Drees en het Mariakaakje

Ik woon nu al een jaar of dertig in de Haagse regio, maar ik was nog nooit naar het Haags Historisch museum geweest. Dat kan natuurlijk niet en daarom toch maar eens een keer, samen met de oudste dochter, een bezoek aan dit museum gebracht. Het begon helemaal verkeerd toen bij de kassa bleek dat alleen Haagse studenten korting kregen en niet Rotterdamse studenten. Maar goed, binnen bleek het wel een aardig museum te zijn – je bent er in een uurtje of twee door heen – dat, verrassing, verrassing, over de Haagse geschiedenis gaat.

Zo is een soort video-animatie te zien waarin je kan zien hoe de stad Den Haag zich in de loop van de eeuwen heeft ontwikkeld, hangen er – uiteraard Haagse – schilderijen en voor de liefhebbers van Crime Scene Investigation The Hague is er de (versteende) tong van Johan de Wit en de teen van zijn broer Cornelis te zien. In een ander zaaltje wordt aandacht besteed aan Haagse helden zoals Willem Drees sr.

Op een informatiepaneel werd het leven uit de doeken gedaan van de man aan wie wij onder andere de AOW te danken hebben. Toen Drees deze invoerde wist hij overigens vast al dat hij zelf 101 jaar oud zou worden. Er hingen ook foto’s van Drees, onder andere eentje van hem voor zijn huurwoning in de Beeklaan – hij ging meestal lopend naar zijn werk, ook toen hij minister-president was – en Drees keurig in de rij bij het stemmen.

drees

Drees in de rij bij het stemmen voor de Tweede Kamerverkiezingen van 1956; foto Harry Pot; Anefo; Nationaal Archief.

“Wat een schattig mannetje” zei de oudste dochter die eigenlijk nog nooit van Drees had gehoord. Terwijl wij het informatiebord over Drees lazen, zagen we echter opeens dat het Haags Historisch Museum gigantisch de mist in ging. Op het bord stond namelijk ook vermeld dat de beroemde anekdote dat Nederland de Marshall-hulp te danken had aan een Mariakaakje – dat mevrouw Drees bij de thee serveerde  tijdens het bezoek van twee hoge Amerikaanse ambtenaren die kwamen praten over de toekenning van de Marshallhulp –  niet waar zou zijn. Zo zou de Marshall-hulp al zijn toegekend voordat Drees premier werd. Ai, ai, ai, Haags Historisch museum toch! Sommige verhalen zijn te mooi om niet waar te zijn. Die ga je gewoon niet stuk checken. Dat is not-done.

In 2012 publiceerde ik een boek over de Titanic die honderd jaar daarvoor was gezonken. Voor dat boek onderzocht ik welke verhalen en mythes over de Titanic nu wel en welke niet waar waren. Eén verhaal controleerde ik echter niet, namelijk het verhaal van de honden die waren gered. Twee van die honden aan boord van de Titanic vonden ook een plekje in één van de reddingsboten. Nu wil het verhaal dat bij aankomst in New York één van die honden de loopplank afrende en prompt op de kade door een auto werd overreden. Overleef je als hond het zinken van de Titanic, overkomt je dit. Dit verhaal is natuurlijk te mooi om niet waar te zijn en ik heb het dan ook zonder te checken in mijn boek opgenomen. Zo hoort het.

En nu gaat het Haags Historisch Museum dus zeggen dat het verhaal over het Mariakaakje en Drees niet waar is! Maar, gelukkig is het verhaal wel waar. Er is zelfs fotografisch bewijs van.

Het verhaal speelt zich namelijk niet in 1947 of 1948 af, maar pas in 1949 nadat de Marhall-hulp al was toegekend. De Amerikanen wilden echter weten of de hulp wel overal goed gebruikt werd en stuurden twee hoge ambtenaren, de heren Harriman en Hoffman op rondreis door Europa. Omdat het bezoek aan Italië waar de heren met veel pracht en praal werden ontvangen uitliep, kwamen ze pas op zondag in Nederland aan. Omdat het ministerie zoals gewoonlijk dicht was op die dag – en Drees het zonde vond om het speciaal voor dit bezoek te openen en het te verwarmen, nodigde Drees de delegatie bij hem thuis in zijn rijtjeswoning aan de Beeklaan uit. Toen de heren arriveerden, ontstond er eerst een misverstand. Hoffman en Harriman dachten namelijk dat de man die deur open deed een butler was, maar het was Drees zelf. Even later presenteerde mevrouw Drees de thee met de befaamde Mariakaakjes. Harriman, die dacht dat ze dit alles thuis in Washington nooit zouden geloven, pakte daarop zijn fototoestel en maakte er onderstaande foto van. Deze foto bevindt zich thans in het archief van de Library of Congress in Washington DC.

drees koffie

Mrs. Drees, the wife of Prime Minister of the Netherlands, presents Mr. Drees, the Prime Minister of the Netherlands, a cup of tea. Photo: W. Averell Harriman; Collection Library of Congress, Washington DC.

Bij het vertrek zei Harriman tegen zijn collega Hoffman de historische woorden: “Aan een land waarvan de minister-president zo woont en leeft, is ons geld goed besteed.” Nederland behield zijn Marshall-hulp. Het werd zelfs verhoogd en uiteindelijk zou Nederland over de periode 1948-1952 een steunbedrag van 1 miljard dollar van de Amerikanen krijgen voor de wederopbouw. En dat dus mede dankzij het Mariakaakje bij de thee van mevrouw Drees.

Doodgaan

In 1919 nam Nancy Astor als eerste vrouw in de Britse geschiedenis plaats in het Lagerhuis en verkreeg daarmee haar plaats in de geschiedenisboeken. Ze is echter vooral bekend geworden vanwege haar fameuze woordenwisseling met Winston Churchill. Beiden waren lid van de Conservatieve partij en na een lange en moeizame partijbijeenkomst beet ze Churchill toe: ‘Winston, als ik met jou was getrouwd, dan deed ik gif in je koffie’, waarop Churchill antwoordde: ‘Nancy, als ik met jou was getrouwd, dan dronk ik het op.’

Een andere uitspraak van haar is wat minder bekend maar ook de moeite van het vermelden waard. Op haar sterfbed zat haar gehele familie rondom haar bed. Ze ontwaakte nog eenmaal, keek om zich heen en sprak: “Am I dying or is this my birthday?”

astor

Nancy Astor in 1908, 56 jaar voor haar overlijden in 1964

Tja, dood gaan, ik snap er, net zoals van de kwantummechanica, weinig van. Wel uiteraard van het fysieke aspect. Dat kan je gewoon na lezen in de Wikipedia. Volgens het lemma aldaar onderscheidt men in de geneeskunde de volgende drie verschillende definities van ‘dood’:

  • Klinisch dood: toestand waarbij ABC (ademhaling, bewustzijn en circulatie (bloedsomloop) ) afwezig zijn. Door middel van reanimatie kan deze toestand soms nog ongedaan worden gemaakt. Als dit niet gebeurt, treedt na 4 tot 6 minuten de biologische dood in.
  • Biologisch dood: toestand waarbij ademhaling, bewustzijn en circulatie afwezig zijn en niet meer op gang kunnen worden gebracht.
  • Hersendood: toestand van de hersenen waarbij de vitale hersenfuncties zoals bewustzijn en het aansturen van de ademhaling door het ademhalingscentrum door beschadiging op cellulair niveau zijn uitgeschakeld. Het lichaam reageert op geen enkele pijnprikkel, de ogen reageren niet meer op licht en het EEG (elektro-encefalogram = registratie van de elektrische hersenactiviteit) vertoont geen activiteit. Herstel is niet mogelijk en zonder kunstmatige beademing/voeding en medicijnen zal de biologische dood snel intreden. Wel kan spontane activiteit van het hart aanwezig zijn, waardoor de pompfunctie en daarmee de circulatie van het bloed blijven bestaan. Voornoemde toestand maakt de overledene geschikt als donor, aangezien de organen dankzij de bloedcirculatie intact blijven

Fysisch gezien is klinisch dood dus een ABC’tje. Maar hoe zit dat met je geest? Houdt die ook op te bestaan als je dood gaat? Het idee dat je dan helemaal niet meer bestaat, is iets wat ik als klein kind al niet echt kon bevatten – en nu nog steeds niet. Maar misschien gaat het met je geest wel net zo als in de kwantummechanica – die ik dus ook niet begrijp. Volgens de theorie van de kwantummechanica kunnen deeltjes in twee toestanden tegelijk verkeren, of op twee plaatsen tegelijk zijn. Zolang je niet meet hoe het precies zit, is het allebei waar. Misschien geldt dit ook wel voor de geest en kan deze zich ook op twee plaatsen tegelijkertijd bevinden, ergens voor en ergens na de dood. Alleen kan je als waarnemer dit nooit zien.

Voor wie nu denkt, ‘wat zit hij toch te bazelen en te somberen over de dood, er is toch niet iets ernstigs met hem aan de hand?’ kan ik geruststellend antwoorden: “Doodgaan, beste lezers van dit blog, dat is het laatste wat ik zal doen!”

Vanwaar dan wel deze hele uitweiding over doodgaan? Vanwege het programma ‘Kijken in de ziel op de drempel’. In dit tweedelig NTR-programma praat interviewer Coen Verbraak met mensen die te horen hebben gekregen dat ze nog maar korte tijd te leven hebben. Van de NTR-site:

“Hoe ga je om met alle emoties die bij dat sterven horen? Wat is de beste remedie tegen doodsangst? Hoe neem je afscheid van je dierbaren? Wanneer laat je het leven los? Hoe benoem je het onbenoembare? Kortom: hoe ga je waardig dood? Acht geïnterviewden vertellen onomwonden over leven in het zicht van de dood. Onder hen filosoof René Gude en journalist Albert de Lange van Het Parool, beide inmiddels overleden. Maar ook de 21-jarige studente kunstgeschiedenis Laura Maaskant, rechter Karin van Ringen, psychiater Margo de Jonge, televisiemaker en oud-zwemkampioene Hansje Bunschoten, communicatieadviseur Claudia van Deudekom, moeder van een tweeling van drie, en ondernemer Bernard Muller, die nog maar kort geleden een groot bedrijf leidde in de haven van Rotterdam”

Afgelopen maandag was de eerste uitzending. Heel indrukwekkend. Voor degene die de uitzending heeft gemist, kan het bij Uitzending Gemist terug kijken. Ik kan het aanraden. Aanstaande maandag is de slotaflevering.

Update: ook het tweede deel was indrukwekkend. Zie hier uitzending gemist voor dit deel.

De vraaggesprekken zijn ook in boekvorm verschenen.

op de drempel

Een carrièrepad

De functie van minister-president in Nederland is geen startersfunctie. Het is zelfs geen functie voor iemand die toe is aan een tweede stap in zijn carrière. Dat blijkt wel als we naar onderstaande foto uit juli 2011 kijken met daarop de nog levende (ex-) minister-presidenten van Nederland.

Minister-president

Van links naar rechts Wim Kok, Dries van Agt, Piet de Jong, Mark Rutte, Ruud Lubbers en Jan Peter Balkenende

Alle premiers hadden eerst al een jaar of twintig gewerkt en waren de veertig al gepasseerd voordat ze aan het ambt begonnen. Mark Rutte en Ruud Lubbers waren beide 43 jaar oud toen ze minister-president werden, Dries van Agt en Jan Peter Balkenende 46 jaar, Piet de Jong 51 jaar en Wim Kok was zelfs al 55 jaar toen hij in 1994 minister-president werd.

Voordat genoemde heren het hoogste ambt bekleedden, hadden ze allemaal eerst een baan buiten de politiek. Degene met het meest opwindende baantje was Piet de Jong. Die was in een niet-grijs verleden duikbootkapitein. Mark Rutte was tien jaar lang in dienst van Unilever, onder meer als personeelsmanager. Wim Kok werkte eerst twee jaar als commercieel medewerker op een handelskantoor en trad daarna in dienst van de vakbond. Dries van Agt begon zijn werkzame leven als advocaat, Ruud Lubbers was ondernemer in het familiebedrijf Hollandia, een constructiewerkplaats en machinefabriek, en Jan Peter Balkenende tot slot had het saaiste startersbaantje. Hij begon in 1982 als beleidsmedewerker juridische zaken bij het bureau van de Academische Raad (al combineerde hij die functie met het gemeenteraadslidmaatschap van Amstelveen (waar hij in 1993 zijn ‘krokettenmotie’ indiende: de (nog steeds geldende) bepaling dat de gemeenteraadsleden recht hebben op een kroket als de raadsvergadering tot na 23:00 uur duurt.)

Ook In Amerika zie je vaak dat de president in zijn jonge jaren een functie buiten de politiek heeft bekleed. Zo zaten bijvoorbeeld vader en zoon Bush beide in de olie-business en was Jimmy Carter een pindaboer. De drie naoorlogse presidenten met de meest opmerkelijke banen in hun jeugd waren Gerald Ford, Ronald Reagan en Harry Truman. Gerald Ford was parkranger in Yellowstone National Park. Dat Reagan behalve sportverslaggever – hij kreeg 5 dollar voor elk verslag – acteur is geweest is algemeen bekend, maar dat hij in zijn jeugd in de zomer ook een aantal jaren badmeester was, is wat minder bekend. Naar eigen zeggen en tellen redde Reagan – hij werd in die tijd ‘Dutch’ genoemd omdat hij er zo Nederlands uitzag; geen idee wat ik mij daarbij moet voorstellen – liefst 77 mensen het leven (waarbij je je kan afvragen of de gemeente niet het zwemmen in dat blijkbaar zeer onveilige water al lang had moeten verbieden).

ford reagan 1

Gerald Ford als parkranger en Ronald Reagan als strandwacht.

Harry Truman tenslotte was de pianobegeleider van de nog zeer prille actrice Lauren Bacall.

truman 1

Ok, dit is niet helemaal waar. Tijdens het maken van deze foto op 10 februari 1945 in de ‘National Press Club’ in Washington DC was Truman al vicepresident. Tijden deze bijeenkomst om 800 militairen te eren speelde Truman een stukje op de piano. Lauren Bacall, één van de aanwezige Hollywoodsterren, klom bij die gelegenheid op de piano. Truman zelf was wel ingenomen met dit optreden en deze foto, dit in tegenstelling tot zijn vrouw Bess (die thuis de bijnaam ‘the Boss’ had). Zij vond het maar helemaal niks. Een paar maanden na deze foto trouwde Lauren Bacall met Humphrey Bogart en was Truman na de dood van Franklin Roosevelt de president van Amerika geworden.

Maar dat de man, die later de moeilijke beslissing moest nemen om de atoombommen op Japan te gooien, in zijn jonge jaren een heel ander beroep als politicus had, is wel waar. Truman had in 1920 in Kansas City namelijk samen met een partner een winkel in kleding en naaigerei.

Truman 2

Truman, links op de foto, in zijn winkel. Een jaar na het maken van deze foto sloot de winkel wegens een gebrek aan succes zijn deuren.

Uit de Amerikaanse archieven (3)

Op 6 november 1940 stuurde een veertienjarige Cubaanse jongen een brief naar de Amerikaanse president Franklin D. Roosevelt om hem te feliciteren met zijn herverkiezing. Tevens vroeg hij de president of hij hem een biljet van tien dollar kon sturen, dit omdat hij er nog nooit eentje gezien had. Voor het geval de president behoefte had aan ijzer, bood de jongen hem ten slotte nog aan om de ijzermijnen van Cuba te laten zien.

De brief van de jong Cubaan bevindt zich thans in het Nationale Archief in Washington D.C.

fidel castro

fidel castro 2

De letterlijke tekst van de brief  gericht aan ‘Mr. Franklin Roosevelt, President of the United States’ luidt:

“My good friend Roosevelt:

I don’t know very English, but I know as much as write to you. I like to hear the radio, and I am very happy, because I heard in it, that you will be President for a new (periodo). I am twelve years old. I am a boy but I think very much, but I do not think that I am writing to the President of the United States. If you like, give me a ten dollars bill green american in the letter, because never, I have not seen a ten dollars bill green american and I would like to have one of them.

My address is: Sr. Fidel Castro, Colegio de Dolores, Santiago de Cuba; Oriente Cuba

I don’t know very English but I know very much Spanish and I suppose you don’t know very Spanish but you know very English because you are American but I am not American.

Thank you very much, Good by. Your friend, Fidel Castro

If you want iron to make your ships I will show to you the bigest (minas) of iron in the land. They are in Mayorí, Oriente, Cuba.”

De Fidel Castro uit deze brief is inderdaad de Fidel Castro van Cuba, al was hij op het moment van schrijven al veertien jaar oud en niet twaalf zoals hij in zijn brief vermeldde.

fidel castro. foto

In 1955 vertelde de Cubaanse revolutionaire leider in een interview dat hij inderdaad de brief had geschreven. Hij had zelfs namens de president een antwoord van een Amerikaanse overheids-functionaris gekregen die hem bedankt voor zijn brief en de felicitatie, maar er zat geen tien dollar biljet bijgesloten.

Ai! Had die Amerikaanse overheidsfunctionaris dat nu maar wel gedaan. Misschien was Fidel Castro dan wel kapitalist geworden in plaats van communist en hadden we in oktober 1962 nooit de Cuba-crisis gehad.

 

Uit de Amerikaanse archieven (2)

In juni 1972 werkte de 24-jarige Frank Wills als nachtwaker in één van de vele kantoren in Washington DC. Hij verdiende er weliswaar niet veel mee, zo’n 80 dollar per week, maar hij was al lang blij dat hij een baantje had. Eerder had hij gewerkt in de auto-industrie in Detroit maar was naar Washington vertrokken in de hoop op een beter leven.

Als hij zijn ronde door het gebouw had gelopen, moest Wills in een soort logboek de belangrijkste gebeurtenissen opschrijven. Zo ook op 17 juni 1972. Op 12.05 uur ’s nachts schreef hij bij aanvang van zijn dienst, ‘6-7-72 Wills on Duty 12.00 ’. Zie hieronder de betreffende pagina uit het boek van die dag:

watergate 1

Dat we vandaag de dag dit logboek nog kunnen bekijken, komt omdat het bewaard is gebleven. En niet op zo maar een plek in een of andere kantoorarchief maar in de Nationale Archieven van Amerika, net zoals bijvoorbeeld de onafhankelijkheidsverklaring uit 1776.

watergate 3

De reden dat dit schrift zich in het Nationaal Archief bevindt, is namelijk de historische betekenis voor Amerika van hetgeen Wills om 1.47 uur schreef: “Call police found tape on Doore“. Als gevolg van dit historische telefoontje zou uiteindelijk twee jaar later Richard Nixon, de president van de Verenigde Staten, moeten aftreden.

Frank Wills was de nachtwaker van het Watergate gebouw. Nadat hij op 17 juni 1972 zijn eerste controle-ronde door het gebouw had gemaakt, liep hij via de garage naar het tegenoverliggende Howard Johnson motel om daar wat sinaasappelsap te kopen. In de garage zag hij dat een slot van een van de deuren was afgeplakt met Duck Tape. Dit gebeurde wel vaker. Aannemers of verhuizers die in het gebouw aan het werk waren, plakten soms de sloten even met Duck Tape vast – of zetten een stoel of zoiets in de deuropening – om te voorkomen dat de deur telkens in het slot zou vallen en ze dan ieder keer er iemand bij moesten roepen om de deur weer open te maken. Wills dacht dat iemand vergeten was om de Duck tape weg te halen. Hij zag er niks ernstig in en trok het los.

Nadat hij zijn sinaasappelsap had gehaald, keerde Wills terug naar zijn werkplek, maar om de een of andere reden besloot hij om toch nog even naar de deur van de tape te kijken. Tot zijn verbazing zag hij dat de tape weer over het slot heen was bevestigd. Hij belde daarop de politie die met drie man arriveerde. Alle deuren van het gebouw werden afgesloten, de liften buiten werking gesteld en verdieping voor verdieping doorzocht de politie het gebouw. Op de zesde verdieping van het elf verdiepingen tellende gebouw, in de kantoren van het ‘Democratic National Committee’, trof de politie vijf mannen aan die daar bezig waren met het plaatsen van afluisterapparatuur en de rest is geschiedenis.

Hoe het verder met Frank Wills is gegaan, is echter niet zo bekend. Het antwoord op deze vraag luidt: niet zo best. Zes maanden na de inbraak nam hij ontslag en trad in dienst bij een ander bedrijf waar hij iets beter werd betaald. Daar werd hij echter na enige tijd ontslagen omdat hij tegen de zin van het bedrijf twee dagen vrij nam voor een familiebezoek. Sindsdien was het voor hem een wisselend bestaan van werkloosheid afgewisseld met slecht betaalde tijdelijke baantjes.

Ten tijde van het aftreden van Nixon werd hij een aantal keer geïnterviewd over zijn rol. Hij vroeg hiervoor 300 dollar en soms kreeg hij het ook. In 1976 speelde hij zichzelf in ‘All the president’s men’, de speelfilm met Robert Redford en Dustin Hofman als Bob Woodward en Carl Bernstein, het journalisten-duo van de Washington Post die het Watergate-schandaal ontrafelden. Wills was heel even als nachtwaker in de openingsscene van de film te zien. Het waren overigens eerder fifteen seconds of fame dan fifteen minutes of fame. Hij kreeg 1000 dollar voor zijn rol.

all the presidents man

Youtube: Screenshot uit de film met Frank Wills, die in de openingsscène zich zelf speelt.

Eind jaren zeventig vertrok hij uit Washington en woonde een tijdje bij zijn moeder in South Carolina. In 1979 kreeg hij vanwege de diefstal van een pen van 99 cent een boete van $20. In 1983 werd hij wederom aangeklaagd voor winkeldiefstal. Deze keer betrof het een paar gymschoenen ter waarde van 12 dollar. Vanwege zijn eerdere veroordeling kreeg hij automatisch een jaar gevangenisstraf, waarvan hij er minstens drie maanden van moest uitzitten. Volgens Wills was hij onschuldig. Hij had, zo zei hij, in de winkel in zijn rugzak een stel schoenen gestopt die bestemd waren voor de verjaardag van een kind uit een eerdere relatie. Omdat hij niet wilde dat het kind het cadeau kon zien, had hij de schoenen al in de winkel in zijn tas gestopt en werd hij, voordat hij ze überhaupt bij de kassa kon afrekenen, al aangehouden en beschuldigd van diefstal.

Veel mensen voerden actie voor hem. Vooral het feit dat hij vanwege de diefstal van een pen van 99 cent en een paar schoenen van 12 dollar langer in de gevangenis moest zitten dan een aantal mensen die direct betrokken waren bij het Watergate-schandaal vond men onrechtvaardig. Hij kreeg financiële steun, kwam op borgtocht vrij en er werden rechtszaken tot op het hoogste staatsniveau gevoerd. Het hooggerechtshof van de staat oordeelde dat het nu eenmaal de staatswet was dat bij een tweede veroordeling wegens winkeldiefstal automatisch een veroordeling van één jaar gevangenisstraf volgde en hield het vonnis overeind.

Op het moment dat het staatshooggerechtshof deze uitspraak deed, woonde Wills niet meer in Amerika maar op de Bahama’s, waar hij in dienst van de activist en komiek Dick Gregory – die zich zijn lot aantrok – een voedingssupplement promootte. Onduidelijk is of Wills de straf daadwerkelijk ooit heeft moeten uitzitten; Wills zei later in interviews van niet, maar andere bronnen vermelden dat hij uiteindelijk drie weken in de gevangenis heeft gezeten.

Toen zijn moeder eind jaren tachtig een hersenbloeding kreeg, keerde hij terug naar Amerika en ging haar verzorgen. Ze leefden samen van haar maandelijkse uitkering van $450. Toen zijn moeder in 1993 overleed, had hij geen geld voor haar begrafenis en stelde haar lichaam ter beschikking aan de medische wetenschap. Zonder financiële steun van zijn moeder ging het steeds slechter met Wills. De laatste jaren van zijn leven woonde hij in Georgia in een soort schuur zonder telefoon en elektriciteit. Van de plaatselijke dominee kreeg hij er voedsel. De meeste tijd bracht hij door in de plaatselijke bibliotheek. Hij was een fanatiek boekenlezer. In september 2000 kreeg hij net als zijn moeder een hersenbloeding en stierf in bittere armoede op 52-jarige leeftijd.

Uit de Amerikaanse archieven (1)

In juli 1969 ondernamen de Amerikanen een poging om een man op de maan te zetten. Spoiler alert! / leeswaarschuwing!  Onderstaande tekst bevat details over de afloop van het verhaal.

De poging lukte. Het ging allemaal goed. Op 20 juli 1969 zette Neil Armstrong als eerste voet op de maan – “That’s one small step for a man, one giant leap for mankind” -, een kwartiertje later gevolgd door Buzz Aldrin. Amstrong en Aldrin verbleven in totaal ruim 21 uur op de maan waarvan zo’n 2,5 uur lopende op het maanoppervlak. Daarna stegen ze weer met hun maanlander op, maakten contact met het moederschip met daarin de derde astronaut Michael Collins, vlogen vervolgens in vier dagen tijd terug naar aarde, waarna ze veilig neer plonsden in de Stille Oceaan. Hier werden ze aan boord genomen van de USS Hornet. Aan boord van dit schip bevond zich ook de Amerikaanse president Richard Nixon die hen hartelijk verwelkomde.

maanlanding met nixon

Armstrong, Collins en Aldrin (voor een periode van achttien dagen in quarantaine na hun terugkeer) worden toegesproken door president Nixon; foto NASA.

 Zoals op bovenstaande foto te zien is, was de ontvangst door Nixon een olijke boel. Maar het had ook anders kunnen aflopen. Voor het geval dat het op de maan was misgegaan en Amstrong en Aldrin er niet meer vandaan konden komen – ‘In event of Moon Disaster’ – , had de staf van Nixon alvast een plan de campagne opgesteld hoe de Amerikaanse regering hier mee moest omgaan.

Allereerst zou de president de weduwen in spé opbellen. Daarna zou hij het volk toespreken. Dan, als de NASA de verbinding met de mannen op de maan verbrak, zou een geestelijke een soortgelijke procedure houden als bij een begrafenis op zee.

De speech was al voor Nixon uitgeschreven, zoals bleek toen onderstaand document in de jaren negentig uit de Amerikaanse archieven opdook. Het document was opgesteld door één van de speechschrijver van het Witte Huis, Bill Safire, en was gericht aan Bob Halderman, in die tijd stafchef van het Witte Huis.

maanlanding

Vrij vertaald had Nixon, in het geval Amstrong en Aldrin niet van de maan af konden komen, het Amerikaanse volk als volgt toegesproken:

“Het lot heeft bepaald dat de mannen die in vrede naar de maan gingen om deze te verkennen daar zullen blijven om er in vrede te sterven. Deze dappere mannen, Neil Armstrong en Edwin Aldrin, weten dat er geen hoop is op redding. Maar ze weten ook dat er hoop voor de mensheid ligt in hun offer. Deze twee mannen geven hun leven voor het meest nobele doel van de mensheid: de zoektocht naar de waarheid en kennis.

Er zal om hen worden gerouwd door hun familie en vrienden; Er zal om hen worden gerouwd door hun land; Er zal om hen worden gerouwd door de wereld; Er zal om hen worden gerouwd door Moeder Aarde die het aandurfde om twee van haar zonen naar het onbekende te sturen.

 Tijdens hun ontdekkingstocht riepen zij iedereen in de wereld op om zich te verenigen; in hun offer, verbinden ze de broederschap van de mens nog strakker. In het verleden keken mensen naar de sterren en zagen er hun helden in de sterrenbeelden. In moderne tijden doen wij hetzelfde, maar onze helden zijn epische mensen van vlees en bloed.

 Anderen zullen volgen, en zullen zeker hun weg naar huis vinden. De zoektocht van de mens zal worden voortgezet. Maar deze mannen waren de eersten, en zij zullen de belangrijkste in ons hart blijven. Want een ieder die in de nachten die nog zullen komen omhoog kijkt naar de maan, weet dat er een deel is van die andere wereld die altijd van de mensheid zal zijn.”

Gelukkig voor Amstrong en Aldrin hoefde Nixon deze woorden niet uit te spreken en verdween het memo in het archief.

Neil Amstrong zou na zijn maanavontuur nog twee jaar voor de NASA blijven werken, daarna werd hij hoogleraar luchtvaart- en ruimtevaarttechniek aan de Universiteit van Cincinnati. Ook reisde hij de hele wereld over. Later verbond hij zijn naam aan diverse grote Amerikaanse bedrijven zoals Chrysler waarvoor hij als boegbeeld c.q. spreekbuis fungeerde. Hij overleed in augustus 2012 op 82-jarige leeftijd.

Ook Buzz Aldrin verliet na twee jaar de NASA. Hij keerde terug naar het Amerikaanse leger en werd benoemd tot commandant van de Test Pilots School op de Edwards Air Force Base in Californië. Het viel hem echter moeilijk om het leven op aarde weer op te pakken. Hij kreeg last van depressies en had een tijd lang een alcoholverslaving. Hij kwam daar weer overheen. Hij leeft nog steeds. Hij hoopt op 20 januari 86 jaar te worden.

De derde astronaut van deze vlucht, Michael Collins, leeft ook nog. Hij is momenteel 85 jaar oud. Na zijn terugkeer was hij onder andere staatssecretaris van Buitenlandse Zaken (in de regering van Nixon), directeur van het National Air and Space Museum in Washington D.C en vicepresident bij LTV Aerospace, een bedrijf dat vliegtuigen en raketten produceert.

Voor wat betreft de andere hoofdrolspelers van dit verhaal: Richard Nixon bleek in tegenstelling tot wat hij zelf dacht (I’m not a crook!”) wel een schurk te zijn en moest in augustus 1974 als gevolg van het Watergate-schandaal noodgedwongen aftreden als president. Hij stierf in 1994 op 81-jarige leeftijd. Bob Halderman, de stafchef van het Witte Huis die het memo liet opstellen, verdween als gevolg van dat zelfde Watergate-schandaal zelfs voor 18 maanden in de gevangenis. Hij stierf in 1993 op 67-jarige leeftijd. William Safire, degene die de speech schreef, ging in 1973 als journalist voor de New York Times werken waar hij ook jarenlang een column over juist taalgebruik had. Hij stierf in 2009 op 79-jarige leeftijd.

In totaal hebben, inclusief Amstrong en Aldrin, twaalf mannen op de maan gelopen. Allen keerden veilig naar de aarde terug. Of er voor de andere tien astronauten ook al speeches klaar lagen voor het geval het mis zou gaan, is niet bekend. Ik gok van wel.

Grenscorrecties

Al lezende op de site van The Guardian valt mijn oog opeens op een bericht over een voorgenomen grenscorrectie in 2016 tussen België en Nederland. Huh? Daar weet ik helemaal niets van. Volgens het artikel ruilen België en Nederland ergens dit jaar op de grens van Limburg en Belgisch Limburg stukken land met elkaar. Zo te zien krijgen we volgens het kaartje van The Guardian  overigens meer land terug dan dat we weggeven.

grenscorrectie

Tekening van de voorgestelde landruil zoals weergegeven op de site van the Guardian

 De achtergrond van deze landruil is dat de Maas die deels de oorspronkelijke landgrens vormde in de loop van de tijd op sommige plaatsen recht getrokken is, waardoor een deel van het oorspronkelijk Belgisch grondgebied  – ter grootte van zo’n 15 voetbalvelden – nu een soort schiereiland van Nederland is geworden. De Belgen kunnen er alleen nog maar bij door middel van bootjes. Dit zou niet zo erg geweest zijn, ware het niet dat de misdaad dit gebied heeft ontdekt, onder andere voor de drugshandel. In 2012 werd er zelfs een lijk zonder hoofd gevonden. Omdat het Belgisch grondgebied was, viel dit misdrijf onder de Belgisch politie maar deze had grote problemen om het gebied te bereiken, want officieel mochten ze niet over Nederlands grondgebied rijden.

Mede om dit soort criminele problemen te voorkomen zijn Nederland en België nu overeengekomen om de grenzen wat aan te passen. The Guardian verwondert er zich over dat zo’n landuitruil tussen twee landen zo probleemloos verloopt. ”And all with a smile on everyone’s face [..]”. Dit komt natuurlijk omdat Wilders het waarschijnlijk nog niet weet. “Deze flutregering verkwanselt goede stukken Nederlands grondgebied aan België en wat krijgen we er voor terug: boeventuigland!” dat soort werk.

Ik heb er even op gegoogeld maar vroeger ging de vaststelling van de grens met België heel wat moeilijker. Denk alleen maar eens aan Baarle-Nassau en Baarle-Hertog waar enkele enclaves zijn. De oorzaak hiervan lig in het feit dat bepaalde stukken grond daar vroeger eigendom waren van de heer van Nassau en andere stukken van de hertog van Brabant.

De voorgenomen grenswijziging met België is niet de grootste in de ‘recente’ geschiedenis van Nederland. Dat waren de grenswijzigingen met Duitsland na de Tweede Wereldoorlog. In het najaar van 1945 eiste de Nederlandse staat van Duitsland een schadevergoeding van 25 miljard gulden. Eerder dat jaar was echter al op de Conferentie van Jalta bepaald dat herstelbetalingen uitsluitend werden gegeven in natura en niet in de vorm van liquide middelen. De Nederlandse regering zette daarop diverse commissies aan het werk, waaronder eentje die onder leiding stond van een zekere Frits Bakker Schut.  Zijn eerste plan A omvatte een annexatie van grote delen van Duitsland met onder meer de annexatie van de steden Aken, Keulen en Mönchengladbach Hij maakte ook nog twee andere plannen – de plannen B en C waarbij het te annexeren gebied wat kleiner zou zijn. Zie hieronder een kaartje van deze plannen (zoals vermeld op de Wikipedia; auteur ‘Tubantia’.)

grensplan

In totaal zou Nederland in plan A er zo ruim twee miljoen inwoners bij krijgen. De Nederlandse politiek was verdeeld. Eelco van Kleffens, de minister van Buitenlandse Zaken was voorstander van het plan, maar Willem Drees, in die tijd de minister van Sociale Zaken, was fel tegen. Toenmalig minister-president Wim Schermerhorn was ook niet zo’n voorstander van annexatie van grote delen van Duitsland, maar koningin Wilhelmina daarentegen was juist weer een fervent voorstander. Zij drong er ook sterk bij Schemerhorn op aan om over te gaan tot onderhandeling met de geallieerden over de annexatie van grote stukken Duitsland. Uiteindelijk “eiste” Schemerhorn in 1946 een stuk Duits grondgebied op van een kleine 5000 km2. Dit was veel minder dan het oorspronkelijke plan van Bakker Schut, maar omvatte nog steeds een gebied waar meer dan 500.000 Duitsers woonden. In 1947 bracht men de eis terug tot 1840 km2 (met daarin zo’n 160.000 Duitsers). Uiteindelijk kreeg Nederland  op 23 april 1949 in de slotverklaring van de Londense Duitslandconferentie een gebied toegewezen van 69 km2. Elten was daarbij met 3600 inwoners de grootste plaats die Nederlands werd. In totaal “verhuisden” in 1949 bij deze “grenscorrectie” circa 10.000 Duitsers van Duitsland naar Nederland.

In 1963 gaf Nederland het gebied in ruil voor 280 miljoen mark schadevergoeding weer terug aan Duitsland. Dit leverde overigens één van de meest geniale smokkeloperaties aller tijden op. In de nacht voor de teruggave werden er enkele grote vrachtauto’s vol met boter Elten in gereden. De volgende dag bevonden deze vrachtauto’s zich in Duitsland, waar de boter veel meer waard was. In dit geval was de boter niet de grens over gesmokkeld maar de grens over de boter gegaan.

Om nog even terug te komen op het oorspronkelijke annexatieplan van Bakker Schut. Ach, had Nederland daar maar aan vastgehouden. Dan zouden we voor de bekende kerstmarkten helemaal niet naar Duitsland hoeven af te reizen, maar zouden we gewoon naar de Nederlandse steden Aken en Keulen kunnen gaan. Maar nog veel belangrijker zou zijn geweest dat als de steden Keulen en Mönchengladbach Nederlands zouden zijn geweest, dat we dan we ongetwijfeld in 1972 Europees kampioen voetballen zouden zijn geworden en in 1974 wereldkampioen. Dit omdat dan de grote spelmakers van Duitsland uit die tijd (Günther Netzer van Borussia Mönchengladbach en Wolfgang Overath van 1FC Köln) Nederlander zouden zijn geweest.

De jurk van Maxima

De oudste dochter belde. Of Marianne en ik met haar naar een museum willen. We vragen ons af of ze opeens zo kunstminnend is geworden, maar het is geloof ik meer dat ze een maandje “vrij” heeft voordat haar masterstudie in Leiden begint en dat ze zich nu een beetje verveelt. Deze keer spreken we af bij het Gemeentemuseum in Den Haag. Daar is nog tot en met 3 januari de tentoonstelling ‘Kleur ontketend’ te zien.

“In de korte periode tussen 1885 en het begin van de Eerste  Wereldoorlog vindt in de schilderkunst van de Lage Landen een moderne Renaissance plaats. Kleur wordt bevrijd van de ketenen van de zichtbare werkelijkheid. Gras kan ineens koel blauw zijn, een gezicht is helder paars en bomen kleuren rood. Kleur heeft een eigen betekenis gekregen…..” aldus de site van het Gemeentemuseum. Er hangen vooral schilderijen van Nederlandse en Belgische schilders, zoals Van Gogh, Sluijters, Van Dongen, Mondriaan en Rik Wouters.‘

In tegenstelling tot de vorige keer, kunnen wij deze keer op de fiets en moet de dochter nu met het openbaar vervoer (trein + tram). Het is voor ons 50 minuten fietsen maar omdat ik de kracht van de wind tegen weer eens onderschat en mijn conditie overschat, komen wij iets later dan afgesproken bij het museum aan. Maar dat is niet erg, want de door de dochter geplande tram vertrok vijf minuten te vroeg bij het station, waardoor zij deze miste. Ze moest een kwartier op de volgende tram wachten en kwam daardoor net iets later dan wij bij het museum aan. “Stonden jullie al lang te wachten?” vraagt ze. “Uren” zeg ik.

Het is een mooie maar thematisch gezien een beetje kunstmatige tentoonstelling. Niet dat de kunst matig is, in tegendeel er hangen enkele prachtige werken zoals bijvoorbeeld onderstaand ‘Portret van Dolly’ van Kees van Dongen, maar je zou zonder het thema van de tentoonstelling geweld aan te doen een hoop schilderijen van de tentoonstelling kunnen inruilen voor andere schilderijen uit het museum.

Kees van Dongen

(Dit portret is op de tentoonstelling te zien, maar behoort ook tot de vaste collectie van het Gemeentemuseum)

 Na deze tentoonstelling bekijken we in het zelfde museum ook de tentoonstelling ‘Ode aan de Nederlandse mode.’ Deze is nog tot en met 7 februari 2016 in het Gemeentemuseum te zien. ‘Klinkende namen als Viktor & Rolf, Iris van Herpen en Jan Taminiau hebben ons land duidelijk op de kaart gezet als eigenzinnig modeland. Deze, en ook andere, modeontwerpers van Nederlandse bodem oogsten internationale waardering. Hoog tijd dus voor een Ode aan de Nederlandse mode in het Gemeentemuseum Den Haag, het museum met een van de belangrijkste modecollecties ter wereld…” aldus het Gemeentemuseum.

Er zijn heel veel jurken te zien. Een enkele jurk is in zwart-wit, maar de meeste zijn zeer kleurrijk. Wat dat betreft past deze tentoonstelling zeer goed bij de tegenoverliggende tentoonstelling ‘Kleur ontketend’

jurken 0 jurken 1

Ook is op de tentoonstelling de blauwe jurk van Jan Taminiau te zien die Maxima droeg bij de inhulding van Willem-Alexander.

jurk maxima

Het is natuurlijk een jurk die je geen tweede keer bij een officiële gelegenheid draagt en ook niet bij privégelegenheden zoals de ouderavond op school. Dus een plekje In een museum is wel een terechte plek. Dat gebeurt in het buitenland ook. Zo hebben we in het ‘National Museum of American History’ in Washington in 2012 de collectie jurken bekeken die de first ladies droegen tijdens de inauguratie  van hun echtgenoten. (Ik ben inmiddels een echte inauguratiejurkenkenner.)

jruk clinton    jurk obama

Jurk van Hilary Clinton                             Jurk van Michelle Obama

Ik ben overigens benieuwd wat er gebeurt als Hillary Clinton wordt gekozen tot president van Amerika. Komt dan haar jurk van de inauguratie er te staan of het pak van ‘first husband’ Bill?

Albert West

Marianne, kom kijken. Het overzicht van mensen die dit jaar zijn overleden begint. Dat is leuk.” Terwijl ik de woorden uitspreek, realiseer ik mij dat dit een beetje raar klinkt, vooral de combinatie ‘overleden’ en ‘leuk’. Maar van alle jaaroverzichten die je aan het einde van het jaar op tv langs ziet komen – waar blijft het jaaroverzicht dat alle jaaroverzichten bespreekt die tijdens het jaar voorbij komen? – vind ik het overzicht van de overleden mensen nu eenmaal het leukste om te zien.

Het geeft een zekere weemoed. Je ziet mensen voorbij komen uit de categorie: ‘O ja, die is dit jaar overleden; of mensen waarvan je denkt: goh, leefden die nog? – en die nu dus alsnog dood zijn; of ‘bekende’ mensen waar je nog nooit van hebt gehoord; of bekende mensen die je wel kent maar waarvan je helemaal niet wist dat ze dit jaar waren overleden.

De allereerste persoon die in de uitzending werd herdacht, was er eentje uit de laatste categorie: Albert West, een pseudoniem van Albert Westelaken. Hij bleek tijdens onze vakantie in Amerika te zijn overleden aan de gevolgen van een fietsongeluk. Helemaal gemist. Tijdens een tochtje met zijn driewielerfiets – daar fietste hij mee sinds hij in 2012 was getroffen door een ruggenmerginfarct – kwam de 65-jarige zanger in botsing met een wielrenster met uiteindelijk fatale gevolgen. Ach, Albert West, daar heb ik romantische herinneringen aan.

Ok, die laatste zin vraagt enige toelichting. Het zit zo. We gaan ruim 45 jaar terug in de tijd en wel naar juli 1970. Ik was toen veertien jaar oud, net nog geen vijftien. We waren met mijn ouders, mijn zusje en één broertje – mijn oudste broertje ging al niet meer mee – op vakantie in Drenthe. We zaten in een huisje op een groot bungalow- en campingcomplex in Exloo. Het park was eigendom van een Rotterdams havenconsortium. Het zat er dan ook vol met havenarbeiders en hun gezinnen die er goedkoop konden verblijven. Maar je kon er ook als niet-havenarbeider een huisje huren, dan betaalde je wat meer. Dat hadden mijn ouders gedaan. We maakten een paar uitstapjes in de omgeving, maar de meeste tijd was ik er aan het voetballen, vaak met een vaste groep jongens. De meeste waren fanatieke Feyenoord-fans; de club had twee maanden daarvoor als eerste Nederlandse club de Europa Cup 1 gewonnen. Ik was fan van Go Ahead. Dat werd in orde bevonden. “Het was anders geweest als je voor Ajax was geweest!”.

Het meeste trok ik op met een zekere Robert, wiens vader er uit zag alsof hij in zijn eentje een schip kon lossen. Robert had een tweelingzus, Anki geheten. Toen Robert haar aan mij voorstelde ik, merkt ik scherpzinnig op: “Zo, jullie zijn duidelijk geen eeneiige tweeling” “Nee, ik ben veel knapper” sprak ze. Dat was waar. Ze was ook leuk en gevat. Daar kwam ik op donderdagmiddag achter toen ze tijdens de door de camping georganiseerde speurtocht met Robert en mij in hetzelfde groepje zat.

’s Avonds was er een disco, al heette dat toen nog gewoon een dansavond voor jongeren. Aan het einde van de avond – ik stond met een groepje een beetje rare bewegingen te maken op de dansvloer; alsof ik met een handdoek mijn rug afdroogde – kondigde de disjockey als slotplaat van de avond een langzame plaat aan: “om lekker op te schuifelen”. Het was Cha-la-la I need you’ van the Shuffles van welke groep Albert West – daar hebben we hem – in die tijd de leadzanger was.

shuffles

The Shuffles: geheel rechts een twintigjarige Albert West.

Ik liep naar de kant maar opeens stond Anki voor me. “Zullen we?” vroeg ze. Ze legde haar armen om mij heen en drukte zich tegen mij aan. “Is goed” zei ik zo kalm mogelijk. Voetje voor voetje draaiden we langzaam rondjes en toen ze zich nog wat dichter tegen mij aan drukte, voelde ik haar borsten tegen mijn lichaam. Even dacht ik dat dat ik mij dat inbeeldde maar bij de volgende draai voelde ik ze weer. Of was het alleen maar haar beha die ik voelde? Volgens mij bloosde ik maar dat kon niemand zien, want halverwege het nummer pakte ze mijn hand en leidde mij door de openstaande deuren naar buiten naar een donker plekje bij de snoepautomaat. Ze begon te zoenen. ‘Cha-la-la, I need you’ klonk het binnen. Opeens voelde ik hoe ze voorzichtig met haar tong mijn mond binnenkwam. ‘Cha-la-la, I love you’. Oeps, wat deed ze nu? Ze tongde! Ooit had een jongen in de brugklas mij gewaarschuwd dat je dat nooit moest doen. Er waren meisjes, zei hij, die duwden hun tong in je mond en dan kreeg je allemaal vreemde bacteriën in je mond waar je heel ziek van werd. Het leek me toen al grote onzin en nu helemaal. Ik besloot het risico te nemen en voorzichtig bracht ik mijn tong in haar mond. Binnen zong Albert West weer “Cha-la-la, I need you, Cha-la-la, I love you”, buiten kronkelden onze tongen onwennig en voorzichtig om elkaar heen. Om nou te zeggen dat ik het heel lekker vond, is wat anders, maar spannend was het wel.

Toen het nummer was afgelopen, ging binnen het grote licht aan en stroomden de mensen naar buiten. “Hé zus, sta je nu met de slechtste voetballer van de hele camping te zoenen?” klonk het opeens achter mij. Het was Robert. Samen met hem liep ik even later, hand in hand met Anki, naar hun tent. Buiten de bungalowtent zaten haar vader en moeder op campingstoeltjes. Ik keek naar de kolenschoppen van handen waarmee haar vader een flesje bier vast hield en durfde Anki bij het afscheid daarom nauwelijks te zoenen. Voorzichtig gaf ik haar een zoentje op de wang en zei: “Ik zie je morgen weer”.

De volgende morgen lag ik nog gelukzalig in mijn bed toen mijn moeder mij riep. “Martin, er staan twee mensen buiten op je te wachten”. Gedurende een seconde flitste het door mijn hoofd dat Anki tegen haar ouders had gezegd dat we hadden getongd en dat deze nu verhaal kwamen halen. Ik kleedde me snel aan en keek voorzichtig naar buiten. Het waren Robert en Anki. “We komen afscheid nemen.” sprak ze. “Het gaat de hele dag regenen en daarom gaan we een dagje eerder terug. Mijn ouders zijn nu de tent aan het afbreken.” “Oh” zei ik. Omdat mijn ouders nieuwsgierig stonden toe te kijken durfde ik haar bij het afscheid nauwelijks een zoen te geven. Het bleef bij eentje op haar wang en eentje in de lucht. “Misschien zien we elkaar volgend jaar weer” zei ik zachtjes en helemaal beduusd vergat ik haar adres te vragen. Toen ze wegliepen, keek Anki nog een keertje om en zwaaide.

Uiteraard heb ik haar nooit meer terug gezien, maar – om met net zo’n gekke zin te eindigen als ik deze blogpost begon – elke keer als ik Albert West op tv zie, moet ik aan tongzoenen denken. Nou ok, niet elke keer, maar wel toen ik zag dat hij was overleden.

shuffles gouden plaat

12 februari 1970: De shuffles krijgen van Hilversum 3 disjockey Joost de Draaier een gouden plaat voor ‘Cha-la-la I need you’. Derde van rechts Albert West, helemaal links Joost de Draaier. Achteraan de manager van de Shuffles. Foto: Bert Verhoeff, Anefo; Nationaal Archief.

Van Bosch tot Bruegel

De  oudste dochter belt. Haar vriendje is aan het werk. Of ik soms met haar mee wil naar een tentoonstelling in Rotterdam. In het Museum Boijmans Van Beuningen is tot en met 17 janauri 2016 de tentoonstelling ‘Van Bosch tot Bruegel – De ontdekking van het dagelijks leven’ te zien. We spreken af om elkaar voor de deur van het museum te ontmoeten. Over de reis naar het museum in Rotterdam (tram, metro, nog een metro en stuk lopen) doe ik een uurtje. Als ik bij het museum ben, is er van de dochter – die hoeft in Rotterdam alleen maar vijf minuten te fietsen – geen spoor te bekennen. Na tien minuten wachten komt ze vrolijk zwaaiend aanfietsen. Dat had je met vergaderingen op kantoor ook altijd. Degenene die van ver moesten komen waren altijd op tijd. Degenen die niet hoefden te reizen kwamen te laat.

Op de tentoonstelling staat, zoals de site van Boijmans vermeldt, “het dagelijks leven uit de 16de eeuw centraal met bordelen, feestvierende boeren, kwakzalvers en ongelijke liefde”. Er hangen veel zwart-wit prenten uit de 15e en 16e eeuw en een aantal schilderijen in kleur uit die periode. Ook is er het drieluik ‘De hooiwagen’ van Jeroen Bosch te zien. Normaliter hangt dit in het Prado in Madrid, maar dit museum heeft het uitgeleend en voor het eerst in bijna 500 jaar is dit werk weer in Nederland te zien. Jeroen Bosch heeft er twee versies van gemaakt. Naast die van het Prado hangt er ook eentje in EL Escorial, niet zo ver van Madrid

bosch1

Het bovenstaand exemplaar is het exemplaar uit het Prado. Dit drieluik is nu in Rotterdam te zien. Hieronder staat het exemplaar uit El Escorial. Opdracht van de dag: Zoek de zeven verschillen.

bosch 2

Afgezien van de kleurverschillen, die in de loop der eeuwen zijn ontstaan, is het meest zichtbare verschil de plaats van de handtekening van ‘Jheronimus Bosch’. Bij het Prado-paneel staat deze op het middenpaneel, bij die uit El Escorial heeft hij hem op het linker paneel gezet. Verder zijn er nog een aantal kleine verschillen.

bosch3   bosch4

Zo draagt de staande vrouw in het witte kleed op het middenpaneel op de Prado-versie een baby in haar borstdoek, bij die op de Escorial-versie ontbreekt de baby. En op de Escorial-versie staat er ergens een kruik op tafel, die in de Prado versie ontbreekt. Daartegen hangt er op de Prado-versie een rozenkrans aan de stoel van de zittende vrouw. Die krans ontbreekt bij de Escorial versie.

In de loop van de tijd zijn er discussies geweest welk schilderij het eerst geschilderd is en welk schilderij de kopie is. De heersende opvatting is nu dat het exemplaar uit Madrid het eerst door Jeroen Bosch is geschilderd en dat hij daarna de El Escorial versie heeft gemaakt.

Na het bezoek aan deze tentoonstelling lopen we ook nog even door de overige zalen van het museum. Was het bij de tentoonstelling best wel druk, dit gold niet voor de rest. Zo liepen we vrijwel ongestoord door de zaal met impressionisten zoals Gaugain, Cézanne, Monet en Van Gogh. Ik heb het aantal schilderijen in deze zaal even geteld. Het zijn er zestien. Gezien de prijzen die tegenwoordig voor dit soort schilderijen wordt betaald, schatte ik dat daar minstens voor 500 miljoen euro hangt en misschien wel voor een miljard. Zware beveiliging zou je dus denken, maar nee, in de zaal liep niet één suppoost. Op een gegeven moment waren mijn dochter en ik zelfs de enige personen in de zaal, omgeven door het miljard aan de muur. We begonnen direct een plan te bedenken hoe we de schilderijen mee konden nemen. Leuk voor in de studentenkamer.

Terwijl we daarover aan het nadenken waren, liepen we verder en zagen we even verderop, in de zaal van de oude meesters, opeens een collega-inbreker aan het werk. Bij nader inzien bleek dit geen inbreker te zijn, maar een kunstwerk van Maurizio Cattelan, getiteld ‘Untitled’ uit 2001 te zijn. Het grappige is dat het een bruikleenwerk is. Ik ben benieuwd hoe je straks dat gat in de vloer teruggeeft aan de eigenaar. Het beeld is een zelfportret. De kunstenaar kijkt omhoog door het gat in de vloer.

Het beeld staat in de onderliggende personeelsgarderobe en dit bracht mij op het idee hoe ik onopgemerkt ’s nachts het museum kan beroven. Ik neem gewoon de plaats in van de pop. Die zet ik op een rustig moment ergens in een bezemkast en ga dan zelf op het trapje staan met mijn hoofd uit de vloer. Zo lang ik maar niet beweeg is de kans groot dat niemand de verwisseling opmerkt. ’s Nachts kom ik dan uit het gat en sla toe. Dus als u een keer dit beeld in het museum ziet, verraadt u mij dan niet.

gat in vloer 2

 

V&D

V&D zit in surseance van betaling en dreigt failliet te gaan. Ach, V&D dat is de winkel waar ik al mijn hele leven kom. Drie herinneringen:

1959: V&D Apeldoorn. Ik ben vier jaar oud. Samen met mijn moeder en mijn twee broertjes sta ik voor de machine met de muziekaapjes.

aapjes

Als je er een dubbeltje ingooit beginnen de aapjes te spelen. Mijn broertjes maken ruzie wie het er in mag gooien – “jij mocht vorige keer, Welles, Nietes, Welles, Nietes,”. Mijn moeder velt een echt Salomonsoordeel door het dubbeltje in twee stuivers te delen, maar het werkt niet. De machine accepteert alleen maar dubbeltjes. Ze gooit het dubbeltje er daarom maar zelf in. Even later staan mijn twee broertjes mokkend naar de musicerende aapjes te kijken. Ik sta glunderend vooraan.

1968: V&D Deventer; Ik ben dertien jaar oud en heb net enige dagen geleden in V&D mijn allereerste singletje ooit gekocht: ‘Hey Jude’ van de Beatles. Nu sta ik bij de tijdschriftenafdeling. ‘Der Popphoto’ (of zoiets), een Duits muziekblad, komt als het goed is vandaag uit. In het vorige nummer stond aangekondigd dat er in deze aflevering een grote Beatlesposter zou zitten en die wil ik hebben. Probleem is echter dat er niet veel exemplaren van het blad in Deventer verschijnen. Alleen V&D heeft er af en toe eentje, soms twee. Als ik naar het blad vraag, krijg ik te horen dat de nieuwe tijdschriften nog niet binnen zijn. Over een uurtje zijn ze er misschien wel. Exact een uur later ben ik terug en vraag naar ‘Der Popphoto’. “Helaas” zegt de dame van de tijdschriften. “Die is niet meegekomen, misschien morgen”. Op het moment dat ik weg loop zegt ze: “Straks vroeg er ook al iemand naar.” Ik schrik, er is nog iemand op zoek naar het blad. Als die mij maar niet voor is. De volgende dag fiets ik na school zo hard mogelijk naar V&D. Met een bezweet gezicht storm ik de winkel in en vraag bij de tijdschriftenafdeling naar het blad. Hij is binnengekomen en ze hebben hem nog. Ha, ik ben die ander toch maar mooi voor geweest.

1975: V&D Enschede; Ik ben twintig jaar. Het is zaterdag. Samen met Joyce, een meisje van mijn studentenflat, loop ik in V&D. Het is er druk. We zijn op weg naar het restaurant op de bovenste verdieping. Als we beneden vlakbij de roltrap zijn, zien we dat naast de roltrap een klein podiumpje is opgebouwd. De vloermanager van V&D staat er met een jongeman naast zich. “Dames en heren, V&D is er trots op om een nieuw Nederlands talent te presenteren. Hij heeft zojuist zijn eerste single opgenomen en hij zal het hier live voor u zingen. Mag ik u aandacht voor Hennie Neyman.” De jongen zegt iets tegen hem. “Dames en heren, excuses, mag ik u welgemeende aandacht voor Benny Neyman.

Hij begint te zingen en doet dat niet slecht. Staande op de rolstrap omhoog zien we dat er echter geen mens blijft staan luisteren. Iedereen loopt door, rechtstreeks de roltrap op. Hennie, herstel Benny Neyman doet aandoenlijk zijn best, maar hij staat zo aan de voet van de roltrap niet op een handige plek. Zijn publiek wordt automatisch weggevoerd. “Ach, dat is zielig. Niemand blijft luisteren. We gaan naar beneden” zegt Joyce en we nemen de roltrap omlaag. Samen met de floormanager, nog een medewerker van V&D en één huisvrouw – ze heeft aan elk hand een volle V&D-tas; toen verkocht V&D nog wel goed – vormen we zijn vijfkoppig publiek. Na drie nummers, waarvan twee keer de A-site van zijn single, is hij klaar. Joyce koopt zijn plaatje. Met een viltstift zet hij netjes zijn naam op de hoes. Als Joyce het plaatje nog steeds heeft, dan moet dit een waar collectorsitem zijn want a) de rest van het stapeltje singles – een stuk of tien; ik denk dat Benny ze zelf heeft meegenomen – blijft onverkocht en b) pas vijf jaar later zou hij met ‘Ik weet niet hoe’ zijn eerste hit scoren. In 1985 zou hij met ‘Waarom fluister ik je naam nog’ zijn enige nummer 1 hit hebben.

Screenshot YouTube:

bennie Neyman

Bennie Neyman: van vijf toeschouwers bij V&D Enschede in 1975 tot 50.000 toeschouwers bij Rimpelrock in Hasselt, België in augustus 2007. Een half jaar later zou hij op 56-jarige leeftijd overlijden. Voor de YouTube link van dit optreden, zie hier

Tot zover drie herinneringen aan V&D. Nu dreigt V&D de deuren te sluiten. Volgens mij is alle ellende begonnen toen de aapjes uit de zaak verdwenen.

.

Een wandeling door het dorp

Zondag hebben we een rondje door het ‘dorp’ gelopen. Wat kerstkaarten bezorgen bij wat vrienden en kennissen. Het is een vak apart om zo’n kaart ongezien in de bus te stoppen. Word je “betrapt” dan sta je weer de hele tijd een gezellig praatje te houden en dat schiet niet op.

We liepen ook door de Damlaan, de ‘Dorpstraat van ons dorp’. In het nieuwe gebouw op de hoek zat nu ‘De Uitvaartwinkel’ zagen we. Het was nog net geen Uitvaartaria zoals Marianne zei maar een naam als “De Uitvaartwinkel” klinkt me toch een beetje te modern. “Mam, ik ga boodschappen doen, moet ik nog wat voor je meenemen?” “Ja, als je langs de uitvaartwinkel komt, koop dan even een crematie voor oma.” Dat soort werk.

Even verderop had de kinderkledingwinkel uitverkoop. Er hingen grote plakkaten op de ramen ‘Kortingen tot 50%!” Het leek net alsof het opheffingsuitverkoop was en dat je er dus snel bij moest zijn. Maar het is een marketingtrucje van de eigenaresse. Ze doet het al twintig jaar zo. Toen wij er nog kleding kochten voor onze kinderen, dachten wij aanvankelijk ook elk jaar dat ze opheffingsuitverkoop had en dat we dus snel moesten toeslaan.

Naast de kinderkledingwinkel zit een schoenenwinkel. Deze lijkt erg op de schoenenwinkel in het dorp waar ik als kind woonde. Die winkel was de enige schoenenwinkel van het dorp. De eigenaar was ook de enige schoenmaker van het dorp. Maar o wee, als je aan kwam zetten met kapotte schoenen die je niet bij hem had gekocht. “Zeg maar tegen je moeder dat ze die moet laten maken bij de winkel waar ze die heeft gekocht.” zei hij een keer tegen mij toen ik met door het voetballen kapot getrapte schoenen kwam aanzetten. Toen ik deze boodschap thuis doorgaf, zei mijn moeder kwaad: “Is die vent helemaal gek geworden? We kopen in het vervolg wel al onze schoenen in de stad.” Ik vond dat niet erg want in de stad hadden ze veel modieuzere schoenen. Ook verkochten ze in de stad schoenen met spekzolen waarmee je tijdens het voetballen veel minder snel uit gleed.

Aan het einde van de straat, vlakbij de sluisjes, zagen we dat de slagerij – een type ‘Slagerij J. van der Ven’ uit ‘Het Dorp’ van Wim Solleveld – zijn etalage aan kerst had aangepast. De slager had blijkbaar bedacht dat hij ook iets met kerstversiering moest doen en in het raam hingen dan ook grote worstenslingers.

worsten 2

Bij het water sloegen we linksaf op zoek naar de volgende brievenbus waar we ongezien een kerstkaart in konden stoppen – “als we van links komen, dan kunnen ze ons niet zien aankomen”. De verleiding was groot om even de ophaalbrug over te steken en aan de overkant bij “Zuivere koffie” een kop koffie met appelgebak te nuttigen, maar dan zou de hele winst van de besparing op de kerstzegels gelijk weer zijn uitgegeven. Dus dat deden we maar niet en vervolgden ons bezorgrondje.

Munch en Van Gogh

In het Van Gogh Museum is een tentoonstelling te zien met werken van de Noorse schilder Edvard Munch (hij leefde van 12 december 1863 tot 23 januari 1944). Nu kende ik Munch eigenlijk alleen maar van ‘De Schreeuw’, maar hij blijkt een groot oeuvre te hebben. Uit de wikipedia: “In 1940 vermaakte Munch zijn gehele oeuvre (omvattende 1008 schilderijen, 15.391 afdrukken van 741 grafische werken, 4443 aquarellen en tekeningen en 6 beeldhouwwerken) aan de stad Oslo, waar het is ondergebracht in het Munchmuseum.”

de schreeuw

Iets anders wat ik niet wist, was dat op ‘De Schreeuw’ het niet de figuur op de voorgrond is die schreeuwt, maar dat het de natuur om hem heen is die schreeuwt. Het figuurtje op de voorgrond houdt juist zijn handen voor zijn oren. Er bestaan vier versies van ‘De schreeuw’. Drie zijn in handen van de Noorse overheid, de vierde is in particulier bezit. De onbekend gebleven koper kocht dit werk in 2012 voor 119,5 miljoen dollar. Van de vier versies is nu de eerste versie van het schilderij in het Van Gogh Museum te zien. De Schreeuw wordt geleend van het Munch Museum in Oslo.

Het Van Gogh Museum heeft deze tentoonstelling heel mooi opgezet. Ze hebben namelijk heel veel van de schilderijen van Munch opgehangen naast, qua stijl of qua emotie, overeenkomend werk – vooral van Van Gogh. Zie hieronder bijvoorbeeld hoe ‘De Schreeuw’ hangt naast een schilderij van Van Gogh waarop ook een angstig persoon op een brug te zien is (in dit geval een klein meisje).

munch van gogh

En hieronder nog een voorbeeld. Links hangt een zelfportret van Munch, rechts eentje van Van Gogh.

van gogh munch

(Normaal gesproken zeg ik altijd, klik op de afbeelding om een grotere versie te zien, maar hier doe ik dat maar niet.)

Nu zult u misschien zeggen: “Die foto  hierboven is niet helemaal scherp!”. Dat klopt maar dat is niet mijn schuld, want terwijl ik deze foto nam werd ik zowel links als rechts op de schouder getikt. Ik wou net zeggen: “Wilt u dat niet doen, want zo kan ik niet fotograferen.” toen bleek dat het twee suppoosten waren die op mijn schouder tikten. Het was niet toegestaan om te fotograferen zeiden ze. Oeps, sorry. Dat wist ik niet.

Nu had ik net daarvoor ook al een foto gemaakt en wel van het schilderij ‘Inger in zwart en violet’ uit 1892. Op dit schilderij heeft Munch zijn zus Inger afgebeeld. Maar ja, de foto van dat schilderij kan ik hier natuurlijk nu niet plaatsen. Straks krijg ik ruzie met dat Noorse Museum. Maar omdat ik het toch wel een heel mooi schilderij vindt, doe ik het stiekem toch. Maar wel zodanig dat de Noren het schilderij niet herkennen – deze Nederlandstalige tekst kunnen ze toch niet lezen. Ik heb het schilderij op twee manieren onherkenbaar gemaakt. Op de linkerversie heb ik een balkje voor de ogen van Inger geplaatst. Geen Noor meer die haar zo herkent. Op de rechterversie laat ik alleen maar een deel van het schilderij zien. De kans op ontmaskering is daar misschien wat groter “Het is haar ten voeten uit, maar die ontbreken, dus het is haar niet” zullen de Noren hopelijk zeggen.

inger dubbel 2

Na de tentoonstelling ben ik ook nog in de Museumwinkel geweest. Ik verbaas me er altijd weer over wat je daar kan kopen. Zo hadden ze een opblaasversie van het figuurtje van “De Schreeuw’, Van Goghjes voor in de kerstboom en aardappeleters-chips om op te eten.

souveniers

van gogh chips

In een ander deel van het museum zag ik overigens nog een vergelijking van twee schilderijen in dezelfde stijl, net zoals dat gedaan was met die van Van Gogh en Munch. In dit geval betrof het twee zelfportretten – tegenwoordig zouden we zeggen ‘selfies’ – van de bekende schilders Duck en Van Gogh.

donald van gogh 2

(Uit het bordje bij het oorspronkelijk schilderij van D. Duck blijkt dat hij enige hulp bij het maken heeft gehad van een zekere Wouter Tulp). Zie hier de oorspronkelijke versie van het schilderij van Wouter Tulp.

donald van gogh

Al met al kan ik de tentoonstelling over Munch, gecombineerd met de werken van Gogh, van harte aanbevelen. Hij loopt nog tot 17 januari, dus je moet er wel op tijd bij zijn. Overigens kan je er behalve de werken van Munch ook een aantal schilderijen van Van Gogh zien die normaal gesproken niet in Nederland te zien zijn, zoals ‘Sterrennacht boven de Rhône’ (september 1888). Dit werk (‘starry starry night’) is in particulier bezit en wel van de Amerikaanse zanger Don McLean.

starry night

Ok, dat het in bezit is van Don McLean is niet waar, het hangt normaal gesproken in het Musée d’Orsay in Parijs. Ook hangen er op de tentoonstelling enkele werken uit Amerikaanse musea en ook nog een heel mooie Van Gogh die in particulier bezit is (van dat schilderij ben ik even de naam kwijt.) Kortom, bezoeken die tentoonstelling!

My WordPress Blog