20. Al- Kāshī ca 1380 – 1429 / Simon Stevin 1548 – 1620; bedenker, respectievelijk promotor van het systeem van decimale breuken

20a. Al- Kāshī, ca 1380 – 1429; wiskundige en astronoom, geldt als de bedenker van het systeem van decimale breuken.

20b. Simon Stevin, 1548 – 1620; wetenschapper, zorgde voor de wereldwijde verspreiding van het idee van het systeem van decimale breuken.

17 Al kazri postzegel  17 al kazri stevin portretLinks, een Iraanse postzegel uit 1979 met daarop het portret van Al- Kāshī; rechts een afbeelding van Simon Stevin.

De uitdrukking ‘Dit heeft alleen effect achter de komma’ betekent dat iets maar een klein effect heeft. Nu is de Perzische wetenschapper al-Kāshī vooral bekend vanwege zijn ideeën voor ‘achter de komma’, maar dat wil niet zeggen dat deze ideeën niet van groot belang zijn geweest voor de wetenschap. Al-Kāshī is degene die het vaakst wordt betiteld als de bedenker van het systeem om door middel van decimale cijfers achter de komma een breuk weer te geven. Tot dan toe gebruikte men meestal een a/b notatie om een getal kleiner dan 1 aan te geven. Zo schreef men 1/8 in plaats van de decimale weergave 0,125.

(Eén van de redenen om wel een a/b notatie te gebruiken is dat sommige breuken niet 100% decimaal weergegeven kunnen worden. Zo is 1/3 gelijk aan 0,3333333333….. waarbij de 3 eindeloos doorgaat.)

Naast al Kāshī zijn er nog een aantal mensen die ook in verband met het bedenken van het systeem van decimale breuken worden genoemd zoals Abu’l-Hasan al-Uqlidisi. Deze Arabische wiskundige (hij leefde van ± 920 tot ± 980 en woonde vermoedelijk in Damascus ) schreef in 952 een boekwerk, getiteld al-Fusu’l, over het gebruik van de Hindoe-Arabische cijfers. Hierin schreef hij ook iets dat kan worden gezien als het rekenen met decimale breuken. Of hij daadwerkelijk daarmee het rekenen met decimale cijfers ‘achter de komma’ bedoelde, is echter afhankelijk van de manier waarop men een bepaalde tekst uit het boek interpreteert.

Ook de Fransman Immanuel Bonfils wordt wel eens in verband met de decimale breukennotatie genoemd. Hij zou omstreeks 1350 over een dergelijk systeem hebben geschreven. Daarnaast hebben in het verre verleden een aantal Arabische en Chinese wetenschappers  zich mogelijk ook bezig hebben gehouden met decimale breuken, maar dat was nog voor de ‘ontdekking’ van het getal nul en sluit daarom niet goed aan op het huidige systeem van cijfers achter de komma waarin ook de nul in voor kan komen. Meestal wordt daarom al- Kāshī genoemd als de ‘bedenker’ van de decimale breuken.

Echter, in dit verband moeten we het ook hebben over de Vlaams-Nederlandse wiskundige Simon Stevin (1548 – 1620). Hij is namelijk degene die naast al-Kāshī en al-Uqlidisi het vaakst wordt genoemd in verband met het gebruik van decimale breuken. Simon Stevin was namelijk de eerste wetenschapper die een heel boekwerk, getiteld ‘De Thiende’, publiceerde over het gebruik van cijfers achter de komma. Hij deed dit in 1585. Dankzij zijn boek maakten de decimale breuken een opmars door Europa en de rest van de wereld. Geldt al-Kāshī als de bedenker van het rekenen met decimale breuken, Simon Stevin is degene die wereldwijd wordt gezien als de grote promotor van het idee. 

Zou er omstreeks 1600 een Nobelprijs voor wiskunde zijn uitgekeerd voor het idee van de decimale breuken, dan zou hij waarschijnlijk gezamenlijk (0,5-0,5) zijn toegekend aan al-Kāshī en Simon Stevin. Klein detail, er bestaat geen Nobelprijs voor wiskunde. (Er bestaan allerlei theorieën waarom Nobel geen Nobelprijs voor de wiskunde in het leven heeft geroepen. Zo zou Alfred Nobel een hekel aan wiskundigen hebben gehad, omdat zijn vrouw ooit vreemd ging met een wiskundige. Een hinderlijk detail bij deze mooie theorie is echter dat Nobel nooit getrouwd is geweest.)

Als eerste Al- Kāshī:

Al- Kāshī, ca 1380 – 1429; wiskundige en astronoom, geldt als de bedenker van het systeem van decimale breuken.

Al-Kāshī werd omstreeks 1380 geboren in Kashan, een stad gelegen zo’n 200 km ten zuiden van Teheran. Zijn volledige naam luidt: Ġiyāṯ ad-Dīn Ǧamšīd bin Masʿūd bin Muḥammad al Tabib al-Kāšī, kortweg al-Kāshī. Analyseren we zijn naam, dan komen we al heel wat over hem te weten. Ġiyāṯ ad-Dīn betekent ‘behoeftige dienaar van God’ – hij was dus een godsdienstig iemand;  ‘Ǧamšīd’ is zijn voornaam;  ‘Masʿūd’ de naam van zijn vader;  Muḥammad de naam van zijn grootvader’; al Tabib betekent dokter;  en tot slot: al-Kāshī (de naam waaronder wij hem kennen) houdt in dat hij uit de plaats Kashan kwam. Onduidelijk is overigens wie de dokter in de familie was: Al-Kāshī, zijn vader of zijn grootvader, vermoedelijk zal het zijn vader zijn die de dokter was.

Kashan maakte in de veertiende eeuw deel uit van het toenmalige Timoeridische rijk, een rijk gesticht door Timoer Lenk (ook wel bekend als Timoer de Manke – hij had een oude oorlogswond.) Timoer Lenk was een oorlogszuchtig persoon die zo’n beetje zijn hele leven bezig was om met geweld zijn rijk te vergroten. Het was dan ook geen tijd dat de wetenschap kon floreren.

17 alkashi rijk timorHet rijk van Timor Lenk (het lichte gebied) op het moment van zijn overlijden in 1405; Bron Wikipedia; afbeelding gemaakt door ‘Stuntelaar’.

In 1405 stierf Timoer en werd hij opgevolgfd door zijn zoon Shah Rukh. In tegenstelling tot zijn vader was Shah Rukh, en vooral zijn vrouw Gawhar Shad, een Turkse prinses, erg geïnteresseerd in de wereld van de kunst en wetenschap. Dat verbeterde het leven van wetenschappers zoals al-Kāshī aanmerkelijk.

Van de eerste vijfentwintig jaar van het leven van al-Kāshī  – de tijd dat Timoer de Manke regeerde – weten we weinig. Volgens sommige bronnen zou al-Kāshī in armoede zijn opgegroeid en op verschillende plaatsen in (het huidige) Iran hebben gewoond, maar of dat klopt is niet zeker. Vanaf het jaar 1405 weten we echter veel meer over hem, vooral dankzij zijn boeken, die hij zeer nauwkeurig dateerde en waarin hij ook over zijn wonen en werken schreef. Ook zijn er een tweetal brieven uit 1624 van hem aan zijn vader bewaard gebleven. Deze brieven suggereren dat zijn vader niet alleen arts was maar ook een erudiet man, wat doet vermoeden dat al-Kāshī veel van zijn wetenschappelijke basiskennis bij zijn vader heeft opgedaan.

In juni 1406 duikt al-Kāshī voor het eerst op in de geschiedenisboeken. In een geschrift maakt hij melding van een maansverduistering die hij op 2 juni had waargenomen in Kashan. In 1407 verschijnt er van zijn hand een astronomisch werk getiteld Sullam al-samāʾ, dat zoiets betekent als ‘de ladder naar de hemel’ – vijf eeuwen later zou de popgroep Led Zeppelin een beroemde popsong met een soortgelijke titel (Stairway to Heaven) uitbrengen, maar dat staat hier uiteraard geheel los van.

In 1410 verschijnt er wederom een astronomieboek van zijn hand, wat hij opdraagt aan een zekere Kamāl al‐Dīn Maḥmūd, een grootvizier. Wetenschappers zochten in die tijd vaak een beschermheer, dit in de hoop dat deze hen van een inkomen zou voorzien. Achteraf bekeken was de keuze voor deze plaatselijke grootvizier niet zo’n gelukkige keuze, want de grootvizier werd even later geëxecuteerd door iemand die hoger in rang was.

Een astronomisch boek uit 1411 draagt hij op aan Sultan Iskandar, een neef van Shah Rukh. Blijkbaar is  hij ook niet de beste beschermheer,  want zijn volgende boek, Khāqānī Zīj –  een boek uit 1413 met allerlei astronomische tabellen- draagt al-Kāshī op aan Ulūgh Beg, de zoon van Shah Rukh, de hoogste machthebber in het land.

Deze Ulūgh Beg was zelf ook een belangrijk wetenschapper en had veel waardering voor het werk van al-Kāshī. Onduidelijk is echter of hij al-Kāshī al in 1413 financieel gaat ondersteunen, vermoedelijk nog niet.

17 al kashi boek

Een pagina uit Khāqānī Zīj, het boek van al-Kāshī  uir 1413. Het exemplaar bevindt zich in de Astan Quds Razavi bibliotheek in Mashad, de op een na grootste stad van het huidige Iran.

In 1416 brengt al-Kāshī  liefst twee astronomieboeken uit – beide opgedragen aan Ulūgh Beg;  hij heeft zijn definitieve beschermheer gevonden – waarin hij onder andere een aantal astronomische instrumenten beschrijft die hij zelf heeft bedacht, waaronder een equatorium (een hulpmiddel om de positie van planeten aan de hemel te bepalen).

In 1417 begint Ulūgh Beg in Samarkand (een stad in het zuidoosten van het huidige Oezbekistan) met de bouw van een zogeheten ‘madrasah’, een soort universiteit. Het instituut zou uitgroeien tot het centrum van de Islamitische wetenschappelijke wereld. Honderden studenten zouden er in loop van de tijd les krijgen. In 1420 komt het gereed en tot de wetenschappers die Ulūgh Beg uitnodigt om er te gaan werken en er les te gaan geven behoort ook al-Kāshī.

(Vermoedelijk begint de financiële ondersteuning van al-Kāshī door Ulūgh Beg pas in dit jaar, want in een brief uit 1423 aan zijn vader schrijft al-Kāshī: “[…] dat hij te laat is opgemerkt door de regering, en ook dat hij nog niet zo lang geleden is uitgenodigd om in Samarkan te komen werken”.)

In 1424 laat Ulūgh Beg, hij was zelf ook astronoom en deed allerlei onderzoeken, in Samarkand een groot observatorium bouwen om de sterrenhemel te bestuderen.

17 al uleg postzegelEen Russische postzegel uit 1987 met een portret van Ulūgh Beg en een tekening van zijn observatorium.

17 al observatoriumHet observatorium bestaat nog steeds. In 1908 werden de restanten er van terug gevonden en werd het observatorium weer in volle glorie gerestaureerd. Hierbij een foto uit 2001; foto Michel Benoist.

17 al sextantDeel van een grote sextant in het gebouw van 63 meter lang en met een kromtestraal van 40 meter, uitgelijnd op de lokale meridiaan. In de tijd van al-Kāshī  waren de muren met marmer bedekt, foto Wikipedia; Alaexis.

Dankzij de metingen gedaan in het observatorium trok Ulug Bey de conclusie dat de aarde in 365 dagen, 5 uur, 49 minuten en 15 seconden om de zon draaide, dat is slechts een afwijking van 30 seconden van “de moderne waarde” van een tropisch jaar van 365 dagen, 5 uur, 48 minuten en 45 seconden. al-Kāshī was vanaf het begin ook werkzaam in het observatorium en was vermoedelijk zelfs de eerste president van observatorium.

Het jaar 1424 is ook het jaar, waarin het eerste grote wiskundige boek van al-Kāshī verschijnt. In dit werk geeft hij onder andere de waarde van 2π in zestien cijfers nauwkeurig achter de komma aan. Zijn (correcte) uitkomst luidde: 2π= 6.2831853071795865. Bij zijn berekening gebruikte hij overigens geen decimaal stelsel maar een zestigtallig stelsel.

Voor wie zich  afvraagt waarom al-Kāshī er voor koos om de waarde van 2π  te berekenen en niet die van π, dat heeft te maken met de omtrek van een cirkel. Die is gelijk aan 2πr, waarbij r de straal van de cirkel is.  Die zestien cijfers nauwkeurigheid van al-Kāsh was een aanmerkelijke verbetering van het oude ‘wereldrecord’ van zes cijfers nauwkeurigheid voor π.

(Even tussen haakjes, het zou tot 1596 duren voordat Ludolph van Ceulen, een Duits-Nederlandse wiskundige, dit aantal van 16 cijfers zou uitbreiden tot 32 stuks. Bij zijn dood in 1610 liet de vrouw van Van Ceulen op zijn grafsteen het getal π zelfs in 35 decimalen beitelen, wat wel wordt gezien als de eerste wetenschappelijke publicatie op een grafsteen.)

19 az grafsteen pi

(Omstreeks 1800 ging de oorspronkelijke grafsteen van Van Ceulen verloren, maar in juli 2000 onthulde Prins Willem-Alexander op een pilaar in de Pieterskerk in Leiden bovenstaande nieuwe gedenksteen waarop in een cirkel alle 35 cijfers van Van Ceulen te zien zijn. foto: A.L. Boon)

In 1427 verschijnt al-Kāshī beroemdste werk, getiteld Miftāḥ al-ḥisāb, dat ‘de sleutel van de rekenkunde’ betekent. Het is een leerboek voor zijn studenten waarin allerlei problemen aan de orde kwamen op het gebied van wiskunde, astronomie, bouwkunde en architectuur. Het is ook dit boek, waarin al-Kāshī melding maakt van de decimale breuken (en de reden waarom hij samen met Simon Stevin postuum de Nobelprijs voor de Wiskunde krijgt).

Eén van de hoofdstukken in het boek heet: ’Over het rekenen met delen’. al-Kāshī beschrijft hierin hoe je met decimale breuken moet rekenen. Hij hanteert in dit boek een tientallig stelsel. (Dit in tegenstelling tot zijn astronomieboeken waarin hij veelal een zestigtallig stelsel hanteerde.)

17 al pagina boek decimale fracties

Een ‘herdrukte pagina’ uit Miftāḥ al-Ḥisab, in een bewerking door Nuh Aydin en Lakhdar Hammoudi; uitgeverij Springer

In 1429 verschijnt zijn laatste wiskundige boek. Hierin berekent hij onder andere de sinus van een hoek van één graad. Zijn oplossing sinus (1°) = 0.0174524064372835103712 is tot op 17 cijfers achter de komma nauwkeurig; pas bij het achttiende cijfer gaat het mis.

Datzelfde jaar, op 22 juni 1429 om precies te zijn, wordt hij vlakbij het observatorium in Samarkand vermoord. Sommige bronnen zeggen dat dit in opdracht was van Ulūgh Beg, nota bene zijn  beschermheer. Dit omdat hij weigert voor een rechtbank te verschijnen nadat hij kritiek geuit zou hebben op een aantal geestelijken. Maar zeker is dit niet en gezien het eerbetoon dat Ulūgh Beg hem na zijn dood brengt, kan je twijfels hebben of Ulūgh Beg bij zijn dood betrokken was.

“…Een opmerkelijke wetenschapper, een van de beroemdste ter wereld, die de wetenschap van de oudheid perfect beheerste, die heeft bijgedragen aan de ontwikkeling ervan, en die de moeilijkste problemen kon oplossen.” aldus Ulūgh Beg na de dood van al-Kāshī. Dit kan natuurlijk ook een gevalletje zijn ‘van de doden niets dan goeds’.

Ulūgh Beg zou overigens ook geen natuurlijke dood sterven. In 1449 werd hij tijdens een pelgrimstocht naar Mekka vermoord, waarschijnlijk in opdracht van zijn oudste zoon.

Er bestaan geen originele exemplaren meer van de uitgaven van de Miftāḥ al-ḥisāb uit 1427. Wel is er een latere druk, waarvan een exemplaar in 1558 in Leiden opduikt. Wellicht is dit het exemplaar onder ogen gekomen van Simon Stevin en heeft hij hieruit zijn ideeën voor de Thienden gehaald. Het kan ook zijn dat Simon Stevin het boek niet kende en het idee van decimale breuken geheel zelfstandig opnieuw heeft bedacht.

Nu dus Simin Stevin.

Simon Stevin, 1548 – 1620; wetenschapper, zorgde voor de wereldwijde verspreiding van het idee van het systeem van decimale breuken.

Simon Stevin wordt in 1548 in Brugge geboren. Hij noemt zich zelf Simon Stevin van Brugghe. Hij is het buitenechtelijke kind van Antheunis Stevin en Catalyne van der Poort. Beiden behoren tot de betere kringen in Brugge.  Zijn moeder voedt hem aanvankelijk alleen op. Later trouwt ze met de (latere) burgemeester van Brugge. Ze zullen vermoedelijk voor een goede scholing voor Simon gezorgd hebben, maar waar is niet bekend.

Over de eerste dertig levensjaren van hem is sowieso niet veel bekend. Hij was in ieder geval in Brugge en Antwerpen een tijd lang werkzaam als kassier, klerk en boekhouder, niet echt opwindende beroepen. Ook onderneemt hij enkele reizen door Europa en verdiept zich in die periode (vermoedelijk) in de wetenschap. In 1581 verhuist Simon Stevin – hij is dan 33 jaar oud – naar de noordelijke Nederlanden. Hij gaat naar Leiden, waar hij gaat studeren en werken aan de door Willem van Oranje in 1575 gestichte Universiteit van Leiden.

In 1581 en in 1582 publiceert hij daar zijn eerste wetenschappelijke werken, ‘Nieuwe Inventie van Rekeninghe van Compaignie’ (Delft, 1581) en ‘Tafelen van Interest’ (Antwerpen, 1582). Het zijn boeken over geldbeheer, handelsrekenen en interesttafels. In 1583 publiceert hij in Leiden zijn eerste wiskundige boek: ‘Problemata geometrica‘ geheten.

Het zou beslist niet zijn laatste boek zijn. Hij is een universele wetenschapper die op talrijke gebieden van de wetenschap actief is. Zo publiceert hij boeken over de wiskunde, natuurkunde, hydraulica, astronomie, taal en de vestingbouw, met boektitels als ‘Wisconstighe Ghedachtenissen’, ‘De Beghinselen der Weeghconst, ’De Beghinselen des Waterwichts’, ‘De Hemelloop’ en ‘De Stercktenbouwing’. Voor de maritieme wereld was zijn boek ‘De Havenvinding’ over plaatsbepaling op zee van belang.

In 1585 publiceert hij zijn beroemdste boek ‘De Thiende’  – het was een pamflet van slechts 35 bladzijden – waarin hij het rekenen met decimale cijfers achter de komma beschrijft – “sonder ghebrokenen” zoals hij de breuken noemde.

17 Al kazri boek simon stevin

Het kaft van het boek van Simon Stevin

17 al k simon stevin boek

Een pagina uit het boek, waarin Stevin laat zien hoe je met decimale getallen kan rekenen.

Stevin maakte niet gebruik van een komma om aan te geven waar de decimale breuk begon, maar in plaats daarvan laat hij alle getallen volgen door een cijfer in een cirkeltje, dat aangeeft door hoeveel veelvouden van tien het getal gedeeld moet worden. Als er een 1 in een cirkeltje achter een cijfer X staat, dan betekent dit dat getal X door tien moet worden gedeeld (in de huidige notatie is dit cijfer X het eerste cijfer achter de komma), een 2 in een kringetje houdt in delen door 10*10. Getallen met een 0 in een cirkeltje achter de cijfers zijn de gehele getallen ‘voor de komma’.

Neem bijvoorbeeld het getal 184,5429. Dat schrijft Stevin als volgt: 184 gevolgd door een 0 in een cirkel (de gehele getallen voor de komma dus); dan een 5 gevolgd door een 1 in de cirkel, daarna een 4 met een 2 in de cirkel, vervolgens een 2 met daarachter het getal 3 in de cirkel en tot slot een 9 met een 4 in de cirkel. (Bent u er nog?) In de notatie van Simon Stevin ziet het getal 184,5429 er dan als volgt uit.

17 al kazri stevin cijfers 2

Niet echt een gemakkelijk schrijfwijze. In zijn boek laat Stevin ook zien hoe je met de ‘thiendes’ kan rekenen. Stevin schrijft het boek niet als een theoretisch leerwerk voor collega-wetenschappers, maar vooral om aan het ‘gewone volk’ uit te leggen wat voor een voordelen een decimaal breukstelsel heeft. Wat hem betreft wordt  een systeem met decimale breuken dan ook overal toegepast, hetgeen ook wel blijkt uit de groet die hij voorin in zijn boek plaatste: “Den Sterrekyckers, Landtmeters, Tapijtmeters, Wijnmeters, Lichaemmeters int ghemeene, Muntmeesters, ende allen Cooplieden, wenscht Simon Stevin Gheluck.”

Waar Stevin het idee van de ‘Thiendes’ vandaan heeft gehaald is niet bekend. Wellicht kende hij werk van al-Kāshī. Het kan ook zijn dat hij het idee “opnieuw uitvond”. In het verleden gebeurde het wel vaker dat een bepaalde ontdekking in de loop van de tijd verloren ging en opnieuw werd ‘uitgevonden’. Het boek van Stevin is in ieder geval een groot succes. Het wordt in meerdere talen vertaald en het is vooral aan zijn boek te danken dat het rekenen met decimale breuken een opmars door Europa maakt en later ook in Amerika populair wordt.

Wel wordt zijn notatiewijze met cijfers in cirkeltjes spoedig losgelaten en gaat men over naar een systeem met een decimale komma dan wel een decimale punt om aan te geven waar “de cijfers achter de komma” beginnen. Eén van de eersten die dit deed, is de Schot John Napier, de “uitvinder” van de logaritme.

Een voorbeeld van de invloed van het boek van Stevin is in 1792 te zien. In dat jaar introduceert Thomas Jefferson de dollar in Amerika. Jefferson besluit om in tegenstelling tot het Engelse geldstelsel uit te gaan van een decimaal monetair stelsel. (Een dollar is op te delen in 10 dimes en 100 dollarcenten.) Hij heeft in 1780 het boek van Simon Stevin gelezen. In zijn verdediging van zijn voorstel om de dollar decimaal op te splitsen, verwijst hij dan ook naar ‘Disme, The Art of Tenths or Decimal Arithmetic. Invented by Simon Stevin”’ (zo luidt de door Robert Norton in 1608 vertaalde Engelse uitgave van het boek van Stevin.)

17 Al kazri dollarEen dime (een 10 centstuk) uit 1792; rechts de achterkant van de munt met daarop het woord ‘disme’; (disme is van oorsprong een Frans woord en betekent een tiende). Later verandert het woord ‘disme’ in ‘dime’. foto: National Numismatic Collection, National Museum of American History.

Naast ‘De Thiende’ is ook een ander boek van Stevin vandaag de dag nog steeds bekend is. Het betreft hier ‘De Beghinselen der Weeghconst’. Het verschijnt in 1586, een jaar na ‘De Thiende’.

17 al boek stevin weegkunst

In dit boek toont hij niet alleen aan dat een perpetuum mobile (een ‘zelfbeweger’ zoals Stevin een dergelijke apparaat noemt) niet kan bestaan, maar ook beschrijft hij in het boek een experiment, waarmee hij aantoont dat Artistoteles ongelijk had, toen deze stelde dat voorwerpen met een verschillend gewicht een verschillende valsnelheid zouden hebben.

Daartoe laat  hij samen met zijn vriend Jan Cornets de Groot, de latere burgemeester van Delft (en vooral bekend geworden als de vader van Hugo de Groot) twee loden bollen (“twee loyen clooten”) van verschillend gewicht van de Nieuwe Kerk in Delft vallen om zo te bewijzen dat zware en lichte voorwerpen even snel zullen vallen en tegelijkertijd de grond zullen raken. In het boek beschrijft hij deze proef in oud-Nederlands als volgt:

Laet nemen (soo den hoochgheleerden H. IAN CORNETS DE GROOT vlietichste ondersoucker der Naturens verborghentheden, ende ick ghedaen hebben) twee loyen clooten, d’een thienmael grooter en swaerder als d’ander, die laet t’samen vallen van 30 voeten hooch, op een bart oft yet daer sy merckelick gheluyt tegen gheven, ende sal blijcken, dat de lichste gheen thienmael langher op wech en blijft dan de swaerste, maer datse t’samen so ghelijck opt bart vallen, dat haer beyde gheluyden een selve clop schijnt te wesen. S’ghelijcx bevint hem daetlick oock also, met twee evegroote lichamen in thienvoudighe reden der swaerheyt, daerom Aristoteles voornomde everedenheyt is onrecht.”

Deze proef wordt door sommige historici ook toegeschreven aan Galilei, die hem jaren later vanaf de Toren van Pisa zou hebben uitgevoerd. (Galilei vermeldt deze proef overigens zelf niet in zijn geschriften). In elk geval zijn Stevin en De Groot de eersten die een dergelijke experiment doen.

Zoals boven te lezen valt, schrijft Stevin in tegenstelling tot veel van zijn tijdgenoten zijn boeken in het Nederlands. Hij vindt het Nederlands met zijn vele korte woorden, die allerlei mogelijkheden boden om samenstellingen te maken, bij uitstek een geschikte taal om wetenschappelijke zaken te beschrijven. Bovendien vindt hij het belangrijk dat het gewone volk, dat geen Latijn (de taal van de wetenschap) kent ook kennis kan nemen van wetenschappelijke werken. Of zoals hij het zelf zegt: “Ommedat al de werelt gheen latijn can.” Onder het devies ‘een wonder is gheen wonder’ probeert hij voor leken op het oog onverklaarbare natuurfenomenen te verklaren.

Simon Stevin introduceert in zijn boeken ook allerlei door hem zelf bedachte nieuwe technisch-wetenschappelijke Nederlandse woorden. Zo hebben we aan hem onder andere de woorden wiskunde, scheikunde, vlak, evenaar, evenwijdig, loodrecht, vierkantswortel, middelpunt en raaklijn te danken.

Naast de valproef vanaf de kerk in Delft werkt Stevin ook op andere gebieden samen met Jan Cornets de Groot. Zo werken ze in opdracht van de stad Delft samen aan de ontwikkeling en verbetering van een systeem van watermolens dat niet alleen het water uit de polders rondom Delft moet reguleren, maar dat ook de waterverplaatsingen ten behoeve van de Delftse brouwerijen moet bevorderden. Van Stevin is het idee om een aantal molens op korte afstand van elkaar te zetten, een zogenaamde molengang, waardoor het mogelijk is om het water verder omhoog weg te kunnen pompen.

17 al molens leidschendamDrie molens op een rijtje in Leidschendam, oorspronkelijk aangelegd in 1672.

Ook bedenkt hij voor allerlei havensteden systemen om het verzanden van de havens te voorkomen. Behalve het baggeren maakt hij hierbij gebruikt van een speciaal systeem van sluizen waardoor het water snel weg kan stromen, waarbij het wegstromende water dan het zand mee neemt. Hij schrijft hierover in zijn boek ‘Nieuwe Maniere van Sterctebou, door Spilsluysen’ (1617).

In de vaderlandse geschiedenisboeken komen we de naam Simon Stevin ook tegen. Hij is raadsman en leermeester van Prins Maurits. In 1593 treedt hij als adviseur in dienst bij de prins. Hij onderwijst hem niet alleen in de wiskunde maar is als ‘vernufteling’ – tegenwoordig zouden we ingenieur zeggen – ook betrokken bij de vestingbouw van Nederlandse steden. Zijn officiële titel luidt ‘kwartiermeester-generaal van het Staatse Leger’. Het is Stevin die ideeën over vestingbouw, afkomstig uit Italië, onder de ogen van de prins brengt in zijn strijd tegen de Spanjaarden. Ook richt Stevin op verzoek van Prins Maurits aan de Universiteit van Leiden een ingenieursopleiding op, waar –  en dat is vrij bijzonder – de lessen in het Nederlands (het toenmalige Nederduyts) worden gegeven.

Opmerkelijk genoeg is echter datgene waar de meeste mensen Simon Stevin nog van kennen niet zijn boek over ‘de Thienden’ of één van zijn andere wetenschappelijke werken, maar van een door hem gebouwde grote zeilwagen. Het idee van een zeilwagen was niet nieuw. Ze bestonden al ten tijde van de Egyptische farao Amenemhat III – deze leefde zo’n 2000 jaar voor Christus. Maar het is Simon Stevin die als eerste in Europa een groot exemplaar bouwt. Hij doet dit in 1602 voor Prins Maurits.

Het is een grote wagen met plaats voor zo’n dertig mensen. In februari 1602 maakte de wagen onder grote belangstelling zijn eerste rit en wel over het strand van Scheveningen naar Petten. Over deze afstand van zo’n 80 km zou de wagen slechts twee uur hebben gedaan, wat zou inhouden dat hij met een gemiddelde snelheid van 40 km per uur over het strand zou hebben gereden. Hugo de Groot schrijft in 1603 een gedicht over deze tocht.

17 Al kazri zeilboot stevin

Volgen de overlevering zit Prins Maurits achter het stuur en stuurt hij de wagen om zijn gasten even wat schrik aan te jagen kortstondig de zee in. “Eenmaal, tot kortswijl en om den Heeren een pots te doen, stierde sijn Excellentie de Wagen in Zee, waerover vele sich dapper ontzetteden; maar subijt het roer gewent zijnde, quam de Wagen weer op strandt en vloot sijn oude koers.” aldus een ooggetuigenverslag uit die tijd (zoals geciteerd door E. Dijksterhuis in diens boek over Simon Stevin uit 1943)

De wagen blijft nog bijna 200 jaar in gebruik bij de Oranjes, maar na de Franse bezetting in 1795 wordt de wagen geveild. Een Scheveningse visser koopt de wagen, maar als de schuur waarin de zeilwagen staat in 1811 in elkaar stort, waarbij de wagen zwaar beschadigd raakt, sloopt de visser de wagen.

In 1612 verhuist Simon Stevin van Delft naar Den Haag en laat er een huis bouwen aan de Raamstraat 47. Hier woont hij (ongetrouwd) samen met een zekere Catherina Craij. In 1616 – ze hebben dan al drie kinderen – trouwen ze alsnog. Een jaar later zal er nog een vierde kind volgen. In 1620 overlijdt Simon Stevin, de man die er voor zorgde dat het idee van decimale breuken wereldwijd bekend raakte, op 70-jarige leeftijd in Den Haag.

Rond 1960 ontwierp Philips een computer die ze STEVIN noemden. De afkorting stond voor “Snel Tel En Vermenigvuldig INstrument”.

 

 

 

 

 

 

 

 

My WordPress Blog