Francis Peabody Magoun Jr. Oorlogsheld tijdens WOI en tevens de allereerste voetbalhistoricus; 1895 – 1979
In 1583 vindt er in Engeland in het graafschap Middlesex, nu een deel van Londen, een lijkschouwing plaats. Onderzocht wordt de rol van de heren Nicholas Marten en Richard Turvey met betrekking tot de dood van een zekere Roger Ludforde. In het verslag van de lijkschouwer wordt voor het eerst in de voetbalgeschiedenis een elleboogstoot beschreven.
‘ …Dat Roger Ludforde naar de bal rende met de bedoeling deze te trappen, maar dat Nicholas Marten ‘cum cubito dextri brachii sui’ (met de ellenboog van zijn rechterarm) en Richard Turvey ‘cum cubito sinistri brachii sui’ (met de ellenboog van zijn linkerarm) John Ludord op de borst raakten, waarna deze binnen een kwartier overleed.’ De conclusie van de lijkschouwer is dat het gebeuren als een misdrijf moet worden gezien. (Of Marten en Turvey geschorst werden, gevangen gezet of ter dood werden veroordeeld is niet bekend. In 1993 gaf Jan Wouters even verderop op Wembley tijdens de interland Engeland – Nederland Paul Gascoigne een soortgelijke ellenboogstoot, alleen niet op de borst maar op het hoofd. Gascoigne brak hierdoor zijn jukbeen. Wouters kwam er goed mee weg. Hij kreeg er zelfs niet eens een gele kaart voor.)
Dat we op de hoogte zijn van de geschiedenis van de dood van Roger Ludforde hebben we te danken aan professor Francis Peabody Magoun jr. en zijn deelname aan de Olympische Zomerspelen in Berlijn in augustus 1936. Professor Magoun jr. was één van de 21 deelnemers bij het onderdeel ‘Literature: Epic Works’. Literatuur was in die tijd een Olympische sport. Magoun was één van de drie Amerikaanse deelnemers aan dit onderdeel. Ook MacKinlay Kantor, een Hollywoodscenarist – hij kreeg een Oscar voor zijn scenario voor de film ‘The Best Years of Our Lives’ in 1946 en won in 1956 de Pulitzer Price voor een boek – en Anne Morrow Lindbergh, de vrouw van Charles Lindbergh en de moeder van de in 1932 ontvoerde en gedode baby Lindbergh, namen namens Amerika deel aan dit onderdeel.
De deelnemers moesten een origineel verhaal insturen dat met sport te maken had. Het verhaal mocht niet meer dan 20.000 woorden omvatten. De verhalen werden in 1936 beoordeeld door een deskundige jury bestaande uit vijf Duitsers, een Zwitser en een Oostenrijker. Je zou verwachten dat tijdens deze Nazi-spelen met zo’n jurysamenstelling een Duitser de wedstrijd zou winnen, maar het was de Fin Urho Karhumäki die de gouden medaille kreeg voor zijn verhaal ‘Avoteveen’ – ‘In het water’.
Een korte samenvatting van de winnende Finse inzending: ‘Ontgoocheld na een tijd in de hoofdstad Helsinki verbleven te hebben waar hij van het ene baantje in het andere baantje rolt, keert de jonge Yrjö Niemelä terug naar zijn boerderij in het noorden; daar vindt hij niet alleen de liefde van zijn leven, maar boekt hij ook sportieve successen als hardloper. Uiteindelijk kwalificeert hij zich voor de 5.000 meter op de Olympische Spelen.’ (Het verhaal werd in meerdere talen vertaald en in 1939 zelfs verfilmd. Ik ben net zo verbaasd als u.)
De tweede prijs ging wel naar een Duitser. Een zekere Wilhelm Ehmer – tijdens WO II verloor hij bij een bombardement op Berlijn zijn rechterarm – ontving voor zijn verhaal ‘Um den Gipfel der Welt’ de zilveren medaille. In dit verhaal beschrijft hij de poging van een Britse expeditie in 1924 om als eerste de 8848 meter hoge Mount Everest te beklimmen. Van alle pogingen om de top van de Mount Everest te halen is dit, na de succesvolle beklimming in 1953 door de Nieuw Zeelander Sir Edmund Hillary en de sherpa Tenzing Norgay, de beroemdste beklimming in de geschiedenis van de Mount Everest. De Engelse bergklimmers George Mallory en Sandy Irvine kwamen bij deze poging om het leven. Ze kwamen een heel eind. Ze werden voor het laatst op zo’n 250 meter onder de top gezien, waarna ze al klimmend in de wolken verdwenen. Ze keerden niet terug. Pas 75 jaar later werd het lichaam van George Mallory op 688 meter onder de top teruggevonden; van Irvine werd op 468 meter onder de top in 2024 een voet gevonden. Op het lichaam van Mallory werd niet een foto van zijn vrouw gevonden. Deze wilde hij op de top achter laten – de foto; niet zijn vrouw. Onduidelijk is nog steeds of ze wel of niet de top hebben gehaald. Sir Edmund Hillary en Tenzing Norgay kwamen in 1953 in ieder geval wel levend terug, een niet onbelangrijk detail bij het bergklimmen.
Even tussen haakjes, Mallory – ook bekend door zijn antwoord op de vraag waarom hij de Mount Everest wilde beklimmen: ‘Because it is there’. John F. Kennedy citeerde in 1963 deze woorden toen hem gevraagd werd waarom Amerika voor het einde van het decennium naar de maan wilde – kreeg tijdens de Olympische Winterspeler in 1924 een gouden medaille. Deze werd hem (en aan twintig anderen) toegekend als deelnemer aan de mislukte Engelse Mount Everest expeditie van 1922. Het betrof hier een medaille in de categorie ‘Alpinisme, categorie Open’, een eenmalige nieuwe categorie, verzonnen door de toenmalig IOC-voorzitter Pierre de Coubertin. (In dat opzicht lijkt De Coubertin wel op FIFA-voorzitter Gianni Infantino die speciaal voor Trump een FIFA Word Peace Price creëerde.) Bij de uitreiking van de gouden medaille aan de Mount Everest-expeditieleider van 1922 sprak Pierre de Coubertin: “Voor het eerst wordt er een gouden medaille voor alpinisme uitgereikt, en wel aan de roemrijke expeditie naar de Mount Everest. Niet tevreden met het feit dat ze er bijna in waren geslaagd, bereiden ze een nieuwe poging voor om de beklimming te voltooien.” Dat die expeditie een paar maanden later fataal zou aflopen wist De Coubertin toen uiteraard nog niet. Het leverde Ehmer twaalf jaar later wel een zilveren medaille op.
De bronzen medaille in 1936 ten slotte was voor een Pool die een verhaal schreef over het discuswerpen in het oude Griekenland. (Het andere ‘Literature’-onderdeel, ‘Lyrics’, wordt wel gewonnen door een Duitser, een zekere Felix Dühnen. Hij wint met zijn gedicht ‘Der Läufer’ over Pheidippides die in de oudheid van Marathon naar Athene liep.)
Francis Peabody Magoun jr. won dus geen medaille. Hij was van alle 21 deelnemers wel echter de enige die een verhaal schreef over voetballen, getiteld ‘Annals of British Football’ en aan dat stuk hebben we vandaag de dag veel historische kennis over het ontstaan van het voetballen in Engeland en Schotland tijdens de Middeleeuwen te danken. De professor vermeldde in zijn inzending allerlei nieuwe historische feiten die hij in oude Middeleeuwse bronnen had opgeduikeld. Met dit onderzoek begon hij in Engeland in 1918 toen hij vanwege opgelopen oorlogswonden tijdelijk rust moest nemen. Vooral dankzij zijn nauwgezette wetenschappelijke werkwijze wordt Magoun gezien als de allereerste voetbalhistoricus. Weliswaar waren er al eerder mensen die over de geschiedenis van het voetballen hadden geschreven, maar Magoun jr. was de eerste die het wetenschappelijk verantwoord deed. Wie was deze opmerkelijke man?
Francis Peabody Magoun jr. wordt op 6 januari 1895 geboren in een welvarend gezin in New York City. Zijn ouders, Francis Peabody Magoun sr. en Jeanne Bartholow, sturen hem naar de beste en duurste scholen. Zo volgt hij onderwijs aan de St. Andrew’s School in Concord, Massachusetts en aan de Noble and Greenough School in Boston, waarna hij filologie (dat is de wetenschappelijke studie van taal en literatuur in historische en geschreven bronnen) en Engelse taal- en letterkunde gaat studeren aan de Harvard University in Boston. Hier haalt hij in 1916 zijn bachelordiploma. Dat klinkt een beetje saai, en is ook een beetje saai, maar toch zit er een avontuurlijke geest in Magoun jr.. Nadat hij namelijk in 1916 zijn bachelordiploma heeft gehaald, stopt hij tijdelijk met zijn studie en sluit zich in februari van dat jaar aan bij de American Field Service. Dat is een organisatie van Amerikaanse vrijwilligers die tijdens de Eerste Wereldoorlog in Frankrijk gewonden van het front naar ziekenhuizen vervoert. Van 3 maart tot 3 augustus 1916 is Magoun vrijwillig ambulancechauffeur in Frankrijk.
Getroffen door het oorlogsleed en gefascineerd door de luchtgevechten die hij boven de loopgraven ziet, besluit Magoun tot een actievere rol. Hij keert terug naar Amerika en reist vervolgens via Canada naar Engeland waar hij zich opgeeft voor een opleiding tot piloot. Omdat Amerikanen uit het op dat moment neutrale Amerika van de Amerikaanse overheid niet mee mogen vechten in het conflict, doet Magoun zich voor als een Canadees. Hij zegt dat hij geen identiteitspapieren heeft, omdat hij afkomstig is uit een stad waarbij tijdens een brand in het gemeentehuis alle geboorteregisters verloren zijn gegaan. De Engelse overheid doet hier niet moeilijk over en laat hem toe tot de pilotenopleiding.
Hij krijgt vliegonderwijs aan de School of Military Aeronautics in Oxford, vervolgt zijn vliegopleiding in Vendome, Frankrijk en krijgt tenslotte een ‘spoedcursus oorlogsvliegen’ aan de School of Aerial Gunnery in Turnberry, Schotland. In juli 1917 haalt hij zijn vliegbrevet waarna hij als luitenant wordt toegevoegd aan Squadron no. 1 van de Royal Flying Force, de latere RAF. Hij dient vanaf 15 november 1917 tot aan 10 april 1918 in Frankrijk waarbij hij bij luchtgevechten vier Duitse vliegtuigen neerschiet. Op 10 april 1918 raakt hij, terwijl hij Duitse loopgraven vanuit de lucht beschiet, gewond door grondbeschietingen. Hij slaagt er nog wel in om veilig te landen en wordt overgebracht naar Engeland om daar te herstellen. Het is tijdens deze herstelperiode dat hij geïnteresseerd raakt in het Engelse en Schotse voetbal en vooral in de historische ontwikkeling daarvan.
In juni wordt hij in Londen onderscheiden met het Military Cross. “Voor opvallende moed en plichtsgetrouwheid. Tijdens bombardementen viel hij een vijandelijk toestel aan en schoot het neer. Hij heeft ook massale vijandelijke troepen en transporten met mitrailleurvuur vanaf lage hoogte bestreden, waardoor de vijand in de grootste verwarring raakt en zware verliezen werd toegebracht. Zijn werk is met consequente ijver en vasthoudendheid uitgevoerd.”, aldus de London Gazette van 22 juni 1918.

Links Magoun als oorlogsvlieger in 1918; rechts Magoun in de jaren dertig;
In de zomer van 1918 keert hij met ziekteverlof terug naar de VS, maar al spoedig reist hij weer terug naar Europa en op 9 oktober 1918 voegt hij zich weer bij zijn eskader en wordt opnieuw actief aan het front. Hij schiet een vijfde Duits vliegtuig neer – daarmee telt hij als ‘Ace’; dat zijn piloten die minimaal vijf vijandelijke vliegtuigen hebben neergehaald – waarna hij in actieve dienst blijft tot 1 januari 1919. Dan demobiliseert hij. De Eerste Wereldoorlog, die dan nog de Grote Oorlog wordt genoemd, is afgelopen. Magoun besluit in Engeland te blijven en schrijft zich in voor een ‘graduate study’ aan het Trinity College in Cambridge. Het is gedurende deze periode dat Magoun in allerlei historische archieven onderzoek gaat doen naar de geschiedenis van het Engelse en Schotse voetbal.
In de zomer van 1919 keert Magoun terug naar de VS, waar hij weer gaat studeren aan de Harvard University. In 1923 studeert hij er af in de filologie. Hij blijft in Harvard waar hij een wetenschappelijk carrière begint en uiteindelijk wordt benoemd tot hoogleraar vergelijkende literatuurwetenschap in1937 en hoogleraar Engelse literatuur in 1951.
Met de resultaten van zijn historisch onderzoek naar het Engelse voetbal in de vroege Middeleeuwen doet Magoun aanvankelijk niets. Het blijft na 1919 in de la liggen totdat hij in het voorjaar van 1936 besluit om deel te nemen aan de Olympische Spelen van Berlijn in het onderdeel ‘Literature, Epic Works’. Hij verwerkt zijn onderzoeksresultaten in een verhaal dat hij de titel ‘Annals of British Football’ geeft.
Hij zal er geen medaille mee winnen. Heel eerlijk gezegd is dat niet zo verwonderlijk. In tegenstelling tot het winnende verhaal van de Fin over een atleet die de liefde van zijn leven vindt, treffen we in de inzending van de professor een veelal droge opsomming aan van historische feiten over de ontwikkeling van het voetballen, waarbij de vele bronvermeldingen en annotaties het verhaal ook nog eens niet echt leesbaar maken. En wat ook niet helpt, is dat Magoun veel van de door hem gevonden teksten over het voetballen publiceert in het originele Engels uit die tijd, wat de leesbaarheid van het geheel niet ten goede komt, zie bijvoorbeeld de beginregels van dit gedicht uit omstreeks 1275 over een zekere Sir Hugh dat Magoun in de archieven aantrof.
Een goede redacteur had wellicht zijn kansen kunnen vergroten, want hij weet in zijn schrijven wel een hoop historisch interessante voorbeelden van het vroegere voetballen te geven. Zie hier bijvoorbeeld (vrij vertaald en zonder bronvermeldingen en annotaties) een tiental van zijn bevindingen uit de periode 1180 – 1606.
1180. “Na de lunch trekt de hele stedelijke jeugd naar de velden om een balspel te spelen. De leerlingen van elke school hebben hun eigen bal, en ook de arbeiders uit de verschillende ambachtsgilden hebben hun ballen bij zich. Oudere burgers, vaders en welgestelde inwoners komen te paard kijken hoe de jongeren de strijd met elkaar aangaan en herbeleven zo hun eigen jeugd: men ziet hoe hun hartstocht oplaait terwijl ze toekijken en zich laten meeslepen door het plezier van de zorgeloze jongeren.’ – aldus citeert Magoun een zekere William FitzStephen, een geestelijke die dit ergens opschrijft omstreeks 1180.
1280: “In dit jaar zien we het eerste vermelde dodelijk slachtoffer van het voetballen. Het betreft het trieste lot van een zekere Henry, zoon van William de Ellington, die in 1280 tijdens het voetballen tegen een zekere David le Keu aan botst, die zo onvoorzichtig is om tijdens het voetballen zijn mes te dragen. De arme Henry verwondde zich er dodelijk aan.”
1303: ‘Op maandag 25 maart 1303 wordt Adam of Salisbury, student in Oxford, dood aangetroffen door zijn broer Thomas. Een getuige verklaart onder ede dat Adam met enkele andere studenten in de High Street, in de richting van Eastgate, met een bal had gespeeld, toen hij werd aangevallen en dodelijk verwond door Ierse studenten.’ (De professor kent op dat moment uiteraard het begrip voetbalhooligans nog niet, maar het optreden van de Ieren doet er sterk aan denken.)
1314: ‘Het eerste officiële schrijven verschijnt waarin sprake is van voetballen. Het betreft een proclamatie van de Burgermeester van Londen, waarin hij het voetballen in Londen verbiedt. Koning Edward II is na Schotland afgereisd om zijn vijanden aldaar mores te leren. Hij wil ondertussen ‘geen gedonder thuis’ hebben en omdat onlusten vaak ontstaan op plekken waar veel mensen bij elkaar komen – en het voetballen was een plek waar veel mensen bij elkaar kwamen – wordt het voetballen verboden. Ook vindt de overheid het voetballen ‘unfit for gentlemen’.
“… En vanwege groot kabaal in de stad voortvloeiend uit het hevige tumult veroorzaakt door het voetballen dat gespeeld wordt op de publieke velden, bevelen we en verbieden we, namens de Koning, op straffe van gevangenschap, dat een dergelijk spel zal worden gespeeld binnen de stadsgrenzen.” aldus de burgermeester geciteerd door Magoun.
1321: Magoun vermeldt een schrijven van Paus Johannes XXII uit dit jaar aan een zekere William de Spalding, een kanunnik. Deze geestelijke heeft tijdens het voetballen per ongeluk een tegenstander dodelijk verwond. Het gaat om een soortgelijk ongeluk als het eerder beschreven ongeluk uit 1280. “Een goede vriend van hem, eveneens William geheten liep tegen hem aan en verwondde zich dusdanig aan het mes gedragen door de kanunnik dat hij zes dagen later overleed.” De kanunnik vraagt aan de Paus vergeving en om vrijwaring van zijn daad. Zonder dit vreest hij de reacties van zijn vijanden. De Paus antwoordt dat hij hem vergeeft. Dat ook de geestelijken voetballen bewijst wel de populariteit van het spel, aldus de professor
1388: Magoun: ‘De straf van zes dagen gevangenis voor het betrapt worden op voetballen wordt nog eens verhoogd met een boete van 20 penny’s bovenop deze gevangenisstraf. Maar ook dit helpt niet. Niet alle overheden werken mee aan het verbod. Zo valt in een oud rechtbankverslag uit dezelfde tijd te lezen dat een groep ‘constables’, een soort politieagenten, wordt beboet omdat ze geweigerd hebben om een aantal voetballers te arresteren.”
1440: Magoun vindt een gedicht uit 1440 van een zekere Ocleve met de regel: “Haar lichaam heeft de vorm van een voetbal” (Magoun vraagt zich af of dit wel romantisch bedoeld is.)
1474: Magoun citeert een parlementsverslag d.d. 28 mei 1474, waarin wordt geklaagd dat de hoge prijs van bogen de reden is dat nog maar weinig mensen willen boogschieten en zich liever overgeven aan het verboden voetbalspel.”
1577: De professor vindt een beschrijving uit dit jaar van een spelvorm, waarin voor het eerst het woord ‘goal’ in combinatie met het woord ‘football’ voorkomt. In een ander geschrift wordt een aantal jaren later voor het eerst over een doelman gesproken.
1606: ‘King Lear’ van William Shakespeare verschijnt. In Act 1, Scene 4 maakt Lear iemand uit voor een ‘base football player’. Ook in ‘The Commedy Of Errors’ uit 1593 vermeldt Shakespeare het voetballen ook al even. (Even tussen haakjes, dit zou een mooie pubquiz vraag zijn. In welk twee werken van Shakespeare komt voetballen voor?)
Maar goed, de professor wint met zijn inzending geen medaille. Toch blijft zijn werk niet onopgemerkt. Een Duitse uitgever vindt het interessant en vraagt Magoun of hij het kan uitbreiden, zodat het als boek kan worden uitgegeven. Magoun gaat op het voorstel in en voegt onder andere een verhaal toe over de historie van het jaarlijkse ‘Shrove Tuesday Football’, of te wel de wedstrijd die midden in de carnavalstijd, op dinsdag, de dag voor het vasten op Aswoensdag wordt gespeeld.
Soms betreft dit een wedstrijd van de ene parochie tegen de andere parochie, soms gaat het tussen twee wijken, soms tussen twee dorpen. Ook zijn er wel wedstrijden tussen getrouwde mannen en vrijgezellen – bij een dergelijke wedstrijd is het de gewoonte dat de laatste man die is getrouwd voor de bal moet zorgen – en bij één gelegenheid wordt er een wedstrijd gespeeld tussen de getrouwde en ongetrouwde vrouwen van het dorp. Het zijn in ieder geval wedstrijden tussen twee groepen, waarbij de mensen van elke groep een gemeenschappelijk kenmerk hebben. Er doen altijd veel mensen aan de wedstrijden mee, soms wel honderden.
De wedstrijden vinden soms plaats op een afgezet terrein, maar vaak fungeren de straten van het dorp of de hele stad als het speelterrein. Het eerst opgetekende verslag van een Shrove Tuesday wedstrijd betreft volgens Magoun een wedstrijd gespeeld in Chester in 1533, maar waarschijnlijk werden deze wedstrijden volgens hem al in de twaalfde eeuw gespeeld. Ze vertonen grote gelijkenis met de ‘la soule’ wedstrijden uit Frankrijk uit die periode.
(Een in 2004 uitgevoerd onderzoek in de Koninklijke Engelse archieven onthult dat zelfs koningen meededen aan het Shrove Tuesday voetbal. Er werd een brief uit 1526 aangetroffen, waarin voor koning Henry VIII – de man van zijn zes vrouwen; ‘divorced, beheaded, died; divorced, beheaded, survived’ – een paar schoenen voor het voetballen werd verordend. Ik neem aan dat de tegenstanders zo verstandig waren om het team van de koning te laten winnen.)
Het Shrove Tuesday voetbal krijgt in Engeland echter een ernstige terugval in de negentiende eeuw als er een wet verschijnt die het voetballen op de openbare weg verbiedt. (Vandaag de dag vinden er op Vastenavond nog steeds Shrove Tuesday wedstrijden plaats.)
Ook voegt Magoun in het manuscript nog wat bevindingen uit de achttiende en negentiende eeuw toe. Twee jaar na de Olympische Spelen verschijnt in 1938 ‘History of Football, from the beginnings to 1871’ door Francis Peabody Magoun jr. Het omvat 183 bladzijden.
Een groot verkoopsucces is het boek echter niet en het ligt dan ook jarenlang te verstoffen op de magazijnplanken. Desondanks krijgt het boek in 1966 een heruitgave. (Een exemplaar van deze heruitgave is terug te vinden in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag. Ten behoeve van mijn onvolprezen ‘Een kleine geschiedenis van het voetballen’ – 456 bladzijden; 432 verkochte exemplaren; je wordt niet rijk met boeken over de geschiedenis van het voetballen – heb ik het daar in 2008 ingezien. Ik zal niet verbaasd opkijken als ik de laatste ben die er het boek heeft ingezien.)
In de jaren tachtig verschijnt er opeens een Japanse vertaling van het boek van Magoun en vanaf de jaren negentig met de opkomst van het internet en de toenemende belangstelling voor de historie van het voetballen wordt het werk van Magoun herontdekt en krijgt zijn historisch onderzoekswerk de waardering die het verdient. Vandaag de dag geldt Magoun als de eerste voetbalhistoricus die de geschiedenis van het voetballen wetenschappelijk heeft onderzocht.
Voor wat betreft zijn persoonlijk leven, Magoun trouwt in 1926 en krijgt vier kinderen. De oudste zoon krijgt geheel in familietraditie de naam Francis Peabody Magoun III. Voor wat betreft zijn wetenschappelijk leven, Magoun zal zijn hele leven in dienst blijven van Harvard. Hij publiceert naast zijn voetbalboek ook nog een aantal andere boeken, waarvan de titels overigens niet direct tot lezen uitnodigen, zoals ‘Old-English anthology: translations of Old-English prose and verse’ uit 1950 en ‘Graded Finnish reader’ uit 1957 – Magoun had zich de Finse taal eigen gemaakt en vertaalde onder andere de ‘Kalevala’, een beroemd Fins episch werk, in het Engels. Voor zijn vertaling krijgt hij in 1964 een hoge onderscheiding van de Finse regering, de Orde van de Finse Leeuw. Ook vertaalt hij enkele verhalen van de gebroeders Grimm uit het Duits in het Engels. In 1961 gaat Magoun met pensioen. In 1979 overlijdt hij op 84-jarige leeftijd.
Even terzijde, volgens sommige bronnen heeft de striptekenaar John Hubley de stripfiguur Mr. Magoo op Magoun gebaseerd, maar er is geen bewijs dat Hubley Magoon kende.
Links Magoun op latere leeftijd; rechts Mr. Magoo
Tot slot, nog even terug naar de Olympische Spelen van 1936. Er wordt dat jaar ook gevoetbald. Nederland heeft zich niet ingeschreven. Italië, de wereldkampioen van 1934 en de grootmacht in de jaren dertig, wordt Olympisch kampioen door in de finale Oostenrijk met 2-1 te verslaan. Twee jaar later zullen ze ook hun wereldtitel prolongeren. Duitsland verslaat in de eerste ronde Luxemburg met liefst 9-0, waardoor ze gezien worden als één van de favorieten voor de titel. In de tweede ronde gaan ze echter verrassend met 2-0 onderuit tegen Noorwegen. Op de tribune zitten veel hooggeplaatste Nazi’s waaronder Adolf Hitler, Herman Goering en Joseph Goebbels. Naar verluidt verlaat Hitler kort voor tijd, nadat Noorwegen de verrassende 0-2 scoorde, kwaad de tribune. Hitler is geen voetballiefhebber. De wedstrijd Duitsland – Noorwegen in 1936 schijnt naar verluidt de enige voetbalwedstrijd geweest te zijn die hij ooit heeft bijgewoond.
En helemaal tot slot: het onderdeel ‘Literature, Epic Works’ is in 1949 na een congres van de Olympische Spelen afgevoerd met als motivatie dat de meeste inzenders professionele schrijvers waren en professionals zijn in die jaren niet welkom op de Olympische Spelen.


