijkheid van onbekende micro-organismen. Denk maar eens aan de klassieker ‘War of the Worlds’ van H.G. Wells. De Marsmannetjes en vrouwtjes die de aarde aanvielen gingen dood als gevolg van bacteriën hier op aarde waar ze niet tegen konden. Wie zegt me dat dit omgekeerd ook niet kan gebeuren: namelijk dat er op Mars bacteriën o.i.d voorkomen waar de mens niet tegen kan.

Het is deze week sowieso de week van de planeten. Een paar dagen geleden  verschenen er foto’s van de dwergplaneet Pluto. De foto’s zijn  gemaakt door de sonde New Horizon die op 14 juli na een reis van tien jaar Pluto bereikte. De sonde maakte bij het passeren duizenden foto’s die naar de aarde werden teruggestuurd. Het duurde even voordat deze daar aankwamen – de WIFI in de ruimte houdt niet over – en het bewerken van de foto’s nam ook enige tijd in beslag maar nu is er een kleurenfoto van Pluto. We zien een planeet met kilometers hoge bergketens, kraters en uitgestrekte vlaktes in diverse kleuren.

Pluto sept 2015

Links onder op de foto zie je een rode vlakte met scheuren. En die scheuren herkende ik! Cheesecake! Vorige week heb ik namelijk voor het eerst van mijn leven een cheesecake gebakken. Inderdaad; onder de invloed van ‘Heel Holland Bakt’; een gezellig programma dankzij het o zo leuke commentaar van Martine Bijl (ik hoop zo dat ze volledig hersteld van haar hersenbloeding).

In het recept dat ik volgde voor mijn citroen-cheesecake stond, dat als je de taart uit de oven haalde, je de rand direct los moest snijden van de wand van de bakvorm om scheuren te voorkomen. Omdat ik in andere cheesecake-recepten dit niet zag staan, dacht ik dat dit wel mee zou vallen en volgde ik dit advies niet direct op. Nou dat heb ik geweten. Terwijl ik mijn eigen baksel stond te bewonderen zag ik de scheuren ontstaan. Gelijk alsnog los gesneden maar ik was al te laat. Ik heb later de scheuren bedekt met Lemon Curd zodat ze niet meer zichtbaar waren (net zoals een architect een klimop tegen een huis laat aangroeien om een ontwerpfout te maskeren.)

cheesecake IMAG0592

Planeet Cheesecake bedekt met zeeën van Lemon Curd

Maar goed, de scheuren op mijn cheesecake zagen er dus net zo uit als de scheuren op Pluto. Nu wil dat niet zeggen dat Pluto een reuze cheesecake is. Om die conclusie te kunnen trekken is eerst nader onderzoek nodig.

My WordPress Blog