Category Archives: Jeugdherinneringen

Dit ben ik: kinderen in de Volkskrant

De Volkskrant heeft een wekelijkse serie getiteld: ‘Dit ben ik, portret van een kind in zijn slaapkamer.’ In deze serie worden kinderen geïnterviewd over hun leven en toekomstplannen, vergezeld van een foto van het kind in zijn/haar kamer. Ik mag de interviews graag lezen, heel ontwapend altijd. Deze week was het de beurt aan een zekere Map Reichwein (7) uit Utrecht.

Zie hier enkele van de vragen en antwoorden:

Vraag: Op welke school zit je? AntwoordIk zit in groep vier van de Jenaplanschool De Brug in Utrecht. Het liefst ga ik rekenen, want daar ben ik best goed in, vind ik zelf.

Vraag: Wat wil je later worden? Antwoord: Schrijver of hockeyer, als ik daar goed genoeg in ben. Als ik schrijver word, ga ik alleen maar geheimzinnige boeken schrijven.

Vraag: Wat is je grootste droom? Antwoord: Dat ik heel vaak op skivakantie ga als ik groot ben. Ik neem dan sowieso mijn broers mee, maar mijn ouders weet ik nog niet. Als ik groot ben, zijn zij al 60 en dan kunnen ze het niet meer goed en dan moet ik langzamer.

Kijk, dat is nog eens vooruitdenken en daar kunnen wij zestigers het mee doen. Bij twee van haar antwoorden op andere vragen moest ik aan mijn dochters denken toen ze nog klein waren. De ene vraag was:

Vraag: Wie zou je een dagje willen zijn? Antwoord: Onze kat Pico, alleen ging hij een dag voor de verjaardag van mijn broer dood. Maar hij ligt wel bij ons in de tuin.

Wij hebben ook een huisdier gehad dat in de tuin begraven ligt en wel Bibi, het konijn van onze oudste dochter. Die ging op een dag onverwacht dood, waarschijnlijk als gevolg van een virus dat toen in Den Haag en omstreken rondwaarde, driekwart van de konijnen in de duinen stierf toen.

Eigenlijk had Bibi al direct na zijn komst in ons huis dood kunnen zijn. Hij mocht namelijk aanvankelijk los in de huiskamer lopen en wij hadden er even niet aan gedacht dat het een knaagdier was. Hij knaagde ergens achter een bank het snoer van een lamp door en met een grote knal ging het licht uit. Heel voorzichtig keken we achter de bank waar we een geroosterd konijn verwachten, maar daar zat Bibi levend en al met grote verbaasde ogen naar het snoer te kijken.

Maar goed, een half jaar later lag Bibi ’s morgens opeens dood in zijn hok. Het verdriet was groot bij de dochter en Bibi kreeg een staatsbegrafenis van haar. Hij werd in een lege schoenendoos gelegd met allerlei spulletjes die Bibi volgens de dochter leuk vond zoals bloemen, een wortel, een speeltje, een halsbandje, een poppetje en de lievelings-cd van de dochter. Gelukkig konden we haar overreden om die cd niet mee te begraven. Met de nodige plechtigheid werd Bibi vervolgens in de tuin begraven. Over een paar duizend jaar zullen archeologen ongetwijfeld hele discussies houden over wat ze daar dan aantreffen.

Het meest schattige antwoord in het interview gaf Map Reichwein op de vraag: Heb je huisdieren? Antwoord: Nee, ik heb wel luizen.

Hoe aandoenlijk. Ook onze dochters, en ook wij, hebben luizen gehad. Op de lagere school had je bij ons in die tijd de LOL-moeders. LOL stond voor ’Let Op Luizen’. Een paar keer per jaar, meestal na een vakantie, controleerden een aantal vrijwilligers (altijd moeders; nooit vaders) op school alle kinderen op de aanwezigheid van luizen. Als ze geweest waren, dan kon het gebeuren dat je kind een brief mee kreeg. In het gunstige geval stond er in dat er bij één of meerdere kinderen in de klas luizen waren geconstateerd maar niet bij jouw kind. De kinderen moesten dan wel een plastic zak mee om hun jassen in op te bergen zodat de luizen niet via de kapstok konden overlopen naar de andere jassen, iets wat met de kennis van nu een overbodig actie was.

(Van de site van het RIVM: Vraag: Hoe krijg je hoofdluis? Antwoord: Hoofdluis kun je krijgen van contact met iemand die hoofdluis heeft: de luizen lopen van het ene hoofd naar het andere. Ze verplaatsen zich niet via kleding. Springen kunnen ze niet. Kinderen tussen de 3 en de 12 jaar krijgen vaker hoofdluis omdat ze tijdens het spelen vaak letterlijk de hoofden bij elkaar houden

Voor hoe je met luizen moet omgaan zie hier het hele artikel op de site van de RIVM.)

In het ongunstige geval stond in de brief dat er bij jouw zoon of dochter luizen waren geconstateerd. Je werd dan dringend verzocht om het kind een anti-luizen behandeling te geven. Verder stonden er allemaal tips in hoe je met de plaag om moest omgaan. Ook onze kinderen kregen op een dag de gevreesde brief mee en snel kwamen we er achter dat niet alleen onze beide dochters luizen hadden maar wij zelf ook. Direct kriebelde het drie keer zo erg als daarvoor. We haalden luizenkammen in huis en met een anti-luizen shampoo – als je de dop opende dan ging je zelf al bijna dood – wasten we ons haar. Alle lakens werden op 90 graden gewassen en boven de wastafel werd er druk met de luizenkam gekamd. “Is dat een luis of is het een zwart schilfertje? Volgens mij beweegt het, volgens mij niet.” Zo stonden we dan in de badkamer. Ook voelde je het overal kriebelen. Al met al duurde zo’n operatie twee weken, want niet alleen de luizen moesten dood, maar ook de neten (de eitjes.) Nee, brrr, echt leuk was het niet en nu ik het weer opschrijf voel ik gelijk weer iets kriebelen.

Ook voelde je een beetje beschaamd. Wat natuurlijk grote onzin is want iedereen kan het krijgen. Toch heb ik nooit op kantoor, als onze secretaresse helemaal over mij heen gebogen naar de stukken keek, tegen haar gezegd: “Kijk een beetje uit dat je niet met je haar tegen mijn haar aankomt, want ik heb last van luizen.” Ok, onze secretaresse hing nooit over mij heen gebogen dus dat was niet nodig, maar toch, ik heb het op kantoor nooit verteld. Ik hoop echt dat ik er daar niemand heb ingeluisd.

 

ABBA en een zingende James Bond

In 1974 won ABBA met ♪ Waterloo ♫ het Eurovisie Songfestival. (Zie hier het winnende optreden)

abba 1974

ABBA, een paar weken na het winnen van het Eurovisie Songfestival in de studio van AVRO’s Toppop voor een fotosessie. Foto: Beeld en GeluidWiki: Werkopname Toppop (AVRO 1974).

ABBA won dus in 1974, maar weet u ook wie dat jaar tweede en derde werden? Wellicht weet een enkele oudere lezer van dit blog nog wie toen derde werden – dat waren namelijk Mouth & MacNeal, een Nederlands zangduo dat bestond uit Willem Duyn (inmiddels overleden) en Maggie MacNeal (echte naam: Sjoukje van ’t Spijker), met ♪ I see a star ♫ – maar als u weet wie toen tweede werd, dan bent u een echte kenner.

Dat was de Italiaanse Gigliola Cinquetti met het liedje ♪Si ♫. (Vanwege de titel werd dit lied in die tijd niet uitgezonden op de Italiaanse radio en tv; dit omdat er in die periode een referendum was of echtscheiding wel of niet in Italië moest worden toegestaan. Hoewel het liedje hier absoluut niet over ging, wilde de Italiaanse omroep elke schijn van propaganda voor het ja-standpunt vermijden.)

Als u nu zegt: “Wie is Gigliola Cinquetti?”, dan bent u geen echte Eurovisie Songfestival-kenner. Gigliola Cinquetti won namelijk tien jaar eerder op 16-jarige leeftijd het Eurovisie Songfestival van 1964 met ♪ Non Ho L’età ♫.

cinquetti

April 1966: Gigliola Cinquetti in het VARA-programma ‘Fanclub’, links Judith Bosch de toenmalige presentatrice van het programma. Foto: Ron Kroon / Anefo / Nationaal Archief

Zie hier hoe Gigliola Cinquetti in 1964 ‘Non Ho L’età‘ zong tijdens het San Remo songfestival. (Het winnende liedje van dit festival was in die tijd de Italiaanse inzending voor het Eurovisie songfestival.)

Maar goed, ABBA won dus en dat was het begin van een glanzende carrière. Vele hits volgden en in onze studentflat werd in die tijd uitvoerig de belangrijke kwestie bediscussieerd met wie van de twee zangeressen we het liefste uit wilden. Dat ze getrouwd waren – niet met elkaar; dat kon nog niet in die tijd; maar met de beide B’s van ABBA – deed er niet toe.

In 1983 ging de groep uit elkaar. Al eerder waren de beide echtparen al uit elkaar gegaan. In de jaren daarna verschenen de vier leden van de groep nauwelijks meer gezamenlijk in de openbaarheid. Bijna twintig jaar lang niet. In 2005 verschenen ze met zijn vieren bij de Zweedse première van de musical ‘Mamma Mia!’ in Stockholm. Drie jaar later kwamen alle ABBA-leden nog een keertje samen in het openbaar, ditmaal samen met Meryl Streep bij de première van de film ‘Mamma Mia!’ in Stockholm. Daarna was het gedaan met gezamenlijke verschijningen in het openbaar. Wel staat er op de Wikipedia een foto van ABBA die in februari 2013 in Wenen is gemaakt waarop alle vier de leden van ABBA samen te zien zijn. Zie onder.

abba madame taussaud

ABBA, Februari 2013; fotograaf Danny15 – Wikipeda

Ik dacht eerst nog, nou die zijn in veertig jaar tijd niet veel ouder geworden, maar nadere bestudering van het onderschrift leert dat deze foto is gemaakt in Madame Tussauds.

Dat ze daadwerkelijk wel wat ouder zijn geworden, leert een foto (even op het woord klikken voor de foto) die vorige week opeens verscheen op de Facebookpagina van ABBA. Anni-Frid Lyngstad (70), Agnetha Fältskog (65), Björn Ulvaeus (70) en Benny Andersson (70) waren aanwezig bij de opening van ‘Mamma Mia The Party!’. Dat is een nieuw Grieks restaurant in Stockholm waar gegeten kan worden in de sfeer van de speelfilm / musical met op de achtergrond de muziek van ABBA.  Op de foto zie je dus 275 jaar ABBA bij elkaar.

Dat ze nog steeds populair zijn blijkt wel uit het feit dat binnen een week het bericht met de foto al 75.000 keer gedeeld is – ik heb hier dus geen primeur –  en dat al 350.000 mensen aangegeven hebben dat ze deze foto leuk vinden.

Hoe kom ik nu op het onderwerp ABBA? Dat komt omdat ik gisteren aan het zappen was en opeens op Net5 in de speelfilm ‘Mamma Mia!’ terecht kwam. Dit is een verfilming van de musical met een grotendeels fout gekozen cast. Meryl Streep als hoofrolspeelster ging nog wel, ze kan wel zingen, maar Colin Firth en Pierce Brosnan, de voormalige James Bond, waren volkomen fout gecast. Colin Firth is o zo leuk als hij stuntelend in het Portugees een huwelijksaanzoek doet (‘Love Actually’) maar als zanger van ABBA-liedjes? Tja.

Helemaal pijnlijk was het optreden van Pierce Brosnan. James Bond hoort niet te zingen in een film. En als hij nou nog mooi zong, maar echt, hij kan niet zingen. Geloof me, op dat gebied ben ik een expert. Ik ben overigens niet de enige die dit vind. Zo vergeleek de ‘New York Magazine’ bij het uitkomen van de film zijn zang met een waterbuffel, ‘The Philadelphia Inquirer’ hield het op een balkende ezel en ‘The Miami Herald’ dacht meer aan een gewonde wasbeer.  Desondanks bracht de film meer dan 600 miljoen dollar op, vergeleken met de 50 miljoen productiekosten dus behoorlijk winstgevend.

Maar goed de leden van ABBA zijn dus (op één na) de 70 gepasseerd. Golden Oldies dus.

Het leven van een driejarige

Bij het opruimen van wat oudere papieren kom ik opeens wat aantekeningen van twintig jaren geleden tegen. De oudste dochter was toen drie jaar oud en ik schreef in die tijd wat dingen over haar op om niet te vergeten. Tevens dienden die aantekeningen als een opzetje voor wat verhaaltjes over onze kinderen, die ik echter nooit heb geschreven. Maar goed, bij deze dus die kladaantekeningen; heb ik toch er nog wat aan gehad. Het eerste stukje ging over wat de dochter later wilde worden. Het tweede stukje ging over het taalgebruik van een driejarige.

Beroepskeuze

‘Papa, er loopt een mier! Hevig verontwaardigd wijst Judith op een mier die het heeft gewaagd om over de drempel van de open tuindeur naar binnen te klimmen. “Mier, buiten spelen!” gebiedt Judith. Maar behalve kwaad naar de mier brullen doet ze niets. Ik moet de mier naar buiten brengen. Een niet al te heldhaftige houding voor iemand die al een tijdje verkondigt dat ze later ridder gaat worden en met draken gaat vechten. Hopelijk kiest ze straks voor een ander beroep want veel toekomst zit er volgens de ouders niet in de drakenbestrijding.

De allereerste keer dat Judith antwoordde op de vraag “Wat wil je later worden als je groot bent? was ze ruim twee jaar oud. Ze dacht een tijdje na en antwoordde toen, heel zeker van haar zaak zijnde, “Klein!” Dat leek haar leuker dan groot zijn. Twee maanden later gaf ze als antwoord op dezelfde vraag: “Niets”. Ook geen antwoord dat veel ambitie uitstraalde.

Zelf zag ze dit gelukkig ook snel in want toen ze drie was geworden, wilde ze brandweerman worden. Dit nadat ze een aflevering van Samson en Gert op tv had gezien waarin een brandweerman in voorkwam. Rond Sinterklaastijd veranderde haar keuze weer. Ze wilde nu Sinterklaas worden. Haar jongere zusje kon dan Zwarte Piet worden. Voor haar vader had ze de rol van paard in gedachten. Niet dat ze op dat moment niet geloofde in de echte Sinterklaas maar zij wou ook Sinterklaas worden. Maar goed, nu wil ze dus ridder worden. Maar de mierenbestrijding laat ze vooralsnog aan haar vader over.

judith aan strand

1995: De drakenbestrijdster op het strand. De zeedraken houden zich koest.

Taalgebruik

Kinderen van drie hebben hun eigen logische taalgebruik. Zo construeert Judith alle voltooide deelwoorden door er ‘ge-‘ voor te zetten en er een ‘t’ achter te plakken. “Ik heb mijn melk gedrinkt”, “Ik heb mama een zoen gegeeft.” Simpel en consequent. Ook maakt zij haar eigen logische woorden. Toen er laatst een brommer met veel lawaai voorbij reed, zei ze “Mijn oren zijn geluidig”. Ook haar nichtje Anneloes kan rake observaties doen. Toen die een sportauto met een open dak zag, zei ze: “Die auto heeft geen deksel”.

De grootste moeite heeft Judith momenteel met begrippen die betrekking hebben op de toekomst of op het verleden. Het woordje ‘gisteren’ kan bij haar één dag geleden betekenen maar het kan ook slaan op iets dat veel langer geleden is gebeurd. Zo zei ze laatst toen we het ziekenhuis passeerden dat ze daar gisteren was geboren. Dat was toch echt drie jaar geleden. Toch krijgt ze het tijdsaspect al een beetje in de gaten, want toen ze van de week niet in slaap kon komen, beloofde ik dat als ze zoet ging slapen, mama straks ook even zou komen kijken. “Maar straks is zo ver weg” zei ze met een zielig gezicht.

David Bowie en Wim Bleijenberg

Uiteraard moet ik het hebben over de man die gisteren overleed: Wim Bleijenberg.

Ok, David Bowie is gisteren ook overleden maar ik had niet zo veel met David Bowie. Hij had wel een paar goede nummers maar ook een hoop nummers waar ik niet veel aan vond. Bovendien vond ik hem in de jaren zeventig met zijn verkleedpartijen en beschilderde gezichten als persoon maar een raar mannetje. Ook heb ik negatieve associaties met hem. Dat kan hij uiteraard niet helpen maar het beïnvloedt wel het beeld over iemand.

Die negatieve associatie komt door een meisje uit de tijd dat ik aan de TH Twente studeerde. Het was in de jaren zeventig en zij zat op de Sociale Academie in Enschede. Ze woonde op de campus en maakte deel uit van een groepje mensen die ik in het weekend in de Vestingbar, een bar in de Bastille op de campus van de TH Twente, regelmatig zag. Ze was helemaal idolaat van David Bowie en vroeg constant platen van hem aan. “Nee, hè, niet weer” zeiden we dan. Vlak voor het einde van het studiejaar stopte ze met de Sociale Academie en vertrok van de campus. Ze kwam ook nauwelijks meer in de Vestingbar en we zagen haar telkens minder. Na de zomer verdween ze helemaal uit ons beeld.

Totdat ze twee jaar later opeens weer een keertje in de Vestingbar opdook. Ze was aan de drugs geraakt en zag er niet meer uit. De vrolijke jonge meid van vroeger was veranderd in een mager onverzorgd scharminkel met ingevallen ogen waar het leven al uit verdwenen leek te zijn. Ook miste ze een voortand. We zagen een verwoest leven. Eén ding was niet veranderd. Ze was nog steeds een enorme fan van David Bowie en vroeg direct weer een plaat van hem aan. Drugs en David Bowie, zie hier mijn negatieve associatie met David Bowie. Het was de laatste keer dat we haar zagen. Iemand van ons kwam een keer een vriendin van haar tegen en die vertelde dat ze een week later naar het buitenland was vertrokken. Het bezoek aan de Vestingbar was een soort afscheidsbezoek zei ze.

Aan Wim Bleijenberg heb ik wel goede herinneringen. Nu zult u misschien zeggen: wie is Wim Bleijenberg? Dat was een voetballer die ooit eens in 1960 drie keer namens Ajax scoorde in een beslissingsduel tegen Feyenoord om het landskampioenschap. Ook speelde hij drie keer in het Nederlands elftal. Kortom, het was een goede voetballer.

Bleijenberg

1953: Wim Bleijenberg op 22-jarige leeftijd als international. Foto J.D. Noske / Anefo; Nationaal Archief

In zijn nadagen was Wim Bleijenberg op zijn vierendertigste bij AGOVV in Apeldoorn beland en daar stond ik als klein jongetje op de jongensrang. Wij jonge AGOVV-supportjes vonden hem vreselijk oud en als hij zijn dag niet had, dan riepen wij oneerbiedig:  “Opa, Opa, Opa!”. Hij keek dan met grote ogen even verbaasd naar ons vak. Maar meestal had hij zijn dag wel en was hij onze held.

Ik heb ook nog eens een keer tegen zijn zoon Hans gevoetbald. Dat was een oefenwedstrijd in het kader van het Apeldoorns lagere-scholen-voetbalkampioenschap. Zijn zoon speelde bij de tegenstander en scoorde vijf keer tegen ons. Zijn vader stond trots aan de kant te kijken. Geen kunst dat je met zo’n vader goed kan voetballen vonden we. Bovendien had hij betere trainingsmaatjes gehad dan wij. Uit een kranteninterview met Wim Bleijenberg: “‘De familie Bleijenberg woonde in Betondorp, waar ze overburen werden van de familie Cruijff. “Mijn zoon voetbalde elke dag met Johan.” Later zou zijn zoon bij Go Ahead zijn debuut in het betaalde voetbal maken, maar de echte top zoals zijn vader zou hij niet halen.

Wim Bleijenberg overleed gisteren op 85-jarige leeftijd.

Albert West

Marianne, kom kijken. Het overzicht van mensen die dit jaar zijn overleden begint. Dat is leuk.” Terwijl ik de woorden uitspreek, realiseer ik mij dat dit een beetje raar klinkt, vooral de combinatie ‘overleden’ en ‘leuk’. Maar van alle jaaroverzichten die je aan het einde van het jaar op tv langs ziet komen – waar blijft het jaaroverzicht dat alle jaaroverzichten bespreekt die tijdens het jaar voorbij komen? – vind ik het overzicht van de overleden mensen nu eenmaal het leukste om te zien.

Het geeft een zekere weemoed. Je ziet mensen voorbij komen uit de categorie: ‘O ja, die is dit jaar overleden; of mensen waarvan je denkt: goh, leefden die nog? – en die nu dus alsnog dood zijn; of ‘bekende’ mensen waar je nog nooit van hebt gehoord; of bekende mensen die je wel kent maar waarvan je helemaal niet wist dat ze dit jaar waren overleden.

De allereerste persoon die in de uitzending werd herdacht, was er eentje uit de laatste categorie: Albert West, een pseudoniem van Albert Westelaken. Hij bleek tijdens onze vakantie in Amerika te zijn overleden aan de gevolgen van een fietsongeluk. Helemaal gemist. Tijdens een tochtje met zijn driewielerfiets – daar fietste hij mee sinds hij in 2012 was getroffen door een ruggenmerginfarct – kwam de 65-jarige zanger in botsing met een wielrenster met uiteindelijk fatale gevolgen. Ach, Albert West, daar heb ik romantische herinneringen aan.

Ok, die laatste zin vraagt enige toelichting. Het zit zo. We gaan ruim 45 jaar terug in de tijd en wel naar juli 1970. Ik was toen veertien jaar oud, net nog geen vijftien. We waren met mijn ouders, mijn zusje en één broertje – mijn oudste broertje ging al niet meer mee – op vakantie in Drenthe. We zaten in een huisje op een groot bungalow- en campingcomplex in Exloo. Het park was eigendom van een Rotterdams havenconsortium. Het zat er dan ook vol met havenarbeiders en hun gezinnen die er goedkoop konden verblijven. Maar je kon er ook als niet-havenarbeider een huisje huren, dan betaalde je wat meer. Dat hadden mijn ouders gedaan. We maakten een paar uitstapjes in de omgeving, maar de meeste tijd was ik er aan het voetballen, vaak met een vaste groep jongens. De meeste waren fanatieke Feyenoord-fans; de club had twee maanden daarvoor als eerste Nederlandse club de Europa Cup 1 gewonnen. Ik was fan van Go Ahead. Dat werd in orde bevonden. “Het was anders geweest als je voor Ajax was geweest!”.

Het meeste trok ik op met een zekere Robert, wiens vader er uit zag alsof hij in zijn eentje een schip kon lossen. Robert had een tweelingzus, Anki geheten. Toen Robert haar aan mij voorstelde ik, merkt ik scherpzinnig op: “Zo, jullie zijn duidelijk geen eeneiige tweeling” “Nee, ik ben veel knapper” sprak ze. Dat was waar. Ze was ook leuk en gevat. Daar kwam ik op donderdagmiddag achter toen ze tijdens de door de camping georganiseerde speurtocht met Robert en mij in hetzelfde groepje zat.

’s Avonds was er een disco, al heette dat toen nog gewoon een dansavond voor jongeren. Aan het einde van de avond – ik stond met een groepje een beetje rare bewegingen te maken op de dansvloer; alsof ik met een handdoek mijn rug afdroogde – kondigde de disjockey als slotplaat van de avond een langzame plaat aan: “om lekker op te schuifelen”. Het was Cha-la-la I need you’ van the Shuffles van welke groep Albert West – daar hebben we hem – in die tijd de leadzanger was.

shuffles

The Shuffles: geheel rechts een twintigjarige Albert West.

Ik liep naar de kant maar opeens stond Anki voor me. “Zullen we?” vroeg ze. Ze legde haar armen om mij heen en drukte zich tegen mij aan. “Is goed” zei ik zo kalm mogelijk. Voetje voor voetje draaiden we langzaam rondjes en toen ze zich nog wat dichter tegen mij aan drukte, voelde ik haar borsten tegen mijn lichaam. Even dacht ik dat dat ik mij dat inbeeldde maar bij de volgende draai voelde ik ze weer. Of was het alleen maar haar beha die ik voelde? Volgens mij bloosde ik maar dat kon niemand zien, want halverwege het nummer pakte ze mijn hand en leidde mij door de openstaande deuren naar buiten naar een donker plekje bij de snoepautomaat. Ze begon te zoenen. ‘Cha-la-la, I need you’ klonk het binnen. Opeens voelde ik hoe ze voorzichtig met haar tong mijn mond binnenkwam. ‘Cha-la-la, I love you’. Oeps, wat deed ze nu? Ze tongde! Ooit had een jongen in de brugklas mij gewaarschuwd dat je dat nooit moest doen. Er waren meisjes, zei hij, die duwden hun tong in je mond en dan kreeg je allemaal vreemde bacteriën in je mond waar je heel ziek van werd. Het leek me toen al grote onzin en nu helemaal. Ik besloot het risico te nemen en voorzichtig bracht ik mijn tong in haar mond. Binnen zong Albert West weer “Cha-la-la, I need you, Cha-la-la, I love you”, buiten kronkelden onze tongen onwennig en voorzichtig om elkaar heen. Om nou te zeggen dat ik het heel lekker vond, is wat anders, maar spannend was het wel.

Toen het nummer was afgelopen, ging binnen het grote licht aan en stroomden de mensen naar buiten. “Hé zus, sta je nu met de slechtste voetballer van de hele camping te zoenen?” klonk het opeens achter mij. Het was Robert. Samen met hem liep ik even later, hand in hand met Anki, naar hun tent. Buiten de bungalowtent zaten haar vader en moeder op campingstoeltjes. Ik keek naar de kolenschoppen van handen waarmee haar vader een flesje bier vast hield en durfde Anki bij het afscheid daarom nauwelijks te zoenen. Voorzichtig gaf ik haar een zoentje op de wang en zei: “Ik zie je morgen weer”.

De volgende morgen lag ik nog gelukzalig in mijn bed toen mijn moeder mij riep. “Martin, er staan twee mensen buiten op je te wachten”. Gedurende een seconde flitste het door mijn hoofd dat Anki tegen haar ouders had gezegd dat we hadden getongd en dat deze nu verhaal kwamen halen. Ik kleedde me snel aan en keek voorzichtig naar buiten. Het waren Robert en Anki. “We komen afscheid nemen.” sprak ze. “Het gaat de hele dag regenen en daarom gaan we een dagje eerder terug. Mijn ouders zijn nu de tent aan het afbreken.” “Oh” zei ik. Omdat mijn ouders nieuwsgierig stonden toe te kijken durfde ik haar bij het afscheid nauwelijks een zoen te geven. Het bleef bij eentje op haar wang en eentje in de lucht. “Misschien zien we elkaar volgend jaar weer” zei ik zachtjes en helemaal beduusd vergat ik haar adres te vragen. Toen ze wegliepen, keek Anki nog een keertje om en zwaaide.

Uiteraard heb ik haar nooit meer terug gezien, maar – om met net zo’n gekke zin te eindigen als ik deze blogpost begon – elke keer als ik Albert West op tv zie, moet ik aan tongzoenen denken. Nou ok, niet elke keer, maar wel toen ik zag dat hij was overleden.

shuffles gouden plaat

12 februari 1970: De shuffles krijgen van Hilversum 3 disjockey Joost de Draaier een gouden plaat voor ‘Cha-la-la I need you’. Derde van rechts Albert West, helemaal links Joost de Draaier. Achteraan de manager van de Shuffles. Foto: Bert Verhoeff, Anefo; Nationaal Archief.

V&D

V&D zit in surseance van betaling en dreigt failliet te gaan. Ach, V&D dat is de winkel waar ik al mijn hele leven kom. Drie herinneringen:

1959: V&D Apeldoorn. Ik ben vier jaar oud. Samen met mijn moeder en mijn twee broertjes sta ik voor de machine met de muziekaapjes.

aapjes

Als je er een dubbeltje ingooit beginnen de aapjes te spelen. Mijn broertjes maken ruzie wie het er in mag gooien – “jij mocht vorige keer, Welles, Nietes, Welles, Nietes,”. Mijn moeder velt een echt Salomonsoordeel door het dubbeltje in twee stuivers te delen, maar het werkt niet. De machine accepteert alleen maar dubbeltjes. Ze gooit het dubbeltje er daarom maar zelf in. Even later staan mijn twee broertjes mokkend naar de musicerende aapjes te kijken. Ik sta glunderend vooraan.

1968: V&D Deventer; Ik ben dertien jaar oud en heb net enige dagen geleden in V&D mijn allereerste singletje ooit gekocht: ‘Hey Jude’ van de Beatles. Nu sta ik bij de tijdschriftenafdeling. ‘Der Popphoto’ (of zoiets), een Duits muziekblad, komt als het goed is vandaag uit. In het vorige nummer stond aangekondigd dat er in deze aflevering een grote Beatlesposter zou zitten en die wil ik hebben. Probleem is echter dat er niet veel exemplaren van het blad in Deventer verschijnen. Alleen V&D heeft er af en toe eentje, soms twee. Als ik naar het blad vraag, krijg ik te horen dat de nieuwe tijdschriften nog niet binnen zijn. Over een uurtje zijn ze er misschien wel. Exact een uur later ben ik terug en vraag naar ‘Der Popphoto’. “Helaas” zegt de dame van de tijdschriften. “Die is niet meegekomen, misschien morgen”. Op het moment dat ik weg loop zegt ze: “Straks vroeg er ook al iemand naar.” Ik schrik, er is nog iemand op zoek naar het blad. Als die mij maar niet voor is. De volgende dag fiets ik na school zo hard mogelijk naar V&D. Met een bezweet gezicht storm ik de winkel in en vraag bij de tijdschriftenafdeling naar het blad. Hij is binnengekomen en ze hebben hem nog. Ha, ik ben die ander toch maar mooi voor geweest.

1975: V&D Enschede; Ik ben twintig jaar. Het is zaterdag. Samen met Joyce, een meisje van mijn studentenflat, loop ik in V&D. Het is er druk. We zijn op weg naar het restaurant op de bovenste verdieping. Als we beneden vlakbij de roltrap zijn, zien we dat naast de roltrap een klein podiumpje is opgebouwd. De vloermanager van V&D staat er met een jongeman naast zich. “Dames en heren, V&D is er trots op om een nieuw Nederlands talent te presenteren. Hij heeft zojuist zijn eerste single opgenomen en hij zal het hier live voor u zingen. Mag ik u aandacht voor Hennie Neyman.” De jongen zegt iets tegen hem. “Dames en heren, excuses, mag ik u welgemeende aandacht voor Benny Neyman.

Hij begint te zingen en doet dat niet slecht. Staande op de rolstrap omhoog zien we dat er echter geen mens blijft staan luisteren. Iedereen loopt door, rechtstreeks de roltrap op. Hennie, herstel Benny Neyman doet aandoenlijk zijn best, maar hij staat zo aan de voet van de roltrap niet op een handige plek. Zijn publiek wordt automatisch weggevoerd. “Ach, dat is zielig. Niemand blijft luisteren. We gaan naar beneden” zegt Joyce en we nemen de roltrap omlaag. Samen met de floormanager, nog een medewerker van V&D en één huisvrouw – ze heeft aan elk hand een volle V&D-tas; toen verkocht V&D nog wel goed – vormen we zijn vijfkoppig publiek. Na drie nummers, waarvan twee keer de A-site van zijn single, is hij klaar. Joyce koopt zijn plaatje. Met een viltstift zet hij netjes zijn naam op de hoes. Als Joyce het plaatje nog steeds heeft, dan moet dit een waar collectorsitem zijn want a) de rest van het stapeltje singles – een stuk of tien; ik denk dat Benny ze zelf heeft meegenomen – blijft onverkocht en b) pas vijf jaar later zou hij met ‘Ik weet niet hoe’ zijn eerste hit scoren. In 1985 zou hij met ‘Waarom fluister ik je naam nog’ zijn enige nummer 1 hit hebben.

Screenshot YouTube:

bennie Neyman

Bennie Neyman: van vijf toeschouwers bij V&D Enschede in 1975 tot 50.000 toeschouwers bij Rimpelrock in Hasselt, België in augustus 2007. Een half jaar later zou hij op 56-jarige leeftijd overlijden. Voor de YouTube link van dit optreden, zie hier

Tot zover drie herinneringen aan V&D. Nu dreigt V&D de deuren te sluiten. Volgens mij is alle ellende begonnen toen de aapjes uit de zaak verdwenen.

.

Bonnie St. Claire

Bonnie St. Claire was weer eens in het nieuws. Het gaat niet zo goed met haar geloof ik. Als je in Google News haar naam intikt, dan zijn dit de laatste tien koppen van de nieuwsberichten die je over haar leest:

  1. Bonnie St. Claire bespot drankprobleem
  2. Bonnie St. Claire: Ik drink nog steeds elke dag rosé
  3. Bonnie St. Claire: “Ik doe wat ik wil”
  4. Bonnie St. Claire herstellende van zware hersenschudding
  5. Ondernemer klapt uit school over chaotische verhuizing Bonnie St. Claire
  6. Bonnie St. Claire slaat haar man tijdens optreden
  7. Bonnie St. Claire vindt het niet erg als ze ‘morgen dood neervalt’
  8. Vrienden bezorgd om Bonnie St. Claire
  9. ‘Bonnie St. Claire liegt dat ze barst’
  10. Bonnie St. Claire twijfelt over huwelijk

Bonnie, 66 jaar momenteel, heeft geloof ik niet zo’n goed jaar achter de rug.

In 1970 was dat wel anders. In september van dat jaar stond de toen twintigjarige zangeres met het nummer ‘I won’t stand between them‘ op de vijfde plaats van de top 40, die toen nog door Radio Veronica werd uitgezonden. Van het nummer was een videoclip opgenomen die ons, vijftienjarige middelbare-school-jongetjes, helemaal het hoofd op hol bracht. In het filmpje zagen we een knap blond meisje in een kort rokje op blote voeten door de duinen lopen, terwijl ze ondertussen I won’t stand between them’ zong.

Bonnie st Claire

Screenshot uit de clip. De clip kan je hier zien. https://www.youtube.com/watch?v=MVLQyYf1n4U

Bonnie was ‘hot’ bij ons op school – noemde je dat in die jaren trouwens ook al zo? Volgens Frits, een zittenblijver die dat jaar bij ons in de klas was gekomen, was Bonnie niet alleen hot maar ook heet. Ze lustte wel pap, zei hij. Op onze vraag wat hij daarmee bedoelde, antwoordde Frits – hij was wel iemand die iets van het leven wist, zoals hij altijd zei – dat hij uit zeer betrouwbare bron had vernomen dat Bonnie “het graag en met iedereen deed”. Op onze hoopvolle vraag of ze het ook met vijftienjarige jongetjes deed, zei hij: “Nee, dat is wettelijk verboden, maar met zestienjarige jongens mag het wel.” en hij grijnsde van oor tot oor. Het was hoogstens nog een kwestie van tijd voordat hij met haar zou aanpappen zei hij.

De volgende singles van Bonnie waren echter niet zo’n succes en ze verdween weer even snel als ze in beeld was gekomen uit beeld. Out of sight, out of mind en haar plaats in onze jongensharten werd ingenomen door Mariska Veres van Shocking Blue.

Zie hier de videoclip van Venus van Shocking Blue

Posters van Shocking Blue uit de ‘Popfoto’ – hinderlijk dat die mannetjes van Shocking Blue er ook vaak op stonden –  sierden menig jongenskamertje, waaronder die van mij.  Volgens Frits, onze betrouwbare informatiebron, stamde ze af van de zigeuners. Dat kon je wel zien aan dat mooie lange sluike zwarte haar zei hij. Vele jaren later hoorde ik van iemand die de toenmalige bassist van Shocking Blue kende, dat ze altijd een pruik droeg en dat ze in werkelijkheid krullen had.

Mariska veres

September 1970; Mariska Veres krijgt een gouden plaat. De man naast haar is overigens niet Frits maar Albert Mol; (foto Joost Evers, fotobureau Anefo; collectie Nationaal Archief)

Of Mariska er ook pap van lustte zijn we helaas nooit te weten gekomen, want in januari van dat schooljaar verdween Frits uit onze klas. Hij dreigde voor de tweede keer op rij te blijven zitten en hij vertrok daarom naar een andere school.

Mariska Veres overleed in december 2006 aan de gevolgen van kanker. Bonnie St. Claire leeft nog, waarbij het woordje ‘nog’ geloof ik wel op zijn plaats is. Maar misschien wordt ze wel 122, net zoals Jeanne Clement, de oudste mens ooit van wie de geboorte- en sterfdatum officieel vaststaat. Die rookte tot haar 117e, at een kilo chocolade per week en dronk elke dag een glaasje port. Maar goed, elke keer als ik iets lees over Bonnie St. Claire, dan zie ik haar weer als twintigjarige op blote voeten door de duinen lopen.

Voornamen (4)

In 1994 was Marianne zwanger van onze jongste dochter. Liefst negen maanden, dus tijd genoeg om over een voornaam te denken. We kozen uiteindelijk voor een naam die wij beide leuk vonden en waarvan wij dachten dat die op dat moment niet zo vaak werd gegeven. We wilden namelijk voorkomen dat ze later in een klas terecht zou komen waar veel kinderen zouden zitten met dezelfde naam.

Echter een goed beeld wat de meest populaire voornamen in die tijd waren, hadden we niet. Al Gore was nog maar net begonnen met het uitvinden van het internet en sites met de meest populaire voornamen, zoals die van het Meertens Instituut en de Sociale Verzekeringsbank, bestonden nog niet. Wel waren er een paar boekjes over voornamen met daarin soms een top tien, meestal betrof het een lijstje uit de jaren zeventig. Kortom, een actueel beeld ontbrak. Wij haalden onze kennis over de populariteit van de namen daarom vooral uit de geboorteadvertenties die we zagen in de Volkskrant (op die krant hadden we een abonnement) en in de NRC (die krant kochten we op zaterdag; vooral voor het cryptogram).

Na de geboorte van onze dochter in november 1994 besloot ik om in 1995 een professioneel opgezet actueel onderzoek te houden naar de populariteit van voornamen. Ok, dat professioneel laat ik weg. Het onderzoek bestond er uit dat ik de geboorteadvertenties uit de Volkskrant en die uit het NRC knipte (de laatste dus alleen van de zaterdagkrant) Vervolgens stopte ik die in een schoenendoos. Aan het einde van dat jaar had ik een kleine 1500 geboorteadvertenties in mijn schoenendoos verzameld en maakte ik een top tien van de meest populaire voornamen van 1995. Thomas en Charlotte voerden die lijsten aan. (Over nutteloze onderzoeken gesproken, heb ik wel eens verteld dat ik in die tijd ook een tijdje bij hield hoe vaak het regende als ik naar kantoor fietste? – in 7,5% van de gevallen.)

Ik had dus een actueel overzicht van de meest populaire namen van dat moment maar wat moest ik met die kennis? Ik besloot om een ‘ingezonden brief’ naar de Volkskrant te sturen. Om de kansen wat te vergroten dat de brief werd geplaatst, verzon ik er de VIENO bij, de Vereniging voor Interessante Edoch Nutteloze Onderzoeken, die zogenaamd dit onderzoek had verricht. En ja hoor, op 13 januari 1996 stond mijn brief onder de titel ‘De ouders van 1995 noemen hun kinderen Thomas en Charlotte’ op een prominente plaats in de zaterdageditie van de Volkskrant.

Volkskrant

Vervolgens gebeurde er iets dat ik absoluut niet had verwacht. In de week er op werd ik gebeld door drie verschillende tv-programma’s en vier radioprogramma’s met de vraag of ik in hun uitzending iets over dit belangwekkende onderzoek en de VIENO wilde komen vertellen. Pardon, wat kregen we nu?

Het eerste tv-programma dat belde was de ‘5-uur-show’, een tv-programma van RTL dat – verrassing, verrassing –  ’s middags werd uitgezonden van vijf tot zes uur. De presentatrices in die tijd waren afwisselend Viola Holt en Catherine Keyl. Het programma was gericht op huisvrouwen. Marianne keek het gedurende haar zwangerschapsverlof wel eens. Ik moet zeggen dat ik even heb geaarzeld of ik op de uitnodiging zou ingaan, maar ik besloot er toch maar van af te zien. Behalve het lijstje had ik eigenlijk niets te vertellen, dus ik wist niet zo goed wat mijn aanwezigheid daar zou toevoegen. De redactrice zei dat ze dat spijtig vond en of het goed was dat ze dan het lijstje met mijn top tien in het programma zouden voorlezen. Dat vond ik uiteraard geen probleem.

De volgende die belde was Veronica-tv. Ik kreeg een redactrice aan de lijn die ik nauwelijks kon verstaan. Dat kwam doordat op de achtergrond keiharde popmuziek te horen was. Ik verstond iets van ‘uitnodiging’ en ‘keigaaf’ maar waarvoor die uitnodiging was? Ik bedankte dan ook maar voor de eer, waarop zij zei dat ze dat heel vervelend van mij vond. Die opmerking hielp niet echt om mijn mening te herzien.

Het derde tv-programma dat belde was Kopspijkers, een zeer populaire satirisch VARA-programma in die tijd met Jack Spijkerman. Hun invalshoek was vooral de VIENO. Ik legde uit dat de VIENO geen echte vereniging was. Dat de vereniging maar bestond uit twee leden, ik als voorzitter en mijn vrouw als lid waarbij de laatste niet eens wist dat ze lid was. Dat vonden ze geen bezwaar. Ze zouden er wel iets leuks van maken. Daar was ik juist bang voor en dus besloot ik om ook niet op hun uitnodiging in te gaan.

Wel ging ik in op de uitnodigingen van twee radioprogramma’s. Met radio Utrecht, een regionale zender, had ik een telefonisch interview. De AVRO kwam zelfs bij ons thuis. De invalshoek was ook hier de VIENO maar dan in een humoristisch tweegesprek met de interviewer. Ik vroeg aan de interviewer hoe het nou kon dat ik door zoveel programma was gebeld. Hij vertelde dat er een hoop radio- en tv-programma’s waren die allemaal probeerden om actuele en originele gasten te krijgen. Redacties zaten in het weekend de zaterdagkranten door te nemen op zoek naar leuke onderwerpen en een vereniging als de VIENO was natuurlijk bij uitstek een geschikt onderwerp. Het was een hele concurrentiestrijd tussen die programma’s zei hij. Vaak zaten ze achter dezelfde gasten aan.

We maakten er een leuke rapportage van. “Op zoek naar de mensen achter de VIENO” was de insteek, net alsof het een echte vereniging was. Na afloop ging hij nog even wat bijbehorende geluiden opnemen zoals het lopen over ons pad naar de deur en het aanbellen, waarbij ik dan spontaan en verrast de deur open deed: Hé, wie is daar? Het leek wel een hoorspel. Twee dagen later werd “de rapportage” uitgezonden. We hebben het nog op een cassettebandje opgenomen, maar ik ben dat bandje al jaren kwijt. Niet dat ik het zou kunnen afspelen, want een cassetterecorder hebben we ook al jaren niet meer.

De VIENO als vereniging bestaat niet meer. In 2004 verscheen er nog een voetbalboek van mij getiteld ’De Oranje Rapporten’ met daarin allerlei zogenaamde VIENO-rapporten over het Nederlands elftal. Daarna heb ik de vereniging min of meer een stille dood laten sterven. Maar wie op de Finse Wikipedia gaat zoeken, zal daar een lemma over de VIENO vinden.

VIENO fins

Even op het plaatje klikken voor een leesbare afbeelding (mits je natuurlijk Fins kan lezen).

Mijn Fins houdt niet over, dus eerlijk gezegd had ik geen flauw idee wat hier stond. Ik liet de pagina daarom automatisch vertalen door Google en dat leverde het volgende (kromme Nederlands) op:

Vieno vertaald

Wat blijkt: Vieno is een Finse voornaam! Dat kan bijna geen toeval meer zijn.

p.s. In een wetenschappelijk boek over onderzoeksmethoden werd dit “VIENO-onderzoek” ook nog aangehaald. Zie pagina 21 van dit  document.

https://www.boomlemma.nl/documenten/9789047301110_inkijkexemplaar.pdf

Jesus Christ Superstar

Radio West heeft een prijsvraag. Je kan twee kaartjes winnen voor de musical ‘Jesus Christ Superstar’ die in december een week lang in het World Forum Theater in Den Haag te zien is. Als bijzonderheid vermelden ze nog dat de hoofdrol wordt gespeeld door Ted Neely die de rol ook heeft gespeeld in de film uit 1973.

Eh, pardon? De hoofdrolspeler uit 1973? Ik heb het even in de Wikipedia opgezocht. Ted Neely is van 1943. Hij is nu 72 jaar oud. Dat is dan wel een oude Jezus. Je loopt als producer ook nog eens het risico dat een 70-plusser tijdens zo’n vermoeiende wereldtournee ziek wordt. Net nu ik wou schrijven dat dat laatste misschien nog wel mee zal vallen, omdat de 91-jarige (!) Charles Aznavour, begeleid door Matthijs van Nieuwkerk op de piano, ook nog steeds optreedt, lees ik dat diens concerten in Amsterdam zijn afgelast omdat hij is geveld door een acute maag- en darminfectie. Maar goed, bij zulke grote producties als deze musical reizen altijd zogenaamde understudy’s mee, die de rol over kunnen nemen als een hoofdrolspeler uitvalt.

Desnoods doen ze een beroep op mij. Ik val zo in. Dat heb ik al eens eerder gedaan bij een kerstspel. Ok, niet als Jezus maar wel als een engel. We woonden toen nog in Apeldoorn. Ik was negen jaar oud en ik zat op zondagsschool. Ik ben atheïst maar mijn ouders waren Nederlands Hervormd. Ik ben zelfs nog gedoopt. Dat is wel handig, want hoewel ik dus niet geloof, bestaat er natuurlijk altijd de kans dat God toch bestaat. Als dat zo is, en zijn administratie is niet bij, dan kan ik dankzij het feit dat ik ben gedoopt misschien later toch de hemel binnen glippen.

Maar goed, ik zat dus op zondagsschool en elk kerst was er een kerstspel. Alleen ik en vriendje mochten niet mee doen. Dat hadden we niet verdiend vond de zondagsschooljuffrouw. We waren dat jaar te lastig geweest. Zo waren we zelfs een keer twee weken van school gestuurd, wegens lachen onder het bidden. Maar dat kon ik echt niet helpen. Tijdens het bidden in de klas moest je altijd strak je ogen dicht houden. Dat deden we niet altijd en we zaten een keer om ons heen te kijken wie er nog meer zijn ogen tijdens het bidden niet dicht had. Vooraan zat het braafste jongetje van de klas en hij had ook zijn ogen niet dicht. Toen hij zag dat wij om ons heen zaten te kijken, stak hij als een echte Judas zijn vinger op om ons aan te geven. Dat leek ons een heel domme actie en mijn vriendje en ik barstten allebei in lachen uit.

Het gevolg was dat wij een brief voor onze ouders mee kregen waarin stond dat wij voor twee weken van de zondagsschool waren gestuurd wegens lachen onder het bidden. Het leek ons beter om die brief thuis niet af te geven en gedurende twee weken gingen wij op zondagochtend met een brandend dubbeltje in onze zak voor de collecte – dat we natuurlijk niet mee terug naar huis konden nemen en we daarom maar gebruikten om kauwgom uit een automaat te kopen – zogenaamd naar de zondagsschool om ergens anders twee uurtjes te voetballen.

We kregen ook geen rol in het kerstspel. Alleen een week voor de uitvoering werd er iemand ziek. Het zag er niet naar uit dat het jongetje snel zou herstellen. Er was niemand anders meer en noodgedwongen moest de zondagsschooljuffrouw mij toen een rol geven. Ik werd een engeltje. Er waren vijf engelen. We hadden allemaal een kostuum met vleugels en een grote letter op onze buik. Tezamen vormden deze letters het woord Jezus. Ik was de ‘E’. Ik had één regel tekst. De juffrouw was bang dat ik mijn tekst niet zou onthouden – in tegenstelling tot de rest had ik maar één week om die te oefenen – maar nu ruim vijftig jaar later weet ik nog steeds die zin: ”De E is van de Engel die de herders de blijde boodschap gaf.”

Een makkie dus. Toch ging er wat mis. Toen het onze beurt was om het toneel op te gaan, kwam ik met één van mijn vleugels tegen een deurpost aan. De vleugel brak. Er was geen tijd meer om dat te repareren en het gevolg was dat er vijf engelen op het podium stonden waarvan er eentje een gebroken vleugel had. De ouders en andere belangstellenden in de zaal vonden dat heel grappig maar de zondagsschooljuffrouw beslist niet. Ze keek me woest aan. Maar mijn zin kwam er feilloos uit.

Een paar maanden later verhuisden we naar Diepenveen. Mijn ouders vroegen of ik daar ook op zondagsschool wou. Van mij hoeft dat niet zo zei ik. Dat was goed.

Yoga

Een paar dagen geleden liepen we langs een oud pand met daarin een gymzaal. Door het grote raam zagen we een groep mannen en vrouwen, die zo te zien allemaal met een yoga-oefening bezig waren. Op één man na, die was bezig met zijn mobieltje. Nu heb ik niet zo heel veel verstand van yoga, maar volgens mij  zijn er weinig yoga-oefeningen waarbij de aanwezigheid van een mobieltje vereist is. Ik denk niet dat die man de juiste instelling heeft voor yoga.

Zelf ben ik ook niet zo’n yoga-type. Ik heb het tijdens mijn studententijd één keertje geprobeerd. Het Sportcentrum van de TH Twente bood de mogelijkheid om een gratis proefles bij te wonen en met een aantal jongens van mijn studentenflat besloten we om van die mogelijkheid gebruik te maken. Misschien deden er wel leuke meisjes mee en misschien vonden we het wel leuk. Beide was niet het geval.

De les begon met een aantal oefeningen die allemaal een moeilijk uitspreekbare Aziatische naam hadden. Voor het gemak vertaalden wij die namen na een paar keer proberen al snel een beetje respectloos in namen als: ‘De Au’, ‘De Oeps’, “De dubbele Oeps’ en “De kan dat wel?”

Yoga

Yoga voor gevorderden: de Padma-sarvangasana; Een oefening uit de categorie: ‘De Dubbele Oeps’ Foto Joseph Renger; Wikipedia

Aan het einde van de les moesten we allemaal languit op onze handdoek liggen. We moesten de ogen dicht doen en ons volkomen afsluiten van de buitenwereld. Vervolgens moesten we ons concentreren en inbeelden dat we in een cocon zaten die door de ruimte suisde. Waarom we die ruimtereis moesten maken, was me niet geheel duidelijk. Maar goed, na enig concentreren lanceerde ik mij de ruimte in.

Ik suisde net lekker door de ruimte toen ik uit de cocon van mijn buurman opeens het geluid van een borrelende buik hoorde, even later gevolgd door het geluid van een sissende wind die de man in de cocon links van mij liet. En niet alleen kon ik in mijn voortsuizende coconnetje dit geluid horen, ook de geur die uit zijn cocon ontsnapte, drong door tot in mijn cocon. Dat was te veel van het goede en mijn cocon stortte neer op aarde en ik moet schaamtevol bekennen dat ik mijn lachen daarbij niet kon inhouden, wat op zich weer ernstige gevolgen had voor de ruimtereizen van de andere coconbestuurders.

Ik denk niet dat de yogalerares het erg vond dat ik de volgende keer niet meer kwam.

Vrijdag de dertiende

Onder het motto ‘we laten ons leven niet leiden door de aanslagen in Parijs, in Beiroet en op het Russische vliegtuig gaan we weer over op de ‘gewone’ blogposts. Hoewel, er is toch nog wel een relatie, want deze blogpost gaat over het fenomeen ‘vrijdag de dertiende’ en dat is ook de dag dat de aanslagen in Parijs werden gepleegd, een feit dat in diverse media niet onvermeld bleef. Even was ik bang dat er een blik deskundigen naar de studio zou komen om dit verband te duiden, maar dat geschiedde gelukkig niet.

Tien jaar eerder was ik overigens zelf een ‘vrijdag-de-dertiende-deskundige‘. Hoe word je nu een ‘vrijdag-de-dertiende-deskundige’? Nou gewoon, door er een ochtendje op te googelen en dan er een column in de Volkskrant over te schrijven – ik schreef toen voor die krant de rubriek ‘Het Nutteloze Kennisparadijs. Deze column was ook gelezen door de redactie van een programma van BNR (Business Nieuws Radio) en ze vroegen, aangezien hun eerstkomende uitzending op vrijdag de dertiende zou plaats vinden, of ik hun programma er iets over wilde komen vertellen. Het aantal ‘vrijdag-de-dertiende-deskundigen’ was blijkbaar niet groot. BNR zond die dag op locatie uit en wel vanuit de universiteit Utrecht. Of ik daarheen wilde komen.

De treinreis naar Utrecht verliep zonder vertragingen (en dat op vrijdag de dertiende!) en ruim op tijd meldde ik mij in de kantine van één van de universiteitsgebouwen van waaruit werd uitgezonden. Ik moest even wachten totdat ik aan de beurt was en mocht plaatsnemen aan een grote tafel waaraan behalve de presentator ook een paar studentes zaten die iets over de nieuwe studiefinancieringsplannen zouden vertellen. Er werd een plaatje gedraaid – ok, cd afgespeeld –  en toen de muziek stopte, zei de presentator: ‘Ik loop hier rond in de kantine en ik ga eens op zoek naar wat studenten die iets over de nieuwe plannen van de minister willen zeggen. Dag, mag ik jullie wat vragen?” Huh? Hij liep helemaal niet rond maar zat gewoon aan tafel, net zoals die twee meisjes waarmee hij tijdens de muziek al de eerste vragen had doorgenomen. De luisteraar werd bedonderd waar ik bij zat. Maar goed, even later was ik aan de beurt. “Aan tafel zit bij mij…”. Ha, gelukkig, ik hoefde niet rond te lopen.

Het gesprek begon met vragen over bijgelovigheid. Ik vertelde de anekdote over Niels Bohr, in 1922 winnaar van de Nobelprijs voor natuurkunde. Bohr had boven de deur van zijn werkkamer een hoefijzer hangen. Op een dag vroeg een student: “Maar professor, een eminent geleerde als u gelooft toch niet in de werking van een hoefijzer?” Waarop Bohr antwoordde: “Nee natuurlijk niet, maar men heeft mij verzekerd dat, ook al geloof je er niet in, het toch werkt.” Ik vond het een leuke anekdote maar de presentator vertrok geen spier.

Zijn volgende vraag ging over Triskaidekaphobia dat angst voor het getal 13 betekent. “Triskaidekaphobia, dat is een mooi Scrabblewoord, vindt u niet?” “Nee, ik ben bang dat ik u ongelijk moet geven, het telt 17 letters en het Scrabblebord is niet groter dan 15 bij 15, dus het past niet.” antwoordde ik. Het kwam niet meer goed tussen ons. Ik zal u de rest van het gesprek daarom besparen en voor alle nuttige informatie over vrijdag de dertiende hieronder mijn oorspronkelijke column uit de Volkskrant plaatsen. Ik kan hem  – wij van WC-eend adviseren WC-eend – van harte aanbevelen om uw kennis over vrijdag de dertiende te vergroten.

Triskaidekaphobia

Op 25 augustus 2004 was in de finale van de 100 meter horden op de Olympische Spelen van Athene de Canadese Perdita Felicien de grote favoriete. Een jaar eerder was ze wereldkampioene geworden. Maar al bij de eerste horde ging het mis. Ze viel. Opmerkelijk detail: haar startnummer was nummer 1313.

Mensen die last hebben van ‘angst voor het getal dertien’ oftewel ‘triskaidekaphobia’ – wat op zich weer geen fijn woord is voor mensen die lijden aan ‘hippopotomonstrosesquippedaliophobia’ (oftewel ‘angst voor lange woorden’) – zullen van de val niet vreemd opgekeken hebben. Zij zien overal de gevaren van het getal 13.

Nog een voorbeeld: Op 11 april 1970 om exact 13.13 uur plaatselijke tijd werd de Apollo 13 gelanceerd. Twee dagen later, op 13 april, meldde de Apollo 13 de fameuze woorden ‘Houston, we’ve got a problem’. Het leverde later wel een mooie film met Tom Hanks op.

De angst voor het getal 13 komt in veel gedaantes terug. Hotels hebben vaak geen dertiende verdieping, in vliegtuigen is er soms geen dertiende rij, in de Italiaanse lotto komt het getal 13 niet voor en bij sommige Franse restaurants is een ‘quatorzieme’ te huur. Dat is een persoon die tegen betaling een hapje mee eet indien het gezelschap bestaat uit dertien personen. Ooit ging de Amerikaanse schrijver Mark Twain naar een diner van dertien. Een vriend wees hem op het gevaar hiervan. Mark Twain vond het onzin, maar toen hij terugkwam, moest hij bekennen dat zijn vriend gelijk had. Er was maar voedsel voor twaalf.

Er zijn enkele beroemde personen die leden onder triskaidekaphobia. Tot hen behoren Napoleon, Victor Hugo, Henry Ford en de Amerikaanse president Franklin D. Roosevelt. Deze laatste had er veel last van. Zo moest bij het opstellen van zijn reisschema zijn secretaris er altijd rekening mee houden dat Roosevelt bij voorkeur niet op de dertiende reisde. Liever vertrok hij een dag eerder of een dag later.

De angst voor vrijdag de dertiende (paraskevidekatriaphobia) is een speciaal geval van de angst voor het getal 13. Elk jaar is er minstens 1 maand met een vrijdag de dertiende. Maximaal komt het drie keer per jaar voor. Uit een Amerikaans onderzoek blijkt dat de angst voor vrijdag de dertiende de Amerikaanse economie jaarlijks miljoenen dollars kost, omdat een hoop mensen op deze dag thuisblijven en niet naar het werk gaan of uit eten gaan.

De oorsprong van het bijgeloof is niet duidelijk. Meestal wordt het Laatste Avondmaal genoemd als bron. Daar zaten dertien mensen aan. Het Laatste Avondmaal heeft nog een bijgeloof opgeleverd. Toen Jezus verklaarde dat er zich een verrader onder hen bevond, gooide Judas van schrik het zoutvaatje om. Sindsdien geldt dat het morsen van zout ongeluk brengt. De angst voor vrijdag heeft waarschijnlijk te maken met het feit dat Jezus op een vrijdag werd gekruisigd en dat vrijdag in het oude Rome executiedag was.

Niet altijd brengt het getal 13 ongeluk. Zo gebeurde er in het jaar 1313 niets bijzonders. Zeker niet in vergelijking met het jaar erop. In dat jaar regende het maandenlang. Dijken bij de Rijn, Waal, Maas en IJssel braken, de oogst mislukte en er ontstond hongersnood. De grootste ramp van 1314 trof echter de inwoners van Londen. Koning Edward II verbood er het voetballen.

Een groot gitaarspeler

Ik ben een groot-gitaarspeler. Voor wie dat niet gelooft, zie hier het bewijs:

gitaar

Ok, de mensen stonden niet op de banken voor mijn gitaarspel, maar dat lag niet aan mijn spel maar aan de banken.

bankje

Eerlijk gezegd, ik ben niet zo’n muzikaal talent. Zo kan ik absoluut niet pianospelen. Ik heb het wel geprobeerd. Toen ik op de middelbare school zat, leek het mij wel een goed idee om piano te leren spelen, maar voor mij gold ongeveer hetzelfde als dat wat de Amerikaanse auteur George Ade (1866-1944) ooit zei over het pianospel van zijn vrouw Dorothy:

De muziekleraar kwam tweemaal per week om de afschuwelijke kloof te overbruggen tussen Dorothy en Chopin.”

Na twee jaar hield ik dan ook met de lessen op, dit tot opluchting van mijn lerares op de Muziekschool in Deventer. Toch heb ik een keer een pianoconcert gegeven, nou ja deel uitgemaakt van een pianoconcert. Op de muziekschool was er aan het einde van het schooljaar altijd een concert van de leerlingen, waar de trotse ouders naar de gemaakte vorderingen van hun kinderen konden luisteren. Ieder kind dat in het tweede of hogere leerjaar zat, dus ook ik, moest er aan mee doen.

Nu was er bij mij nauwelijks sprake van vorderingen, dus had de lerares bedacht dat het beter was, dat ik samen met mijn broer – die ook les had en wel goed kon spelen – een quatre-mains zou spelen. Ze had een stuk uitgezocht met een moeilijke hand – dat was voor mijn broer – en een makkelijk deel, dat was voor mij. Het kwam er op neer dat ik af en toe een paar noten moest meespelen, terwijl mijn broer het zware werk deed. Wekenlang oefenden we en ik moet eerlijk zeggen dat ik op het laatst af en toe zelfs de goede toetsen aansloeg.

Op de grote dag bleek er voor ons een jongen te spelen die heel erg goed was. Heel fijn, probeer daar maar eens als duo overheen te komen, maar goed, enthousiast gingen we aan de slag en ik moet zeggen, het ging niet eens zo slecht. Opgelucht keek ik toen we klaar waren dan ook de zaal in, waar ik als eerste het onthutste gezicht van mijn lerares zag. Mijn broer speelde namelijk nog door. Ik was vergeten dat de laatste regel van het stuk twee keer moest.

p.s De gitaar is de Max Guitar van het Max Café in de haven van Scheveningen. Daar fietsten we gisteren langs toen we terugkwamen van een strandwandeling.

p.p.s Het bankje staat in het Westduinpark, zo halverwege Scheveningen en Kijkduin. Als je daar bij de Laan van Poot naar het strand loopt, moet je eerst een hoge duin beklimmen. Bovenaan staat dit bankje waar je kan uitrusten van de klim.

Stage lopen

Dit weekend zijn Marianne en ik naar de film ‘The Intern’ met Robert de Niro, een favoriete acteur van Marianne, geweest. We gingen naar de zondagmiddagvoorstelling van 12.35 uur. De tijd dat wij naar de laatste avondvoorstelling op zaterdagavond gingen, ligt al een tijdje achter ons.

Het was een leuke film. Robert de Niro (72 jaar oud) speelde een 70-jarige man – hij kon dus bijna zichzelf spelen – die in het kader van een seniorenproject stage ging lopen bij een jong swingend internetbedrijf. Dat deed me aan vroeger denken. Ook ik heb een keer bij een bedrijf stage gelopen. Het was in de zomer na mijn eerste studiejaar aan de TH Twente. De Hogeschool vond dat je een keer het simpele werk van de gewone man op de werkvloer van een fabriek gedaan moest hebben. Later, als je een hoge functie in het bedrijfsleven zou hebben, zou je immers beslissingen nemen die direct invloed zouden hebben op de werkvloer. Om te weten hoe het er daar aan toe ging, moest daarom iedere student een zogenaamde sociale stage van vijf weken in een fabriek gedaan hebben, waarbij je simpel werk moest doen.

Ik belandde bij Thomassen en Drijver, een blikfabriek in Deventer. Ik kwam te werken op de afdeling kwaliteitscontrole. Ik deed wat administratief werk waarbij ik met een prikkertje gaten moest prikken in ponskaarten (het was de begintijd van computers). Daarnaast moest ik bij de lopende band kwaliteitscontroles doen.

Dat laatste hield in dat ik elke tien minuten een blikje van de lopende band moest pakken en het daarna onder een soort poortje door moest schuiven om te kijken of het niet te hoog was. Vervolgens moest ik het blikje in een afvalmand gooien en het resultaat van mijn controle noteren. Die handelingen duurden bij elkaar nog geen minuut. Vervolgens wachtte ik negen minuten, pakte dan weer een blikje van de lopende band en ging dat meten. Behoorlijk geestdodend dus.

blikje 1

Al snel pakte ik drie blikjes tegelijkertijd van de lopende band, deed de metingen, en ging dan een half uurtje door de fabriek wandelen. Ik had toen nog niet zo’n goed gevoel voor statistisch verantwoorde steekproeven.

De fabriek vond ik fascinerend om te zien. Er werkten veel buitenlanders die het zware werk deden. Bij de ovens waar het aluminium van de Hoogovens werd omgesmolten en waar het loeiheet was, stonden allemaal Turkse mannen te werken. Dat werk leek me bepaald geen pretje, maar op de een of andere wijze hadden de mannen er haast altijd wel een goed humeur. Regelmatig kwam ik in de pauzes een praatje met ze maken en ze probeerden mij dan wat woordjes Turks te leren. Ik moest tegen de baas zeggen dat hij echt ‘Am’ was. Dat betekende volgens hun dat hij een heel goede baas was. Een snelle blik in een woordenboek leerde mij dat het toch echt wat anders betekende.

Op een dag deed ik iets stoms. Ik had weer eens een blikje gemeten. Ik constateerde dat het een goed blikje was – het waren haast altijd goede blikjes – en in plaats dat ik het blikje in de afvalemmer gooide, zette ik het blikje weer terug op de lopende band. Het was immers een goed blikje. Dat had ik beter niet kunnen doen. Ik zette het namelijk per ongeluk verkeerd neer en toen stond het recht overeind in plaats van dat het plat op de lopende band lag.

Dat is niet goed dacht ik. Bezorgd volgde ik het blikje. De lopende band nam het mee naar de volgende hal en ik volgde om te kijken. Daar ging de lopende band met het blikje eerst omhoog om daarna hoog in de fabriek weer horizontaal verder af te buigen. Het moest daarbij door een nauwe opening, wat geen enkel probleem was voor de liggende blikjes maar wel voor mijn staande blikje.

‘Boink’ klonk het. Mijn blikje kon niet verder. ‘Boink’, ‘Boink’, ‘Boink’, Boink’, ‘Boink’, ‘Boink’. Alle blikjes er achter konden nu ook niet verder. Het ging maar door: ‘Boink’, ‘Boink’, ‘Boink’, Boink’, ‘Boink’, ‘Boink’, Boink’, ‘Boink’, ‘Boink’, Boink’, ‘Boink’, Boink, ‘Boink’.

Opeens klonk er een alarm en de lopende band werd stil gezet. Er kwamen een aantal mensen aangelopen die verbaasd keken naar de opstopping boven in. Ik probeerde net zo verbaasd te kijken.

Het was een moeilijk bereikbare plek. De lopende band stond meer dan een uur stil.

Penvriendinnen

Het verhaal van Sylvia Witteman over het schriftje van haar grootmoeder waarin ze opschreef wat ze gekookt had en voor wie – zie het vorige blog –  deed me denken aan mijn studententijd. Ik had toen ook zo’n schriftje. Alleen daar schreef ik niet in wat ik had gekookt en voor wie, maar wat ik had geschreven en aan wie. Dat zat zo.

Als student woonde ik in een studentflat op de campus van de Technische Hogeschool Twente. Op onze flat zat een jongen die correspondeerde met enkele meisjes in het buitenland. Dat leek me ook wel leuk en ik vroeg hoe hij met die meisjes in contact was gekomen. Hij was lid van een Ierse correspondentieclub. Je betaalde eenmalig 25 gulden en je vulde een formulier in waar je kon aangeven met wat voor een soort mensen je wilde schrijven (leeftijdsklasse; mannelijk of vrouwelijk; welke landen enzovoorts). Je kreeg daarna een lijst opgestuurd met 15 namen en adressen van mensen die hadden aangegeven dat ze wel met iemand uit Nederland wilden schrijven; later werd jouw naam dan ook nog eens 20 keer doorgegeven aan nieuwe leden (en belandde je zo op hun lijstje van 15 mensen).

Ik meldde me aan, maakte de 25 gulden over en vulde het formulier in. Ik koos voor “female’, mijn eigen leeftijdsklasse en bij de landen kruiste ik als eerste Zweden aan – ik zag mij al hartstochtelijke brieven uitwisselen met zo’n blond Abba-achtig meisje. Vervolgens kruiste ik alle andere landen ook aan – het maakte mij eigenlijk niet uit waar ze vandaan kwamen en deed het formulier op de post.

Continue reading Penvriendinnen