Category Archives: natuur

Vulkanen in Nederland

Als u in een quiz de vraag krijgt voorgelegd: “Wat is de hoogste vulkaan van Nederland?” dan zult u misschien denken: ‘Huh? De hoogste vulkaan van Nederland?” Maar hoewel de vraag als strikvraag gezien kan worden, is het wel een echte vraag. Nederland telt namelijk twee grote slapende vulkanen, waarvan ‘Mount Scenery’ gelegen op Saba met 887 meter de hoogste is.

00000-vulkaanMount Scenery op Saba; foto Richie Diesterheft; Flickr

De andere vulkaan is ‘The Quill’ – een verbastering van het Nederlandse woord de kuil, een vulkaan gelegen op het eiland Sint Eustatius. Deze vulkaan is 601 meter hoog.

00000-the-quillThe Quill op Sint Eustatius; (foto Walter Hellebrand ; nl.wikipedia)

Waarschijnlijk had u er even niet aan gedacht dat Nederland er in oktober 2010 drie nieuwe gemeentes bij kreeg. De bovenwindse eilanden Saba en Sint Eustatius kregen dat jaar, samen met het benedenwindse eiland Bonaire, een nieuwe status als openbaar lichaam (een soort bijzondere gemeente) van Nederland.

Mount Scenery en The Quill zijn geen dode vulkanen. Saba en Sint Estatius maken deel uit van de Kleine Antillen, een eilandengroep in het Caribisch gebied dat ontstaan is als gevolg van vulkanische activiteit. Dat de vulkanen op deze eilanden geen dode vulkanen zijn bewees de Soufrière, een actieve vulkaan op het zuidelijke gedeelte van het niet zo ver van Saba en Sint Eustatius gelegen eiland Montserrat.

0000-eilanden

De Soufrière barstte in 1995 uit, evenals in 1997 (19 doden) en nogmaals in 2009.

00000-vulkaan-monseraat

NASA foto van de uitbarsting van de Soufrière in 2009 (Image courtesy of the Earth Science and Remote Sensing Unit, NASA Johnson Space Center).

De laatste uitbarsting van de Mount Scenery op Saba vond plaats rond 1640. Op de geologische tijdschaal geldt dit als een recente uitbarsting. De laatste keer dat The Quill uitbarstte was wat langer geleden, ergens tussen het jaar 100 en 400 na Christus. Daarmee geldt deze vulkaan echter niet als een dode vulkaan. Zo heeft het grondwater in de buurt van de vulkaan een aanzienlijk hogere temperatuur dan elders, wat wijst op de nabije aanwezigheid van magma. Zowel Mount Scenery als The Quill staan daarom te boek als een slapende vulkaan en niet als een dode vulkaan. Er moet dan ook rekening mee worden gehouden dat ze in principe op elk moment zouden kunnen uitbarsten – dat kan, dit ter geruststelling, ook echter pas over honderdduizend jaar of nooit  zijn.

Dat de vulkanen potentieel gevaarlijk kunnen zijn, was overigens al in 1981 bij de autoriteiten van de Antillen bekend, maar een rapport daarover van een aantal vulkanologen verdween volgens een groot artikel in Trouw van 12 juli 1997 met het stempel ‘geheim’ in een bureaula: “Volgens woordvoerder R. Martina die de Nederlandse Antillen in Den Haag vertegenwoordigt, hebben de autoriteiten destijds geoordeeld dat er geen reden was voor een publicatie omdat het rapport tot paniek zou kunnen leiden. […] De bevolking is er daarom al die tijd ten onrechte van uitgegaan dat de vulkanen dood zijn en heeft zich op geen enkele wijze op een eventuele evacuatie voorbereid.”

In ieder geval worden vandaag de dag beide vulkanen nauwlettend door seismometers van het KNMI in de gaten gehouden. Ook wordt gekeken naar de temperatuur van het grondwater en die van de warmwaterbronnen die zich op Saba bevinden: Tussen 1995 en 1997 steeg de temperatuur in die bronnen met ongeveer 10 graden, daarna daalde deze echter weer.

Tot slot, weet u dat er ook in Nederland (het Europese deel)  sporen van een vulkaan te vinden zijn en wel in de Waddenzee? Het betreft hier de Zuidwalvulkaan. Van de Wikipedia: “De Zuidwalvulkaan (Fries: Súdwâlfulkaan), is een dode vulkaan in Nederland die zich op ruim 2 km onder het aardoppervlak bevindt, onder de Waddenzee tussen Harlingen en Vlieland, meer precies iets ten zuidwesten van de zandplaat Griend. De vulkaan is niet meer actief sinds de late Jura (ca. 160-145 miljoen jaar geleden) […].De vulkaan had een hoogte van ongeveer 1 km en was gedurende zo’n 12 miljoen jaar actief. De erupties van de vulkaan waren hevig en kortstondig met veel explosies.” Wie hier meer over wil lezen, kan hier terecht.

Helemaal tot slot: toen Indonesië als Nederlands Indië zijnde nog deel uitmaakte van het Koninkrijk der Nederlanden telde het koninkrijk meer dan 400 vulkanen waarvan zo’n 170 actieve. Denk bijvoorbeeld maar eens aan de beroemde grote uitbarsting van de Krakatau in 1883. Overigens als u niet wist dat Nederland slapende vulkanen kent, u bent niet de enige die problemen heeft met de  vraag waar vulkanen liggen. In 1969 maakte Hollywood een speelfilm over de uitbarsting van de Krakatau. De film kreeg de titel: ‘Krakatoa, East of Java’ . De vulkaan ligt toch echt ten noordwesten van Java, in de zeestraat Soenda tussen Java en Sumatra.

Gevoelstemperaturen

Ik liep vanochtend vroeg buiten in mijn pyjama naar de brievenbus – probeert u zich dat beeld vooral niet te visualiseren – om de krant te pakken. Het was niet alleen koud, het voelde ook nog eens extra koud aan. Dat kwam door de gevoelstemperatuur. Was de werkelijke temperatuur op dat moment plus 4 graden, door de harde wind lag de gevoelstemperatuur volgens de weerman van Radio West op min 1 graad.

Gevoelstemperatuur, ook wel ‘windchill’ genoemd, is het verschijnsel dat ontstaat doordat het in de wind een stuk kouder aanvoelt dan uit de wind. Doordat de wind als het ware een laagje warme lucht op je huid weg blaast, ervaart de mens meer warmteverlies. Dit wordt uitgedrukt in de gevoelswaarde van de temperatuur. De gevoelswaarde kan je uiteraard niet exact meten. Je kan geen thermometer in je gevoel stoppen. Wel heeft men onder meer op grond van experimenten formules bedacht om de gevoels-temperatuur bij verschillende windkrachten en temperaturen te ‘berekenen’.  Zo is er een methode die zich baseert op de hoeveelheid kleding die nodig is om mensen bij een bepaalde windkracht te beschermen tegen de kou.

De KNMI hanteert een wat meer wetenschappelijke methode (de ‘Joint Action Group on Weather Indices’) die zich baseert op het warmtetransport van het lichaam naar de huid. Op de site van de KNMI staat de volgende tabel vermeld.

tabelIn de blauwe linkerkolommen staat de windsnelheid en de windkracht aangegeven. In de horizontale blauwe rij de echte temperatuur. De cijfers in het witte en oranje vak zijn de gevoelstemperaturen bij een bepaalde combinatie van wind en werkelijke temperatuur.

‘De vermelde gevoelstemperatuur geldt voor een gezond, volwassen en wandelend persoon van gemiddelde lengte. De gevoels-temperatuur wordt berekend uit een combinatie van de luchttemperatuur en de gemiddelde windsnelheid. De zon speelt geen rol in de berekeningsmethode. Maar bij zonnig weer voelt het minder koud aan dan de berekende gevoelstemperatuur doet vermoeden. Ook wanneer je met de wind in de rug wandelt, voelt het minder koud aan. Bij een gevoelstemperatuur onder min 10 graden kunnen na enkele uren verschijnselen van onderkoeling optreden. Gevoelstemperaturen onder de min 15 graden kunnen na een uur koudeletsel opleveren. Een temperatuur onder de min 20 graden geeft na een half uur, ook bij goed afdichtende winterkleding, al een kleine kans op bevriezingsverschijnselen’, aldus de KNMI.

Gemiddeld is er in Nederland volgens het KNMI om het jaar een dag met een gevoelstemperatuur van onder de min 20 graden:

“Extreme doordringende kou met in De Bilt gedurende minstens een uur gevoelstemperaturen onder de -25 graden komt eens in de 33 jaar voor. Dit is gebaseerd op een halve eeuw gegevens. Eens in de twee jaar zakt de gevoelstemperatuur onder de -20 graden. Gemiddeld telt een jaar drie dagen met gevoelstemperaturen onder de -15 graden. Op tien dagen per jaar komt de gevoelstemperatuur onder -10 graden. Een hele dag onder -10 graden met een laagste gevoelstemperatuur onder -20 graden komt eens in de drie jaar voor.”

Wat ik me opeens afvroeg, was of ook planten een gevoels-temperatuur kennen. Of wel, moet je bij flinke wind planten die niet goed tegen vorst kunnen binnen zetten, ook al is de temperatuur nog een paar graden boven nul? De site van de KNMI geeft hierover geen uitsluitsel. Dieren – hoe weten ze dat – en dingen kennen volgens de site van de KNMI geen gevoelstemperatuur.

“Het begrip gevoelstemperatuur is niet van toepassing op levenloze objecten zoals machines, gewassen, het antivries in de auto of kwik. […] Het geldt ook niet voor dieren. Wel heeft de wind invloed op de snelheid waarmee afkoeling optreedt. Daarom bevriezen waterleidingen en verwarmingselementen sneller als het bij vorst ook hard waait.”

Maar over planten vermeldt de site niets. Uit ervaring weet ik dat planten en bomen reageren op dalende lage temperaturen. Zoals elders op de site te lezen valt, ben ik een expert op het gebied van de sequoia gigantea. Toen ik dat echter nog niet was – en voor het eerst een jonge sequoiaboom had opgekweekt – zag ik in de eerste beste winter dat het jonge boompje opeens zijn takken liet zakken. Help, dat gaat niet goed, dacht ik.

sequoiaBoompje met de takken omhoog en met takken omlaag.

Enig onderzoek op internet, en een mailtje van Joe Welker, een professionele sequoiaboomkweker uit Amerika, leerde mij dat ze dit deden omdat de bomen – hun natuurlijke habitat is de Sierra Nevada in Amerika – bij lage temperatuur veel sneeuw verwachten. Om te voorkomen dat de omhoog staande takken onder het gewicht van sneeuw breken, laten ze daarom hun takken hangen, waardoor de sneeuw er van af kan glijden.

Het zijn dus slimme boompjes met gevoel voor temperatuur.

p.s. Buitenradar heeft een site waar je de gevoelstemperatuur op elke plek in Nederland kan zien.

Opmerkelijke koeien (rectificatie)

Omdat ik het dinsdag zelf te druk had met de Amerikaanse verkiezingen vroeg ik aan een stagiair of hij even een foto  van enkele opmerkelijke koeien wou plaatsten. Helaas is daarbij iets mis gegaan. De volgende foto verscheen op de site;

koeien

Niet alleen is dit slechts een deel van de foto, maar ook is hij nog eens ondersteboven afgebeeld. De juiste foto had deze moeten zijn:

koeien-2

Excuses voor het ongemak. De stagiair snapt zelf ook niet hoe het heeft kunnen gebeuren.

Zonnebloem met wesp

Uit de serie ‘Natuur’: de zonnebloem (zelf gekweekt) met wesp (niet-zelf gekweekt)

wesp

Kleine zonnebloem of grote wesp?

(Of is het  beest dat hinderlijk in de weg zat bij de foto soms een bij?)

Tiengemeten

Tiengemeten – niet te verwarren met het niet-bestaande Tiengemeenten; hoe kan je nu iets verwarren met iets niet-bestaands?; ja dat kan, althans ik kan dat –  Tiengemeten dus, is een eiland dat ooit als zandplaat is ontstaan in de Haringvliet. Het is alleen per pont bereikbaar. In 2004 zag het eiland er zo uit:

000000-eilandFoto afkomstig uit de Wikipedia; fotograaf Debot.

Er stonden een aantal boerderijen op het eiland en de grond was in gebruik als landbouwgrond. De Vereniging tot behoud van Natuurmonumenten heeft het eiland echter gekocht en tegenwoordig is het weer een natuurgebied. Van de site van Natuurmonumenten:

In 2006 is Tiengemeten omgevormd van landbouwgrond naar natuur. Aan de zuidkant is een gat in de dijk gegraven; een groot deel van het eiland staat nu dagelijks onder invloed van de rivier. Verderop staat het water stil en ontstaat een uitgestrekt moeras. In de oudste polder van het eiland herstelt Natuurmonumenten het oude cultuurlandschap.”

Het eiland ziet er nu dan ook heel anders uit.

000000-eiland-1

000000-eiland-5

000000-eiland-4

000000-eiland-0

000000-eiland-2

Je kan er leuk wandelen (wat wij vorige week dan ook gedaan hebben). In één van de oude boerderijen zit tegenwoordig een winkel, maar gezien de borden ‘Privébezit’, ‘Verboden toegang’ ‘Pas op Prikkeldraad’ en ‘Winkel Dicht’ verwacht ik niet dat ze veel verkopen.

000000-eiland-3

De reden dat ik hier over het eiland schrijf is de naam: Tiengemeten. Een ‘gemet’ is een oude oppervlaktemaat waar ik  nog nooit van gehoord had. Ik heb het even opgezocht. Een gemet is ongeveer 4000 m2 groot. Nu is het eiland tegenwoordig ongeveer zeven km lang en twee km breed, dus de naam klopt niet echt meer.

Met een gemet werd vroeger de oppervlakte van het zaailand aangegeven dat een koppel paarden kon omploegen tussen zonsopkomst en zonsondergang. Nu is het zo dat het ene paard het andere paard niet is en dat de ene grond de andere grond niet is, dus de afmetingen van een gemet variëren nogal van plaats tot plaats. Zo is het gemet van het Graafschap Aalst 3074 m2 groot en dat van Putten 4945 m2 (sterke paarden in Putten!)

Je hebt wel meer van die oude maten gebaseerd op de tijd die nodig was om een bepaalde handeling uit te voeren. Zo heb je ‘de morgen’ – de grootte van een gebied dat in een ochtend kon worden geploegd; ongeveer één hectare – en ‘de gras’ – de hoeveelheid gras die nodig was voor een koe; ongeveer een halve hectare.

Ook in de schrijverswereld heb je zoiets: ‘de Martin’. Dat is de hoeveelheid nutteloze informatie die je in één uur in een blogpost kan schrijven.

 

Je biezen pakken voordat je de pijp uitgaat

Afgelopen dinsdag bezochten wij de Biesbosch. Deze is ontstaan na de St. Elisabethsvloed van 1421. Al bijna 600 jaar oud dus en gedurende al die tijd was ik er nog nooit geweest. Wel door de woestijn van Death Valley in Amerika gelopen maar nog nooit de Biesbosch bekeken. Dat kan natuurlijk niet. Dus op naar de Biesbosch. We bekeken als eerste het museum op het Biesbosch Museumeiland in Werkendam.

00000-biesboschDe Biesbosch; linksboven Dordrecht; rechtsboven Werkendam; het sterretje geeft de plek aan waar het museum staat. Kaartje afkomstig van de Wikipedia; Samengesteld door Jan-Willem van Aalst.

00000-biesbosch-0 00000-biesbosch-05 Het Biesbosch-museum; de ingang en het dak.

Na het bezoek aan het museum maakten we een ‘fluistertocht’ aan boord van een elektrisch aangedreven rondvaartboot door een deel van het gebied. “Door de geringe diepgang kunnen de boten onder meer door de sloot van Beneden Petrus, een kreek waar andere rondvaartboten niet kunnen komen. Het grote voordeel is dat de boten geruisloos door het water varen, waardoor u naast een prachtig uitzicht ook de geluiden van De Biesbosch ervaart. Beide boten varen op milieuvriendelijke groene stroom.”

00000-biesbosch-25  00000-biesbosch-2

Het water stond zo laag dat de kapitein adviseerde dat mocht je overboord vallen, je dan niet “Help!” moest gaan roepen, maar dat je dan moest gaan staan.

00000-biesbosch-1

00000-biesbosch-15

Na het museum en de rondvaartocht hebben we nog wat rondgelopen in de omgeving. Daar zagen we ook een eendenkooi met aan het einde van de kooi ‘de pijp’.

00000-biesbosch-3De kooi

Uit de Wikipedia: “Een eendenkooi (soms kortweg kooi genoemd) is van oorsprong een plek waar diverse soorten in het wild levende eenden werden gevangen voor consumptie. De eendenkooi bestaat uit een flinke vijver waar enkele smalle sloten op uitkomen, de zogenaamde vangpijpen. Eenden die uit een ander kouder wordend gebied getrokken zijn om in een warmer gebied te overwinteren, zoeken vaak plekken uit waar ze kunnen uitrusten van de reis. Om overvliegende eenden te lokken heeft de kooiker, de beheerder van de kooi, op de kooiplas een groot aantal staleenden die hij dagelijks voert. Zij zijn gewend aan de kooiker en zijn hond.

Als het jachtseizoen geopend is laat de kooiker zijn hond, het kooikerhondje, langs de pijp lopen om de rustende vreemde eenden te lokken. De pijp is aan weerszijden voorzien van rietschermen zodat de eenden de kooiker niet zien. Het hondje laat hij voor en achter langs de schermen lopen. De eenden, nieuwsgierig geworden door het verstopgedrag van het kooikerhondje met zijn opvallende, grote witte pluimstaart, die steeds weer verdwijnt en een eindje verder weer tevoorschijn komt, zwemmen achter het hondje aan de steeds nauwer wordende pijp in.

00000-biesbosch-35De rietschermen met de gaten waar de kooikerhond door heen kan lopen.

Dan komt de kooiker achter de schermen vandaan en jaagt de eenden op. De eenden vliegen dan verder de pijp in het licht tegemoet. Het kooibos rond de kooiplas wordt namelijk aan het eind van elke pijp opengehouden. De eenden vliegen uiteindelijk tegen de zogenaamde spiegel, een schuin gespannen net aan het einde van de pijp. Ze vallen dan naar beneden en kruipen naar de enige schijnbare uitweg aan het einde van de pijp, het vanghokje. De kooiker laat het vanghokje dichtvallen zodat de eenden gevangenzitten en niet meer terug kunnen.”

00000-biesbosch-4De pijp en het vanghokje

Als de eenden gevangen zitten in de pijp, worden “de nekjes van de eenden” door de kooiker omgedraaid. Dat hier “nekjes” staat en niet “nekken” is in navolging van de uitleg in het museum van de werking van de eendenkooi. Vermoedelijk houdt het museum er rekening mee dat er ook jeugdige bezoekertjes komen.

Volgens het museum komt hier de uitdrukking “de pijp uitgaan” vandaan. Andere bronnen beweren echter dat de pijp uit ‘de pijp uitgaan’ een pijp (een gang) is van een konijnenhol van een konijn dat tijdens de jacht wordt neergeschoten. Hij gaat wel de pijp uit maar komt er niet meer in. Ik vind die pijp van de eendenkooi een betere verklaring dan de pijp van het konijnenhol.

Het was overigens niet het enige gezegde waarvan we die dag de oorsprong te weten kwamen. De stuurman van de rondvaartboot vertelde namelijk dat in de Biesbosch – what’s in a name – biezen groeiden. Van die biezen werden allerlei voorwerpen gemaakt, onder andere stoelen, matten en rieten koffertjes. Als vroeger iemand rondreisde en hij vertrok dan pakte hij zijn spullen in een biezen koffertje en zie hier de oorsprong van de uitdrukking “je biezen pakken”.

(Volgens ‘Het Groot Uitdrukkingenwoordenboek’ van Van Dale uit 2006 houdt de uitdrukking misschien echter verband met rondtrekkende kunstenaars die in het verleden biezen matten gebruikten om er hun kunsten op te vertonen. Als ze verder trokken, pakten ze hun biezen. Koffers of matten, het zou beide kunnen.)

Maar voordat ik nu hier eindeloos gezegdes ga verklaren, geef ik de pijp aan Maarten. Ok, die was te voor de hand liggend. (Wie die Maarten is, moet ik overigens ook nog eens een keer uitzoeken.)

Grote potten

Zoals elders op deze site te lezen valt, heb ik een tweetal sequoia gigantea bomen gekweekt.

sequioa-klein

Hier staan de twee sequoia’s nog samen in een pot. Het zijn overigens niet de violen die zo groot zijn maar de boompjes die nog klein zijn.

sequioa-groterEn dit zijn dezelfde sequoia’s een aantal jaar later, elk in hun eigen pot.

De sequoia’s hebben zo’n jaar of vijf bij ons thuis in potten gestaan. Daarna zijn ze “het huis uit gaan”. Ze werden te groot om in een pot te staan. Onze gemeente heeft ze overgenomen en ze in een plantsoentje in de volle grond geplant.

Vijf jaar in een pot is eigenlijk te lang. Bomen horen niet in een pot maar in de grond. Hoewel, daar denkt een ambtenaar van de gemeente Lansingerland duidelijk anders over. Afgelopen zaterdag fietsen we een rondje in de omgeving van Rotterdam. Langs de N209 vlak voor Bergsenhoek zagen we opeens dit:

grote-potten-2

grote-potten

Waarom wist ik niet dat er zulke grote potten bestaan? De sequoia’s hadden nog jaren bij ons thuis kunnen staan!

Aardbevingen in Nederland

Uit de serie ‘Nutteloze Kennis’: aardbevingen in Nederland

Naar aanleiding van de aardbeving in Italië van afgelopen woensdag – het dodental staat inmiddels op 250 en meer dan 360 mensen zijn gewond geraakt – heb ik eens gekeken hoe het zit met aardbevingen in Nederland. Dat is een groeimarkt, dit dankzij de “gas-aardbevingen” in Groningen. Op deze site heeft een zekere Roeland Smit dit prachtig in beeld gebracht.

aardbevingen 2

Roland Smit werkt volgens RTV Noord bij de brandweer in Groningen. In zijn vrije tijd maakte hij de animatie op basis van gegevens van het KNMI. Het filmpje laat zo ongeveer alle aardbevingen in de provincie Groningen (en in de rest van Nederland) zien vanaf 1987 tot nu toe. Aanvankelijk zie je niks gebeuren, – blijven kijken echter – vanaf de jaren negentig zie je ze  opduiken en zeker vanaf 2010 is het komen en gaan.

Voor wie er geïnteresseerd in is op deze site van de KNMI kan je altijd de gegevens van de laatste vijftien aardbevingen in Nederland zien, inclusief de details. Veertien van de laatste vijftien aardebevingen in Nederland (ze vonden allemaal de afgelopen maand plaats) hadden hun episch centrum in de provincie Groningen. De vijftiende vond plaats bij Maaseik vlakbij Roermond.

Deze aardbeving was in tegenstelling tot de aardbevingen in Groningen tektonisch van aard. De aardbeving van Maaseik was gelijk ook de zwaarste van de vijftien bevingen van de afgelopen maand in Nederland, maar met een magnitude van 1,7 op de schaal van Richter was het wel een kleintje. (Aardbevingen met een magnitude kleiner dan 2 op de schaal van Richter voel je normaal gesproken niet.) De schaal van Richter is een logaritmische schaal. Een aardbeving met een magnitude van 4 is bijvoorbeeld 10 keer zo zwaar als een aardbeving met een magnitude van 3.

De zwaarste aardbeving ooit gemeten in Groningen was die bij het Groningse dorp Huizinge (ten oosten van Middelstum) op 16 augustus 2012. De aardbeving had een geschatte magnitude van 3,6.

De zwaarste aardbeving in Nederland vond plaats op 13 april 1992 bij Roermond. Deze aardbeving had een magnitude van 5,8 op de schaal van Richter. (Dat is dus meer dan 100 keer zo zwaar als de zwaarste aardbeving in Groningen). Uit de Wikipedia:

‘Het epicentrum van deze krachtige aardbeving lag enige kilometers ten zuiden van Roermond. De sterkte bedroeg 5,8 op de schaal van Richter en een maximale intensiteit van ruim VII op de 12-delige schaal van Mercalli. De aardbeving richtte op sommige plaatsen meer schade aan dan op andere, doordat de intensiteit niet overal hetzelfde was.

De aardbeving werd gevoeld tot in Tsjechië, Zwitserland, Frankrijk en Engeland. In het gebied tussen Roermond, Maaseik en Heinsberg werd door deze beving schade aangericht aan (vooral oudere) gebouwen en auto’s, die geraakt werden door vallend puin. De Sint-Sebastianuskerk Herkenbosch werd zwaar beschadigd en moest opnieuw gerestaureerd worden.

aardbevingen 0De kerk na de aardbeving. Foto Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; fotograaf  Paul van Galen

De totale schade werd geschat op 275 miljoen Nederlandse gulden (ca. 125 miljoen euro), waarvan 170 miljoen gulden (ca. 77 miljoen euro) in Nederland.

In het landschap traden landverschuivingen, oeververzakkingen en zandfonteinen op als gevolg van het trillen van de met water verzadigde bodem. Omdat de aardbeving plaatsvond op een diepte van ongeveer 17 kilometer in een diep gedeelte van de Peelrandbreuk, aan de noordelijke begrenzing van de Roerdalslenk, bleef de schade relatief beperkt. De hoofdbeving werd voorafgegaan door een lichtere beving van 4,8 op de schaal van Richter. Na de beving van 5,8 werden er tot een maand later nog 200 naschokken gemeten met sterktes tot 3,8 op de schaal van Richter’.

aardbevingen 1Waterkeringschade door aardbeving bij Roermond. Hier: scheuren in de rechteroever van de Maas bij Leeuwen, tegenover Buggenum. Foto: https://beeldbank.rws.nl, Rijkswaterstaat / Henk Bakker

 Op deze Wikipedia pagina staat een lijst met de zwaarste aardbevingen in Nederland.

aardbevingen 3

De aardbeving in Italië had een kracht van 6,0 op de schaal van Richter. De zwaarste aardbeving ooit, wereldwijd gemeten, vond plaats op 22 mei 1960 in Chili. Deze had een kracht van 9,5 op de magnitudeschaal. Dat is 5.000 keer zo zwaar als de aardbeving in Italië.

Tot zover deze nutteloze kennis.

 

 

Twee oude mensen in de Kikkervalleien

De Kikkervalleien is een duingebied gelegen in Meijendel, het grote duingebied dat ligt tussen Scheveningen en de Wassenaarse Slag. Normaliter zijn de Kikkervalleien niet te bezoeken, maar één keer per jaar, meestal de laatste zondag van juni, stelt Dunea, de beheerder van het gebied, de Kikkervalleien open voor publiek. Uit een persbericht van Dunea:

De vochtige duinvalleien liggen in het buitenduin (net achter de zeereep, grenzend aan de zee). De grondwaterstand in die gebieden is heel wisselend en de kwaliteit van het water is bijzonder goed. Behalve dat hier specifieke soorten zoals orchideeën, parnassia en duizendguldenkruid groeien, zijn er exemplaren van het bijzondere maanvarentje gezien. Bovendien is het de kraamkamer van het duin als het gaat om amfibieën en insecten. De rugstreeppad en de boomkikker laten zich in de Kikkervalleien zien én horen met hun gekwaak en gekwekker. Ook de kamsalamander komt er voor. Gelukkig zijn hier ook nog karakteristieke duinvogelsoorten te vinden. Denk dan aan de graspieper, roodborsttapuit en tapuit. En, niet te vergeten, zeldzame libellen, vlinder- en keversoorten, zoals de zandloopkever.”

Er was een wandelroute uitgezet die langs de vennetjes en de duinen voerde.

000 duin 0Eén van de vennetjes van het gebied.

000 duin 5Een grote kolonie aalscholvers met hun nesten

000 duin 4We waren niet de enige bezoekers.

Ook lagen er her en der op de grond informatiebordjes met informatie over de planten die op de betreffende plek groeiden. Zie hier bijvoorbeeld de informatiebordjes over de Guichelheil en de Ogentroost

000 duin 2 000 duin 1(Gezien het feit dat op de foto rechts ook de schoen van Marianne te zien is, is dit ‘zeer zeldzame’ plantje waarschijnlijk nog zeldzamer geworden.)

En zie hier de Guichelheil en de Ogentroost in het echt:000 duin 7 000 duin 6

Het was een bezoek waar ik later nog wel eens aan zal terugdenken. Echter niet vanwege al het natuurschoon van de Kikkervalleien, maar vanwege een gebeurtenis vlak voordat we het gebied ingingen. Dat zat zo.

De toegang tot de Kikkervalleien ligt aan een fietspad dat door de duinen voert. Het is een fietspad dat ook erg geliefd is bij wielrenners. Nu geldt voor een groot deel van deze mensen – de goede uitgezonderd – dat afremmen iets is dat bij voorkeur vermeden moet worden. Je ziet ze dan ook vaak inhalen op plekken en in situaties waar dat eigenlijk niet kan en vaak ook nog eens schreeuwend, want een bel van 20 gram, dat is wel heel veel extra gewicht op de fiets (net zoals gezond verstand).

Maar deze keer moesten ze wel afremmen, want de Dunea had een stuk fietspad min of meer afgezet, zodat de bezoekers van de Kikkervalleien veilig konden oversteken. Fietsers moesten even afstappen en tien meter lopen, maar toen wij er met onze fiets in de hand naar een plek liepen waar je je fiets kon neer zetten, kwamen er twee wielrenners aan die het niet nodig vonden om af te stappen. Ze reden om de afzetting heen en fietsen zonder af te stappen door. Marianne vroeg of ze niet even tien meter konden lopen, maar de ene riep dat hij ongelukkige schoenen had en de andere riep dat we er ons niet mee moesten bemoeien. Vervolgens fietsten ze door.

En nu gebeurde het. Terwijl wij onze fietsen op slot zetten, hoorden wij een echtpaar met jonge kinderen praatten. “Wat was er aan de hand?” vroeg de vrouw, waarop de man antwoordde:

Die wielrenners zijn vreselijk. Ze wilden niet af stappen en toen zeiden die oudere mensen er wat van.”

Marianne en ik keken elkaar aan. “Die oudere mensen zeiden er wat van.” Oh mijn god, het was zover. We behoorden nu definitief tot de categorie “oudere mensen”.

Veertig jaar eerder had ik ook zo’n moment. Ik was op een zaterdagavond samen met een aantal mensen van mijn studentenflat in discotheek ‘de Siebel’ in Hengelo – ik weet nog precies hoe de discotheek heette – toen ik een meisje ten dans vroeg. Ze beantwoordde dit buitengewoon aantrekkelijke aanbod met de woorden. “Nee, dank u”. Wat was dat erg. Niet dat ze niet wou dansen, maar dat ze ‘u’ zei. Waarschijnlijk was ze wat jonger dan dat ik had gedacht, en misschien was ze heel keurig opgevoed en antwoordde ze altijd heel beleefd, maar wat de reden ook was, ze zei ‘u’. Dat kon maar één ding betekenen. Ik was oud! Mijn jeugd was voorbij.

En nu dit dus: ‘oudere mensen’. Ben ik net uit mijn midlifecrisis, zit ik nu dus in een ‘oldlifecrisis’. En ik ben nog maar zestig, dat is helemaal niet oud.

 

De wulp van 1961

Gisteren fietste ik van Wassenaar naar Voorschoten toen ik opeens in een weiland naast de weg in de verte op een paaltje een wulp zag staan. Ik herkende het beest onmiddellijk. Het is een vogel die hoog op de poten staat. Hij behoort tot de zogenaamde steltlopers. Hij is vooral te herkennen aan zijn lange kromme snavel. “De snavel van de wulp wijst naar zijn gulp” is een beetje raar ezelsbruggetje. In Nederland komt hij vooral in het waddengebied voor. Bij ons in de omgeving zijn ze wat zeldzamer. Ik heb nog geprobeerd met mijn mobieltje sterk ingezoomd een foto te maken maar verder dan dit wazige plaatje kwam ik niet.

wulp foto

Wulpen zijn interessante vogels. Als ze gaan broeden dan moet het mannetje behoorlijk aan de slag. Hij maakt een stuk of vier kuiltjes in een weiland waaruit het vrouwtje er vervolgens eentje uit kiest. Dat wordt dan het nest. (Dat proces moet efficienter kunnen zou je zo zeggen.) Het mannetje zit sowieso een beetje onder de plak, want als de eieren uit komen – meestal een stuk of vier –  dan gaat het vrouwtje er soms direct vandoor en laat dan de zorg voor de kleine wulpjes over aan het mannetje. Ze vertrekt dan alvast naar het zuiden of bemoeit zich er gewoon niet meer mee.

Niet dat het mannetje daarna nog veel aan de opvoeding doet – de jonge beestjes moeten bijvoorbeeld zelf hun eten zoeken – maar hij geeft ze nog wel wat warmte en beschermt ze tegen gevaar. Kraaien, reigers, kiekendieven en ander boeventuig van gelijke grootte worden door de wulp aangevallen. Zijn de aanvallers te groot, dan doet hij iets slims. Op een duidelijk zichtbare plek voor de aanvaller doet de vader-wulp alsof hij gewond is en gaat op de grond liggen kronkelen. De aanvaller ziet een gemakkelijke prooi en gaat er op af. Maar wanneer de aanvaller vlakbij is, vliegt vader-wulp opeens op en vliegt dan wat verder weg van het nest af en herhaalt daar dezelfde actie. Net zo lang totdat de vijand ver weg genoeg van het nest is. Een slimme vogel dus.

Wie nu denkt, goh hij weet er veel van, hij is een echte vogelkenner, heeft het mis. Het bovenstaande heb ik net gelezen op internet en het feit dat ik direct de wulp herkende komt door de zomerpostzegels van 1961. Dat zit zo. In 1961 verzameld ik als klein jongetje postzegels (en ook suikerzakjes, sigarenbandjes, sleutelhangers, lucifermerken en speldjes.) Mijn vader en mijn twee oudere broertjes spaarden ook postzegels. Mijn oudste broer had net zoals mijn vader een echt DAVO-postzegelalbum. Mijn andere broer en ik moesten het doen met een postzegelstockboekje, waarin we onze zegels stopten. Mijn vader had bijna alle postzegels van Nederland. Hij miste alleen een paar dure oude zegels. Als er nieuwe postzegels uitkwamen, dan kocht hij een setje om zijn verzameling bij te houden. Zo ook in de zomer van 1961 toen er een serie met nieuwe zomerzegels uitkwamen. Maar deze keer kocht hij niet alleen een setje voor zichzelf maar ook één voor ons.

’s Avonds na het eten en de afwas verraste hij ons daarmee. Op tafel lagen opeens de nieuwe zomerzegels. “Jongens, niet alleen voor mij, maar ook voor jullie een setje. Ze zijn mooi hè.” Vol ongeloof staarden we naar de tafel. Daar lagen van elke zomerpostzegel een blokje van vier zegels met allerlei vogels.

wulp blokDe zomerzegels van 1961

Voorzichtig ging mijn vader ze los scheuren. Bij de zegels van 4 cent en die van 6 cent ging dat allemaal goed, maar bij die van 8 cent – een groene zegel met een wulp er op – ging het mis. Mijn vader scheurde verkeerd, waardoor er een hoekje met een stuk van de kartelrand van één van de zegels werd afgescheurd. “Ai” zei mijn vader, “Oeps” zei mijn moeder. Goede raad was duur (8 cent + 4 cent toeslag) en na enige aarzeling werd besloten dat het mooiste exemplaar in het album van mijn vader verdween, dat de twee overige gave exemplaren naar mijn broers gingen en dat ik het exemplaar kreeg met het hoekje er af.

wulp 2xZo zag het er toen ongeveer uit. Links een goed exemplaar, rechts mijn exemplaar met een beschadigd hoekje.

Ach joh, daar zie je haast niks van” zei mijn moeder troostend. Maar ik zag het wel en niet alleen ik, maar anderen ook. Bijvoorbeeld de vader van een vriendje die ik de volgende dag vol trots mijn nieuwe zegels liet zien. Jaloers keek mijn vriendje naar mijn vogelzegels en riep toen zijn vader erbij. “Papa, moet je kijken, Martin heeft de nieuwe zomerzegels.” Zijn vader kwam kijken, wierp er een blik op en wees toen naar de wulpzegel: “Die is beschadigd, die is niks meer waard.” sprak hij. Mijn vader scheurde er per ongeluk een hoekje van af” stamelde ik. “Ja, dat scheuren moet je ook heel voorzichtig doen” sprak de vader hoofdschuddend en liep weg.

Jarenlang heb ik in mijn postzegelboekje naar een wulp zonder hoekje zitten kijken. Hoe ik ook keek, als eerste zag ik altijd dat hoekje (ok, ik zag het hoekje dus niet.) Maar zoals Cruijff al zei: “Elke nadeel heeft een voordeel”. Sindsdien herken ik in de natuur een wulp altijd direct.

Vogels tellen

Dit weekend was het weer de Nationale Tuinvogeltelling. Ik ben een echte vogelaar. Lees de vorige blogpost maar eens. Dus zaten Marianne en ik zondagmorgen braaf om elf uur naar buiten te kijken om te zien welke vogels en masse onze tuin zouden bezoeken. De bedoeling was om gedurende een half uurtje de vogels in de tuin te tellen.

Er waren een paar regels. Je moest opschrijven welke vogelsoorten je zag en van elk soort hoeveel vogels. Daarbij telde het hoogste aantal per soort wat je tegelijkertijd zag. Dus als al of niet dezelfde mus tien keer je tuin in en uit vloog, dan telde dat niet als tien maar als één. Zaten er echter tegelijkertijd vijf mussen in je tuin, dan gaf je vijf op. Zo simpel werkte het. Daarnaast kon je nog een aantal bijzonderheden opgeven zoals hoe groot de tuin was, hoeveel procent tuin er met tegels was bedekt en of er een kat in de tuin zat tijdens het tellen. Ik kan me inderdaad voorstellen dat de aanwezigheid van een kat de telling beïnvloedt.

 

Precies om elf uur begonnen we. We hadden een groot schrijfblok op A4-formaat klaar liggen – ongetwijfeld zouden we veel vogels tellen – en een vogelboekje om de gevleugelde vrienden te kunnen identificeren. Na vijf minuten ingespannen kijken, was ons schrijfblok nog leeg. We hadden nog geen enkele vogel gezien. Eén kauw kwam hoopvol aangevlogen maar besloot om op het laatste moment de koers te wijzigen en landde ergens anders – later zagen we dat een groot aantal kauwen op het dak van onze garage zaten te wachten tot de tuinvogeltelling voorbij was.

Eindelijk, na vijf minuten vloog er een koolmeesje de tuin in. Yes! Of was het een pimpelmeesje? Het boekje werd er bij gehaald. Een koolmeesje was ongeveer even groot als een huismus, een pimpelmees kleiner. Jammer dat er nu geen huismus in de tuin zat zodat we konden vergelijken. We besloten het te houden op een koolmees. De koolmees verdween en we zaten weer tegen een lege tuin aan te kijken. We waren nu al tien minuten bezig en hadden nog maar één koolmeesje geteld. Het A-4tje zag er akelig leeg uit. Normaal gesproken zagen wij door de week, tussen kwart over zeven en kwart voor acht tijdens het ontbijt, altijd heel veel vogels in de tuin. Dat we nu veel minder vogels zagen, kwam deels omdat het nu een paar uur later was – volgens de vogelbescherming zijn de meeste vogels vooral ’s morgenvroeg actief – en dat die dikke postduif die door de week altijd in onze tuin zat op zondag vrij had, snapten wij ook wel, maar toch hadden we wat meer vogels in onze tuin verwacht. Gelukkig landde er op dat moment een ekster in de tuin. Hij steeg weer direct op en vertrok naar de tuin van de buren. Alsof hij de telling van zijn soort positief probeerde te beïnvloeden.

We waren nu een kwartier bezig en hadden nog maar twee vogels geteld. Terwijl wij een beetje over deze tussenstand zaten te somberen vloog er opeens een Vlaamse gaai de tuin in, gevolgd door nog één, en nog één, en toen nog één. ‘Yes, now we are talking’ of beter gezegd ‘now we are counting’. Vlaams gaai: 4 stuks noteerden wij. Ze bleven wel lang in de boom zitten. “Wegwezen jongens, jullie schrikken de andere vogels af, jullie zijn al geteld.” De gaaien bleven echter op hun dooie gemak wat op een tak zitten keuvelen. “Hé, zien jullie ook die twee mensen binnen met een schrijfblok die naar ons zitten te kijken” of zoiets maar dan in gaaientaal.

Pas na vijf minuten vertrokken ze en alsof een kolonie koolmezen op hun vertrek had gewacht, vlogen vijf van die beestjes de tuin in. We noteerden ze. Misschien hadden we eerder brood in de tuin moeten gooien. Ok, dat hadden we niet gedaan maar de verleiding was groot. En misschien hadden we het wel moeten doen want uiteindelijk zou er nog maar één pimpelmeesje onze tuin invliegen, zodat onze top tien van de door ons geteld vogels er uiteindelijk als volgt uit zag:

  • 1: koolmees; 5 stuks
  • 2: Vlaamse gaai: 4 stuks
  • 3-4: ekster en pimpelmees: allebei 1 keer
  • 5-10: zwarte eiber, zwarte ibis, zeearend, struisvogel, roodkeelnachtegaal en alle andere soorten: allemaal 0 stuks.

De top tien van ons postcodegebied (volgens een opgave van de vogelbescherming) zag er als volgt uit:

vogeltelling buurt

En landelijk gezien was de huismus – die hebben we helemaal niet in onze tuin gezien – de meest waargenomen vogel, gevolgd door de koolmees en de merel. De gehele landelijke top 25 ziet er zo uit:

vogels

Gelukkig zagen we geen roodkeelnachtegaal in onze tuin. Anders hadden we toestanden als in Hoogwoud gehad. Daar zag een vrouw in haar tuin een vogeltje dat ze niet kende. Ze maakte een foto en plaatste die op facebook om te vragen wat voor een vogel het was. Het bleek om een roodkeelnachtegaal te gaan, een vogel die je normaal gesproken alleen maar in Azië zag, maar nu hier verdwaald bleek te zijn.

Het was de eerste keer dat hij in Nederland te zien was. Er was zelfs een item op het journaal over te zien. De vrouw vroeg vijf euro entree aan iedereen die de vogel vanuit haar huiskamer wilde zien. Dat leek me typisch Nederlands maar toen ik onderstaand twitterbericht zag, had ik daar wel begrip voor. Je zou maar zo’n menigte vogelaars voor je deur hebben staan.

nachtegaal 1

Voor degene die net als ik geen idee hebben hoe zo’n roodkeelnachtegaal er uit ziet en het beest niet in Hoogwoud hebben gezien, zo ziet hij er dus uit:

nachtegaal 2

Foto: Wikipedia / JJ Harrison

De zwarte eiber

Vrijdag fietste ik een rondje om de Vogelplas Starrevaart. Het is een door zandwinning tot stand gekomen waterplas gelegen tussen Leidschendam en Voorschoten. De vogelplas werd in 1987 en 1995 in fasen aangelegd als compensatie voor het weggraven van het natuurgebied Meeslouwerpolder, dat moest verdwijnen voor de aanleg van het recreatiegebied Vlietlanden. De Starrevaart bestaat uit een waterplas met ondiepe delen, slikranden en rietmoeras langs de oevers. In het gebied zijn sinds het ontstaan al meer dan 250 vogelsoorten waargenomen. Die vogels kan je wel zien maar je hoort ze meestal niet. Dat komt door de A4.

starrenplas

Vogelplas de Starrevaart op een koude vrijdag in januari om 16.15 uur (foto gemaakt met mijn mobieltje)

Het gebied wordt aan de ene kant begrensd door de Vliet, een kanaal dat loopt van Leiden via Leidschendam en Voorburg naar Delft waar het uitmondt in de rivier de Schie. Aan de andere kant van de plas ligt op nog geen 100 meter afstand de rijksweg A4. Dat is een drukke zesbaanssnelweg.

starrevaart a4

De plattegrond van de Vogelplas met aan de bovenkant de Vliet en aan de onderkant de A4; rechts de A4 ter hoogte van de Starrevaart – de plas ligt op nog geen100 meter rechts van de snelweg. (foto A4: Wikipedia / Vincent van Zeijst)

Zelfs als de wind goed staat hoor je nog overduidelijk de geluiden van deze weg maar als – zoals gisteren – de wind verkeerd staat, dan is het helemaal een kakofonie van geluiden bij de plas. Omdat het zo lawaaiig was, heb ik even een nutteloos onderzoekje gedaan – ik ben erg goed in het doen van nutteloze onderzoeken. Gedurende vijf minuten heb ik geteld hoeveel auto’s er langs reden.

Het was een vrijdagmiddag en het verkeer reed goed door. Tussen vier uur en vijf over vier telde ik 511 voertuigen (auto’s, vrachtauto’s en motors samen) die van Den Haag richting Amsterdam reden. Nu zal het niet zo zijn dat er daardoor een tekort aan auto’s in Den Haag ontstaat en een overschot in Amsterdam, want tussen vijf over vier en tien over vier reden alweer 505 van die voertuigen terug van Amsterdam naar Den Haag. Ok, dat zullen niet dezelfde auto’s zijn. Maar goed, in vijf minuten tijd passeren dus op minder dan 100 meter afstand van de vogelplas bij elkaar zo’n 1000 voertuigen; 500 wagens de ene kant op, 500 wagens de ander kant op, dat moet efficiënter kunnen.

Dat ondanks de lawaaioverlast van al die auto’s de vogels graag in de plas bivakkeren, lijkt dan ook wonderlijk, maar dat komt waarschijnlijk doordat de vogels voornamelijk ontvankelijk zijn voor geluiden die dezelfde toonhoogte hebben als hun eigen geluiden en ze de auto’s daardoor niet echt horen, tenzij die geluiden net toevallig in hun eigen frequentie zitten. Ik citeer even een stukje van de site van de Vogelbescherming:

Hoe goed kunnen vogels horen?

Gehoorbereik: Het gehoorbereik van vogels verschilt per soort. Bij sommige zangvogels is het bereik ongeveer gelijk aan het menselijke oor: 20-20.000 hertz. Bij de meeste vogels is dit bereik echter geringer: vogels zijn voornamelijk ontvankelijk voor geluiden die dezelfde toonhoogte hebben als hun eigen geluiden.

 Gehoorscherpte: Vogels hebben wel een grotere gehoorscherpte dan mensen waardoor ze beter details kunnen onderscheiden. Veel uilensoorten kunnen bijvoorbeeld in volledige duisternis prooidieren ontdekken en lokaliseren dankzij hun gehoor. Een uil kan de richting waaruit een geluid komt zeer nauwkeurig bepalen, zowel aan de hand van verschillen in tijd, als in intensiteit waarmee het geluid van een prooidier met het linker- en rechteroor wordt opgevangen. Jonge uilen, die het tijdsverschil tussen het linker- en rechteroor nog moeten leren interpreteren, draaien en bewegen hun kop vaak om te oefenen. Ze vergelijken het geluid dat ze horen bij de verschillende posities van de kop.

 Terwijl ik met mijn mobieltje een foto van de plas stond te maken (voor de foto zie helemaal boven) kwam een echtpaar aanfietsen. Ze stopten en de vrouw vroeg: “Is de zwarte ieber er weer?”, althans dat verstond ik. “Sorry, u zei?” antwoordde ik. Ze herhaalde haar vraag en deze keer meende ik iets te verstaan als “Is de zwarte eiber er weer?” Aha, een eiber, daar had ik wel eens van gehoord. Dat is een ooievaar (veel gebruikt in kruiswoordpuzzels: een ooievaar van vijf letters). Ook heb je een korfbalclub die Ons Eibernest heette. Het waren zo te horen vogelaars en ze zagen in mij blijkbaar een collega. Nu kan ik nauwelijks een eend van een waterhoen onderscheiden, en ik wist zelfs helemaal niet dat er ook zwarte ooievaars bestonden, maar desondanks zette ik mijn meest deskundige gezicht op en zei: “Nee, niet dat ik weet. Ik heb nog geen zwarte eiber gezien”. De vrouw lachte vriendelijk naar mij, maar de man keek me aan met een blik van: ‘jij hebt hem wel degelijk gezien vadertje, maar je wilt deze waarneming voor je houden, daar trap ik niet in!’ Toen ik even later verder fietste en achterom keek, zag ik hoe ze met verrekijkers over de plas tuurden.

Thuis heb ik even gegoogled om te zien hoe een zwarte eiber er uit ziet – als een zwarte ooievaar gokte ik – maar hij blijkt helemaal niet te bestaan. Wel bestaat er een zwarte ibis en deze vrij zeldzame vogel is de laatste dagen een aantal keren door vogelaars waargenomen bij de Starrevaart, zoals blijkt uit een overzicht op de site van Vogelwerkgroep Vlietland met de meest recente waarnemingen bij de Starrevaart. (Ik zie trouwens ook dat er een nonnetje bij de vogelplas is gezien; dat zal dan behalve een mens ook wel een vogelsoort zijn)

vogeltelling

Op de site van waarnemingen.nl staat een foto van enkele zwarte ibissen die op 11 januari zijn gezien bij de Starrevaart. Dus voor wie net als ik de zwarte eiber niet kan onderscheiden van de zwarte ibis, zo ziet de zwarte ibis er uit.

Zwarte Ibis

11 januari fotograaf Rob Floor; Foto genomen bij de Starrevaart.